Naar boven ↑
8.803 resultaten

Rechtspraak

PS 2024-0350

Deelgeschil. Zwembadmedewerkster is tijdens de uitoefening van haar werkzaamheden een arbeidsongeval overkomen. Zij zat in een toezichtstoel met een zichthoogte van 1,70 meter bij een van de buitenbaden, toen een collega met een schepnet met daarin een dode muis langsliep. Hiervan is de vrouw, die een angst heeft voor muizen, zo hevig geschrokken dat zij haastig de toezichtstoel heeft verlaten, daarbij de tweede trede heeft gemist en zich vervolgens ernstig heeft verstapt. Daarbij is zij met haar volle gewicht op haar knie terechtgekomen, waarbij zij letsel heeft opgelopen. In deze procedure vordert de vrouw dat de gemeente Eindhoven aansprakelijk is voor alle door haar als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade. De rechtbank oordeelt dat gelet op de hoogte en de bouw van de stoel (vergelijkbaar met een ‘hoge barkruk’ met drie ver uit elkaar staande smalle treden, zonder leuning) een verhoogd risico bestaat dat medewerkers van de gemeente zich bezeren, in het geval dat zij deze toezichtstoel moeten verlaten. De kantonrechter vindt dit geen alledaags risico waarop de vrouw alert had moeten zijn. Daarbij neemt de kantonrechter mede in aanmerking dat er een verhoogd risico is dat een zweminstructeur bij een onvoorziene situatie (dus als deze schrikt of vanwege een andere reden, bijvoorbeeld bij een acute noodsituatie in een van de buitenbaden, zo snel mogelijk de toezichtstoel wil verlaten) uit deze toezichtstoel springt of voorwaarts deze toezichtstoel uitklimt. Bovendien kan en mag van de gemeente worden verlangd dat zij haar werknemers instrueert over de wijze waarop ongedierte op een voor eenieder veilige wijze uit het zwemwater kan worden verwijderd en opgeruimd en het staat vast dat dit in deze zaak niet is gebeurd. De gemeente is aansprakelijk ex artikel 7:658 BW.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie Eindhoven), 12-07-2024

Rechtspraak

PS 2024-0348

Deelgeschil. Uitzendkracht van de gemeente komt tijdens de uitoefening van haar werkzaamheden ten val, doordat zij – zoals zij stelt – is gaan zitten op een kapotte stoel van de gemeente als gevolg waarvan de armleuning afbrak, zij haar evenwicht verloor en uiteindelijk achterover is gevallen met haar hoofd en rug tegen de muur. Zij stelt de gemeente aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval. De rechtbank oordeelt dat in dit geval sprake is van een huis-tuin-en-keukenongeval. Redengevend daarbij is dat het gaan zitten op een voorwerp, op zichzelf beschouwd een situatie is die een normaal risico inhoudt, zodat een werkgever niet gehouden is tot het geven van specifieke instructies of het nemen van specifieke maatregelen. Dit is slechts anders indien de werkgever bijvoorbeeld ondeugdelijke voorwerpen ter beschikking stelt. Anders dan wat de vrouw naar voren heeft gebracht, stelt de gemeente dat de vrouw een beensteun heeft gepakt die niet bestemd is om op te gaan zitten. Daarnaast heeft de gemeente onbestreden aangevoerd dat na de val geen kapotte stoel is gemeld of gezien. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld dat de vrouw op een ondeugdelijke stoel van de gemeente is gaan zitten waardoor het ongeval heeft kunnen gebeuren. Dat anderszins sprake was van een onveilige werkomgeving, is niet gebleken. De gemeente heeft de op haar rustende zorgplicht niet geschonden en is dus niet aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 11-07-2024