Naar boven ↑
8.544 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0029

Kort geding. In augustus 2019 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een motorfiets en een personenauto. De motorrijder heeft als gevolg van de aanrijding letsel aan zijn rechterarm opgelopen. Hij is meer dan twintig keer geopereerd, maar zijn rechterarm/hand functioneert tot op heden niet volledig. Voor het ongeval was hij APK-keurmeester en eigenaar van een garage. Sinds 3 augustus 2015 had hij een eenmanszaak. Hij handelde in tweedehands (schade)voertuigen, waarbij zijn verdienmodel erop was gericht om schadevoertuigen in te kopen om die na reparatie (die hij zelf uitvoerde) met winst te verkopen. Na het ongeval heeft hij niet meer voor zijn eigen onderneming kunnen werken. In november 2019 is de onderneming opgeheven. De man heeft de WAM-verzekeraar van de personenauto aansprakelijk gesteld voor de geleden en nog te lijden schade. In 2023 heeft de rechtbank een beschikking gewezen in de deelgeschilprocedure. Hierin is geoordeeld dat de motorrijder voor 75% aansprakelijk is voor het ongeval en dat de WAM-verzekeraar op haar beurt 25% aansprakelijk is voor het ongeval. Na de beschikking hebben partijen geprobeerd om de kwestie in der minne te regelen. In februari 2024 is door de WAM-verzekeraar een voorschot van € 10.000 aan de motorrijder ter beschikking gesteld. Er is daarna nog gecorrespondeerd over aanvullende voorschotten, een huisbezoek en een minnelijke regeling. Een nader voorschot en/of een toezegging over het betalen van het volledige bedrag voor een nadere expertise van de WAM-verzekeraar bleven uit, waardoor de motorrijder een kort geding is gestart. Voor de zitting heeft de WAM-verzekeraar vervolgens alsnog een voorschot van € 20.000 aan de motorrijder toegekend. In de periode daarna hebben partijen wederom getracht een schikking te bereiken en is ook een concreet voorstel besproken, maar de WAM-verzekeraar is uiteindelijk niet akkoord gegaan. De motorrijder heeft een bodemprocedure tegen de WAM-verzekeraar aanhangig gemaakt. Daarin heeft hij onder andere gevorderd dat aan hem verlof wordt verleend om in hoger beroep te gaan tegen de deelgeschilbeschikking. Dit is toegestaan en de bodemprocedure in afwachting daarvan is verwezen naar de parkeerrol. In de tussentijd heeft de motorrijder bij verzoekschrift aan de rechtbank Den Haag verzocht om een voorlopig deskundigenbericht te gelasten. In die zaak vond in december 2025 een mondelinge behandeling plaats. Verder is de motorrijder dit kort geding gestart waarin hij een aanvullend voorschot vordert. Om de zaak uit de impasse waarin deze zich bevindt te halen, zal de voorzieningenrechter een voorschot van € 20.000 aan de motorrijder toewijzen waarbij de motorrijder geacht wordt vooralsnog (minimaal) € 10.000 beschikbaar te houden om zo nodig bij te dragen aan de kosten van een nadere (medische) expertise, waar hij in de verzoekschriftprocedure bij deze rechtbank zelf ook om verzoekt, om zijn schade nader in kaart te brengen en ter bevordering van afwikkeling van de letselschadezaak. De voorzieningenrechter kan dit uiteraard niet bindend aan de motorrijder opleggen maar geeft het mee als een klemmend advies teneinde eraan bij te dragen dat de schaderegeling nu op afzienbare termijn gestalte kan krijgen. De voorzieningenrechter acht, op basis van het vooralsnog geldende uitgangspunt dat de WAM-verzekeraar voor 25% aansprakelijk is, in dit kader voldoende aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel komt dat de totale schade meer beloopt dan het straks in totaal door de WAM-verzekeraar betaalde bedrag aan voorschotten. Het door de WAM-verzekeraar aangevoerde restitutierisico acht de voorzieningenrechter – bij deze stand van zaken – dan ook verwaarloosbaar.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 19-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0028

