Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

8.546 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0053

Hoge Raad. Doodslag door slachtoffer met vuurwapen door zijn hoofd te schieten en medeplegen van wegvoeren en verbergen van lijk. Het hoger beroep spitst zich toe op het oordeel van het hof omtrent de benadeelde partij ten aanzien van vergoeding van affectieschade. Kan de zus van het slachtoffer worden aangemerkt als ‘naaste’ in de zin van artikel 6:108 lid 4 onder g BW? Het hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partij en haar broer nog geen jaar in leeftijd verschilden. Zij hebben geen gemakkelijke jeugd gehad en kwamen bij hun oma te wonen toen hun ouders in 2017 naar Suriname verhuisden. Vanaf die periode heeft de benadeelde partij een deel van taken overgenomen die bij hun ouders hoorden. Haar broer, die ADHD had, vond bij haar steun die hij van zijn ouders miste. Zij woonden tot aan zijn overlijden onafscheidelijk in gezinsverband samen en waren van plan om na het verhuizen van hun oma samen te blijven. Na overlijden van haar broer heeft de benadeelde partij (i.v.m. zijn overlijden en ook rondom strafzaak) een rol vervuld die past bij bijzondere en hechte affectieve relatie die zij hadden. Op grond van deze vaststellingen heeft hof geoordeeld dat specifieke omstandigheden van de benadeelde partij zo uitzonderlijk zijn dat deze beroep op de ‘hardheidsclausule’ van artikel 6:108 lid 4 onder g BW rechtvaardigen. In het licht van wetsgeschiedenis van artikel 6:107 en 6:108 BW en tegen de achtergrond van wat hiervoor is vooropgesteld, getuigt dat oordeel niet van onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd.
Hoge Raad, 13-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0052

Strafrecht. Schietpartij op 10 november 2024 in het centrum van Bonaire. Vrijspraak van moord omdat voorbedachte rade niet bewezen kan worden. Bewezenverklaring doodslag en het voorhanden hebben van een vuurwapen. Het Gerecht legt een gevangenisstraf voor de duur van dertien jaren op. De moeder van het slachtoffer heeft zich in het strafproces gevoegd. De benadeelde partij vordert $ 20.000 aan immateriële schade voor het leed dat haar is aangedaan. De vraag die het Gerecht moet beantwoorden is of het leed van de moeder van het slachtoffer in deze zaak in juridische zin vertaald kan worden in een schadevergoeding op basis van ‘shockschade’. Voor het Gerecht staat wel vast dat aan de benadeelde partij onbeschrijfelijk leed is toegebracht door de gewelddadige dood van haar zoon. Het is duidelijk dat sprake is van trauma en van een heftige rouwreactie. Het Gerecht kan zich ook voorstellen dat het zien van haar kort daarvoor overleden zoon voor de benadeelde bijzonder pijnlijk moet zijn geweest. Maar dat is niet wat het Gerecht moet beoordelen. De vraag die het Gerecht moet beantwoorden, is of voldoende is komen vast te staan dat sprake is van geestelijk letsel dat door de confrontatie is ontstaan. Het Gerecht kan dat op basis van de huidige informatie niet vaststellen. Het Gerecht overweegt verder nog het volgende. Juist in verband met situaties als deze is in Europees Nederland de mogelijkheid ingevoerd om affectieschade te vorderen. Affectieschade is kort gezegd immateriële schade die bestaat uit het verdriet dat wordt veroorzaakt door het overlijden van een naaste als gevolg van een gebeurtenis waarvoor iemand anders aansprakelijk is. Onder het huidige Bonairiaanse recht is echter geen vergoeding mogelijk op grond van affectieschade. Hoewel het Gerecht bekend is met de omstandigheid dat de wetgever overweegt ook op de BES toekenning van affectieschade mogelijk te maken, gaat het de rechtsvormende taak van het Gerecht te buiten om nu al, zonder wettelijke basis, affectieschade toe te kennen. Hoe zuur dit voor de benadeelde ook is.
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 17-07-2025

