Verdachte en het slachtoffer waren compagnons in een bedrijf. Verdachte heeft zijn nietsvermoedende zakenpartner met voorbedachten rade en op brute wijze om het leven gebracht door hem eerst te slaan en vervolgens meerdere malen met een mes te steken, waarna het slachtoffer later in het ziekenhuis is overleden. Verdachte stelde te hebben gehandeld uit boosheid en gekrenktheid wegens vermeende verduistering en beschuldigingen van seksueel misbruik van zijn echtgenote. Het hof oordeelt dat sprake is van ontoelaatbare eigenrichting en dat verdachte door zijn handelen het fundamentele recht op leven heeft geschonden, waarmee hij zich schuldig heeft gemaakt aan moord. Door de moord op het slachtoffer heeft verdachte onbeschrijflijk en onherstelbaar leed toegebracht aan diens naasten, hetgeen indringend naar voren is gekomen in de slachtofferverklaringen. Het feit heeft daarnaast grote maatschappelijke schok veroorzaakt en vond plaats op de werkvloer, waar twee collega’s aanwezig waren. De collega’s zijn onvrijwillig getuige geweest van de moord, waarbij een van hen PTSS heeft ontwikkeld. De vrouw van het slachtoffer vordert naast materiële schade een bedrag van € 20.000 aan affectieschade en € 35.000 aan shockschade. Uit de stukken blijkt dat de vrouw kort na de aanval aanwezig was op de plaats delict en daar werd geconfronteerd met de gruwelijke situatie. In het ziekenhuis werd zij geconfronteerd met zijn levenloze en gehavende lichaam. Uit een verklaring van een psychosociaal therapeut volgt dat bij de vrouw sprake is van traumagerelateerde klachten en een persisterende complexe rouwstoornis, hetgeen een erkend psychiatrisch ziektebeeld vormt. Nu de verdediging de gevorderde shockschade niet heeft betwist, oordeelt het hof dat de vrouw als rechtstreeks gevolg van het handelen van verdachte immateriële schade in de vorm van shockschade heeft geleden en wijst het de vordering toe. De meerderjarige zoon van het slachtoffer vordert € 17.500 aan affectieschade en € 35.000 aan shockschade. De zoon van de overledene was aanwezig tijdens de steekpartij op het bedrijf. Hij sprak nog kort met de verdachte en zag vervolgens de paniek uitbreken. Hij hoorde dat zijn vader was neergestoken, zag hem naar de ambulance worden getild en reed achter de ambulance aan naar het ziekenhuis. Direct na het overlijden werd hij geconfronteerd met zijn overleden vader, met zichtbaar letsel en bloed. De volgende dag zag hij ook de plek op kantoor waar de steekpartij had plaatsgevonden inclusief de bloedsporen. Uit medische stukken blijkt dat de zoon een erkend psychiatrisch ziektebeeld heeft: ‘Andere gespecificeerde trauma- of stressor gerelateerde stoornis’ (DSM-5), en hij heeft één EMDR-behandeling gehad. Na zijn verzoek om geen verdere behandeling werd het dossier gesloten. De shockschade is niet betwist door de verdediging, maar deze vroeg om een matiging tot € 15.000. Gelet op de omstandigheden en vergelijkbare jurisprudentie stelt het hof de shockschade naar billijkheid vast op € 15.000. Voor het overige deel van de vordering verklaart het hof de zoon niet-ontvankelijk. Ten aanzien van de gevorderde shockschade door de broer van het slachtoffer en de twee zussen van de verdachte oordeelt het hof dat niet is voldaan is aan de vereisten voor shockschade en verklaart hen daarom niet-ontvankelijk ten aanzien van de gevorderde schade. Namens de minderjarige en de meerderjarige zonen van het slachtoffer is aangevoerd dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen van het strafbare feit voor benadeelden zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Naar het oordeel van het hof ziet deze ‘uitzondering’ op het in artikel 6:106 sub b BW bepaalde echter op situaties waarin sprake is van uit de aard en ernst van de normschending volgende evidente nadelige gevolgen voor het slachtoffer van het misdrijf zelf. Zonder iets te willen afdoen aan het peilloze leed dat het overlijden van het slachtoffer als zodanig bij zijn nog jonge kinderen heeft veroorzaakt, constateert het hof dat zonder nadere onderbouwing op deze grond niet kan worden vastgesteld dat bij hen sprake is van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Uit de brief van de psychosociaal therapeut blijkt dat de meerderjarige zoon sinds juli 2024 behandeling krijgt voor trauma- en rouwgerelateerde klachten, gemiddeld eens per twee à drie weken. Hij ervaart angstklachten en verwerkt de situatie nog maar beperkt; volledige verwerking zal tijd kosten en een leven lang bij hem blijven. Het hof acht aannemelijk dat hij geestelijk letsel heeft opgelopen en kent hem immateriële schade toe van € 10.000.
Voor de minderjarige zoon geldt dat door zijn jonge leeftijd er nog geen behandeling gestart is en dat geestelijk letsel niet aannemelijk is gemaakt. Zonder nadere onderbouwing kan geen aantasting in de persoon worden vastgesteld. Zijn vordering tot immateriële schade kan daarom niet in dit strafproces worden toegewezen en moet bij de burgerlijke rechter worden ingediend. Het hof stelt vast dat de echtgenote, minderjarige dochter, minderjarige zoon, meerderjarige zoon, moeder en vader tot de kring van gerechtigden volgens artikel 6:108 BW behoren. Hun vorderingen zijn niet betwist en worden daarom toegewezen. De echtgenote, kinderen en de meerderjarige zoon volgen de bedragen uit het Besluit vergoeding affectieschade; de ouders ontvangen ieder € 17.500. De vorderingen van de broer en zussen van het slachtoffer worden afgewezen. Broers en zussen zijn in principe niet gerechtigd. Er zijn in dit geval geen uitzonderlijke omstandigheden die hen onder de restcategorie zouden laten vallen.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Zwolle), 16-01-2026