Deelgeschil. Een vrouw is in 2023 op een industrieterrein rijdend op haar fiets in botsing gekomen met een vrachtwagen. De vrouw heeft als gevolg van het ongeval zwaar letsel aan haar linkerbeen opgelopen, namelijk drie complexe beenbeuken, die gepaard gingen met grote wonden. De vrouw vraagt in dit deelgeschil onder andere om voor recht te verklaren dat de WAM-verzekeraar van de vrachtwagen aansprakelijk is voor haar schade als gevolg van het ongeval. De WAM-verzekeraar doet een beroep op overmacht. De rechtbank overweegt dat het heel verdrietig is dat het ongeval de vrouw is overkomen. Zij stond samen met haar echtgenoot en kinderen aan de vooravond van een nieuwe toekomst. Ze waren op weg naar de Gamma om vloerbedekking uit te zoeken voor hun nieuwe woning. Het ongeval had nog slechter kunnen aflopen en is dat gelukkig niet gebeurd maar door het ongeval moeten zij hun toekomst nu heel anders tegemoetzien. De verzoeken van de vrouw moeten echter worden afgewezen. De vrachtwagenchauffeur kan namelijk geen enkel verwijt van het ongeval worden gemaakt. De rechtbank volgt de verkeersongevallendeskundige dat de chauffeur ervan uit mocht gaan dat hij in principe voorrang zou gaan krijgen van de naderende fietsers en dat er op ongeveer 2,9 seconden vóór het botsmoment geen ongevalsdreiging was. In die situatie was het zo onwaarschijnlijk dat de vrouw niet op tijd zou remmen dat de chauffeur bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid geen rekening hoefde te houden. Hij hoefde er daarom niet op te anticiperen dat de vrouw niet (op tijd) kon remmen, of met de mogelijkheid rekening te houden dat zij niet tijdig zou remmen. Bovendien kon de chauffeur, zoals uit de ongevallenanalyse blijkt, toen al niet meer met het front van de trekker tot stilstand komen vóór de botsplaats. Immers, als hij eerder was gaan remmen dan zou zij tegen een ander deel van de vrachtwagenflank zijn gebotst. De rechtbank laat in het midden of de vrouw niet adequaat heeft geremd doordat de rem van de fiets van de vrouw kapot was. Dit kan de rechtbank niet vaststellen. De politie heeft dat weliswaar vastgesteld, maar heeft niet onderzocht of de rem al vóór het ongeval kapot was. De rechtbank laat ook in het midden of de zwaailichten van de vrachtwagencombinatie in werking waren. De deskundige heeft dat ook niet kunnen vaststellen. Het doet er ook niet toe, omdat dit niet aan het ontstaan van het ongeval heeft bijgedragen. De rechtbank beseft dat deze beslissing voor de vrouw een hard gelag is. Haar letsel is immers zeer ernstig en het is niet voorspelbaar of zij hiervan volledig zal herstellen. Dit gegeven kan echter op zichzelf niet bijdragen aan de eventuele aansprakelijkheid van de WAM-verzekeraar, omdat uit de beslissing volgt dat haar verzekerde een terecht beroep op overmacht toekomt. Aan de vrachtwagenchauffeur kan naar het oordeel van de rechtbank immers niet het kleinste verwijt worden gemaakt, ook al is het letsel van de vrouw ernstig.
Rechtbank Midden-Nederland, 21-11-2025

