Naar boven ↑
8.803 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0288

Strafrecht. De verdachte heeft veel te hard, onder invloed van alcohol en zonder rijbewijs gereden. Hij is de controle over het voertuig verloren waardoor het voertuig over de kop is geslagen. Twee inzittenden zijn hierbij overleden. De moeder, vader en stiefvader van een van de overleden inzittenden hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte een geslaagd beroep kan doen op eigen schuld van het overleden slachtoffer. De schade is volgens de raadsvrouw mede een gevolg van de omstandigheden dat het slachtoffer bij de verdachte in de auto is gestapt terwijl hij wist dat de verdachte geen rijbewijs had en onder invloed van alcohol was, en dat het slachtoffer de verdachte heeft aangemoedigd harder te rijden. De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank is van oordeel dat ook indien vastgesteld zou moeten worden dat de door het slachtoffer opgelopen schade mede het gevolg is geweest van omstandigheden die aan hem zouden kunnen worden toegerekend, de billijkheid wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten en de ernst van de gevolgen voor hem, eist dat de schade volledig voor rekening van de verdachte blijft. De grove verkeersfouten en het roekeloze rijgedrag van de verdachte die tot het ongeluk hebben geleid zijn in grote mate kwalijker dan de keuze van het slachtoffer om in te stappen in de auto bij een bestuurder die onder invloed is van alcohol en geen rijbewijs heeft. Ook het aanmoedigen van de verdachte om harder te rijden, maakt dit niet anders, omdat dit de verdachte niet van zijn eigen verantwoordelijkheid als bestuurder van de auto ontslaat om daarin niet mee te gaan. De moeder, vader en stiefvader krijgen een vergoeding van affectieschade conform het Besluit vergoeding affectieschade toegekend. Zowel de moeder als de vader krijgen € 10.000 aan vergoeding van shockschade toegekend. Beiden hebben onverwacht te horen gekregen dat hun zoon door een verkeersongeval om het leven is gekomen en hebben via televisiebeelden van vlak na het ongeluk gezien dat hun zoon ter plaatse werd gereanimeerd. Later zijn zij met de ernstige verwondingen geconfronteerd toen het lichaam van het overleden slachtoffer thuis werd gebracht.
Rechtbank Noord-Holland, 18-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0286

Tussenvonnis. In een eerder tussenvonnis heeft de rechtbank beslissingen genomen over diverse geschilpunten tussen partijen. Voor wat betreft de grootste schadepost, de schade als gevolg van het verlies aan verdienvermogen, heeft de rechtbank aangegeven het wenselijk te achten een arbeidsdeskundige te raadplegen. Dat is inmiddels gebeurd. Partijen hebben gereageerd op het deskundigenrapport. In dit vonnis bespreekt de rechtbank het rapport en de kritiek van partijen daarop. De rechtbank komt tot de conclusie dat bij de berekening van het verlies aan verdienvermogen moet worden uitgegaan van de uitgangspunten zoals door de deskundige geformuleerd. Voor de berekening van het verlies aan verdienvermogen ziet de rechtbank aanleiding om een rekenkundige in te schakelen. Voor een rekenkundige is het essentieel dat uit de uitspraak volgt welk percentage voor rendement en welk percentage voor inflatie moet worden gehanteerd. Als het gaat om de toekomstige rente- en inflatieontwikkeling komt het aan op de redelijke verwachting van de rechter op dit moment. De rechtbank is voornemens voor de rekenrente aan te sluiten bij de Aanbevelingen rekenrente in personenschadezaken van 1 augustus 2024. Voordat de rechtbank overgaat tot benoeming van een rekenkundige zal zij partijen in de gelegenheid stellen zich bij akte uit te laten over de rekenrente die de rechtbank voornemens is te hanteren en over de te benoemen rekenkundige en de hiervoor genoemde onderzoeksvragen.
Rechtbank Limburg, 26-03-2025

Rechtspraak

PS 2026-0285

Deelgeschil. In 2016 is een bestuurder aangereden door een bestuurder van een andere auto. De WAM-verzekeraar van de andere automobilist heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval voor de bestuurder erkend. Om de gevolgen van het ongeval (beter) te kunnen beoordelen hebben partijen afgesproken om deskundigen onderzoek te laten verrichten. Het is partijen niet gelukt om tot een minnelijke regeling te komen. De WAM-verzekeraar heeft tot nu toe € 31.000 aan de bestuurder betaald als voorschot op de vast te stellen schade en € 12.500 als voorschot op de buitengerechtelijke kosten. De rechtbank bepaalt niet, zoals verzocht, dat er een juridisch causaal verband bestaat tussen het ongeval en de cognitieve klachten en/of stoornissen van de man. De man heeft namelijk het causaal verband onvoldoende onderbouwd. Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen besproken dat zij samen verder stappen zullen zetten voor het laten uitvoeren van een onderzoek door een verzekeringsgeneeskundige. Tussen partijen staat in ieder geval vast dat het chronisch pijnsyndroom van de bestuurder in (juridisch) causaal verband staat tot het ongeval. De rechtbank geeft partijen in dit kader in overweging om het verdere debat over de vraag of er sprake is van cognitieve klachten (en zo ja, welke) als gevolg van het chronisch pijnsyndroom en of deze daarmee als ongevalsgerelateerd zijn aan te merken niet uit de weg te gaan, om met elkaar daadwerkelijk te komen tot een finale beslechting van het geschil. Gerichte vragen hierover zijn (nog) niet aan de deskundigen gesteld.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 02-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0282

