Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

8.612 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0079

Strafrecht. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van seksueel misbruik van zijn minderjarige stiefdochter, medeplegen van verkrachting van zijn stiefdochter, verkrachting en het verwerven en in bezit hebben van kinderporno. Hij krijgt een gevangenisstraf van acht jaar opgelegd. De dochter heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij door de door de verdachte gepleegde strafbare feiten geestelijk letsel heeft opgelopen. Bij haar is PTSS vastgesteld. Zij heeft als gevolg van het bewezenverklaarde, dat in totaal ruim vier jaar heeft geduurd, al ruim 100 EMDR-therapiesessies bij een psycholoog gehad. Uit het behandelverloop en uit haar schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat ze veel last heeft van stressklachten, waaronder nachtmerries, paniek, slaapproblemen, dwanghandelingen en somberheidsklachten. Al voor het misbruik was aangeefster kwetsbaar. De sociaal-emotionele en relationele ontwikkeling van aangeefster is door het misbruik negatief beïnvloed. Haar complexe problematiek vraagt om specialistische hulp die is toegesneden op de problemen met gedrag, trauma en gehechtheid. Er is nog geen concrete inschatting te maken over het behandelverloop of wanneer de therapie kan worden beëindigd. De behandeling richt zich momenteel op het verminderen van stressklachten en het ondersteunen van haar in het verwerkingsproces. Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse Schaal’. De Rotterdamse Schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daarbij kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse Schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging. In deze zaak is sprake van geestelijk letsel die, gelet op het verloop tot nu toe en de verwachting voor de toekomst, als ernstig (categorie b) kan worden aangemerkt. De rechtbank neemt de in die categorie genoemde bandbreedte van € 16.000 - € 41.000 tot uitgangspunt. In dit geval is sprake van een jong slachtoffer en is sprake van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van de verdachte. Gelet op die omstandigheden acht de rechtbank een vergoeding van € 40.000 aan immateriële schade passend. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de dochter daarom tot dat bedrag toe.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 28-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0077

Hoge Raad. Verkrachting van 16-jarig meisje (art. 242 (oud) Sr) na heimelijk toebrengen van GHB. De eerste klacht gaat over het schriftuur van de benadeelde partij. Kan een benadeelde partij zich met de vordering tot vergoeding van immateriële schade in het strafproces voegen zonder opgave van een concreet bedrag? De Hoge Raad oordeelt dat dit kan. Zo’n vordering strekt er dan toe dat de rechter de schade begroot. Ook in zo’n geval zal de benadeelde partij feiten en omstandigheden moeten stellen over manier waarop en mate waarin zij in de persoon is aangetast en over de gevolgen die zij van het strafbaar feit heeft ondervonden, om de rechter voldoende aanknopingspunten te bieden voor het naar billijkheid begroten van de immateriële schade. De rechter moet ervoor zorgen dat verdachte in voldoende mate in de gelegenheid is geweest zich over die feiten en omstandigheden uit te laten. De tweede klacht gaat over het opleggen van het hof van een schadevergoedingsmaatregel voor de door het slachtoffer geleden immateriële schade, nu het slachtoffer zich ter zake van die schade niet als benadeelde partij heeft gevoegd. Dit kan volgens de Hoge Raad, tenzij er aanwijzingen zijn dat het slachtoffer geen prijs stelt op een schadevergoeding. De derde klacht gaat eveneens over het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel. Heeft het hof zijn beslissing voldoende gemotiveerd, nu uit de overwegingen niet kan worden afgeleid op basis van welke in artikel 6:106 BW vermelde grond en welke omstandigheden het hof zijn oordeel heeft gebaseerd dat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door het slachtoffer geleden immateriële schade? De Hoge Raad overweegt dat het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel en, voor zover de benadeelde partij zich met een vordering in het strafproces heeft gevoegd, toewijzing van de vordering benadeelde partij naast elkaar kan plaatsvinden. De rechter moet de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 359 lid 2 en 5 Sr motiveren. Dat betekent dat uit de motivering in ieder geval zal moeten blijken dat en in hoeverre de verdachte naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer aansprakelijk is voor de schade die door het strafbaar feit is toegebracht Als de benadeelde partij zich met een vordering in het strafproces heeft gevoegd, de rechter deze vordering toewijst en ook een schadevergoedingsmaatregel oplegt, zal de begrijpelijkheid van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel in het algemeen volgen uit de motivering van de beslissing over de vordering van de benadeelde partij. Voor zover de rechter de schadevergoedingsmaatregel oplegt en niet ook de vordering van de benadeelde partij toewijst, omdat de benadeelde partij zich niet met vordering in strafproces heeft gevoegd of omdat er gronden zijn die in de weg staan aan toewijzing van die vordering die niet zien op materiële verschuldigdheid van die vordering, zal uit de beslissing moeten volgen waarom de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbaar feit is toegebracht. Daarbij is ook voor de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel van belang dat het in beginsel aan het slachtoffer is om feiten en omstandigheden te stellen (en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen) waaruit de schade kan worden afgeleid. Hierbij kan ook het OM een rol spelen. Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel is dus niet mogelijk als de rechter over onvoldoende gegevens beschikt om te kunnen vaststellen dat de verdachte jegens het slachtoffer aansprakelijk is voor de door het slachtoffer geleden schade, waaronder gegevens die bepalend zijn voor de aard en omvang van de geleden schade. Verder moet de rechter er ook bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor zorgen dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest zich over die feiten en omstandigheden uit te laten. Begrijpelijkheid van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel is in zo’n geval mede afhankelijk van de manier waarop het debat over die schade is gevoerd en de stukken die in dat verband in het geding zijn gebracht.
Hoge Raad, 20-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0074