Rechtspraak

PS 2026-0027

Deelgeschil. De verzoekende partij stelt dat zij schade heeft geleden door het handelen van de verwerende partij. De verwerende partij is door de strafrechter in 2021 veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur omdat hij met de verzoekende partij handelingen heeft gepleegd die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl hij wist dat zij in staat van verminderd bewustzijn verkeerde. Aan materiële schadevergoeding heeft de verzoekende partij in de strafzaak € 66.715 gevorderd, bestaande uit verlies nettoresultaat als zelfstandig schilder en eigen risico ziektekosten. Aan immateriële schadevergoeding heeft de verzoekende partij € 7.000 gevorderd in de strafzaak. De strafrechter heeft een schadevergoedingsmaatregel opgelegd aan de verwerende partij. De rechtbank heeft de immateriële schadevergoeding daarbij begroot op € 5.000 en de materiële schadevergoeding op € 6.722. Voor het overige is de verzoekende partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering omdat een nadere berekening van de als gevolg van het strafbare feit gederfde inkomsten een onevenredige belasting van het strafgeding vormde. Daarbij heeft de strafrechter overwogen dat de verzoekende partij dat deel van haar vordering kan aanbrengen bij de burgerlijke rechter. De verwerende partij heeft geen hoger beroep aangetekend. Naar het oordeel van de rechtbank kan het geschilpunt tussen partijen over de aansprakelijkheid in dit deelgeschil worden beslecht. Een oordeel hierover kan bijdragen aan het vlot trekken van de onderhandelingen die uiteindelijk zouden kunnen leiden tot een vaststellingsovereenkomst. De zaak is daarmee geschikt voor behandeling als deelgeschil. De rechtbank overweegt dat met het strafvonnis dwingend bewijs is geleverd dat de verwerende partij zich aan de seksuele handelingen schuldig heeft gemaakt. Met de seksuele handelingen heeft hij inbreuk gemaakt op een recht van de verzoekende partij als bedoeld in artikel 6:162 lid 2 BW en hij heeft daarom jegens haar onrechtmatig gehandeld. Hij is daarmee aansprakelijk voor de schade als gevolg van die handelingen. De verwerende partij heeft aansprakelijkheid betwist voor wat betreft de gestelde (medische) gevolgen en gestelde (psychische) schade van de verzoekende partij, met name het door haar gestelde verlies aan verdienvermogen. Dit verweer ziet niet op de onrechtmatigheid van de door hem verrichte handelingen, maar op het ontbreken van causaal verband tussen zijn onrechtmatig handelen en de klachten van de verzoekende partij, haar schade en de gestelde hoogte van haar schade. De rechtbank acht voorshands voldoende aannemelijk dat de verzoekende partij schade heeft geleden als gevolg van de seksuele handelingen, waarvoor de verwerende partij door de strafrechter is veroordeeld. In welke mate de verzoekende partij schade heeft geleden, kan in dit deelgeschil niet worden vastgesteld.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 27-11-2025

Rechtspraak

PS 2026-0026

Een stel ouders zijn gedupeerden van de kinderopvangtoeslagaffaire. Bij vonnis heeft de rechtbank eerder voor recht verklaard dat de Staat jegens de ouders aansprakelijk is voor het onrechtmatig handelen met betrekking tot de toeslagjaren 2009, 2010 en 2011, bestaande uit het op nihil stellen van het recht op kinderopvangtoeslag, het terugvorderen van uitbetaalde voorschotten en de op grond daarvan genomen invorderingsmaatregelen. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen hebben de ouders een forfaitaire compensatie toegekend gekregen van € 113.076. In 2024 heeft de advocaat van de ouders de Staat ook namens de kinderen van de ouders aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden schade als gevolg van door de Staat genomen besluiten. De ouders stellen zich op het standpunt dat zij en hun kinderen als gevolg van de kinderopvangtoeslagaffaire schade hebben geleden die hoger is dan de compensatie die zij toegekend hebben gekregen. Die schade willen zij verhalen op de Staat. Om vast te stellen hoe hoog die schade is, verzoeken zij om een voorlopig deskundigenbericht te bevelen en daarbij een psychiater en een arbeidsdeskundige te benoemen, met als opdracht de in het verzoekschrift opgenomen vragen te beantwoorden en te bepalen dat de Staat de kosten van de onderzoeken moet betalen. De Staat heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek een psychiater te benoemen voor het verrichten van een onderzoek. De rechtbank beveelt een psychiatrisch onderzoek. Gelet op de vaststaande aansprakelijkheid jegens de ouders en hetgeen is toegelicht over de samenhang van de verzoeken van de ouders en de kinderen ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat het voorschot op de kosten van het onderzoek door de Staat dient te worden betaald. Met voornoemde kanttekening heeft de Staat echter wel terecht gewezen op het risico voor verzoekers dat een deel van deze (aanzienlijke) kosten later alsnog voor hun rekening kan komen. De beslissing op het verzoek een onderzoek door een arbeidsdeskundige te gelasten wordt aangehouden. De bevindingen van de psychiater kunnen namelijk relevant zijn bij de beoordeling van de vraag of onderzoek door een arbeidsdeskundige doelmatig is. Nadat de psychiater zijn onderzoek heeft afgerond en partijen zijn rapport hebben ontvangen, mogen zij zich hierover uitlaten.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 18-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0025