In 2015 is een vrouw in een manege van een paard gevallen, waarbij zij letsel heeft opgelopen aan haar rechterknie en -been. De vrouw heeft de bezitter van het paard op grond van artikel 6:179 BW aansprakelijk gesteld voor haar schade. De aansprakelijkheidsverzekeraar van de bezitter heeft aansprakelijk afgewezen. Zij heeft daarbij een beroep gedaan op een mondeling overeengekomen exoneratie. Volgens de verzekeraar mocht de vrouw gedurende de ziekenhuisopname van de bezitter van het paard geheel voor eigen risico het paard berijden en verzorgen. In 2019 heeft op verzoek van de vrouw een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden. Bij beschikking heeft de deelgeschilrechter het verzoek van de vrouw afgewezen. Op basis van de partijgetuigenverklaring van de bezitter in het voorlopig getuigenverhoor, die wordt ondersteund door de gedetailleerde verklaringen van anderen, acht de rechtbank de bezitter geslaagd in het bewijs van haar stelling dat afgesproken is dat de vrouw het paard op eigen risico zou berijden en dat zij de bezitter niet aansprakelijk zou stellen als de vrouw door de eigen energie van het paard iets zou overkomen, ook niet als het iets ernstigs zou zijn. De conclusie van de vrouw in het principaal hoger beroep strekt ertoe dat het hof de beschikking in het deelgeschil vernietigt. Het hof komt echter tot eenzelfde bewijswaardering als de deelgeschilrechter. Het hof overweegt dat de afspraak in de gegeven omstandigheden niets aan duidelijkheid te wensen overlaat en is aan te merken als een exoneratie. Het hof volgt niet het betoog dat de vrouw door de bezitter voor het blok is gezet toen deze exoneratie werd overeengekomen. De vrouw had eenvoudig kunnen weigeren het paard te berijden en verzorgen als zij deze uitsluiting van aansprakelijkheid niet wilde aanvaarden. Het hof bespreekt dan het subsidiaire punt van de vrouw, namelijk dat de bezitter in dit concrete geval geen beroep op de exoneratie kan doen ex artikel 6:248 lid 2 BW. Volgens het hof is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar dat de bezitter een beroep doet op de exoneratie. De omstandigheid dat de vrouw zich beroept op ernstige letselschade, is in de gegeven omstandigheden niet van zodanig gewicht dat dit tot een andere uitkomst noopt. De beschikking in deelgeschil wordt dus bekrachtigd.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 02-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0279

Een man is in 2016 als bestuurder van een personenauto betrokken geweest bij een ongeval toen hij tegen een langs de weg geparkeerde personenauto aanreed. Hij kreeg onderweg last van hartkloppingen als gevolg van een paniekaanval, waardoor hij de controle over het stuur verloor. De man ervaart diverse klachten en beperkingen en is volledig arbeidsongeschikt. De rechtbank komt tot de conclusie dat het juridisch causaal verband tussen de door de man ondervonden klachten en het ongeval niet kan worden aangenomen. De man verklaart inconsistent en uiteenlopend over de toedracht van het ongeval. Het ongevalsmechanisme is niet verklarend voor de klachten: de man leed reeds voor het ongeval aan de (ook) daarna ervaren problematiek en er is sprake van een alternatieve oorzaak voor de klachten. De rechtbank volgt daarbij het oordeel van de door de rechtbank eerder benoemde neuroloog en neuropsycholoog en de door partijen aangezochte psychiater. Er is dan ook geen aanspraak op uitkering onder de SVI-polis en de vorderingen worden afgewezen. Daarmee wordt niet een mogelijke predispositie van de man miskend: er is hier niet sprake van door de gesteldheid van het slachtoffer extra ernstige gevolgen van een relatief lichte gebeurtenis, maar op grond van de uitgebrachte deskundigenrapporten moet worden aangenomen dat de problematiek van de man andere oorzaken heeft dan het ongeval, en dat het ongeval slechts ‘als kapstok’ is gaan fungeren waaraan de door de man (deels reeds voor het ongeval) ervaren klachten (en beperkingen) zijn opgehangen.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 27-05-2026