Naar boven ↑
8.803 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0278

Conclusie P-G Valk. Tijdens een operatie in een kliniek is een complicatie opgetreden, waarbij een patiënt een partiële dwarslaesie heeft opgelopen. In cassatie staat vast dat de Sint Maartenskliniek jegens de patiënt tekort is geschoten in haar informatieplicht (informed consent) en is alleen nog het causaal verband in geschil. Het cassatiemiddel richt zich tegen de uitleg door het hof van een deskundigenrapport. Het hof heeft namelijk overwogen dat uit de opinies van beide deskundigen volgt dat er in theorie maar twee keuzemogelijkheden waren, namelijk uitstel van de operatie (met dezelfde risico’s) of direct opereren, en dat op enig moment dezelfde operatie uitgevoerd zou hebben moeten worden, met dezelfde risico’s. De P-G overweegt dat het hof een rechtstreeks verband legt tussen de indicatie voor de operatie en de keuze van de appellant als redelijk handelend patiënt. Hoewel de afweging van de arts en die van de patiënt niet dezelfde zijn, spelen daarbij wel deels dezelfde overwegingen een rol, in het bijzonder overwegingen met betrekking tot de medische risico’s van een bepaalde behandeling en het al dan niet bestaan van een reëel alternatief (hetzij in de zin van een andere behandeling, hetzij in die van een afzien van behandeling). Bij de patiënt kunnen uiteraard daarnaast ook persoonlijke overwegingen een rol spelen. Naarmate de medische afweging duidelijker in een bepaalde richting wijst, zullen bij een redelijk handelende patiënt zulke persoonlijke overwegingen echter minder gewicht in de schaal kunnen leggen. Ook voor een zodanige patiënt weegt dan de medische realiteit van zijn situatie het zwaarst. Juist dit laatste doet zich volgens het kennelijke oordeel van het hof hier voor. De P-G meent dat het hof zich ten volle heeft willen verplaatsen in de moeilijke afweging die de appellant als redelijk handelend patiënt zou hebben moeten maken, en heeft de mogelijkheid onder ogen gezien dat hij vanwege zijn situatie (actief leven en relatief welbevinden) mogelijk zichzelf nog een kort uitstel van de risicovolle operatie had gegund, bijvoorbeeld met het oog op een aanstaande bijzondere gebeurtenis in zijn leven. Vervolgens rijst de vraag of dat iets zou hebben uitgemaakt voor de ernst en waarschijnlijkheid van het risico dat zich daadwerkelijk heeft gerealiseerd. Aan de bevindingen van een van de deskundigen ontleent het hof dat die ernst en waarschijnlijkheid dan dezelfde zouden zijn geweest, zodat ook uitgaande van zo’n kort uitstel het causaal verband ontbreekt. De klacht slaagt dus niet volgens de P-G.
Hoge Raad, 12-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0277

In 2024 is een man, nadat hij probeerde weg te vluchten uit zijn woning tijdens een woningoverval, in het ziekenhuis opgenomen met ernstig letsel aan beide knieën, waaraan hij moest worden geopereerd. Na de knieoperatie zijn complicaties opgetreden, waaraan hij in het ziekenhuis is overleden. De overvaller is strafrechtelijk veroordeeld voor (onder meer) de beroving en het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer, maar niet voor zijn dood, omdat de rechtbank van oordeel was dat de dood niet redelijkerwijs kon worden toegerekend aan het handelen van de overvaller. In deze civiele procedure vorderen de dochters vergoeding van schade die hun vader en zij door het overlijden hebben geleden. De ex-echtgenote van het slachtoffer vordert schadevergoeding voor het wegvallen van de partneralimentatie die hij haar betaalde. De rechtbank is van oordeel dat gedaagde in civielrechtelijke zin tegenover het slachtoffer aansprakelijk is voor diens overlijden, en dat gedaagde tegenover de nabestaanden van het slachtoffer gehouden is tot het vergoeden van de met het overlijden verband houdende (overlijdens)schade. Er is sprake van een causaal verband: als de overvaller de man niet had beroofd, had de man niet hoeven vluchten en als de overvaller tijdens die vlucht niet aan de man had getrokken, had hij de man niet ten val gebracht en was er geen operatie nodig geweest om het knieletsel te herstellen. Zonder de operatie zouden de complicaties niet zijn opgetreden die het – bovengemiddeld kwetsbare – slachtoffer uiteindelijk fataal zijn geworden. Iemand die een ander zwaar lichamelijk letsel toebrengt, kan weten dat er een risico is dat het slachtoffer een operatie nodig zal hebben. Het is algemeen bekend dat operaties risico’s op complicaties meebrengen. Dat het slachtoffer de opgetreden complicaties mogelijk wel had kunnen overleven als hij geen zwakke gezondheid had gehad, kan het slachtoffer en zijn nabestaanden niet worden tegengeworpen. Volgens vaste rechtspraak komt een zwakke gesteldheid van een slachtoffer in het civiele recht voor rekening van de dader. De overvaller moet elk van de dochters € 17.500 aan affectieschade betalen. Aan een van de dochters moet hij ook de gemaakte uitvaartkosten vergoeden. Zij hebben geen recht op vererfd smartengeld. De man is na de operatie nog bewust en bij zinnen geweest en heeft toen niet kenbaar gemaakt dat hij aanspraak wilde maken op de vergoeding van smartengeld. De vordering van de ex-echtgenote wijst de rechtbank af, omdat haar schade niet valt onder de schade die een dader op grond van de wet aan anderen dan het slachtoffer moet vergoeden.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 20-05-2026

