Naar boven ↑
8.544 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0641

In 2017 heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen een vrouw, die toen reed in een auto, en een man, die toen reed op een motorfiets. De man is overleden aan de gevolgen van de aanrijding. De kantonrechter heeft in 2019 in een strafzaak tegen de vrouw bewezen verklaard dat de vrouw bij het verlaten van het parkeervak naast de straat geen voorrang verleend heeft aan de motorrijder. In deze civiele procedure is onderwerp van debat of de verzekeraar van de motorrijder gehouden is schade te vergoeden aan de vrouw voor de schade die zij stelt geleden te hebben als gevolg van de aanrijding. Volgens de vrouw reed de motorrijder te hard en is de aanrijding mede aan de verkeersfout van de motorrijder te wijten. De rechtbank oordeelt dat de feiten en omstandigheden die de vrouw naar voren brengt niet voldoende aannemelijk zijn geworden. Het inschatten van een snelheid door derden, die zich op het moment van voorbijrijden van de motoren niet voortbewogen in een auto of op een motor, is al lastig, waarbij het (harde) geluid van de uitlaatpijpen de inschatting van de snelheid ook onbewust beïnvloed kan hebben. Dat maakt dat de getuigenverklaringen met een zekere behoedzaamheid beoordeeld moeten worden. De juistheid van de stelling van de vrouw dat de motorrijder te hard gereden heeft binnen de bebouwde kom kan op basis van de bewijsstukken niet aangenomen worden. Dat betekent dat evenmin vastgesteld kan worden dat de aanrijding mede door toedoen van een verkeersfout van de motorrijder is ontstaan. Het gevolg is dat de vorderingen van de vrouw zullen worden afgewezen.
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 23-04-2025

Rechtspraak

PS 2025-0640

Deelgeschil. Na een messteek in zijn linkerarm bleef een man klachten houden aan zijn linkerschouder. Zijn huisarts heeft hem uiteindelijk verwezen naar een orthopedisch chirurg, die hem een lidocaïne-kenacort injectie in zijn schouder heeft gegeven. Kort daarna werd de man ziek. Zijn huisarts heeft hem thuis bezocht en uitgesloten dat het een (bacteriële) artritis kon zijn. Er was echter wel sprake van septische artritis en daarna een fasciitis necroticans. De man is toen geopereerd. Een van de schouderspieren in zijn linkerschouder is verwijderd. Na de operatie ontstond orgaanfalen in de nieren en ontwikkelde zich een compartimentssyndroom in de onderbenen. Ook aan zijn benen is hij geopereerd. De voetheffersspieren zijn verwijderd. De man heeft aan de operaties ernstig en blijvend letsel overgehouden. Dat het oordeel van de huisarts een fout was heeft de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van de huisarts erkend. Over wat de gevolgen van die fout zijn verschillen partijen van mening. De man is ervan overtuigd dat hij er beter aan toe zou zijn als de huisarts de fout niet had gemaakt. Volgens de huisarts zou de situatie van de man niet anders zijn geweest dan die nu is. De rechtbank gaat er onder verwijzing naar uitlatingen van de onafhankelijke deskundige van uit dat man 25-40% kans had gehad op restklachten en/of beperkingen aan de schouder en dat de andere aandoeningen en beperkingen niet zouden zijn opgetreden. Hij zou er dus beduidend beter aan toe zijn geweest dan nu het geval is. In dit deelgeschil kan de rechtbank de aard en omvang van de beperkingen die zouden resteren niet vaststellen. De man vraagt een voorschot van € 100.000 op de schadevergoeding. De informatie die nodig is om iets te kunnen zeggen over de hoogte van de schade is nu nog niet beschikbaar, maar toch vindt de rechtbank het aannemelijk dat de man meer schade lijdt dan het bedrag dat hij tot nu toe heeft ontvangen. Voor de pijnklachten die de man aan zijn schouder bleef houden werd de lidocaïne-kenacort injectie toegediend. Het idee van die injectie was dat de pijn zou (kunnen) verminderen. Anders gezegd, zonder fout was er dus niet alleen een kans dat de man geen restklachten zou hebben gehad maar ook dat de aanhoudende pijn na de lidocaïne-kenacort injectie zou zijn verminderd. De huidige situatie van de man brengt in ieder geval meer (zorg- en on)kosten met zich mee en rechtvaardigt daarnaast een hoger bedrag aan smartengeld (dan in scenario’s zonder de fout). De rechtbank bepaalt het bedrag van een aanvullend voorschot op € 25.000.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 20-11-2025

