Naar boven ↑
8.803 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0245

Deelgeschil. De vrouw is in het restaurant van een afstapje gevallen en heeft toen haar rechterarm gebroken. Zij heeft het restaurant aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van haar val. De aansprakelijkheidsverzekeraar van het restaurant heeft de aansprakelijkheid afgewezen. De vrouw vraagt in dit deelgeschil om te beslissen dat het restaurant aansprakelijk is voor de gevolgen van haar val en dat het restaurant hoofdelijk gehouden is haar materiële en immateriële schade te vergoeden. De vrouw beroept zich primair op artikel 6:174 BW in samenhang met artikel 6:181 BW. Subsidiair beroept zij zich op artikel 6:162 BW. Het gaat in de procedure om een Rijksmonument met binnen meerdere niveauverschillen. Dat is ook niet in geschil. Naar het oordeel van de rechtbank zijn niveauverschillen in een pand als dit ook te verwachten. Van een bezoeker mag daarom de nodige oplettendheid worden verwacht en worden verwacht dat deze met niveauverschillen rekening houdt. De kans om bij de ingang over het afstapje te vallen, is naar het oordeel van de rechtbank klein. Het gaat om een afstapje van 11 centimeter dat duidelijk zichtbaar is, ook omdat het om verschillende materialen gaat. Het hogere gedeelte is van hout en het lagere van beton en daar tussenin zit een ijzeren strip. De vrouw is ongelukkig ten val gekomen met naar letsel en ook nog een vervelende nasleep na (complicaties bij) de tweede operatie, maar de kans dat het opstapje ernstig letsel kan veroorzaken, acht de rechtbank klein. Naar het oordeel van de rechtbank had het restaurant de door de vrouw genoemde veiligheidsmaatregelen niet hoeven te treffen omdat het afstapje duidelijk genoeg te zien is, onder meer door de verschillende materialen (beton, ijzer, hout). De conclusie is dat het restaurant niet aansprakelijk is voor de gevolgen van de val van de vrouw, niet op grond van artikel 6:174 BW (gebrekkige opstal) en niet op grond van artikel 6:162 BW (gevaarzetting).
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 19-05-2026

Rechtspraak

PS 2026-0243

Werknemer is in dienst getreden bij de werkgever onder andere als arts in opleiding. De werknemer en collega-artsen hebben meerdere meldingen gemaakt over de werkdruk. De werknemer is meerdere malen uitgevallen. De bedrijfsarts heeft geconstateerd dat de reden voor uitval werkgerelateerd is en gelegen in knelpunten in de arbeidsrelatie. De werknemer is een aantal maanden vrijwillig opgenomen op de crisisdienst van het ziekenhuis. De psychiater heeft op 27 november 2015 geconstateerd dat overbelasting in de werksfeer in etiologische zin een rol speelt, dat de mediationafspraak hem onder de huidige omstandigheden niet geschikt lijkt en een afspraak met de leidinggevende/werkgever door de werknemer alleen te ontraden is. Het UWV heeft in het deskundigenoordeel geoordeeld dat de re-integratie-inspanningen van de werkgever onvoldoende waren. De partijen zijn in mediation gegaan waarna de werknemer bij een andere zorginstelling werkzaamheden heeft verricht in verband met de re-intergratieverplichtingen. De werkgever heeft bij het UWV een ontslagvergunning aangevraagd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, deze is verleend. De werknemer ontvangt sinds 25 januari 2017 een WIA-uitkering en sinds 17 augustus 2018 een IVA-uitkering op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid. De werknemer vordert in deze procedure dat de werkgever aansprakelijk is voor de schade die zij als gevolg van de arbeidsomstandigheden heeft geleden en nog lijdt. De werknemer legt hieraan ten grondslag dat bij de werkgever sprake was van een verhoogde psychosociale arbeidsbelasting. De werkgever stelt primair dat de vordering van de werknemer is verjaard. Subsidiair betwist de werkgever dat sprake was van schadelijke werkomstandigheden of schending van de zorgplicht. De kantonrechter is van oordeel dat de vordering op verjaring niet slaagt. De kantonrechter oordeelt voorts dat de werknemer onvoldoende heeft onderbouwd dat het beleid van de werkgever heeft gezorgd voor schadelijke werkomstandigheden. Hetzelfde geldt voor de door de werknemer ervaren problemen rondom verlofaanvragen, declaraties en salaris. Verder kan de kantonrechter het zich voorstellen dat de werknemer veel stress heeft ervaren vanwege de herregistratie, maar onvoldoende is gebleken dat het niet kunnen herregistreren te wijten is aan de werkgever. Verder is niet gebleken dat de werkgever haar re-integratie-inspanningen heeft veronachtzaamd. Weliswaar heeft het UWV op 8 december 2015 geoordeeld dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende waren, maar het UWV heeft de werkgever verder nooit maatregelen of sancties opgelegd. De werkgever heeft steeds de adviezen van de bedrijfsarts opgevolgd. Op grond van het voorgaande concludeert de kantonrechter dat de werkdruk van de werknemer weliswaar hoog was, maar dat de werkgever daarvoor voldoende oog heeft gehad en maatregelen heeft genomen. Van gevaarlijke of schadelijke werkomstandigheden in de zin van artikel 7:658 BW is daarom binnen de gegeven omstandigheden geen sprake geweest. De vorderingen van de werknemer worden daarom afgewezen.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 28-05-2026

