Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

8.612 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0059

Er heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen twee auto’s. De voorste bestuurder maakte een noodstop voor een schrikhek op de rijbaan. De achterste bestuurder kon niet meer op tijd remmen en botste tegen de auto van de voorste bestuurder aan, hierbij heeft hij letsel opgelopen. De achterste bestuurder verzoekt in deze deelgeschilprocedure een verklaring voor recht dat de gemeente aansprakelijk is voor het ongeval, omdat zij heeft gehandeld in strijd met de op haar rustende zorgplicht als wegbeheerder. De kantonrechter oordeelt dat de gemeente onder deze omstandigheden wist, althans behoorde te begrijpen dat een schrikhek midden op de rijbaan een wezenlijk gevaar voor personen kon opleveren. Van de weggebruikers kon niet worden verwacht dat zij op een dergelijk schrikhek op 120 meter vóór de rotonde bedacht waren. Weggebruikers waren in de avond aangewezen op hun eigen (dim)verlichting en wat daarmee kon worden waargenomen. Van een afstand was het schrikhek niet of slecht zichtbaar en de kans dat iemand daar tegenaan zou rijden was groot. De tijd om het schrikhek te ontwijken was immers zeer kort. Verder kunnen de gevolgen van een dergelijke aanrijding ernstig zijn. Daarbij diende de gemeente rekening te houden met weggebruikers die de maximumsnelheid niet altijd stipt naleven, terwijl zij er voorts rekening mee diende te houden dat weggebruikers niet steeds de nodige oplettendheid zullen betrachten. Gezien deze situatie had de gemeente extra voorzorgsmaatregelen kunnen (en moeten) nemen. Zij had bijvoorbeeld (knipperende) waarschuwingslichten kunnen plaatsen op het schrikhek of verkeerregelaars kunnen regelen, deze maatregelen waren niet bezwaarlijk geweest. Met inachtneming van het hiervoor geschetste kader van de onrechtmatigheidstoetsing van artikel 6:162 BW en na weging van de concrete omstandigheden van het geval komt de kantonrechter tot de conclusie dat de gemeente toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld en daarmee aansprakelijk is voor de schade die de achterste bestuurder als gevolg van het ongeval heeft geleden en nog lijdt. De gemeente doet een beroep op eigen schuld aan de kant van de achterste bestuurder omdat hij onvoldoende oplettend zou hebben gereden. De kantonrechter oordeelt dat hiervan sprake is. Van de achterste bestuurder had mogen worden verwacht dat hij op onverwachte situaties op de donkere weg bedacht was en daarop tijdig anticipeerde. Daarbij is van belang dat zijn voorganger wel tijdig tot stilstand kwam. Naar het oordeel van de kantonrechter dient de gemeente 75% van de schade te vergoeden. Het beroep op de billijkheidscorrectie door de achterste bestuurder slaagt niet.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 08-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0058

Een werknemer is in 2001 bij een arbeidsongeval gewond raakte aan zijn voet. Schade door verminderd arbeidsvermogen na arbeidsongeval. Poolmolen-arrest (HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273). Koerswijziging in hoger beroep. De advocaat-generaal (A-G) merkt op dat het vaste rechtspraak is van de Hoge Raad dat voor de vaststelling van het bestaan en de omvang van de schade door verminderd arbeidsvermogen als gevolg van het ongeval, een vergelijking dient te worden gemaakt tussen het inkomen van de benadeelde in de feitelijke situatie na die