Een moeder, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, heeft op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen een forfaitaire compensatie toegekend gekregen van € 93.891. De vrouw stelt dat zij en haar kinderen als gevolg van de kinderopvangtoeslagaffaire schade hebben geleden die hoger is dan de compensatie die zij toegekend heeft gekregen. Die schade willen zij verhalen op de Staat. Om vast te stellen hoe hoog die schade is, verzoeken zij om een voorlopig deskundigenbericht te bevelen en daarbij een psychiater en een arbeidsdeskundige te benoemen, met als opdracht de in het verzoekschrift opgenomen vragen te beantwoorden en te bepalen dat de Staat de kosten van de onderzoeken moet betalen. De Staat erkent aansprakelijkheid voor de besluiten met betrekking tot de jaren waarvoor door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) compensatie is toegekend maar betwist de aansprakelijkheid jegens de kinderen. De Staat heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek een psychiater te benoemen voor het verrichten van een onderzoek. De rechtbank beveelt een psychiatrisch onderzoek. Gelet op de vaststaande aansprakelijkheid jegens de moeder en hetgeen is toegelicht over de samenhang van de verzoeken van de moeder en de kinderen ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat het voorschot op de kosten van het onderzoek door de Staat dient te worden betaald. Met voornoemde kanttekening heeft de Staat echter wel terecht gewezen op het risico voor verzoekers dat een deel van deze (aanzienlijke) kosten later alsnog voor hun rekening kan komen. De beslissing op het verzoek een onderzoek door een arbeidsdeskundige te gelasten wordt aangehouden. De bevindingen van de psychiater kunnen namelijk relevant zijn bij de beoordeling van de vraag of onderzoek door een arbeidsdeskundige doelmatig is. Nadat de psychiater zijn onderzoek heeft afgerond en partijen zijn rapport hebben ontvangen, mogen zij zich hierover uitlaten.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 18-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0024

Een moeder, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, heeft samen met haar broer (voormalige toeslagpartner) en haar dochter de Staat aansprakelijk gesteld voor de schade die zij zouden hebben geleden. De moeder heeft al op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen een forfaitaire compensatie toegekend gekregen van € 55.319. Bij brief heeft de Staat aansprakelijkheid erkend voor de besluiten met betrekking tot de jaren waarvoor door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) compensatie is toegekend in de integrale beoordeling. Aansprakelijkheid jegens het kind wordt nog betwist. De moeder, broer en dochter stellen dat zij als gevolg van de kinderopvangtoeslagaffaire schade hebben geleden die hoger is dan de compensatie die zij toegekend hebben gekregen. Die schade willen zij verhalen op de Staat. Om vast te stellen hoe hoog die schade is, verzoeken zij om een voorlopig deskundigenbericht te bevelen en daarbij een psychiater en een arbeidsdeskundige te benoemen, met als opdracht de in het verzoekschrift opgenomen vragen te beantwoorden en te bepalen dat de Staat de kosten van de onderzoeken moet betalen. De Staat heeft geen verweer gevoerd tegen het psychiatrisch onderzoek. De rechtbank wijst een psychiatrisch onderzoek toe. Gelet op de vaststaande aansprakelijkheid jegens de moeder en hetgeen is toegelicht over de samenhang van de verzoeken ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat het voorschot op de kosten van het onderzoek door de Staat dient te worden betaald. Met voornoemde kanttekening heeft de Staat echter wel terecht gewezen op het risico voor verzoekers dat een deel van deze (aanzienlijke) kosten later alsnog voor hun rekening kan komen. De beslissing op het verzoek een onderzoek door een arbeidsdeskundige te gelasten wordt aangehouden. De bevindingen van de psychiater kunnen namelijk relevant zijn bij de beoordeling van de vraag of onderzoek door een arbeidsdeskundige doelmatig is. Nadat de psychiater zijn onderzoek heeft afgerond en partijen zijn rapport hebben ontvangen, mogen zij zich hierover uitlaten.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 18-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0023