Deelgeschil. Een man heeft in 2015 zijn knie verdraaid toen hij een loopplank voor zijn woning in verband met rioleringswerkzaamheden betrad. Deze loopplank schoof daarbij weg. De aansprakelijkheidsverzekeraar van de aannemer heeft aansprakelijkheid voor dit ongeval erkend. In verband met aanhoudende klachten aan zijn linkerknie onderging de man in 2016 een atroscopie. Per 1 juli 2016 hervatte de man zijn reguliere werkzaamheden als steigerbouwer. In 2017 deed de toenmalige schadebehandelaar van de man aan de aansprakelijkheidsverzekeraar een voorstel voor het regelen van de schade, maar de man heeft dat voorstel weer ingetrokken. Een afwikkeling van die schade tegen finale kwijting is tot op heden niet tot stand gekomen. In 2018 is de man een arbeidsongeval overkomen, waarbij hij een hematoom op zijn bovenbeen en gekneusde ribben opliep. Ook had hij klachten aan zijn linkerpols en -hand, zijn linkerknie, schouder en zijn rug. De aansprakelijkheidsverzekeraar van de werkgever heeft aansprakelijkheid erkend. Na dit ongeval heeft de man zijn werkzaamheden niet meer hervat. Geen van beide verzekeraars hebben de taak van regelend verzekeraar op zich genomen. Beiden hebben al wel voorschotten betaald. De man verzoekt nu de rechtbank om onder andere voor recht te verklaren dat beide verzekeraars hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de (nader vast te stellen) door de man geleden en nog te lijden schade. De rechtbank oordeelt dat de huidige knieklachten van de man het gevolg van het tweede ongeval, maar ook het gevolg van het eerste ongeval kunnen zijn en dat die klachten ten minste het gevolg zijn van een van beide ongevallen. Daarmee is voldaan aan de vereisten voor toepassing van artikel 6:99 BW. Dit betekent dat de verzekeraars hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die het gevolg is van de huidige knieklachten. De verzekeraar van het eerste ongeval moet optreden als regelend verzekeraar.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 21-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0073

