Naar boven ↑
8.701 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0135

In deze zaak vordert de man dat zijn zus wordt veroordeeld tot betaling van smartengeld, omdat zijn zus hem de mogelijkheid zou hebben ontnomen afscheid te nemen van hun overleden moeder. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen. De man legt, in de kern, het volgende aan zijn grieven ten grondslag. Hij heeft ernstige immateriële schade geleden doordat hij de kerk vóór afloop van de afscheidsdienst heeft moeten verlaten op verzoek van de uitvaartverzorger, welk verzoek is gedaan namens de zus. Dit verzoek was in strijd met artikel 6:162 BW en met artikel 8 EVRM, dat recht geeft op het uitoefenen van ‘family life’, en daarom onrechtmatig jegens hem. De man is door de publiekelijke weigering ernstig geschaad, psychisch getekend en blijvend geraakt in zijn rouwproces. Ter onderbouwing van zijn emotionele schade wijst de man er (onder meer) op dat hij een hernia heeft. Het hof bevestigt dat het recht om afscheid te nemen van een overleden ouder een fundamenteel onderdeel is van het in artikel 8 EVRM verankerde recht op ‘family life’. Dit mensenrecht kan doorwerken in de verhouding tussen broer en zus via de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 BW. Of de zus heeft gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt als bedoeld in artikel 6:162 BW, moet worden vastgesteld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Volgens het hof kon de man er niet op vertrouwen dat hij was uitgenodigd voor de afscheidsdienst. Gegeven de verstoorde familieverhoudingen en in het bijzonder het conflict dat tussen de twee kinderen bestond, had de man dat kunnen navragen bij zijn zus. De man heeft dat niet gedaan en is zonder vooraankondiging in de kerk verschenen. Het hof gaat ervan uit dat tussen de man en de zus een pijnlijk misverstand is ontstaan over het al dan niet welkom zijn van de man bij de afscheidsdienst. Dit maakt het handelen van de zus echter nog niet onrechtmatig. Niet is gebleken dat het handelen van de zus in strijd was met de ongeschreven maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 BW. Het voorgaande betekent dat de zus niet gehouden is tot betaling van schadevergoeding aan de man. Daarbij is het van belang dat er een alternatieve mogelijkheid tot het nemen van afscheid had kunnen zijn, maar de wens om persoonlijk afscheid te nemen was niet kenbaar gemaakt.
Gerechtshof Amsterdam, 24-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0134

In 2019/2020 is tussen de eiser en de gedaagde een geschil ontstaan over (de overdracht van) een perceel grond. Daarover lopen verschillende gerechtelijke procedures tussen hen. Op 12 oktober 2020 heeft de gedaagde aan de eiser gevraagd om naar buiten te komen om in gesprek te gaan over het geschil, er is toen tussen de partijen een handgemeen ontstaan. De eiser heeft diezelfde dag aangifte gedaan van zware mishandeling. In deze zaak vordert de eiser aansprakelijkheid aan de kant van de gedaagde. De gedaagde is bij vonnis van 4 juli 2022 strafrechtelijk veroordeeld voor – voor zover hier van belang – poging tot zware mishandeling van de eiser. Het vonnis van de politierechter is in kracht van gewijsde gegaan. Gelet op de genoemde omstandigheden van het geval staat de mishandeling van de eiser door de gedaagde in rechte vast. Dit leidt tot de conclusie dat de gedaagde in beginsel onrechtmatig jegens de eiser heeft gehandeld. De gedaagde doet echter een beroep op noodweer. De rechtbank volgt dit verweer niet, het is niet aannemelijk geworden dat er sprake was van een noodzakelijke verdediging. De eiser stelt dat hij immateriële schade (psychisch letsel, wonden in zijn gezicht) en materiële schade heeft opgelopen door de onrechtmatige daad. De rechtbank is van oordeel dat de eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de onrechtmatige daad mogelijk materiële en/of immateriële schade heeft geleden. De schade kan thans niet worden begroot, deze dient nader te worden opgemaakt bij staat. Op grond van de getuigenverklaringen is voldoende komen vast te staan dat de eiser, ook nadat hij door de gedaagde was geslagen, naar de grond was gewerkt en was getrapt, de confrontatie met de gedaagde bleef opzoeken, hij zich niet liet tegenhouden door omstanders, dat hij de gedaagde in het gezicht spuugde en dat hij de spiegel en de ruitenwisser van de auto van de gedaagde vernielde. Dit geeft volgens de rechtbank een reden om 25% van de schade voor rekening van de eiser te laten. Er is onvoldoende gebleken van feiten en omstandigheden die tot een andere verdeling van schade op grond van de billijkheidscorrectie moeten leiden. Dat betekent dat voor recht zal worden verklaard dat de gedaagde voor 75% aansprakelijk is voor de door de eiser geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade.
Rechtbank Gelderland, 04-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0133