gebeurtenis en het inkomen dat de benadeelde zonder die gebeurtenis zou hebben verworven. Bij de inschatting van deze inkomens moet de rechter de goede en kwade kansen afwegen, waarbij hij een aanzienlijke mate van vrijheid heeft. Het resultaat van deze afweging is in cassatie beperkt toetsbaar, maar dit neemt niet weg dat het oordeel van de rechter wel consistent en begrijpelijk dient te zijn. De A-G meent dat het oordeel van het hof deze beperkte toetsing doorstaat. In deze overweging is het hof – bij de inschatting van het inkomen met ongeval – ingegaan op de vraag of de omstandigheid dat eiser sinds de sluiting van het restaurant geen inkomsten uit arbeid meer heeft genoten, is toe te schrijven aan het ongeval. Het hof heeft daarbij op basis van de bevindingen in het rapport van de arbeidsdeskundige dat is gebaseerd op de door de deskundige orthopeed vastgestelde beperkingen – geoordeeld dat eiser in staat moet worden geacht arbeid te verrichten en daarmee een inkomen ter hoogte van het minimumloon te verdienen. Hoewel in het rapport van de arbeidsdeskundige is opgenomen dat de kans op re-integratie klein is omdat eiser is aangewezen op zittend werk, hij op vmbo-niveau functioneert en de meeste functies op vmbo-niveau staand werk inhouden, heeft het hof in zijn oordeel kennelijk doorslaggevend geacht dat de arbeidsdeskundige niettemin voor eiser passende functies heeft geduid, zoals eenvoudige productiewerkzaamheden of toezichthoudende functies (zoals portier, medewerker parkeergarage, etc.). Dit oordeel van het hof is volgens de A-G niet onbegrijpelijk. Ook de omstandigheid dat voor re-integratie een intensief begeleidingstraject nodig zou zijn, waarbij niet moet worden uitgesloten dat dit scenario (re-integratie) in werkelijkheid niet haalbaar is (wegens niet-ongevalsgerelateerde beperkingen), maakt het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Het oordeel van het hof houdt immers een inschatting in van het inkomen dat de eiser in de situatie met ongeval zou hebben verworven. Voor deze inschatting dient te worden vastgesteld welke gevolgen het ongeval heeft gehad voor de gezondheid van de eiser en wat daarvan (van deze gevolgen) de betekenis is voor de mogelijkheid om betaalde (of onbetaalde) arbeid te verrichten. De niet-ongevalsgerelateerde klachten waarnaar het hof heeft verwezen en die volgens het hof geen rol kunnen spelen bij de inschatting van het inkomen dat de eiser in de situatie met ongeval zou hebben verworven, betreffen de knieklachten en psychische klachten die de eiser na het door de deskundige opgestelde rapport stelt te hebben ontwikkeld. Ten aanzien van deze klachten heeft het hof geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de eiser, na het uitbrengen van het rapport van de deskundige, klachten heeft ontwikkeld die als ongevalsgevolg kunnen worden aangemerkt. Deze knieklachten en psychische klachten zijn zodoende niet het gevolg van het ongeval, maar zijn na het ongeval door andere oorzaken ontstaan. Deze beperkingen kunnen daarom redelijkerwijs geen rol spelen bij de inschatting van het inkomen dat de eiser in de situatie met ongeval zou hebben verworven. Dat voor re-integratie een intensief begeleidingstraject nodig is, neemt niet weg dat mét deze begeleiding re-integratie door de arbeidsdeskundige wél mogelijk wordt geacht, zodat ook deze omstandigheid het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk maakt. Volgens de A-G dienen de cassatieklachten te worden verworpen.