Deelgeschil. In 2020 is een motorrijder ten val gekomen door toedoen van een personenauto die hem geen voorrang verleende. Hierbij heeft de motorrijder onder andere een verbrijzelde linkerpols opgelopen. Ten tijde van het verkeersongeval werkte hij als zelfstandig schilder vanuit zijn eenmanszaak. Hij had geen pensioenvoorziening. De man heeft na het ongeval niet meer gewerkt als (zelfstandig) schilder, maar is sinds 3 april 2023 in loondienst werkzaam als materiaalbeheerder. Bij deze werkgever bouwt hij pensioen op. De WAM-verzekeraar van de personenauto heeft een expertisebureau verzocht de schade van de man te inventariseren. De man heeft een ander expertisebureau gevraagd de schade te berekenen die hij lijdt en nog zal lijden als gevolg van het verkeersongeval. Het is partijen niet gelukt buiten rechte overeenstemming te bereiken. De verzekeraar heeft tot op heden € 235.000 bevoorschot op de schade van de man. De verzekeraar is volgens de man ten onrechte niet bereid de schade te vergoeden uit hoofde van gemist inkomen uit fiscaal niet-verantwoorde (zwarte) werkzaamheden, een schadepost die volgens zijn expertisebureau bijna € 420.000 bedraagt. Voordeeltoerekening van het pensioen is volgens de man ook niet aan de orde, omdat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 6:100 BW. De verzekeraar betwist dat sprake is van verlies aan zwarte inkomsten althans de door de man gestelde omvang van de schadepost fiscaal niet-verantwoorde (zwarte) inkomsten. Voordeeltoerekening is volgens de verzekeraar wel degelijk op zijn plaats, omdat het opgebouwde pensioen een toekomstig voordeel oplevert wat de man niet zou hebben gehad indien het ongeval zich niet zou hebben voorgedaan (met gedeeltelijke aftrek van betaalde pensioenpremies, die daarop in mindering moeten worden gebracht). Ter zitting hebben partijen een regeling getroffen voor de gestelde schadepost verlies fiscaal niet-verantwoorde (zwarte) inkomsten. De rechtbank moet dus alleen ingaan op het geschil omtrent de voordeeltoerekening. De rechtbank overweegt dat pensioenopbouw kan worden beschouwd als een (soort) sommenverzekering. Het dient in ieder geval als uitgesteld inkomen voor later dat pas tot uitkering komt bij de pensioengerechtigde leeftijd en is niet bedoeld als compensatie voor huidig verlies aan verdienvermogen. De man lijdt echter nu al schade als gevolg van het verlies aan verdienvermogen en zou dubbel worden benadeeld indien tot verrekening wordt overgegaan. De omstandigheden, waar de verzekeraar desgevraagd ter zitting onvoldoende tegenover heeft gezet, pleiten tegen verrekening en maken dat de rechtbank, alles in onderling verband en samenhang bezien, tot de conclusie komt dat voordeeltoerekening van het opgebouwde pensioen geen recht doet aan de situatie.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 27-11-2025

Rechtspraak

PS 2026-0072

Deelgeschil over overlijdensschade. Twee minderjarige kinderen hebben hun ouders verloren bij een eenzijdig verkeersongeval in 2018 met een personenauto. Tot aan het overlijden van de ouders woonden de kinderen in Nederland. Sinds het overlijden van hun ouders wonen de kinderen bij hun grootouders, tevens hun voogden, en de bij hen wonende tante in het buitenland. De centrale vraag die beantwoord moet worden is of het door de kinderen gederfde levensonderhoud in natura moet worden begroot op basis van (bespaarde) kosten van professionele hulp in Nederland, zoals namens de kinderen is verzocht, of in het buitenland, zoals de verzekeraar, verwerende partij, verzoekt. De rechtbank komt tot beantwoording van deze vraag (r.o. 5.8-26) en oordeelt dat het gederfde levensonderhoud in natura moet worden begroot op basis van (bespaarde) kosten van professionele hulp in het buitenland, zolang de kinderen daar wonen. De omstandigheid dat naar redelijke verwachting de ouders met de kinderen in Nederland waren blijven wonen indien zij niet zouden zijn overleden, leidt niet tot een ander oordeel. Ook niet als wordt meegewogen dat de daarbij behorende levenstandaard uitgangspunt is voor de bepaling van de behoefte van de kinderen. Voor de compensatie van het gederfde levensonderhoud in natura is namelijk van belang dat de kinderen in dezelfde mate zorg en aandacht krijgen als wanneer de ouders niet zouden zijn overleden. Dat vertaalt zich in het aantal uren dat daaraan wordt besteed en dus moet worden vergoed. Het betalen van een hoger tarief voor ingehuurde of bespaarde professionele hulp dan gebruikelijk is voor professionele hulp in het land waar de kinderen wonen, draagt niet aan dat resultaat bij. Ook het belang van de kinderen bij het behoud van de mogelijkheid om voor hun meerderjarigheid in Nederland terug te keren, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de (bespaarde) kosten van professionele hulp van meet af aan op basis van Nederlandse tarieven moeten worden vergoed. Wel moet bij het begroten van de schade door gederfd levensonderhoud in natura rekening worden gehouden met de kans dat de kinderen in Nederland zullen terugkeren. Daarnaast zijn partijen verdeeld over de vraag of een bedrag van € 16.760,91 als buitengerechtelijke kosten door de verzekeraar van de personenauto moet worden vergoed. Tot slot is aan de orde de vraag of de verzekeraar bevrijdend aan haar verplichtingen kan voldoen door betaling op de derdengeldenrekening van het notariskantoor van de lasthebber van de voogden van de kinderen. De rechtbank oordeelt dat de verzekeraar een bedrag van € 14.337,60 aan buitengerechtelijke kosten moet vergoeden en dat de verzekeraar bevrijdend aan haar verplichtingen kan voldoen door betaling op de derdengeldenrekening van het notariskantoor van de lasthebber van de voogden van de kinderen.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 21-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0071