In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de Staat aansprakelijk is wegens onrechtmatige geweldsaanwending tegen de gedetineerde tijdens zijn detentie in de penitentiaire inrichting (PI). Op de gedetineerde rust in beginsel de stelplicht en de bewijslast van de gestelde mishandeling en de daardoor geleden schade. Dit is anders als uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. De rechtbank oordeelt dat deze zaak onvoldoende aanleiding geeft om de bewijslast om te keren. De rechtbank stelt voorop dat zij bij de beoordeling van de vraag of de Staat aansprakelijk kan worden gehouden wegens onrechtmatige geweldsuitoefening jegens de gedetineerde van de thans aanwezige stukken moet uitgaan, aangezien in dit deelgeschil geen plaats is voor nadere bewijslevering. Uit de door de Staat overgelegde verklaringen blijkt dat de gedetineerde weigerde mee te werken aan een (verplichte) medische intake door een verpleegkundige van de medische dienst en dat hij boos en opstandig was, wat zich uitte in het uitschelden en bedreigen van het aanwezige personeel van de PI. De rechtbank ziet geen aanwijzingen om eraan te twijfelen dat de betrokken PI-medewerkers eerst hebben geprobeerd de situatie te de-escaleren en hebben geprobeerd de gedetineerde tot bedaren te brengen en pas daarna tot toepassen van fysieke druk zijn overgegaan. Op grond van het huidige dossier blijkt niet dat het tegen de gedetineerde toegepaste geweld buitenproportioneel is geweest. De verzochte verklaring voor recht wordt afgewezen.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 05-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0132

Een man is in augustus 2019 aangehouden door de politie. Hij is daarbij meerdere keren beschoten door de politie, waardoor hij gewond is geraakt en medische behandeling nodig had. In deze zaak staat de vraag centraal of de politie op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de schade die de man hierdoor heeft geleden. De rechtbank stelt voorop dat het opzettelijk toebrengen van lichamelijk letsel door te schieten met een vuurwapen in principe onrechtmatig is. Dat is anders is als daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat, zoals wanneer de betrokken politieambtenaren op grond van de wet en de daarop berustende lagere regelgeving en beleid bevoegd waren om hun dienstwapen te gebruiken of wanneer zij handelden uit noodweer. De stelplicht en bewijslast van de feiten liggen bij de politie. Op grond van artikel 7 lid 1 van de Politiewet is een politieambtenaar bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld te gebruiken. Bij de beoordeling van het handelen van politieagenten in gevallen als het onderhavige, moet terughoudendheid worden betracht. De rechter mag niet, achteraf oordelend, zijn eigen beoordeling in de plaats stellen van die van een politieagent ‘in de hitte van de strijd’. Beoordeeld moet worden of het toegepaste geweld aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit voldoet, niet of de politieagent redelijkerwijs een andere keuze had kunnen of zelfs had moeten maken. De politie heeft zijn standpunt onderbouwd met onderzoek gedaan door de Rijksrecherche. De man heeft onder meer naar voren gebracht dat ernstig getwijfeld moet worden aan de onafhankelijkheid en betrouwbaarheid van het onderzoek, omdat een deel van het onderzoek is verricht door een team van de Rijksrecherche en onder leiding van een officier van justitie werkzaam bij een parket die beide banden hebben met politieagenten die waren betrokken bij de aanhouding van de man. De rechtbank volgt de man hierin niet. De rechtbank ziet geen aanleiding voor nadere bewijslevering door (een van de) partijen en evenmin om het onderzoek en het proces-verbaal dat daarvan is opgemaakt aan te merken als onbetrouwbaar, niet-onafhankelijk of anderszins onbruikbaar. De rechtbank zal dit proces-verbaal dan ook, voor zover nodig, gebruiken voor de verdere beoordeling. Daarnaast komt de rechtbank tot de conclusie dat het handelen van de agenten voldoet aan de vereisten van artikel 7 van de Politiewet en artikel 7 van de Ambtsinstructie. De politie is niet aansprakelijk en de rechtbank wijst alle vorderingen van de man af.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 12-11-2025