Een werknemer is in 2018 een bedrijfsongeval overkomen. De werkgever heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. In deze procedure vordert de werknemer vergoeding van zijn schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van het ongeval. De werknemer stelt dat hij door het bedrijfsongeval niet meer kan werken. Hij ontvangt een WIA-uitkering en stelt dat de werkgever aansprakelijk is voor het verlies aan verdienvermogen. Daarnaast stelt hij dat hij intensief verzorgd moet worden door familie en daarvoor kosten moet maken. De kantonrechter wijst de vordering af. De kantonrechter overweegt dat de vraag of de na het ongeval opgetreden medische klachten het gevolg zijn van het ongeval alleen kan worden beantwoord na onderzoek door een of meer medische deskundigen. In het licht van het gemotiveerde verweer van de werkgever had het op de weg gelegen van de man om zijn stellingen gemotiveerd te onderbouwen. Dit heeft hij onvoldoende gedaan. De werknemer was als sinds het medisch advies van 21 mei 2021 op de hoogte van de vragen die de werkgever had over de oorzaak van de medische klachten. Tot op heden heeft hij nagelaten de gevraagde informatie te overleggen, terwijl hij daartoe ruimschoots de gelegenheid heeft gehad. Dat betekent dat hij niet zal worden toegelaten om de gevraagde stukken alsnog te overleggen. Nu de gevraagde stukken ontbreken kan niet worden beoordeeld of de gestelde medische klachten zijn veroorzaakt door het ongeval. Een causaal verband tussen de gestelde schade en het ongeval komt daarom niet vast te staan.
Rechtbank Overijssel (Locatie Almelo), 23-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0022

Strafrecht. Op 12 februari 2024 omstreeks 20.04 uur ontving de politie een melding dat bij het treinstation Purmerend een schietpartij had plaatsgevonden. De politie is ter plaatse gegaan en trof net voorbij de spoortunnel op het trottoir twee ernstig gewonde personen aan. Het eerste slachtoffer had een schotwond in de linkerzij en geen ademhaling meer. Na vergeefse pogingen tot levensreddend handelen overleed hij diezelfde avond in het ziekenhuis. Het tweede slachtoffer werd met een schotwond en twee steekverwondingen in kritieke toestand naar het ziekenhuis gebracht. Dankzij medisch ingrijpen heeft hij het overleefd. De nabestaanden van het overleden slachtoffer (de moeder, de vader, de zus, het zusje en het broertje) hebben zich gevoegd als benadeelde partij in het strafproces. De moeder vordert € 20.000 aan affectieschade en € 20.000 aan shockschade. De gevorderde affectieschade wordt toegewezen maar de shockschade wordt afgewezen. De vader van het slachtoffer vordert dezelfde bedragen en de rechtbank oordeelt hetzelfde omtrent de affectieschade en de shockschade. De zus van het slachtoffer vordert € 20.000 aan shockschade en € 2.000 aan toekomstige (medische) kosten. Door de zus is echter onvoldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van een confrontatie waarbij zij direct geconfronteerd werd met de (gevolgen van de) onrechtmatige daad en er is onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van geestelijk letsel, dus de shockschade wordt afgewezen. Om deze reden worden ook de toekomstige medische kosten afgewezen. Over de vorderingen van het broertje en het zusje van het slachtoffer oordeelt de rechtbank dat deze op dit moment onvoldoende onderbouwd zijn en daarom worden zij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Naast de nabestaanden heeft het tweede slachtoffer zich ook gevoegd als benadeelde partij. Naast de materiële schade vordert het slachtoffer € 50.000 aan immateriële schade. Het slachtoffer is levensgevaarlijk gewond geraakt en heeft door het incident lichamelijk maar ook geestelijk letsel in de vorm van PTSS opgelopen. De rechtbank acht het gevorderde bedrag billijk.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlemmermeer), 19-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0021