De ex-partner van de eisende partij heeft in 2016 hun 2-jarige dochter en daarna zichzelf verdronken in het Markermeer. De eisende partij vindt dat Veilig Thuis en de gemeente, die bij de begeleiding van het gezin betrokken waren, aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van de daad van zijn ex-partner. Volgens de man zijn Veilig Thuis en de gemeente namelijk in hun zorgplicht tekortgeschoten. De eiser leunt blijkens zijn stellingen zwaar op het negatieve oordeel in rapporten van de inspecties en de Wmo-toezichthouder over bepaalde facetten van het optreden van Veilig Thuis en de gemeente bij de zorg en ondersteuning aan het gezin. De rechtbank hecht voor de beoordeling van de civiele aansprakelijkheidsvraag echter geen doorslaggevende betekenis aan deze rapporten. Daarbij is van belang dat de onderzoeken van de Wmo-toezichthouder en de inspecties niet strekten tot beantwoording van de schuldaansprakelijkheidsvraag, maar erop gericht waren om te beoordelen of de zorgstructuur zoals de gemeente die had ingericht voldeed voor de kwetsbare inwoners respectievelijk om de werkwijze te verbeteren voor alle betrokken organisaties. De gegeven oordelen over het optreden van Veilig Thuis en de gemeente en de geformuleerde verbeterpunten in de rapporten leiden, anders dan de eiser kennelijk meent, niet zonder meer en een-op-een tot het oordeel dat Veilig Thuis en de gemeente onrechtmatig hebben gehandeld. Daarbij tekent de rechtbank nog aan dat het enkele feit dat Veilig Thuis en de gemeente verbetertrajecten hebben ingezet geen erkenning van civielrechtelijke aansprakelijkheid impliceert. De rechtbank overweegt dat Veilig Thuis alle meldingen – na haar veiligheidsbeoordeling en het uitvoeren van acties – doorgezet heeft naar de gemeente als hulpverlenende instantie. Desgevraagd heeft Veilig Thuis vanuit haar monitoringsrol een terugkoppeling ontvangen. Dat Veilig Thuis van de eiser te horen kreeg dat de gemeente vrijwel niets deed – wat daar ook van zij – maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat Veilig Thuis de casus met het oog op de veiligheid van de dochter had moeten terugnemen. Bij de gemeente lag de regie en uitvoering van de hulpverlening. De gemeente heeft aan Veilig Thuis bevestigd dat er zicht werd gehouden op de veiligheid, dat ondersteuning werd geboden in de vorm van hulp bij het opstellen van een veiligheids- en ouderschapsplan en dat er bij blijvende zorgen een melding bij de Raad voor de Kinderbescherming zou worden gedaan. Veilig Thuis mocht daar in redelijkheid op afgaan, gelet op de haar destijds toekomende bevoegdheden en in het licht van wat haar toen bekend was over de (fysieke) veiligheid van de dochter. Uit de overgelegde stukken blijkt namelijk een consistent beeld dat het meisje volgens verklaringen van de eiser, moeder en de betrokken hulpverleners in 2015 geen concreet gevaar liep. In dat licht is het betoog van de eiser dat hij steeds heeft aangegeven dat zijn dochter wél in gevaar was onvoldoende feitelijk onderbouwd. De rechtbank beoordeelt ook het handelen van de gemeente. De eiser en moeder waren welwillend en bereid om hulp te accepteren zodat de gemeente ervan mocht uitgaan dat er in het vrijwillig kader nog hulpverleningsmogelijkheden waren. Gelet op de Samenwerkingsafspraken Schakeloverleg heeft de gemeente dan ook in redelijkheid kunnen afzien van het indienen van een verzoek tot bespreking in het Schakeloverleg of tot het direct in kennis stellen van de Raad voor de Kinderbescherming. Van belang daarbij is dat de gemeente ermee bekend was dat moeder woonruimte en een baan had gevonden, taallessen volgde, een nieuwe relatie had en contact onderhield met de huisarts en een therapeut. Er waren toen geen concrete aanwijzingen die erop wezen dat moeder de dochter iets zou aandoen of dat de dochter concreet gevaar liep, naar aanleiding waarvan de gemeente actie had moeten ondernemen. Eiser heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om van het tegendeel uit te kunnen gaan. De rechtbank ziet hoe groot de emotionele uitwerking is die het trieste voorval en de nasleep ervan op de eisende partij hebben gehad. Er is echter geen sprake van een onrechtmatige daad omdat Veilig Thuis en de gemeente hun zorgplicht niet hebben geschonden. Zij zijn daarom niet schadeplichtig. De vorderingen van de eiser worden afgewezen.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 31-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0070