Rechtspraak

PS 2026-0049

Vervolg zaak letselschade ongeval tijdens gymnastiekles. In het dictum van het eerste tussenarrest heeft het hof bepaald dat partijen zich bij akte dienen uit te laten over de door het hof voorgestelde deskundigen en eventueel, onder opgave van redenen, een alternatieve deskundige voor te stellen, alsook over de vragen die het hof voornemens is te stellen. Het hof heeft iedere verdere beslissing aangehouden. In zijn akte uitlating deskundigenonderzoek heeft de appellant gemotiveerd te kennen gegeven, zakelijk weergegeven, zich niet te kunnen vinden in de benoeming van de door het hof voorgestelde deskundigen. Daarbij heeft hij een alternatieve deskundige voorgesteld. De geïntimeerden hebben in hun akte uitlating deskundigenonderzoek te kennen gegeven in te kunnen stemmen met benoeming van de door het hof in het tussenarrest voorgestelde deskundigen en hun tijds- en kostenbegroting. In de bijlage bij hun akte hebben zij in reactie op het standpunt van de appellant over de door het hof in het tussenarrest voorgestelde deskundigen onder meer het standpunt ingenomen dat zij, hoewel zij de bezwaren van de appellant tegen de door het hof voorgestelde deskundigen mager vinden, willen voorkomen dat deskundigen worden benoemd waarin de appellant op voorhand geen vertrouwen heeft, op voorwaarde dat hetzelfde geldt voor hen. In dat verband hebben zij gemotiveerd bezwaren ingebracht tegen de voorgestelde alternatieve deskundige. In het verlengde daarvan bepleiten zij dat het hof (een) nieuwe deskundige(n) aandraagt, waarbij de geïntimeerden voorts te kennen hebben gegeven dat zij ervan uitgaan dat partijen nog zullen mogen reageren op de door het hof aan te dragen nieuwe deskundige. Het hof benoemt een deskundige. Het hof ziet geen aanleiding partijen de gelegenheid te geven zich nader uit te laten over de persoon van de deskundige. Daartoe wijst het hof op de door de deskundige gegeven antwoorden op de vragen die aan hem zijn voorgelegd met het oog op de voorgenomen benoeming zoals weergegeven in de voorgaande rechtsoverweging, mede in aanmerking genomen hetgeen daarover tussen partijen is gewisseld in hun respectieve aktes met addendum c.q. bijlage. Uit die antwoorden volgt naar het oordeel van het hof voldoende dat deskundige vrijstaat. Verder acht het hof in dit verband van belang dat de geïntimeerden, zijnde de partijen die in hun akte hebben geopperd dat partijen wederom de gelegenheid zou worden gegeven zich uit te laten over de nader door het hof voor te stellen deskundige, het niet nodig hebben gevonden om zelf een alternatieve deskundige aan te dragen, maar het zoeken naar en aandragen van een alternatieve deskundige aan het hof hebben overgelaten.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 13-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0048