Rechtspraak

PS 2026-0131

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een aanslag op een woning. Medeverdachte 2 gaf medeverdachte 1 de opdracht om een zwaar explosief bij de woning te laten ontploffen. Medeverdachte 1 weigerde dit zelf te doen, maar regelde dat verdachte het zou uitvoeren. Verdachte voerde de opdracht vervolgens uit in ruil voor een vergoeding van € 300 en een halve gram cocaïne. De aanslag heeft zeer ernstige gevolgen gehad voor de bewoners. Het leven van het gezin, bestaande uit vader, moeder, zoon en dochter, is in één klap drastisch veranderd en totaal op zijn kop gezet. De moeder raakte bij de ontploffing zwaargewond en liep zeer ernstig beenletsel op. Hierdoor zal de moeder haar leven lang ernstig beperkt blijven in haar mobiliteit. De vader trof de moeder zwaargewond aan en vreesde dat de moeder het niet zou overleven. Door de explosie heeft de vader gehoorschade opgelopen en kampt de vader nog steeds met tinnitusklachten. De twee kinderen, beide jonge tieners, zagen de moeder zwaargewond in de hal van de woning liggen en waren bang dat de moeder zou overlijden. Naast het fysieke letsel van de moeder en de vader hebben alle gezinsleden ernstige psychische klachten ontwikkeld. De moeder en de vader hadden jarenlang een stabiele baan, maar zijn door het incident arbeidsongeschikt geraakt en zijn tot op heden niet in staat om weer te werken. De moeder heeft lichamelijk en geestelijk letsel overgehouden aan het ongeval, zij heeft een beenamputatie moeten ondergaan en heeft PTSS. De rechtbank wijst de gevorderde immateriële schade gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 200.000. Aan de vader wordt een bedrag aan immateriële schade van € 40.000 toegewezen. Daarnaast komt de vader een bedrag van € 17.500 aan affectieschade toe. Zijn partner heeft ernstig en blijvend letsel opgelopen; om die reden heeft hij recht op vergoeding van affectieschade. De kinderen van het slachtoffer, de moeder, vorderen beiden een bedrag van € 20.000 aan immateriële schade en shockschade. Daarnaast vorderen zij een bedrag van € 17.500 aan shockschade. Voor beide gevallen acht de rechtbank een bedrag van € 25.000 billijk voor de in totaal gevorderde immateriële schade en de shockschade tezamen. Tot slot acht de rechtbank in beide gevallen het gevorderde bedrag aan affectieschade billijk. In alle gevallen heeft de rechtbank bij het begroten van immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal. Bij de schatting heeft de rechtbank de aard van de aansprakelijkheid (opzetdelict) meegenomen, maar heeft zij de 25% opslag uit de aanbeveling niet een-op-een overgenomen. De 25% opslag is namelijk een aanbeveling en geen vaststaand gegeven. De rechtbank kent naast immateriële schade ook diverse materiële schadevorderingen toe. Ten aanzien van het gevorderde verlies van arbeidsvermogen volgt een niet-ontvankelijkheidverklaring.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 03-03-2026