Rechtspraak

PS 2025-0638

In 2016 heeft een oogarts van een dagbehandelcentrum een ooglaserbehandeling aan beide ogen van een man uitgevoerd. Hierna ondervond de man klachten. In een tussenarrest heeft het hof geconcludeerd dat de oogarts niet heeft voldaan aan de wettelijke informatieplicht en dat er is tekortgeschoten in de uitvoering van de behandelingsovereenkomst. In het tussenarrest heeft het hof overwogen dat bij de man niet ter discussie staat dat er bij hem sprake is van het drogeogensyndroom en dat zijn klachten daaruit voortvloeien. In de akte na tussenarrest van de zijde van de oogarts wordt betoogd dat dit wel ter discussie staat. De betwisting van de oogarts is van onvoldoende gewicht tegenover de weergegeven bevindingen van de deskundige. Het hof volgt de conclusie van deskundige dat sprake is van een matige tot ernstige keratoconjunctivitis sicca (drogeogensyndroom). Daarnaast had het hof de oogarts in het tussenarrest opgedragen te onderbouwen dat een Schirmertest bij de gelaedeerde geen toegevoegde waarde had en dat er voorafgaand aan de laserbehandeling in 2016 geen sprake was van (chronisch) droge ogen bij de man. Het hof oordeelt dat de oogarts geen adequaat antwoord heeft gegeven op de vraag waarom de test geen toegevoegde waarde zou hebben. Daarnaast volgt uit het deskundigenbericht niet dat er geen sprake was van droge ogen bij de gelaedeerde voor 2016. Gezien het voorgaande kan dan ook niet worden vastgesteld dat bij de man, ondanks het ontbreken van adequaat onderzoek daarnaar, sprake was van een normale traanfilm en traanproductie en dat geen sprake was van een (relatieve) contra-indicatie voor het uitvoeren van de laserbehandelingen. Hiermee liep de man een verhoogd risico op de ontwikkeling van het drogeogensyndroom. Het hof constateert wederom dat de oogarts tekortgeschoten is in de informatieverstrekking voorafgaand aan de behandeling en ook tekort is geschoten door het niet uitvoeren van het vereiste onderzoek naar traanfilm en traanvocht. Met betrekking tot de herbehandeling heeft het hof geoordeeld dat deze het directe gevolg is van de tekortkoming van de oogarts bij de behandeling in 2016. De toestemming die de man heeft gegeven voor deze herbehandeling in 2017 was ingegeven door de door hem gevoelde noodzaak om van de klachten na de behandeling in 2016 af te komen. Dat is niet gelukt. Dat betekent dat de oogarts gehouden is de schade die hieruit is voortgevloeid te vergoeden. Het principaal hoger beroep slaagt niet.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 25-11-2025

Rechtspraak

PS 2025-0636

Een moeder is gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. In het kader van de hersteloperatie toeslagen heeft de Staat een forfaitaire compensatie van € 57.072 aan de moeder en haar kinderen toegekend. Daarnaast is een bedrag van € 129.513 aan aanvullende (deels immateriële) schadevergoeding toegekend. Er is bezwaar ingesteld tegen dit besluit. De moeder en de kinderen verzoeken de rechtbank tot benoeming van een psychiater en een arbeidsdeskundige over te gaan. Zij stellen dat zij meer schade hebben geleden dan wat tot nu toe aan hen is vergoed. De Staat voert aan dat er sprake is van niet-ontvankelijkheid van de moeder en de kinderen omdat gebruik is gemaakt van de bestuursrechtelijke route. De rechtbank volgt de Staat niet in dit verweer. Het enkele feit dat er al voor een bestuursrechtelijk traject is gekozen leidt niet tot een van de mogelijke afwijzingsgronden. Het feit dat in het bestuursrechtelijke traject nog niet vaststaat wat de omvang van de schadevergoeding is en dus nog niet vaststaat of het uiteindelijk in deze procedure vastgestelde bedrag toereikend is is wel relevant. Indien een deskundigenbericht zou worden bevolen, kan aan de hand van de uitkomst daarvan op dit moment geen vergelijking worden gemaakt met dat bedrag. De moeder en de kinderen kunnen aan de hand van het deskundigenbericht geen inschatting maken van de proceskansen, terwijl de regeling waarop zij nu een beroep doen daarvoor wel bedoeld is. Dit betekent dat het door haar ingestelde verzoek prematuur is en om die reden zal worden afgewezen. De rechtbank oordeelt (ook) dat de moeder en de kinderen onvoldoende aanknopingspunten naar voren hebben gebracht om aan te kunnen nemen dat een psychiatrisch onderzoek nodig is. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de vermelding dat een van de ouders vanwege de stopzetting van de kinderopvangtoeslag moest stoppen met werken om voor de kinderen te zorgen, op zichzelf ook onvoldoende aanknopingspunten oplevert voor een arbeidsdeskundig onderzoek gericht op deze ouder. Niet valt in te zien dat de eventuele schade die daaruit volgt door middel van een kostbaar arbeidsdeskundig onderzoek moet worden onderzocht. De rechtbank wijst het verzoek af. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat als een deskundigenonderzoek zou worden gelast, verzoekers er rekening mee moeten houden dat zij – conform de hoofdregel – daarvan zelf de kosten moeten voorschieten. Niet is betwist dat er al een traject beschikbaar is voor de vaststelling van schade wegens de aansprakelijkheid van de Staat waarin de schade die is geleden door deze aansprakelijkheid civielrechtelijk wordt getoetst. Hoewel het verzoekers vrijstaat om, naast de reeds ingeslagen bestuursrechtelijke route, ook te kiezen voor een civielrechtelijke route, zorgt dit er wel voor dat er geen aanleiding is om van de hoofdregel ten aanzien van het voorschot af te wijken.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 03-12-2025