Rechtspraak

PS 2026-0275

Strafrecht. Verdachte is veroordeeld voor poging tot doodslag, waarbij verdachte tweemaal op het slachtoffer heeft geschoten. Het slachtoffer heeft hierdoor een dwarslaesie opgelopen. Het slachtoffer voegt zich als benadeelde partij in het strafproces en vordert € 300.000 aan vergoeding van immateriële schade. Vast staat dat aan het slachtoffer door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Het fysieke letsel dat de benadeelde partij door het handelen van de verdachte heeft opgelopen, onder andere een dwarslaesie, maakt dat de benadeelde partij in een rolstoel terecht is gekomen en aanzienlijk is beperkt in zijn dagelijks leven en daarbij ondersteuning nodig heeft. Daarnaast is het voor de rechtbank evident dat de benadeelde partij ook psychisch letsel heeft opgelopen. Naast de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, heeft de rechtbank bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. De rechtbank zoekt aansluiting bij categorie 1.2 Paraplegie met bandbreedte € 150.000 - € 195.000. De rechtbank begroot de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op een bedrag van € 120.000. De rechtbank begroot de schade op dit bedrag omdat verdachte opzettelijk en van dichtbij op de benadeelde partij heeft geschoten waardoor de benadeelde partij een dwarslaesie heeft opgelopen. Het bedrag is lager dan de hiervoor genoemde ondergrens zoals opgenomen in de Rotterdamse schaal, omdat de rechtbank het aannemelijk vindt dat de benadeelde partij zelf in enige mate heeft bijgedragen aan het incident, en daarmee aan het ontstaan van zijn schade.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 11-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0274

Strafrecht. De schutter heeft het slachtoffer, na enkele uren voorverkenningen, met een vuurwapen opgewacht. In het bijzijn van het toen pas 9-jarige zoontje van het slachtoffer heeft de schutter het slachtoffer vervolgens onder vuur genomen. De schutter is vervolgens gevlucht, het zoontje van het slachtoffer in hevige paniek achterlatend bij zijn stervende vader. Verdachte maakte deel uit van de dadergroep. Hij is bij de uitvoering van de moord betrokken geweest door op de avond van de moord in zijn auto door de wijk van het slachtoffer rondjes te rijden en de vluchtroute te bepalen. Ook heeft hij een van de spotters in de wijk afgezet. Met deze voorverkenningen is hij behulpzaam geweest bij de uiteindelijke moord. De verdachte wordt veroordeeld voor medeplichtigheid aan moord. De twee zonen van het slachtoffer hebben zich gevoegd als benadeelde partijen. Een van de zonen zat op dat moment naast zijn vader in de auto. De andere zoon was thuis toen zijn vader voor de deur werd neergeschoten en werd geconfronteerd met zijn broertje die volledig overstuur en in paniek voor de deur stond. In de zaak tegen de schutter van de moord op hun vader heeft het gerechtshof Amsterdam op 17 mei 2023 geoordeeld dat de inzittende zoon in aanmerking komt voor vergoeding van € 30.000 wegens shockschade. Hij vordert € 10.000 aan aanvullende vergoeding voor shockschade. In dezelfde zaak van het gerechtshof Amsterdam heeft het hof geoordeeld dat de tweede zoon in aanmerking komt voor vergoeding van € 20.000 wegens shockschade. De tweede zoon vordert € 7.000 aan aanvullende vergoeding voor shockschade. De gevorderde aanvullende vergoedingen van schokschade komen de rechtbank op voorhand niet onrechtmatig of ongegrond voor en zullen daarom worden toegewezen.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 11-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0272