Het hof heeft in een tussenarrest geoordeeld dat de bestuurder van de achterste auto onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van de bestuurder van de voorste auto. Bij akte van 7 april 2025 heeft de voorste bestuurder aan het hof bericht dat partijen schikkingsonderhandelingen hebben gevoerd, maar dat deze niet zijn geslaagd. Hij geeft aan dat – hoewel het om een ‘low impact’-aanrijding gaat en de schade aan zijn auto beperkt was – de impact van de aanrijding op zijn lichaam groot was. Hij is daarom niet in staat een deugdelijke onderbouwing op alle punten te presenteren. Hij wenst via een schadestaatprocedure de schade te laten vaststellen. De voorst bestuurder meent dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden: hij vordert immers slechts vaststelling van de aansprakelijkheid en meent dat in dit stadium niet van hem kan worden verlangd dat hij een deugdelijke schadeberekening overlegt die is voorzien van alle onderlinge stukken/bewijsmiddelen. De wederpartij is van mening dat partijen geen (serieuze) schikkingsonderhandelingen hebben gevoerd. De voorste bestuurder heeft enkel zonder enige vorm van onderbouwing een Excel-sheet opgestuurd en betaling van € 100.000 gevorderd. De wederpartij meent verder dat de voorste bestuurder voldoende tijd heeft gehad zijn schade te onderbouwen en dat het juist de voorste bestuurder is die misbruik maakt van procesrecht: ieder objectief aanknopingspunt dat er sprake is van letselschade ontbreekt en een concreet bewijsaanbod wordt niet gedaan. Als er na (inmiddels bijna) zeven jaar geen (begin van) bewijs kan worden geleverd, dan is dit bewijs er kennelijk ook niet en is er geen reden om de zaak te verwijzen naar de schadestaatprocedure. Het hof verwerpt het verzoek van de voorste bestuurder om de zaak naar een schadestaatprocedure te verwijzen. Daar de schade geheel is geleden (ter zitting bij het hof heeft de voorste bestuurder verklaard dat hij niet weet hoe lang hij arbeidsongeschikt is geweest als gevolg van het ongeval, maar in ieder geval was hij inmiddels hersteld), valt zonder nadere toelichting niet in te zien dat de voorste bestuurder op dit moment zijn (letsel)schade niet nader kan onderbouwen. Er is immers een eindtoestand bereikt. Het hof zal daarom zelf de schade begroten. Het hof zal daartoe de voorste bestuurder nog eenmaal in de gelegenheid stellen een deugdelijke schadeberekening over te leggen, voorzien van alle onderliggende stukken/bewijsmiddelen. De wederpartij zal daarna de gelegenheid krijgen te reageren.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 24-06-2025

Rechtspraak

PS 2026-0047

Tussenarrest. Het geschil betreft de aansprakelijkheid voor de schade als gevolg van een kop-staartaanrijding in 2018. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld dat de bestuurder van de achterste auto een toerekenbare verkeersfout heeft gemaakt. Naar het oordeel van het hof volgt uit het bewijs dat de achterste bestuurder – of voorste bestuurder nu plotseling heeft geremd of niet – onvoldoende afstand heeft gehouden tot de voorste auto. Het over de schouder kijken of de weg vrij is, neemt doorgaans immers niet meer dan (een fractie van) een seconde in beslag. Het hof voegt hier nog aan toe dat de verplichting om voldoende afstand te houden ook geldt als de voorste auto langzamer reed dan de achterste bestuurder gezien de verkeerssituatie logisch of wenselijk vond. Dit betekent dat de achterste bestuurder heeft gehandeld in strijd met artikel 19 RVV en dus onrechtmatig jegens de bestuurder van de voorste auto heeft gehandeld. Omdat de getuigenverklaringen van de partijen lijnrecht tegenover elkaar staan en het hof geen aanknopingspunten ziet om de verklaring van de een geloofwaardiger te achten dan die van de ander, kan er niet van worden uitgegaan dat de voorste bestuurder gevaarzettend heeft gehandeld zoals door de wederpartij is gesteld. Gegeven de omstandigheid dat er al een voorlopig getuigenverhoor heeft plaatsgevonden en de wederpartij niet meer dan een algemeen gesteld bewijsaanbod heeft gedaan, ziet het hof voor nadere bewijslevering geen plaats. Eigen schuld is dus niet komen vast te staan. Het hof heeft nog geen beeld gekregen van de schade. Onder deze omstandigheden geeft het hof partijen in overweging zich met elkaar te verstaan over de omvang van de schade. Het komt het hof voor dat partijen daar onderling uit zouden moeten kunnen komen, nu het om een ‘low impact’- aanrijding gaat en de schadeomvang naar het zich laat aanzien beperkt is. Het hof zal de zaak daarom naar de rol verwijzen voor uitlaten (doorhalen dan wel verder procederen) door beide partijen. Indien partijen er niet in zouden slagen de schade te regelen en wensen voort te procederen, verneemt het hof graag waar het probleem zit. Het hof verzoekt de voorste bestuurder in dat geval een deugdelijke schadeberekening over te leggen, voorzien van alle onderliggende stukken/bewijsmiddelen. De wederpartij zal daarna de gelegenheid krijgen te reageren.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 11-03-2025