Rechtspraak

PS 2026-0130

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een aanslag op een woning. Medeverdachte 2 gaf medeverdachte 1 de opdracht om een zwaar explosief bij de woning te laten ontploffen. Medeverdachte 1 weigerde dit zelf te doen, maar regelde dat verdachte het zou uitvoeren. Verdachte voerde de opdracht vervolgens uit in ruil voor een vergoeding van € 300 en een halve gram cocaïne. De aanslag heeft zeer ernstige gevolgen gehad voor de bewoners. Het leven van het gezin, bestaande uit vader, moeder, zoon en dochter, is in één klap drastisch veranderd en totaal op zijn kop gezet. De moeder raakte bij de ontploffing zwaargewond en liep zeer ernstig beenletsel op. Hierdoor zal de moeder haar leven lang ernstig beperkt blijven in haar mobiliteit. De vader trof de moeder zwaargewond aan en vreesde dat de moeder het niet zou overleven. Door de explosie heeft de vader gehoorschade opgelopen en kampt de vader nog steeds met tinnitusklachten. De twee kinderen, beide jonge tieners, zagen de moeder zwaargewond in de hal van de woning liggen en waren bang dat de moeder zou overlijden. Naast het fysieke letsel van de moeder en de vader hebben alle gezinsleden ernstige psychische klachten ontwikkeld. De moeder en de vader hadden jarenlang een stabiele baan, maar zijn door het incident arbeidsongeschikt geraakt en zijn tot op heden niet in staat om weer te werken. De moeder heeft lichamelijk en geestelijk letsel overgehouden aan het ongeval, zij heeft een beenamputatie moeten ondergaan en heeft PTSS. De rechtbank wijst de gevorderde immateriële schade gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 200.000. Aan de vader wordt een bedrag aan immateriële schade van € 40.000 toegewezen. Daarnaast komt de vader een bedrag van € 17.500 aan affectieschade toe. Zijn partner heeft ernstig en blijvend letsel opgelopen; om die reden heeft hij recht op vergoeding van affectieschade. De kinderen van het slachtoffer, de moeder, vorderen beiden een bedrag van € 20.000 aan immateriële schade en shockschade. Daarnaast vorderen zij een bedrag van € 17.500 aan shockschade. Voor beide gevallen acht de rechtbank een bedrag van € 25.000 billijk voor de in totaal gevorderde immateriële schade en de shockschade tezamen. Tot slot acht de rechtbank in beide gevallen het gevorderde bedrag aan affectieschade billijk. In alle gevallen heeft de rechtbank bij het begroten van immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal. Bij de schatting heeft de rechtbank de aard van de aansprakelijkheid (opzetdelict) meegenomen, maar heeft zij de 25% opslag uit de aanbeveling niet een-op-een overgenomen. De 25% opslag is namelijk een aanbeveling en geen vaststaand gegeven. De rechtbank kent naast immateriële schade ook diverse materiële schadevorderingen toe. Ten aanzien van het gevorderde verlies van arbeidsvermogen volgt een niet-ontvankelijkheidverklaring.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 03-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0129