Rechtspraak

PS 2026-0240

De vrouw is aangereden door een onverzekerde crossmotor. Zij heeft daarbij ernstig letsel opgelopen. Het ongeluk vond plaats tijdens een zogenoemde ‘meeting’ van (jonge) mensen met (cross)motoren en bromfietsen, waarmee sommige aanwezigen hard reden en stunts deden. Een van de deelnemers reed daar op een crossmotor die hij had geleend. Deze crossmotor had geen kenteken en was niet tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd. Hij is tegen de vrouw aangereden. Zij heeft als gevolg van het ongeval (onder meer) een gebroken linkerkuit- en scheenbeen opgelopen. In deze zaak gaat het om de vraag of de schade die zij daardoor leed geheel of gedeeltelijk voor haar eigen risico komt. De schade die de vrouw leed moet door het Waarborgfonds worden vergoed indien en voor zover de crossmotorrijder vanwege zijn rijgedrag aansprakelijk is voor die schade (art. 25 lid 1 WAM). De rechtbank oordeelt dat de bestuurder van de crossmotor, gelet op zijn strafrechtelijke veroordeling, aansprakelijk is op grond van artikel 6:162 BW in verband met gevaarlijk rijgedrag. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden aangenomen dat de omstandigheid dat de vrouw naar de meeting is gegaan en daaraan deelnam heeft bijgedragen aan het ontstaan van haar schade. Het mag zo zijn dat als zij daar niet was geweest, zij niet zou zijn aangereden door de motorcrossrijder, maar dat is niet voldoende om een voor ‘eigen schuld’ relevant causaal verband aan te nemen. Wel kan worden aangenomen dat de vrouw op dezelfde weg reed als de motorcrossrijder, zij besloot aan het eind van het verharde deel naar links te gaan (en al of niet te stoppen). De vrouw had de motorcrossrijder voor moeten laten gaan. Daarbij is van belang dat niet in geschil is dat hoewel het ging om een stuk weg dat nog niet klaar was, wel sprake was van openbare weg waarop verkeersregels gelden. Omdat beide partijen een verwijt valt te maken over het ontstaan van het ongeval en dus van de schade, moet de vergoedingsplicht van de motorcrossrijder verminderd worden met het deel van de schade dat het gevolg is van de aan de vrouw toe te rekenen omstandigheid dat zij de motorcrossrijder niet liet voorgaan. De rechtbank is van oordeel dat het ongeval in overwegende mate is veroorzaakt door de motorcrossrijder. Dat leidt ertoe dat de rechtbank aanneemt dat de aan hem toe te rekenen omstandigheden voor 75% hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade en de aan de vrouw toe te rekenen omstandigheden voor 25%. Echter is de rechtbank het met de vrouw eens dat de billijkheidscorrectie moet worden toegepast. In dit geval moet dat leiden tot een andere verdeling dan die op basis van causaliteit. De rechtbank komt tot een billijkheidscorrectie van 85%. De rechtbank komt tot de slotsom dat het Waarborgfonds gehouden is om 85% van de schade van de vrouw als gevolg van het ongeval te vergoeden.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 23-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0239