Een werknemer, als chauffeur werkzaam bij een van de twee aangesproken werkgevers, is tijdens het dweilen op het werk dat hij voor beide werkgevers verrichtte ten val gekomen. Na de val is de werknemer arbeidsongeschikt geraakt en spreekt hij zijn werkgevers aan. Vast staat dat de werkzaamheden van de werknemer niet enkel en alleen bestonden uit het bezorgen van maaltijden. Nu de schoonmaakwerkzaamheden wel zijn uitgevoerd in de frituur en vallen onder werkzaamheden die gebruikelijk zijn in een frituur, voldoen deze werkzaamheden volgens de rechtbank aan de kwalificatie van ‘uitoefening van zijn werkzaamheden’. De werkgevers voeren aan dat het niet glad was in de frituur omdat de vloer in de nabijheid van de frituurpannen voorzien zijn van antisliptegels en dat het voor de werknemer, voor de uitoefening van zijn functie als bezorger, helemaal niet nodig was om achter de frituurpannen te komen of daarmee samenhangende schoonmaakwerkzaamheden te verrichten. Daardoor waren de werkgevers volgens de rechtbank niet verplicht om de werknemer veiligheidsschoenen ter beschikking te stellen. Het ongeluk dat de werknemer is overkomen, hoort volgens de rechtbank thuis in de categorie ‘huis-tuin-en-keukengevaren’ waarvoor een werkgever niet kan of hoeft te waarschuwen. Het is van algemene bekendheid dat een natte vloer glad(der) is, zodat er meer oplettendheid mag worden verwacht van degene die dweilt. De werkgevers hebben al de nodige voorzorgsmaatregelen genomen om te voorkomen dat hun werknemers kunnen uitglijden door het (laten) leggen van antisliptegels voor de frituurpannen. Daarmee hebben zij aan hun zorgplicht voldaan. Hoe ongelukkig de val van de werknemer ook is geweest, het kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden gezegd dat de werkgevers ter zake enig verwijt te maken valt. De vorderingen van de werknemer worden afgewezen.
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 27-05-2026

Rechtspraak

PS 2026-0271

De man is een verkeersongeval overkomen waarbij hij letsel heeft opgelopen. Het betrof een aanrijding waarbij de man met zijn auto door een vrachtwagen tegen de vangrail werd gedrukt en tweehonderd meter werd meegesleurd tussen de vrachtwagen en de vangrail. Na het ongeval heeft de man lichamelijke en psychische klachten gekregen waardoor hij arbeidsongeschikt is geworden. Een orthopeed en psychiater hebben onafhankelijke medisch-specialistische onderzoeken verricht. De klachten en beperkingen van de man zijn ná die twee onderzoeken toegenomen. Volgens de man moeten deze toegenomen klachten ook aan het ongeval van 25 maart worden toegerekend. De man is daartoe reeds een deelgeschilprocedure gestart op 2 april 2024. Tijdens de mondelinge behandeling van de voornoemde procedure hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de uitleg van de tussen hen getroffen minnelijke regeling. Partijen verschillen van mening over de betekenis van de daarin opgenomen afspraken. De rechtbank dient de minnelijke regeling daarom uit te leggen. De kern van het geschil betreft daarbij de vraag of de man zijn aanspraak op een psychiatrisch expertiseonderzoek heeft verloren, dan wel of op de verzekeraar nog steeds de verplichting rust medewerking te verlenen aan het verrichten van een dergelijk deskundigenonderzoek. Naar het oordeel van de rechtbank laten de bewoordingen van de vaststellingsovereenkomst geen andere uitleg toe dan dat onder het verlenen van medewerking moet worden verstaan: het verstrekken van medische gegevens voor zover deze daadwerkelijk beschikbaar zijn. De formulering van de overeenkomst duidt erop dat partijen hebben beoogd dat de man zich bereid verklaart alle relevante informatie te verstrekken die hem ter beschikking staat, en niet dat hij gehouden zou zijn gegevens te verschaffen die feitelijk niet (meer) bestaan of niet (meer) voorhanden zijn. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de vaststellingsovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat partijen hebben beoogd dat de man medewerking verleent aan het verstrekken van bepaalde medische gegevens, van een specifieke aard en over een begrensde periode, voor zover deze gegevens beschikbaar zijn. Uit de overgelegde correspondentie volgt dat de man zich in aanzienlijke mate heeft ingespannen om de relevante medische informatie te verkrijgen, maar dat een deel daarvan niet (meer) voorhanden is. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de man in volle omvang aan zijn verplichting tot het verlenen van medewerking heeft voldaan. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank zal bepalen dat de verzekeraar gehouden is medewerking te verlenen aan een psychiatrische expertise, teneinde onderzoek te doen naar de gestelde verslechtering van de gezondheidstoestand van de man na de reeds uitgevoerde onderzoeken.
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 27-05-2026

