Naar boven ↑
8.544 resultaten

Rechtspraak

PS 2024-0355

Medisch specialist test veertien dagen nadat zij een patiënt met COVID-19 had behandeld, zelf ook positief op COVID. De vrouw kampt momenteel nog steeds met een post-IC-syndroom en post-COVID en kan haar werkzaamheden niet langer uitoefenen. De vrouw stelt het ziekenhuis ex artikel 7:658 lid 4 BW aansprakelijk voor de materiële en immateriële schade. Aan de vordering legt zij ten grondslag dat zij in de uitoefening van haar werkzaamheden besmet is geraakt met COVID en dat zij daardoor ernstig ziek is geworden en schade heeft geleden. Ten eerste betwist het ziekenhuis de rechtsverhouding. Hoewel de vrouw niet in loondienst was van het ziekenhuis, werkte zij daar wel als medisch specialist en verrichtte zij daar arbeid. Voorgaande in combinatie met het feit dat in de samenwerkingsovereenkomst staat dat het ziekenhuis eindverantwoordelijk is, maakt dat artikel 7:658 BW van toepassing is. De rechtbank oordeelt dat het causaal verband tussen de betreffende behandeling en de besmetting niet zonder meer kan worden aangenomen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat een eerder afgenomen test (drie dagen na de behandeling van de patiënt) negatief was. Het is niet uitgesloten dat die patiënt de bron is geweest van de besmetting, maar het is ook goed mogelijk dat de vrouw in deze veertien dagen door een andere bron is besmet. De rechtbank heeft hoe dan ook behoefte aan deskundige voorlichting over de interpretatie van de negatieve test en de vraag of het mogelijk is dat de vrouw, ondanks die uitslag toch besmet was met COVID en zo ja, hoe groot die kans is. Echter beoordeelt de rechtbank eerst wat partijen over (de schending van) de zorgplicht hebben aangevoerd en komt tot de conclusie dat, gelet op de in de betrokken periode geldende en kenbare inzichten, adviezen en handreikingen, het ziekenhuis aan haar zorgplicht heeft voldaan door een beleid te formuleren dat met deze adviezen en handreikingen in overeenstemming was en dit beleid ook te volgen in deze specifieke situatie. Gelet op dit oordeel kan het ziekenhuis niet aansprakelijk worden geacht voor de door de vrouw geleden schade.
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 17-07-2024

Rechtspraak

PS 2024-0353

Medische aansprakelijkheid. Patiënt stelt huisarts aansprakelijk voor het niet doorverwijzen naar een oogarts en de daardoor ontstane behandelvertraging van drie maanden. In eerste instantie is de aansprakelijkheid door de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar afgewezen. Ongeveer 6,5 jaar later oordeelt het Centraal Tuchtcollege dat de huisarts onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld door na te laten om de patiënt op korte termijn naar een oogarts te verwijzen. Na de uitspraak is de aansprakelijkheid erkend. Sindsdien is het niet gelukt om een minnelijke regeling te treffen. In deze procedure verzoekt de patiënt onder andere voor recht te verklaren dat de visusklachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen het gevolg zijn van de medische fout, subsidiair dat door de normschending van de huisarts een kans verloren is gegaan dat de patiënt de huidige visusklachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen niet zou hebben gehad. Partijen zijn gebonden aan het deskundigenrapport. Naast dat het beroep op rechtsverwerking slaagt, omdat nu pas wordt geprotesteerd tegen het rapport en nooit eerder enige bezwaren kenbaar zijn gemaakt, slagen de bezwaren van de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar niet. De rechtbank stelt het causaal verband tussen behandeldelay en ernstige visusklachten vast en komt tot een veroordeling tot het vergoeden van 80% van de geleden en te lijden schade in verband met de kans dat de schade ook zonder delay zou zijn ontstaan. Veroordeling tot betaling van een voorschot van € 100.000.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 03-07-2024