Rechtspraak

PS 2026-0046

Een moeder heeft in 1988 een behandeling ondergaan in een ziekenhuis waarbij met de behandelend gynaecoloog was afgesproken dat de moeder zou worden geïnsemineerd met het zaad van haar toenmalige echtgenoot. De gynaecoloog heeft echter niet het zaad van de echtgenoot gebruikt, maar zijn eigen zaad en heeft de moeder en haar toenmalige echtgenoot daarover niet ingelicht. Als gevolg van de behandeling zijn de drie kinderen (een drieling) geboren. De moeder en de kinderen houden het ziekenhuis aansprakelijk voor de gevolgen. Zij stellen dat jegens de moeder is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelovereenkomst en dat door het schenden van deze overeenkomst het ziekenhuis ook onrechtmatig heeft gehandeld jegens de kinderen. De rechtbank heeft de vorderingen van de moeder en kinderen afgewezen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vordering tot vergoeding van de schade als gevolg van de inseminatie met het eigen zaad van de gynaecoloog, is verjaard. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het ziekenhuis buiten de contractuele verhouding tussen de moeder en de gynaecoloog stond en daarom van een tekortschieten door het ziekenhuis in de nakoming ervan dan wel van onrechtmatig handelen, geen sprake kan zijn. Volgens het gerechtshof slaagt het hoger beroep van de moeder en kinderen grotendeels. Op basis van de gang van zaken en de aldus in het onderzoek en de KIE-behandeling van de moeder besloten liggende verklaringen en gedragingen van het ziekenhuis is het hof van oordeel dat de moeder in de gegeven omstandigheden er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij (ook) met het ziekenhuis een overeenkomst sloot voor de behandeling. Dat de gynaecoloog als vrijgevestigd medisch specialist in 1980, zoals in die tijd veelvuldig in perifere ziekenhuizen voorkwam, een toelatingsovereenkomst met het ziekenhuis heeft gesloten, niet in loondienst was van het ziekenhuis en dat in deze situatie in ieder geval een behandelovereenkomst tot stand komt met de arts voor de specifieke behandeling, doet hieraan niet af. Het gerechtvaardigd vertrouwen van de moeder is later alleen maar versterkt nadat de handelwijze van de gynaecoloog in 2020 bekend werd. Het ziekenhuis heeft toen niet aan de moeder en de kinderen kenbaar gemaakt dat zij niet juridisch verantwoordelijk was voor de gebeurtenissen die plaatsvonden voor 1 april 1995 (de datum van de invoering van de WGBO), omdat het ziekenhuis geen contractuele relatie had met de getroffen patiënten. Als professionele partij had het op haar weg gelegen daarover tijdig duidelijkheid te verschaffen, maar dat heeft zij nagelaten. Daar komt bij dat het ziekenhuis in de door haarzelf opgestelde verklaring van 3 november 2021 schrijft dat het belang van de gedupeerde ouders en kinderen vooropstaat, dat zij excuses maakt voor het handelen van de gynaecoloog en dat het ziekenhuis er alles aan zal doen om de schade en het leed van de mensen zoveel mogelijk te beperken. Het ziekenhuis schrijft verder dat het handelen van de gynaecoloog primair zijn verantwoordelijkheid was, maar dat het ziekenhuis destijds ook niet geheel vrij van blaam was. Met deze verklaring heeft het ziekenhuis eveneens het gerechtvaardigd vertrouwen van de moeder versterkt dat het ziekenhuis zich ook juridisch verantwoordelijk achtte voor het handelen van de gynaecoloog. Naar het oordeel van het hof is het beroep op verjaring door het ziekenhuis in dit specifieke geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Bij de afweging van de te onderscheiden gezichtspunten weegt voor het hof zwaar dat het hier een ernstig verwijtbaar handelen van de gynaecoloog betreft, dat is verricht in de uitvoering van de overeenkomst met de gynaecoloog en het ziekenhuis inzake de infertiliteitsbehandeling van de moeder. Het handelen door de gynaecoloog is heimelijk gebeurd, tegen de gemaakte afspraken met de moeder in en met ingrijpende gevolgen voor de moeder en de kinderen waarbij fundamentele rechten van hen zijn geschonden. Het feit dat nu pas duidelijk is met welk zaad de moeder in 1988 daadwerkelijk is geïnsemineerd en van wie de kinderen biologisch afstammen, betekent een zeer ingrijpende wijziging in deze fase van hun leven. Met het ernstig verwijtbare handelen werd