Parket bij de Hoge Raad, 09-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0057

Hoger beroep vrijwaring. Dodelijk ongeval tussen auto en trein op onbewaakte spoorwegovergang. Arriva vordert schadevergoeding van de WAM-verzekeraar van de auto. De rechtbank heeft de vordering van Arriva in de hoofdzaak toegewezen en in de vrijwaringszaak de vorderingen van de WAM-verzekeraar afgewezen en die van ProRail toegewezen. De WAM-verzekeraar heeft in het vonnis in de hoofdzaak berust. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen van de WAM-verzekeraar in de vrijwaringszaak alsnog worden toegewezen en de vordering van ProRail alsnog wordt afgewezen. In de vrijwaringszaak zoekt de WAM-verzekeraar verhaal van haar schade op de wegbeheerder (gemeente) en de spoorwegbeheerder (Prorail). Deze schade bestaat uit (1) de schadevergoeding die de WAM-verzekeraar aan Arriva moet betalen en (2) de vergoeding die zij heeft uitgekeerd aan de nabestaanden van de automobilist die is omgekomen. Deze vorderingen hebben een verschillende juridische grondslag, De eerste vordering baseert de WAM-verzekeraar terecht op subrogatie. Door betaling van de vordering van Arriva op haar verzekerde subrogeert de WAM-verzekeraar in de rechten die haar verzekerde betreffende de door hem geleden schade jegens derden heeft (art. 7:962 lid 1 BW), niet ook in de rechten van de Arriva zelf. Indien naast de automobilist ook anderen – ProRail en/of de gemeente – hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade van Arriva, heeft de verzekerde en (door subrogatie) diens WAM-verzekeraar op grond van artikel 6:10 BW een regresvordering op ProRail en/of de gemeente voor zover de WAM-verzekeraar een groter deel van de schade van Arriva heeft voldaan dan haar verzekerde aangaat tot ten hoogste het deel dat ProRail en/of de gemeente aangaat in hun verhouding tot de verzekerde. Het gaat er bij deze vordering van de WAM-verzekeraar dus om of ProRail en/of de gemeente ook hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens Arriva en, indien dat het geval is, welk gedeelte van de schuld jegens Arriva de verzekerde (en in diens plaats de WAM-verzekeraar), ProRail en/of de gemeente in hun onderlinge verhouding aangaat. Het feit dat Achmea is gesubrogeerd in de rechten van haar verzekerde staat bij deze vordering niet in de weg aan een beroep van Achmea op artikel 6:174 BW (in combinatie met art. 8:1661 lid 2 BW), inhoudende dat de (weg naar de) spoorwegovergang een gebrekkige opstal is. Op grond van artikel 6:197 lid 2 aanhef en onder a BW zijn de rechten uit artikel 6:174 BW weliswaar niet vatbaar voor subrogatie, maar dat geldt bij een subrogatie op grond van artikel 7:962 BW niet voor zover de uitkering van de verzekeraar de aansprakelijkheid van de verzekerde betreft en een ander krachtens artikel 6:174 BW mede aansprakelijk was. Die situatie doet zich hier voor als (mede)aansprakelijkheid van ProRail en/of de gemeente moet worden aangenomen. Voor de tweede vordering van de WAM-verzekeraar ligt dat anders. Die vordering betreft het bedrag dat de WAM-verzekeraar aan de nabestaanden van de automobilist heeft uitgekeerd. Ook die vordering is gebaseerd op subrogatie. Achmea treedt daardoor in de rechten van de verzekerde. Omdat het hier om de eigen schade van de verzekerde gaat (en niet om de schade van een derde waarvoor hij (al dan niet hoofdelijk) aansprakelijk is), gaat het om de aansprakelijkheid van ProRail en/of de gemeente jegens de verzekerde. In die verhouding kan Achmea zich niet op artikel 6:174 BW beroepen, omdat de uitsluiting van subrogatie in die rechten in deze verhouding wel geldt. Het beroep van Achmea op artikel 8:1661 lid 2 BW maakt dat niet anders. In deze bepaling is vastgelegd dat de aansprakelijkheid van artikel 6:174 BW ten aanzien van spoorweginfrastructuur op de beheerder berust. De bepaling creëert