Strafrecht. Op 12 februari 2024 omstreeks 20.04 uur ontving de politie een melding dat bij het treinstation Purmerend een schietpartij had plaatsgevonden. De politie is ter plaatse gegaan en trof net voorbij de spoortunnel op het trottoir twee ernstig gewonde personen aan. Het eerste slachtoffer had een schotwond in de linkerzij en geen ademhaling meer. Na vergeefse pogingen tot levensreddend handelen overleed hij diezelfde avond in het ziekenhuis. Het tweede slachtoffer werd met een schotwond en twee steekverwondingen in kritieke toestand naar het ziekenhuis gebracht. Dankzij medisch ingrijpen heeft hij het overleefd. De nabestaanden van het overleden slachtoffer (de moeder, de vader, de zus, het zusje en het broertje) hebben zich gevoegd als benadeelde partij in het strafproces. De moeder vordert € 20.000 aan affectieschade en € 20.000 aan shockschade. De gevorderde affectieschade wordt toegewezen maar de shockschade wordt afgewezen. De vader van het slachtoffer vordert dezelfde bedragen en de rechtbank oordeelt hetzelfde omtrent de affectieschade en de shockschade. De zus van het slachtoffer vordert € 20.000 aan shockschade en € 2.000 aan toekomstige (medische) kosten. Door de zus is echter onvoldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van een confrontatie waarbij zij direct geconfronteerd werd met de (gevolgen van de) onrechtmatige daad en er is onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van geestelijk letsel, dus de shockschade wordt afgewezen. Om deze reden worden ook de toekomstige medische kosten afgewezen. Over de vorderingen van het broertje en het zusje van het slachtoffer oordeelt de rechtbank dat deze op dit moment onvoldoende onderbouwd zijn en daarom worden zij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Naast de nabestaanden heeft het tweede slachtoffer zich ook gevoegd als benadeelde partij. Naast de materiële schade vordert het slachtoffer € 50.000 aan immateriële schade. Het slachtoffer is levensgevaarlijk gewond geraakt en heeft door het incident lichamelijk maar ook geestelijk letsel in de vorm van PTSS opgelopen. De rechtbank acht het gevorderde bedrag billijk.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlemmermeer), 19-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0020

Strafrecht. Op 12 februari 2024 omstreeks 20.04 uur ontving de politie een melding dat bij het treinstation Purmerend een schietpartij had plaatsgevonden. De politie is ter plaatse gegaan en trof net voorbij de spoortunnel op het trottoir twee ernstig gewonde personen aan. Het eerste slachtoffer had een schotwond in de linkerzij en geen ademhaling meer. Na vergeefse pogingen tot levensreddend handelen overleed hij diezelfde avond in het ziekenhuis. Het tweede slachtoffer werd met een schotwond en twee steekverwondingen in kritieke toestand naar het ziekenhuis gebracht. Dankzij medisch ingrijpen heeft hij het overleefd. De nabestaanden van het overleden slachtoffer (de moeder, de vader, de zus, het zusje en het broertje) hebben zich gevoegd als benadeelde partij in het strafproces. De moeder vordert € 20.000 aan affectieschade en € 20.000 aan shockschade. De gevorderde affectieschade wordt toegewezen maar de shockschade wordt afgewezen. De vader van het slachtoffer vordert dezelfde bedragen en de rechtbank oordeelt hetzelfde omtrent de affectieschade en de shockschade. De zus van het slachtoffer vordert € 20.000 aan shockschade en € 2.000 aan toekomstige (medische) kosten. Door de zus is echter onvoldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van een confrontatie waarbij zij direct geconfronteerd werd met de (gevolgen van de) onrechtmatige daad en er is onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van geestelijk letsel, dus de shockschade wordt afgewezen. Om deze reden worden ook de toekomstige medische kosten afgewezen. Over de vorderingen van het broertje en het zusje van het slachtoffer oordeelt de rechtbank dat deze op dit moment onvoldoende onderbouwd zijn en daarom worden zij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Naast de nabestaanden heeft het tweede slachtoffer zich ook gevoegd als benadeelde partij. Naast de materiële schade vordert het slachtoffer € 50.000 aan immateriële schade. Het slachtoffer is levensgevaarlijk gewond geraakt en heeft door het incident lichamelijk maar ook geestelijk letsel in de vorm van PTSS opgelopen. De rechtbank acht het gevorderde bedrag billijk.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlemmermeer), 19-12-2025