een inbreuk gepleegd op het recht van de moeder op onder meer lichamelijke en geestelijke integriteit. De moeder heeft, toen zij te weten kwam wat daadwerkelijk was gebeurd, de inseminatie ervaren als een verkrachting en, zoals zij tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verklaarde, achteraf het gevoel te hebben gehad dat zij door de gynaecoloog als een broedmachine is gebruikt. Vervolgens zag zij zich gesteld voor de opvoeding van drie kinderen met karaktertrekken die zij ten dele niet herkende. Voor de kinderen is het schrijnend dat zij in een belangrijke periode van hun leven waarin de basis wordt gelegd voor de vorming van hun identiteit, niet hebben geweten wie hun biologische vader was en waar bepaalde karaktertrekken vandaan kwamen. Zij werden geconfronteerd met verlies van genetische affiniteit met de opvoedvader. Met het ernstig verwijtbare handelen werd een inbreuk gepleegd op het zelfbeschikkingsrecht en de persoonlijkheidsrechten van de kinderen. Dat emotionele, psychische en vermogensschade voor de moeder en de kinderen het gevolg kan zijn, is voorzienbaar terwijl zij niet voor het verstrijken van de absolute verjaringstermijn een vordering tot vergoeding daarvan hebben kunnen instellen. Voor het verwijtbare handelen van de gynaecoloog, dat ook in strijd was met destijds geldende professionele richtlijnen en gedragsregels, is het ziekenhuis (mede) verantwoordelijk en kan aan haar worden toegerekend, terwijl haar ook zelf verwijten kunnen worden gemaakt wat betreft het gebrek aan bestuurlijk en juridisch toezicht op de fertiliteitsafdeling. Het hof acht verder van belang dat de onderhavige zaak zich afspeelt tussen de direct betrokkenen, te weten het verantwoordelijke ziekenhuis en de moeder en haar kinderen. Een schadevergoeding, indien toewijsbaar, zal volledig aan de moeder en de kinderen ten goede komen. Deze gezichtspunten die pleiten voor doorbreking van de verjaring worden ondersteund door het gezichtspunt dat de moeder en kinderen ter zake van de schade geen aanspraak kunnen maken op een uitkering uit anderen hoofde en dat zij na het aan het licht komen van de schade binnen redelijke termijnen het ziekenhuis aansprakelijk hebben gesteld en een vordering tot schadevergoeding hebben ingesteld. Daarbij heeft het ziekenhuis verder ook de indruk en het vertrouwen gewekt zich in te zullen spannen voor het beperken van de schade en het leed van de betrokkenen. Hier staat weliswaar tegenover dat het ziekenhuis vóór het verstrijken van de verjaringstermijn geen rekening had behoeven te houden met de mogelijkheid van de vorderingen van de moeder en de kinderen, maar tegelijkertijd moet het voor het ziekenhuis, ondanks het tijdsverloop, in dit geval in redelijkheid mogelijk worden geacht inhoudelijk verweer te voeren en brengt het niet-verzekerd zijn als gevolg van de opzetclausule voor haar geen onevenredig nadeel met zich mee ten opzichte van een vordering die voor het verstrijken van de verjaringstermijn zou zijn ingesteld, omdat zij ook dan naar haar eigen stellingen niet verzekerd zou zijn geweest. Het hof verklaart voor recht dat het ziekenhuis aansprakelijk is voor de (im)materiële schade die de moeder en de kinderen lijden en hebben geleden. De gevorderde verklaring voor recht wat betreft de schending van de dossier- en informatieplicht jegens de moeder geldt alleen voor de periode dat zij nog onder behandeling was van de gynaecoloog. Het hof acht, gelet op de stellingen van de moeder en de kinderen, ten minste de mogelijkheid aannemelijk dat materiële en immateriële schade (geestelijk letsel) door de moeder is of zal worden geleden als gevolg van de toerekenbare tekortkomingen in de nakoming van de overeenkomst inzake haar behandeling. Het hof acht eveneens ten minste de mogelijkheid aannemelijk dat materiële en immateriële schade (geestelijk letsel) door ieder van de kinderen is of zal worden geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen jegens hen. Het debat over de omvang van de schade is echter amper gevoerd. Het hof zal dan ook de vordering tot verwijzing naar de schadestaat voor vaststelling van de omvang van de schade van de moeder en de kinderen toewijzen.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 13-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0045