Rechtspraak

PS 2026-0269

In een eerder tussenvonnis heeft de rechtbank aangegeven dat zij voornemens is om de rekenkundige te vragen om inzake de rekenrente aan te sluiten bij de Aanbevelingen rekenrente in personenschadezaken van LOVCK/LOVCH van 1 augustus 2024 (de Aanbevelingen). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten. Door het slachtoffer worden bezwaren geuit tegen het hanteren van de Aanbevelingen. Volgens het slachtoffer is de in de Aanbeveling gehanteerde spaarrente van 1,5% in de eerste vijf jaar niet haalbaar en het slachtoffer stelt dat het bepalen van de rente en inflatie voor de jaren 6-30 een gok is. De rente moet volgens het slachtoffer worden gesteld op 0,5%. Ook stelt het slachtoffer dat de gehanteerde inflatie van 2% voor de eerste vijf jaar te laag is gezien de CAO-ontwikkeling voor supermarktmedewerkers die gebaseerd is op de (hogere) inflatie. De rechtbank overweegt dat het zowel ten aanzien van de te hanteren rente als de inflatie niet gaat om het verleden, maar om de rente en inflatie die verwacht wordt in de toekomst. De stelling dat moet worden uitgegaan van een lagere rente is door het slachtoffer onvoldoende onderbouwd, terwijl de Aanbevelingen volgens de rechtbank goed zijn onderbouwd. Ten aanzien van de inflatie wijst de rechtbank erop dat het niet gaat om de inflatie in het verleden, maar om de inflatie die verwacht wordt in de toekomst. Bovendien nemen de Aanbevelingen de prijsinflatie (CPI) tot uitgangspunt, niet de (hogere) looninflatie, omdat met de looninflatie al rekening wordt gehouden in de begroting van de jaarschade. Bij de berekening van het inkomen in de fictieve situatie wordt al uitgegaan van een stijging van het loon. Indien uitgegaan zou worden van looninflatie (zoals [eiser] lijkt te betogen) dan zou dat dubbelop zijn. De rechtbank verwijst verder naar de (notitie bij de) Aanbevelingen rekenrente waarin is gemotiveerd dat voor de inflatie is uitgegaan van voorspellingen van het CPB, DNB en het ECB voor de periode 2025 t/m 2029 en dat die uitkomen op 2%. Voor de tweede periode wordt uitgegaan van het percentage waar de ECB naar streeft, namelijk 2%, en wat ook ongeveer overeenkomt met het langjarig gemiddeld inflatiepercentage. Het percentage is ook in lijn met de middellange termijnverkenningen van het CPB. De Ultimate Forward Rate (UFR) gaat ook uit van een inflatie van 2%. Voor de derde periode wordt ook van 2% uitgegaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het slachtoffer onvoldoende gemotiveerd waarom deze voorspellingen niet zouden kunnen worden gevolgd. De rechtbank verwerpt de bezwaren van het slachtoffer, wijst een deskundige toe en stelt de vraagstelling aan de deskundige vast.
Rechtbank Limburg, 25-06-2025