dus geen eigen risicoaansprakelijkheid, waarop artikel 6:197 lid 2 BW niet van toepassing is, maar alloceert de bestaande risicoaansprakelijkheid van artikel 6:174 BW voor spoorweginfrastructuur bij de beheerder van spoorweginfrastructuur, bij ProRail dus. Anders dan de rechtbank oordeelt het hof dat deze specifieke spoorwegovergang en de weg ernaartoe gebrekkig zijn, maar ook dat er sprake is geweest van kenbaarheid van het gebrek aan zowel de spoorwegovergang als de weg ernaartoe. Zowel de spoorwegbeheerder als de wegbeheerder zijn naast de automobilist aansprakelijk voor het ontstaan van het ongeval. De onveilige situatie enerzijds en de onachtzaamheid van de automobilist anderzijds hebben naar het oordeel van het hof in gelijke mate bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Voor de onveilige situatie zijn ProRail en de gemeente volgens het hof in gelijke mate verantwoordelijk. Dat betekent een causale verdeling van 50% voor de automobilist (de WAM-verzekeraar ), 25% voor ProRail en 25% voor de gemeente . In de onderlinge verhouding tussen de ProRail en de gemeente is reden voor een aanpassing op grond van de billijkheidcorrectie. Naar het oordeel van het hof valt de gemeente een groter verwijt te maken dan ProRail. Het hof stelt de bijdrage van ProRail op 20% (in plaats van 25%) en van de gemeente op 30% (in plaats van 25%). Voor schadeposten waarvoor alleen de automobilist (de WAM-verzekeraar) en de gemeente hoofdelijk aansprakelijk zijn, geldt een bijdrageplicht van de automobilist (de WAM-verzekeraar) van 62,5% (50/80 * 100%) en van de gemeente van 37,5% (30/80 * 100%). In de verhouding tussen de automobilist ( de WAM-verzekeraar ) is dat 71,4% (50/70 * 100%) voor de automobilist (de WAM-verzekeraar) en 28,6% (20/70 * 100%) voor de gemeente. Het hof beoordeelt verschillende vorderingen. Het hof komt tot een wat ander oordeel dan de rechtbank doordat het hof, anders dan de rechtbank, ProRail en de gemeente medeaansprakelijk houdt voor het ontstaan van het ongeval en de daardoor ontstane schade. Het hof wijst de volgende bedragen toe: de vordering van de WAM-verzekeraar in verband met de schade van Arriva op ProRail tot € 20.539,79 en op de gemeente tot € 40.610,47, te vermeerderen met wettelijke rente. De vordering van de WAM-verzekeraar in verband met de uitkering aan de erven van de automobilist op ProRail tot € 2.044,31 en op de gemeente tot € 2.680,48, te vermeerderen met wettelijke rente, met dien verstande dat ProRail en de gemeente samen niet meer verschuldigd zijn dan € 3.593,78 met wettelijke rente. Tot slot wijst het hof de vordering van ProRail op de WAM-verzekeraar toe tot € 10.728,45, te vermeerderen met wettelijke rente.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 23-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0056

De werknemer is in dienst getreden bij een uitzendbedrijf op basis van een uitzendovereenkomst. Het uitzendbedrijf heeft een overeenkomst gesloten met een bemiddelingsbedrijf die bemiddelt tussen toeleveranciers en afnemers ter zake de inkoop van producten en diensten. Op grond van deze overeenkomst is de werknemer tewerkgesteld bij een groothandel als schoonmaker, Deze groothandel had een overeenkomst met een schoonmaakbedrijf, bij de groothandel werkten werknemers van dit schoonmaakbedrijf en van het uitzendbureau. Tijdens de uitoefeningen van zijn schoonmaakwerkzaamheden heeft de werknemer een arbeidsongeval gehad. Hij heeft zijn hoofd gestoten tegen de constructie van de machine terwijl hij onder de lopende band doorging. In de hoofdzaak vordert de werknemer dat het uitzendbedrijf en de groothandel aansprakelijk zijn voor de schade. In de vrijwaringszaak vordert het uitzendbedrijf dat de groothandel en het schoonmaakbedrijf aansprakelijk zijn voor de schade. In de andere vrijwaringszaak vordert de groothandel dat het schoonmaakbedrijf