In 2023 heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen een personenauto en een auto van de politie. Op enig moment heeft de politie de personenauto ingehaald en is zij voor de auto gaan rijden. Tijdens de inhaalmanoeuvre is een tweede voertuig van de politie naast de personenauto gaan rijden. Een van de politieagenten heeft vervolgens een wapen op de bestuurder en haar bijrijder gericht en bevolen dat zij hun handen in de lucht moesten doen, wat zij ook hebben gedaan. De politieagent van het voertuig van de politie dat voor de personenauto reed heeft vrijwel gelijktijdig afgeremd, waarna de personenauto tegen de achterkant van de auto van de politie is aangereden. De bestuurster van de personenauto verzoekt onder andere dat de kantonrechter voor recht verklaart dat de politie onrechtmatig tegenover haar heeft gehandeld en dat de politie aansprakelijk is voor de schade. De politie betwist dat zij aansprakelijk is voor de aanrijding. Volgens de politie is de aanrijding het rechtstreekse gevolg van het negeren door de bestuurster van het teken ‘stop politie’, dat de politie heeft gegeven toen zij vóór de personenauto reed. Daarnaast stelt de politie dat de bestuurster heeft verzuimd haar auto op tijd tot stilstand te brengen, terwijl daar wel de gelegenheid en tijd voor was. Naar het oordeel van de kantonrechter kan in het midden blijven of een stopteken is gegeven. In artikel 19 RVV is namelijk bepaald dat een bestuurder in staat moet zijn om zijn of haar voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij of zij de weg kan overzien en waarover deze vrij is. Dit houdt in dat een bestuurder, in het geval een voorliggende auto remt, in staat moet zijn zelf op tijd af te remmen. Dat zou anders kunnen zijn als de voorligger plotseling en zonder enige aanleiding hard afremt. Dat de politie plotseling en zonder aanleiding hard heeft afgeremd heeft de bestuurster in deze procedure echter niet gesteld. In aansluiting op het voorgaande heeft de bestuurster ook niet gesteld dat zij onvoldoende ruimte of gelegenheid had om zelf tijdig af te remmen. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat zij die ruimte en gelegenheid wél had. Het had dan ook in de gegeven omstandigheden op grond van artikel 19 RVV van haar verwacht mogen worden dat zij haar auto op tijd tot stilstand zou brengen op het moment dat de politieauto vóór haar afremde. Dat heeft zij niet gedaan. De (enkele, niet onderbouwde) stelling van de vrouw dat vanuit de tweede politieauto – met getrokken vuurwapen – aan haar en haar bijrijder het bevel is gegeven hun handen in de lucht te doen, maakt het bovenstaande niet anders. Naast het feit dat de politie die stelling van de vrouw heeft betwist (en het vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid bepaald niet voor de hand ligt dat de politie aan de bestuurder van een rijdende auto het bevel zou geven onmiddellijk de handen in de lucht te doen), geldt dat een dergelijk bevel het niet onmogelijk maakt het rempedaal te bedienen en alsnog af te remmen. De gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen. De vrouw heeft zelf juist onrechtmatig jegens de politie gehandeld. Zij moet de schade die de politie daardoor lijdt vergoeden. De door de politie gevorderde verklaring voor recht op dit punt wordt daarom toegewezen.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 05-12-2025