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een aanslag op een woning. Medeverdachte 2 gaf medeverdachte 1 de opdracht om een zwaar explosief bij de woning te laten ontploffen. Medeverdachte 1 weigerde dit zelf te doen, maar regelde dat verdachte het zou uitvoeren. Verdachte voerde de opdracht vervolgens uit in ruil voor een vergoeding van € 300 en een halve gram cocaïne. De aanslag heeft zeer ernstige gevolgen gehad voor de bewoners. Het leven van het gezin, bestaande uit vader, moeder, zoon en dochter, is in één klap drastisch veranderd en totaal op zijn kop gezet. De moeder raakte bij de ontploffing zwaargewond en liep zeer ernstig beenletsel op. Hierdoor zal de moeder haar leven lang ernstig beperkt blijven in haar mobiliteit. De vader trof de moeder zwaargewond aan en vreesde dat de moeder het niet zou overleven. Door de explosie heeft de vader gehoorschade opgelopen en kampt de vader nog steeds met tinnitusklachten. De twee kinderen, beide jonge tieners, zagen de moeder zwaargewond in de hal van de woning liggen en waren bang dat de moeder zou overlijden. Naast het fysieke letsel van de moeder en de vader hebben alle gezinsleden ernstige psychische klachten ontwikkeld. De moeder en de vader hadden jarenlang een stabiele baan, maar zijn door het incident arbeidsongeschikt geraakt en zijn tot op heden niet in staat om weer te werken. De moeder heeft lichamelijk en geestelijk letsel overgehouden aan het ongeval, zij heeft een beenamputatie moeten ondergaan en heeft PTSS. De rechtbank wijst de gevorderde immateriële schade gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 200.000. Aan de vader wordt een bedrag aan immateriële schade van € 40.000 toegewezen. Daarnaast komt de vader een bedrag van € 17.500 aan affectieschade toe. Zijn partner heeft ernstig en blijvend letsel opgelopen; om die reden heeft hij recht op vergoeding van affectieschade. De kinderen van het slachtoffer, de moeder, vorderen beiden een bedrag van € 20.000 aan immateriële schade en shockschade. Daarnaast vorderen zij een bedrag van € 17.500 aan shockschade. Voor beide gevallen acht de rechtbank een bedrag van € 25.000 billijk voor de in totaal gevorderde immateriële schade en de shockschade tezamen. Tot slot acht de rechtbank in beide gevallen het gevorderde bedrag aan affectieschade billijk. In alle gevallen heeft de rechtbank bij het begroten van immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal. Bij de schatting heeft de rechtbank de aard van de aansprakelijkheid (opzetdelict) meegenomen, maar heeft zij de 25% opslag uit de aanbeveling niet een-op-een overgenomen. De 25% opslag is namelijk een aanbeveling en geen vaststaand gegeven. De rechtbank kent naast immateriële schade ook diverse materiële schadevorderingen toe. Ten aanzien van het gevorderde verlies van arbeidsvermogen volgt een niet-ontvankelijkheidverklaring.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 03-03-2026

Rechtspraak

PS 2026-0128

Strafrecht. Het slachtoffer werd op 20 november 2022 op koelbloedige wijze door de mededader van de verdachte voor zijn eigen woning doodgeschoten. Het slachtoffer is ter plekke aan zijn verwondingen overleden. De verdachte heeft zijn mededader bewogen deze moord te plegen, door daar een geldbedrag van € 20.000 tegenover te stellen en inlichtingen te verstrekken over het slachtoffer. De partner van het slachtoffer heeft zich als benadeelde partij gevoegd, zij vordert in hoger beroep een bedrag van € 55.313,00 aan immateriële schade. Het hof wijst het gevorderde bedrag aan affectieschade van € 20.000 toe. Het hof stelt de schokschade naar billijkheid vast op een bedrag van € 10.000. Zij is direct na de schietpartij haar huis uitgelopen, waar zij werd geconfronteerd met het dodelijk gewonde lichaam van haar partner. Deze emotionele schok heeft bij de benadeelde partij geleid tot geestelijk letsel. Zij is door een GZ-psycholoog gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis, waarvoor zij onder meer EMDR-therapie heeft gehad. Daarnaast heeft een naaste van het slachtoffer zich op grond van artikel 6:107 lid 1 sub b BW en artikel 6:108 lid 3 BW ook gevoegd als benadeelde partij. De affectieschade wordt toegewezen tot €17.500. Tot slot hebben de kinderen van het slachtoffer zich gevoegd als benadeelde partijen en een bedrag van € 50.000 aan immateriële schade gevorderd. Het hof acht voor de vergoeding van de affectieschade een bedrag van € 20.000 billijk. Echter stelt het hof dat in dit geval niet gezegd kan worden dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante, nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Anders dan de rechtbank is het hof dan ook van oordeel dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen voor zover die zien op vergoeding van immateriële schade op grond van schade door de aantasting in de persoon op andere wijze.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 20-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0127