aansprakelijk is voor de schade. De vraag die in de hoofdzaak centraal staat is of het uitzendbureau (als formeel werkgever) en de groothandel (als materieel werkgever) hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de schade die de werknemer stelt te hebben geleden en stelt nog te zullen lijden. De Hoge Raad heeft in het arrest Davelaar/Allspan uitgewerkt wanneer een niet-werkgever, zoals de groothandel, op grond van artikel 7:658 lid 4 BW aansprakelijk is. De kantonrechter overweegt als volgt. Vast staat dat de installaties die de werknemer moest schoonmaken, alsmede de hogedrukslangen waarmee hij dit moest doen, van de groothandel zijn. Voorts staat vast dat de werknemer deze schoonmaakwerkzaamheden op de bedrijfslocatie van het de groothandel uitvoerde. Ter zitting is gebleken dat de groothandel zelf de veiligheidsvoorschriften ten aanzien van het uitvoeren van de schoonmaakwerkzaamheden opstelde en deze aan het uitzendbedrijf doorstuurde en dat dit bedrijf deze vervolgens aan de uitzendkrachten verstrekte. Hieruit volgt dat de groothandel, al dan niet indirect, (mede) zeggenschap had over de veiligheid van de uit te voeren schoonmaakwerkzaamheden. Dat zij het toezicht op en de zeggenschap over de uitvoering van de schoonmaakwerkzaamheden contractueel bij het schoonmaakbedrijf had neergelegd, laat onverlet de invloed die de groothandel (ook) had op de werkomstandigheden van de werknemer en de daaraan verbonden veiligheidsrisico’s. Dat de groothandel de uitvoering van de schoonmaakwerkzaamheden heeft uitbesteed, is weliswaar een begrijpelijke bedrijfsmatige keuze, maar leidt naar het oordeel van de kantonrechter niet tot de conclusie dat deze werkzaamheden niet tot de bedrijfsvoering behoren. Verder acht de kantonrechter van belang dat de schoonmaakwerkzaamheden ten behoeve van het primaire verwerkingsproces bij de groothandel dagelijks moeten plaatsvinden. Naar het oordeel van de kantonrechter kunnen de schoonmaakwerkzaamheden gelet op het voorgaande dan ook worden aangemerkt als werkzaamheden die vallen onder artikel 7:658 lid 4 BW. De kantonrechter oordeelt daarnaast dat er sprake is van een arbeidsongeval en dat de toedracht vaststaat. Nu zowel het uitzendbureau als de groothandel niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij aan hun zorgplicht hebben voldaan zijn zij jegens de man aansprakelijk. In de vrijwaringszaken wordt geoordeeld dat het schoonmaakbedrijf – in de contractuele relatie tot het uitzendbureau – verantwoordelijk was voor de veiligheidsinstructies op de werkvloer en hiermee in de onderlinge verhouding 100% draagplichtig is voor de schade. Ook oordeelt de kantonrechter dat het schoonmaakbedrijf in verhouding tot de groothandel 100% draagplichtig is. De kantonrechter veroordeelt het schoonmaakbedrijf om aan de groothandel datgene te betalen wat zij aan de werknemer moet betalen.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 07-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0055

Deze zaak gaat over een kop-staartaanrijding. Het hof heeft in een tussenarrest geoordeeld dat de bestuurder van de achterste auto onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van de bestuurder van de voorste auto. De bestuurder van de achterste auto werd uitgenodigd een met stukken onderbouwde schadeberekening in het geding te brengen. Het hof heeft in een tweede tussenarrest het verzoek de zaak naar een schadestaatprocedure te verwijzen verworpen omdat er inmiddels een eindtoestand is bereikt en de gelaedeerde nog één keer de gelegenheid geboden zijn schade deugdelijk te onderbouwen. In het onderhavige arrest stelt het hof de schade vast, gedeeltelijk schattenderwijs. De gelaedeerde vordert een bedrag van € 5.000 aan smartengeld. Het hof acht het op basis van het huisartsjournaal en de brief van de neuroloog aannemelijk dat de gelaedeerde klachten