Rechtspraak

PS 2025-0635

Een moeder is gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. De moeder en haar meerderjarige kinderen hebben de Staat aansprakelijk gesteld. De Staat heeft jegens de moeder en haar meerderjarig kind aansprakelijkheid erkend voor de besluiten met betrekking tot de jaren waarvoor door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) compensatie is toegekend. De moeder en de kinderen verzoeken de rechtbank tot benoeming van een psychiater en een arbeidsdeskundige over te gaan. Zij stellen dat zij meer schade hebben geleden dan het uitgekeerde compensatiebedrag en dat sprake is van psychische klachten. Dat de toeslagenaffaire bij de moeder mogelijk heeft geleid tot psychische problematiek is voldoende toegelicht in de overgelegde aansprakelijkstelling. Ondanks dat de Staat geen verweer heeft gevoerd tegen de benoeming van een psychiater wijst de rechtbank het verzoek van de minderjarige kinderen echter af. Ten aanzien van hen is namelijk in het geheel niets concreet gesteld omtrent psychische gevolgen. Het verzoek is niet ter zake dienend. De rechtbank oordeelt dat er voldoende aanknopingspunten zijn dat de moeder inkomensschade heeft geleden als gevolg van de toeslagenaffaire, zodat een arbeidsdeskundig onderzoek daarover uitsluitsel kan geven. Wat betreft de thans meerderjarige kinderen ligt dit anders. Daaromtrent geldt dat in het geheel niet is onderbouwd dat er mogelijk schade is geleden waarvoor een arbeidsdeskundig onderzoek nodig is om deze schade en het causaal verband van deze schade met de toeslagenaffaire aan te tonen. Het arbeidsdeskundig onderzoek van de moeder zal alleen plaatsvinden als het psychiatrisch onderzoek daartoe aanleiding geeft. De rechtbank gaat over tot benoeming van een psychiater waarbij voor het onderzoek gebruik kan worden gemaakt van een psycholoog. Ten aanzien van het verzoek tot benoeming van een arbeidsdeskundige houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan. Tot slot past de rechtbank de vraagstelling van beide onderzoeken voor een deel aan.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 03-12-2025

Rechtspraak

PS 2025-0634

Een vrouw is betrokken geweest bij een verkeersongeval. De verzekeraar heeft de aansprakelijkheid erkend en een bedrag van € 17.000 aan schadevergoeding uitgekeerd. De vrouw stelt dat het ongeval diverse gezondheidsklachten bij haar veroorzaakt heeft. Zij vordert een voorschot van € 90.000 op de door haar geleden en nog te lijden schade en daarnaast een bedrag aan buitengerechtelijke kosten. De verzekeraar betwist het bestaan van de gestelde gezondheidsklachten en het causaal verband met het ongeval. Zij stelt dat de schade niet meer bedraagt dan de al verstrekte voorschotten. De rechtbank is van oordeel dat de hoofdpijnklachten en de pijnklachten aan de nek en de schouder aan de maatstaf van een plausibel – in de zin van: consequent, consistent en samenhangend – patroon van klachten voldoen. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat er sprake is van een causaal verband tussen het ongeval en de klachten. Gekeken dient te worden of de klachten van het ongeval tot de beperkingen leiden. De rechtbank komt tot de conclusie dat een deel van de klachten, namelijk de nek-, schouder- en hoofdpijnklachten, in juridisch causaal verband staan met het ongeval. Voor de onderrugklachten, tintelend gevoel in de armen, functioneel neurologische stoornis en psychische klachten staat het causaal verband met het ongeval niet vast. De rechtbank acht aannemelijk dat uit de klachten die vaststaan, gezien de blijvende aard ervan, in ieder geval enige beperkingen voortvloeien die van invloed zijn op haar algehele functioneren en verdienvermogen en dat de vrouw als gevolg daarvan schade lijdt. Onduidelijk is echter, bij gebrek aan een onafhankelijk deskundigenrapport van een verzekeringsgeneeskundige en (eventueel) daaropvolgend van een arbeidsdeskundige en een gespecialiseerd rekenkundige, wat de ernst en de impact van die beperkingen zijn voor onder andere het verdienvermogen en in welke mate de vrouw als gevolg daarvan schade heeft geleden. De vrouw heeft op dit punt niet aan haar stelplicht voldaan. Om deze reden oordeelt de rechtbank dat het gevorderde voorschot dient te worden afgewezen. Evenmin kan worden vastgesteld dat de schade die al is vergoed volledig is. De door de verzekeraar op dit punt gevorderde verklaring voor recht moet daarom eveneens worden afgewezen.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 03-12-2025