Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

8.964 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0325

Bestuursrecht. Een man is tussen 1955 en 1957 als dienstplichtig automonteur werkzaam geweest bij Defensie. In 2021 is bij de man de diagnose maligne mesothelioom (mesothelioom) gesteld. Deze ziekte wordt veroorzaakt door de blootstelling aan asbestvezels. In 2023 is de man aan de gevolgen hiervan overleden. In 2021 heeft de man Defensie aansprakelijk gesteld. Het Instituut Asbestslachtoffers (IAS) heeft onderzoek gedaan naar de vraag of de man in de arbeidsrelatie is blootgesteld aan asbest, en zo ja, of Defensie genoeg heeft gedaan om de man hiertegen te beschermen. Het IAS heeft op basis van dat onderzoek vastgesteld dat de man in de periode van juni 1955 tot april 1957 bijna dagelijks is blootgesteld aan asbest en dat Defensie onvoldoende veiligheidsmaatregelen heeft getroffen om de man daartegen te beschermen. De conclusie van het IAS is dan ook dat Defensie een schadevergoeding moet betalen voor de als gevolg daarvan geleden gezondheidsschade. Defensie heeft het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) onderzoek laten uitvoeren. Het NIMH heeft geconcludeerd dat de man bij zijn werkzaamheden als automonteur met name via remvoeringen van auto’s in aanraking kan zijn gekomen met asbest. Daaruit kan volgens Defensie niet direct aansprakelijkheid worden afgeleid voor de gezondheidsschade. Daarvoor moet namelijk worden gekeken naar de kennis en inzichten ten tijde van de blootstelling. In de periode 1949-1969 was alleen bekend dat langdurige en intensieve blootstelling aan asbestvezels gevaarlijk was voor de gezondheid. Dat een geringe blootstelling aan asbest ook mesothelioom kan veroorzaken, was op zijn vroegst pas bekend vanaf februari 1969. Dit betekent volgens Defensie dat zij ten tijde van het dienstverband van de man alleen veiligheidsmaatregelen moest treffen bij intensieve en langdurige blootstelling aan asbest. Dat was niet het geval. Defensie heeft volgens de rechtbank het verzoek om aansprakelijkheidserkenning en het verzoek om schadevergoeding terecht afgewezen. Van Defensie kon niet redelijkerwijs verwacht worden dat zij de man door het treffen van veiligheidsmaatregelen zou beschermen tegen dit toen nog niet bekende gevaar. Er is geen sprake van schending van de zorgplicht. Het beroep is ongegrond.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 04-11-2024

Rechtspraak

PS 2025-0320

Een vrouw is in 2016 gedetineerd geweest. Tijdens haar detentie is de vrouw in het ziekenhuis onderzocht vanwege (pijn)klachten aan haar knie. Bij de vrouw is een knieprothese geplaatst. In de periode na haar operatie heeft de vrouw klachten c.q. beperkingen ondervonden in haar herstel. De orthopedisch chirurg heeft in een brief, geadresseerd aan de huisarts, gesteld dat er sprake is van een beperkte functie, waarschijnlijk ten gevolge van onvoldoende oefentherapie in de penitentiaire instelling. De vrouw vordert nu een verklaring voor recht dat de Staat jegens haar aansprakelijk is voor de schade die het gevolg is van het niet of onvoldoende bieden van de (medische) (na)zorg die noodzakelijk, geïndiceerd of geadviseerd was in relatie tot haar knieoperatie. Aan haar vordering legt de vrouw ten grondslag dat de Staat een zorgplicht heeft jegens gedetineerden en dat het toerekenbaar tekortkomen in de nakoming van die zorgplicht een onrechtmatige daad oplevert. De Staat stelt dat hij de zorgplicht niet heeft geschonden en betwist daarnaast het bestaan van een causaal verband tussen (al dan niet onvoldoende) nazorg en de schade van de vrouw. De rechtbank is van oordeel dat de feitelijk aan de vrouw geboden zorg voldoet aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden. Hierbij wordt getoetst aan de KNGF-richtlijn ‘Artrose-heup-knie’. De rechtbank overweegt dat niet ter discussie staat dat voorafgaand aan de operatie is gesproken over een andere frequentie aan fysiotherapie dan uiteindelijk feitelijk is aangeboden. Het is weliswaar denkbaar dat daarmee andere verwachtingen bij de vrouw zijn ontstaan, maar dat betekent nog niet dat voor de vraag of de Staat zijn zorgplicht heeft geschonden een ander toetsingskader geldt. De rechtbank wijst de vordering van de vrouw af.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 04-06-2025

Rechtspraak

PS 2025-0319

Deelgeschil. Een man is tussen oktober 2009 en oktober 2010 en in de periode van augustus 2015 tot en met januari 2016 bij neurologen van een ziekenhuis onder behandeling geweest vanwege neurologische klachten. In 2019 is de man geopereerd op de afdeling neurochirurgie. Na de operatie is de man last blijven houden van klachten. Hij is van mening dat het ziekenhuis aansprakelijk is voor de schade die hij lijdt en heeft geleden doordat de behandelende artsen verwijtbaar hebben gehandeld door niet de juiste diagnose te stellen. De rechtbank heeft in een eerdere beschikking een voorlopig deskundigenbericht bevolen door een neuroloog en in een daaropvolgende beschikking geoordeeld dat het ziekenhuis aansprakelijk is voor de schade als gevolg van de gemiste diagnose. De rechtbank heeft in deze beschikking overwogen dat onduidelijk is welke schade de man precies lijdt door de tekortkoming van het ziekenhuis. De rechtbank heeft partijen dringend in overweging gegeven daarover snel met elkaar in gesprek te gaan. Er heeft overleg plaatsgevonden maar partijen zijn er niet in geslaagd om een minnelijke regeling te treffen. In totaal heeft het ziekenhuis en haar aansprakelijkheidsverzekeraar een bedrag van € 26.000 bevoorschot. De man verzoekt de rechtbank nu om het ziekenhuis en haar aansprakelijkheidsverzekeraar te veroordelen tot betaling van een aanvullend voorschot op de schade voor een bedrag van € 25.000. De rechtbank overweegt dat het verzoek onvoldoende onderbouwd is. De man heeft geen andere of aanvullende stukken in het geding gebracht ter onderbouwing van zijn schade dan stukken die in de eerdere procedures tussen partijen zijn overgelegd. Het beroep op punitive damages als rechtvaardiging voor het toekennen van extra smartengeld in verband met het lange tijdsverloop slaagt niet. Het Nederlandse rechtsstelsel kent geen vorm van schadevergoeding als straf. Het verzoek wordt afgewezen.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 28-05-2025