Strafrecht. Verdachte wordt schuldig bevonden van tweemaal verkrachting, ontucht met personen beneden 16 jaar (meermaals gepleegd) en een poging daartoe, kinderpornografie vervaardigen en in bezit hebben, wederrechtelijke vrijheidsberoving, poging tot afpersing/diefstal met geweld en diefstal. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat een van de slachtoffers die zich als benadeelde partij heeft gevoegd immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen. Er is sprake geweest van wederrechtelijke vrijheidsberoving, verkrachting en poging tot afpersing/diefstal met geweld. De destijds minderjarige benadeelde werd gedwongen tot het verrichten van onbeschermde seksuele handelingen bij een willekeurig persoon. Ook werd zij hiervoor geconfronteerd met ernstig geweld. Dit alles gebeurde middenin de nacht op een desolate plek. Vanwege posttraumatische stressklachten heeft benadeelde een traumabehandeling gevolgd, die in eerste instantie na vijf maanden werd afgerond wegens de afname van klachten. Echter door een terugval in klachten is benadeelde hierna opnieuw aangemeld bij een psycholoog en zijn de therapieën en gesprekken weer hervat. Voor de bepaling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij vergelijkbare uitspraken in soortgelijke zaken en bij de zogenoemde Rotterdamse Schaal waarin smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen zijn geordend. De rechtbank acht de toewijzing van een bedrag van € 20.000 redelijk en billijk. Het overige gevorderde immateriële bedrag wordt afgewezen.
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 17-12-2025