Strafrecht. De verdachte heeft het slachtoffer ’s nachts uit het niets door het hoofd geschoten toen hij naast zijn vriendin in bed lag. Het slachtoffer is enkele dagen later komen te overlijden. Na het schieten heeft de verdachte de vrouw onder ernstige bedreigingen gedwongen haar sieraden aan hem af te geven. De kleindochter en de kleinzoon hebben beiden een bedrag van € 16.000 aan schokschade gevorderd. De zoon van het slachtoffer heeft € 17.500 aan affectieschade, € 16.000 aan schokschade en € 17.500 immateriële schade na overerving gevorderd. De dochter heeft € 17.500 aan affectieschade en € 16.000 aan schokschade gevorderd. De schoondochter heeft € 16.000 aan schokschade gevorderd. Tot slot heeft de vriendin van het slachtoffer € 17.500 aan affectieschade en € 30.000 aan schokschade gevorderd. Het hof oordeelt dat de zoon en de dochter van het slachtoffer behoren tot de in artikel 6:108 lid 4 BW genoemde naasten. De hoogte van de gevorderde schadevergoedingen correspondeert met de voor deze naasten in het Besluit vergoeding affectieschade genoemde bedragen en de vorderingen worden toegewezen. Het hof oordeelt dat de vriendin van het slachtoffer niet kan worden aangemerkt als een van de in de wet aangewezen kring van gerechtigden, gelet op de omstandigheid dat zij niet met het slachtoffer was getrouwd, zij geen geregistreerde partners van elkaar waren en zij tevens geen duurzame gemeenschappelijke huishouding voerden. Het hof wijst de vordering ten aanzien van de gevorderde affectieschade daarom af. Het hof oordeelt over de gevorderde shockschade dat uit de stukken blijkt dat de benadeelde partijen (de kleindochter, de zoon, de dochter en de schoondochter) geestelijk letsel hebben en dat dit (mede) is veroorzaakt door de emotionele schok die zij hebben ervaren door de confrontatie met de ernstige gevolgen van het primair bewezenverklaarde. Het hof wijst diverse bedragen toe, daarbij verwijzend naar de Rotterdamse schaal. Indien tevens affectieschade is toegekend wordt daarmee rekening gehouden door het hof. Tot slot oordeelt het hof over de vordering van de zoon en dochter met betrekking tot de immateriële schade (van het slachtoffer) na overerving. Volgens de zoon en dochter is het evident dat hun vader heeft geleden als gevolg van de schietverwondingen. Uit de in het dossier uitgewerkte 112-opname volgt dat het slachtoffer door het schot niet direct is overleden maar zich in meer of mindere mate bewust is geweest van zijn verwonding en ernstige pijn heeft geleden. Hij heeft volgens aangeefster zelfs nog wat laatste woorden geprobeerd te opperen. Hij heeft vervolgens echter snel het bewustzijn verloren. Vrijwel direct na het schietgeweld is hij in coma geraakt en is tot aan zijn overlijden niet meer uit die vegetatieve toestand gekomen. Tot vrij recent was in de rechtspraak aangenomen dat slachtoffers die in comateuze toestand verkeren, immateriële schade konden lijden die voor vergoeding in aanmerking komt. De Hoge Raad heeft echter bij arrest van 8 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1055) uitgemaakt dat die specifieke omstandigheid (het ‘directe en blijvend verlies van bewustzijn’) geen vergoedingsgrondslag kan opleveren. Om tóch tot enige toewijsbare immateriële schade te komen, zal meer inzicht moeten worden verkregen in letterlijk de aard en duur van de laatste bewuste momenten van het leven van het slachtoffer. Naar het oordeel van het hof levert de behandeling van deze post een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof bepaalt dat de zoon en dochter niet-ontvankelijk zijn in hun vordering.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 27-02-2026