heeft ervaren als gevolg van het ongeval in de vorm van vermoeidheid, nekpijn, hoofdpijn en concentratieproblemen, om deze reden is smartengeld toewijsbaar. Gegeven de door de gelaedeerde hiervoor aangevoerde omstandigheden, acht het hof een smartengeld van € 750 passend en billijk. De gelaedeerde vordert daarnaast een bedrag van € 41.964,88 ter zake van inkomensschade. Hij stelt daartoe dat hij zich als gevolg van het ongeval arbeidsongeschikt heeft moeten melden bij zijn werkgever. Als gevolg daarvan is volgens de gelaedeerde zijn contract voor bepaalde duur (tot 1 augustus 2018), na het verstrijken van die duur niet verlengd. Pas toen hij weer volledig hersteld was, is hij weer in dienst genomen. Dit betekent dat hij vanaf augustus 2018 tot en met mei 2019 geen inkomsten heeft genoten. Het hof overweegt als volgt. Met betrekking tot de periode voor 1 augustus 2018 geldt dat de gelaedeerde op basis van zijn arbeidsovereenkomst tijdens ziekte recht had op doorbetaling van 70% van zijn loon van € 3.600 bruto per maand. Als het hof ervan uitgaat dat hij zich op 20 juni 2018 (de dag van het ongeval) heeft ziek gemeld en zich niet hersteld heeft gemeld voor of op 31 juli 2018 (de laatste dag van zijn arbeidsovereenkomst), betekent dat dat hij gedurende 1,33 maand 30% van zijn loon heeft gemist. De schade bedraagt dan € 1.436,40 bruto. Het hof kan op basis van de overlegde stukken er niet van uit gaan dat de gelaedeerde per 1 augustus 2018 als gevolg van het ongeval niet in aanmerking is gebracht voor ziekengeld of WW-uitkering. In combinatie met het feit dat langdurige arbeidsongeschiktheid als gevolg van de low-impactaanrijding niet aannemelijk is, de neuroloog geen afwijkingen heeft geconstateerd en de prognose goed achtte (hoewel hij uitging van een ongeval met een grotere impact dan zich daadwerkelijk heeft voorgedaan), acht het hof onvoldoende aangetoond dat ook in de periode na 1 augustus 2018 sprake was van relevant inkomensverlies als gevolg van het ongeval. Dit betekent dat het hof het inkomensverlies van de gelaedeerde schattenderwijs zal begroten op € 1.500 bruto. Het hof verklaart tot slot dat de verzekeraar van de laedens ook aansprakelijk is voor de schade aan de auto, schade in de vorm van expertisekosten en voor de kosten van de deelprocedure.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 13-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0054

Bij vonnis van de meervoudige (straf)kamer is de man veroordeeld voor onder meer het seksueel uitbuiten van de vrouw. De vrouw heeft zich in de voornoemde strafprocedure gevoegd als benadeelde partij en heeft een vordering ingesteld die opgebouwd is uit de volgende posten: (a) afgenomen inkomsten van € 24.910, (b) ontruiming van het gehuurde van € 17.178,02, (c) reiskosten van € 46,28, (d) eigen risico van € 378,95 en (e) immateriële schade van € 30.000. De rechtbank heeft aan immateriële schade een bedrag van € 10.000 toegewezen en heeft het toegewezen bedrag aan afgenomen inkomsten onder meer als volgt gemotiveerd: ‘Rekening houdend met bovenstaande feiten bedraagt een voorzichtige – in het voordeel van de verdachte – begroting van de afgenomen inkomsten 52 x 4 x 80 x 50% = 8.320 euro’. De man is uiteindelijk veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 18.708,60, waarna door de rechtbank is bepaald dat de vrouw in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De rechtbank oordeelt dat de geleden (materiële) schade die zij het onderwerp heeft gemaakt van deze procedure, de schade is die zij heeft geleden doordat de inkomsten die door haar zijn verworven niet aan haar zijn toegekomen, maar door de man zijn geïnd en behouden. Het betreft daarmee geen schade als gevolg van letsel. Omdat het verzoek niet ziet op schade als gevolg van letsel, kan het geschil daarover niet in een deelgeschilprocedure worden voorgelegd.