Dit geschil heeft betrekking op een verkeersongeval van de motorrijder in de nacht van 29 mei 2022. Hij is in een bocht tegen een geparkeerd staande auto gebotst en ten val gekomen. Aan de val ging een achtervolging door een (bestuurder van een) politievoertuig vooraf. De motorrijder heeft bij de val ernstig letsel opgelopen. Volgens hem was de politie betrokken bij het ongeval en zijn de politie en de WAM-verzekeraar van het voertuig aansprakelijk voor de gevolgen daarvan. De WAM-verzekeraar heeft namens de politie aansprakelijkheid afgewezen. Er heeft een onderzoek door de Rijksrecherche plaatsgevonden naar het ongeval. Op grond van de conclusie van dit onderzoek heeft het openbaar ministerie vastgesteld dat de motorrijder door eigen toedoen met zijn motor ten val is gekomen en dat de politie daarbij geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De motorrijder heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van 12 november 2024 heeft het gerechtshof het beklag van de motorrijder in al zijn onderdelen afgewezen. Volgens de motorrijder heeft de politie gehandeld in strijd met artikel 5 en 6 WVW. De Politie c.s. heeft dit gemotiveerd betwist. Het ongeval is ontstaan doordat motorrijder met te hoge snelheid een bocht naderde en bij het remmen voor die bocht onderuit is gegaan. Er is geen sprake geweest van een aanrijding. Ook was er geen sprake van dat de motorrijder een manoeuvre heeft moeten maken om een aanrijding te voorkomen. Hij had op ieder moment van de relatief korte achtervolging zijn gas kunnen terugnemen. Er is niet voldaan aan de vereisten van artikel 5 of 6 WVW. Subsidiair doet de motorrijder een beroep op onrechtmatig handelen van de politie in verband met strijd met (onder meer) de Brancherichtlijn Politie 2021. De rechtbank komt tot de conclusie dat niet in strijd met de richtlijn is gehandeld, ook niet door een geringe overschrijding van de toegestane snelheidsbegrenzing, die immers was ingegeven om het kenteken te kunnen lezen. Ter zitting heeft de motorrijder nog verklaard dat hij het stopteken niet heeft gezien en evenmin de optische en geluidssignalen heeft gezien/gehoord tot vlak voor de bocht waarin hij ten val is gekomen. Toen merkte hij de signalen op en is door een schrikreactie ten val gekomen. De rechtbank kan niet zonder meer uitgaan van de juistheid van hetgeen de motorrijder heeft verklaard omdat hij de enige is die dit heeft verklaard en er eerder bij de motorrijder geen herinneringen bestonden direct voorafgaand aan het ongeval. De motorrijder heeft ook aangevoerd dat er sprake was van opjagen ook nadat het kenteken bekend was. De rechtbank stelt vast op grond van de verklaringen en de bevindingen op grond van de bodycambeelden dat sprake was van een relatief korte achtervolging en dat nadat door de politie geconstateerd was wat het kenteken van de motor was, de snelheid van de politieauto is afgenomen en de motor uitliep op de politie. Nu kort daarop het ongeval plaatsvond is naar het oordeel van de rechtbank van opjagen geen sprake. Er zijn geen steekhoudende redenen aangevoerd die leiden tot de slotsom dat van de kant van de bestuurder of de bijrijder van de politieauto onrechtmatig is gehandeld en dat door dit onrechtmatig handelen het ongeval is ontstaan. Slotsom is dat de Politie c.s. niet aansprakelijk zijn voor het ontstaan van het ongeval en het ernstige letsel van de motorrijder.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 23-04-2026