Eindarrest na tussenarrest. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank. Het hof gaat ervan uit dat de appellant voor 2 januari 2009 bekend had kunnen zijn met de identiteit van de aansprakelijke partij. Dat betekent dat de verjaringstermijn van drie jaar vóór de stuitingshandeling op 2 januari 2012 was verstreken. In zoverre treft het hoger beroep van de appellant geen doel. Het hof heeft het in het vorige arrest overwogen dat de appellant het standpunt heeft ingenomen dat het beroep op verjaring van de wederpartij in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dan wel dat de wederpartij dit recht heeft verwerkt. Het hof heeft partijen gevraagd om met legal opinions inzake het toepasselijke Poolse recht hun standpunt hierover te onderbouwen en daarbij uitdrukkelijk de door het hof opgesomde omstandigheden die de appellant in dit kader heeft aangevoerd, te betrekken. Partijen zijn het er, onder verwijzing naar de op dit punt overeenstemmende legal opinions, over eens dat alleen wanneer naar Pools recht sprake is van misbruik van recht, een geslaagd beroep op verjaring kan worden afgewezen. Het hof is van oordeel dat geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die een geslaagd beroep op misbruik van recht rechtvaardigen. Het gaat hier weliswaar om een vordering tot vergoeding van personenschade, maar de redenen voor de vertraging bij het instellen van die vordering heeft de appellant niet althans onvoldoende duidelijk gemaakt. Sinds het ongeval zijn meer dan drie jaar verstreken tot de appellant op 2 januari 2012 de verjaring heeft gestuit. De medische situatie, zonder verdere toelichting, biedt hiervoor een onvoldoende verklaring. De omstandigheden die betrekking hebben op de periode nadat de verjaring was voltooid leiden, voor zover daar al betekenis aan toekomt bij de beoordeling van de vraag of naar Pools recht sprake is van misbruik van recht, niet tot een ander oordeel. Zoals namens de wederpartij is uiteengezet en door de appellant niet althans onvoldoende gemotiveerd is weersproken, geldt naar Pools recht dat de omstandigheid dat een verzekeraar, in een poging om in goede trouw tot een buitengerechtelijke oplossing te komen, mede ter voorkoming van een gerechtelijke procedure, met een benadeelde in onderhandeling is getreden terwijl diens vordering al is verjaard, niet maakt dat die vordering toch weer in rechte afdwingbaar zou worden. Ook dan resteert er naar Pools recht slechts de natuurlijke verbintenis. Het hof benadrukt dat het niet gaat om de vraag of sprake is van handelen ‘in strijd met de redelijkheid en billijkheid’ maar, zoals hiervoor is overwogen, om de vraag of het beroep op verjaring naar Pools recht misbruik van recht oplevert. Het hoger beroep slaagt niet.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 13-01-2026