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 14-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0053

Hoge Raad. Doodslag door slachtoffer met vuurwapen door zijn hoofd te schieten en medeplegen van wegvoeren en verbergen van lijk. Het hoger beroep spitst zich toe op het oordeel van het hof omtrent de benadeelde partij ten aanzien van vergoeding van affectieschade. Kan de zus van het slachtoffer worden aangemerkt als ‘naaste’ in de zin van artikel 6:108 lid 4 onder g BW? Het hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partij en haar broer nog geen jaar in leeftijd verschilden. Zij hebben geen gemakkelijke jeugd gehad en kwamen bij hun oma te wonen toen hun ouders in 2017 naar Suriname verhuisden. Vanaf die periode heeft de benadeelde partij een deel van taken overgenomen die bij hun ouders hoorden. Haar broer, die ADHD had, vond bij haar steun die hij van zijn ouders miste. Zij woonden tot aan zijn overlijden onafscheidelijk in gezinsverband samen en waren van plan om na het verhuizen van hun oma samen te blijven. Na overlijden van haar broer heeft de benadeelde partij (i.v.m. zijn overlijden en ook rondom strafzaak) een rol vervuld die past bij bijzondere en hechte affectieve relatie die zij hadden. Op grond van deze vaststellingen heeft hof geoordeeld dat specifieke omstandigheden van de benadeelde partij zo uitzonderlijk zijn dat deze beroep op de ‘hardheidsclausule’ van artikel 6:108 lid 4 onder g BW rechtvaardigen. In het licht van wetsgeschiedenis van artikel 6:107 en 6:108 BW en tegen de achtergrond van wat hiervoor is vooropgesteld, getuigt dat oordeel niet van onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd.
Hoge Raad, 13-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0052

Strafrecht. Schietpartij op 10 november 2024 in het centrum van Bonaire. Vrijspraak van moord omdat voorbedachte rade niet bewezen kan worden. Bewezenverklaring doodslag en het voorhanden hebben van een vuurwapen. Het Gerecht legt een gevangenisstraf voor de duur van dertien jaren op. De moeder van het slachtoffer heeft zich in het strafproces gevoegd. De benadeelde partij vordert $ 20.000 aan immateriële schade voor het leed dat haar is aangedaan. De vraag die het Gerecht moet beantwoorden is of het leed van de moeder van het slachtoffer in deze zaak in juridische zin vertaald kan worden in een schadevergoeding op basis van ‘shockschade’. Voor het Gerecht staat wel vast dat aan de benadeelde partij onbeschrijfelijk leed is toegebracht door de gewelddadige dood van haar zoon. Het is duidelijk dat sprake is van trauma en van een heftige rouwreactie. Het Gerecht kan zich ook voorstellen dat het zien van haar kort daarvoor overleden zoon voor de benadeelde bijzonder pijnlijk moet zijn geweest. Maar dat is niet wat het Gerecht moet beoordelen. De vraag die het Gerecht moet beantwoorden, is of voldoende is komen vast te staan dat sprake is van geestelijk letsel dat door de confrontatie is ontstaan. Het Gerecht kan dat op basis van de huidige informatie niet vaststellen. Het Gerecht overweegt verder nog het volgende. Juist in verband met situaties als deze is in Europees Nederland de mogelijkheid ingevoerd om affectieschade te vorderen. Affectieschade is kort gezegd immateriële schade die bestaat uit het verdriet dat wordt veroorzaakt door het overlijden van een naaste als gevolg van een gebeurtenis waarvoor iemand anders aansprakelijk is. Onder het huidige Bonairiaanse recht is echter geen vergoeding mogelijk op grond van affectieschade. Hoewel het Gerecht bekend is met de omstandigheid dat de wetgever overweegt ook op de BES toekenning van affectieschade mogelijk te maken, gaat het de rechtsvormende taak van het Gerecht te buiten om nu al, zonder wettelijke basis, affectieschade toe te kennen. Hoe zuur dit voor de benadeelde ook is.
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 17-07-2025