Naar boven ↑

Update

Nummer 6, 2026
Uitspraken van 10 februari 2026 tot 16 februari 2026
Redactie: Mr. H. Vorsselman, mr. drs. I. van der Zalm, mr. Y. Bosschaart en J. Stulp.

Geachte heer/mevrouw,

Bijgaand treft u de nieuwe PS Updates aan. In deze editie treft u onder meer een uitspraak aan van de Hoge Raad over de uitleg van het begrip ‘andere persoon’ in artikel 6:108 lid 4 sub g BW, een uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden waarin de Rotterdamse schaal met 25% is verhoogd en meerdere uitspraken over het benoemen van deskundigen in letselschadezaken.

Rechtspraak
In deze nieuwsbrief hebben wij een selectie opgenomen van de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken, die te raadplegen zijn via de hyperlinks onder aan deze nieuwsbrief. 

Affectieschade: stelplicht en bewijslast ‘andere persoon’.
Hoge Raad strafrecht. Verdachte is veroordeeld voor moord op zijn ex-partner. Een van de cassatiemiddelen klaagt over de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van de vordering van de benadeelde partij, de oma van het slachtoffer, tot vergoeding van affectieschade. Het klaagt in het bijzonder over het oordeel van het hof dat deze benadeelde partij niet kan worden aangemerkt als ‘naaste’ in de zin van artikel 6:108 lid 4 sub g BW. Tot de kring van personen die recht hebben op vergoeding van affectieschade behoort volgens artikel 6:107 lid 2 aanhef en onder g BW en artikel 6:108 lid 4 aanhef en onder g BW ook de ‘andere persoon’ die in een zodanig nauwe persoonlijke relatie tot het slachtoffer staat. Om op grond van deze – in de wetsgeschiedenis als ‘hardheidsclausule’ aangeduide – bepaling als rechthebbende te worden aangemerkt, moet door die naaste een hechte affectieve relatie worden aangetoond, waarbij als relevante factoren zijn genoemd de intensiteit, de aard en de duur van de relatie. De beantwoording van de vraag of de benadeelde partij kan worden aangemerkt als zo’n ‘andere persoon’, is afhankelijk van informatie die zich doorgaans geheel in het domein van de benadeelde partij bevindt. Voor de verdediging kan het moeilijk zijn om haar betwisting van de door de benadeelde partij aangevoerde feiten en omstandigheden en de bij de selectie daarvan gemaakte keuzes, te voorzien van een nadere inhoudelijke onderbouwing. In het geval waarin een benadeelde partij een vordering tot vergoeding van affectieschade indient op de grond dat zij kan worden aangemerkt als zo’n ‘andere persoon’, zal de benadeelde partij de stelling dat sprake is van een hechte affectieve relatie met concrete gegevens moeten onderbouwen. Als de rechter oordeelt dat de benadeelde partij daarin niet in voldoende mate is geslaagd of dat de verdediging niet in voldoende mate in de gelegenheid is geweest de vordering te betwisten ligt het in de rede dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het op deze vaststellingen en overwegingen gebaseerde oordeel van het hof dat de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van affectieschade in verband met het overlijden van het ten tijde van het bewezenverklaarde feit 42-jarige slachtoffer niet-ontvankelijk moet worden verklaard, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. (PS 2026-0098)

Rotterdamse schaal met 25% verhoogd.
Hof strafrecht. De verdachte heeft met een vuurwapen het slachtoffer neergeschoten. Het slachtoffer had nog een heel leven voor zich, maar is door toedoen van verdachte slechts 37 jaar oud geworden. Er hebben verschillende benadeelde partijen zich gevoegd in het strafproces. Aan diverse personen is een shockschade en/of affectieschade toegewezen. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de band tussen de benadeelde partij en het slachtoffer niet van invloed is op de bepaling van de hoogte van de shockschade. Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van het immateriële deel van shockschade de Rotterdamse schaal als uitgangspunt genomen, maar ziet aanleiding om gelet op de aard en ernst van het bewezen handelen van verdachte deze schaal met 25% te verhogen en vast te stellen dat het bij de benadeelde partij objectief vastgesteld letsel tot een toewijzing aan de bovenkant van de schaal leidt. (PS 2026-0099)

Deskundigenbericht: rechtbank hanteert nieuwe IWMD-vraagstelling.
De man is op 5 juli 2021 als automobilist van achteren aangereden toen hij voor een stoplicht stond. Daarna kreeg hij verschillende klachten zoals nek- en rugklachten, hoofdpijn, cognitieve klachten, slaapproblemen, verminderd concentratievermogen en duizeligheid. De rechtbank hanteert de nieuwe IWMD-vraagstelling, ondanks de bezwaren van de verzekeraar daartegen. De nieuwe vraagstelling is volgens de rechtbank een verbetering ten opzichte van de vorige en borduurt daarop voort. Daarbij komt dat niet over één nacht ijs is gegaan. Zoals op de website van De Letselschade Raad is te lezen, is de nieuwe vraagstelling tot stand gekomen na een intensief proces van zes jaar, waarin de vorige versie werd geëvalueerd en vervolgens gereviseerd. Zoals ook op de website van De Letselschade Raad is te lezen sluit deze versie aan bij de NVMSR-richtlijn voor medisch specialistische rapportage in bestuurs- en civielrechtelijk verband 2024 en is naar verwachting beter afgestemd op de wensen en behoeften van zowel medici als juristen werkend binnen het medisch traject bij letselschadezaken. (PS 2026-0087)

Verzoek tot houden mentaal duurbelastbaarheidsonderzoek toegewezen.
Op 13 januari 2018 vond een ongeval plaats waarbij een 10-jarige fietser en een automobilist betrokken waren. De verzekeraar van de auto heeft aansprakelijkheid erkend. De fietser heeft bij dit ongeval blijvend hersenletsel opgelopen. Na neurologisch onderzoek hebben partijen in gezamenlijk overleg een neuropsychologisch onderzoek laten uitvoeren en een verzekeringsarts gevraagd een verzekeringsgeneeskundig onderzoek uit te voeren. De fietser kan zich niet vinden in de uitkomst van de door de verzekeringsarts uitgevoerde expertise. Volgens de fietser zou de verzekeringsarts, als hij de plausibiliteitstoets zou hebben aangelegd, tot meer beperkingen zijn gekomen dan nu het geval is en de fietser wil daarom nadere vragen laten stellen aan de verzekeringsarts. Verder stelt de fietser dat sommige beperkingen mogelijk zijn gemist en om die reden wil hij dat er ook nog een mentaal duurbelastbaarheidsonderzoek (MDBO) wordt uitgevoerd. Volgens de verzekeraar mag de verzekeringsarts niet op grond van plausibiliteit aannemen dat er meer beperkingen bij de fietser aanwezig zijn dan uit de rapporten van de neuroloog en de neuropsycholoog en zijn eigen onderzoek is gebleken. Een MDBO dient volgens de verzekeraar niet te worden uitgevoerd omdat een MDBO geen gangbaar meetinstrument is en het geen meerwaarde biedt boven het al verrichte neuropsychologisch onderzoek. Volgens de rechtbank is het juist is dat de verzekeringsarts zich niet kan baseren op slechts de subjectieve uitlatingen van de fietser. Ook acht de rechtbank juist is dat de verzekeringsarts zich zal moeten baseren op de inhoud van de rapportages van de neuroloog en de neuropsycholoog, maar dat betekent niet dat verzekeringsarts in alle opzichten volledig gebonden is aan de inhoud van deze rapporten. Het door de verzekeringsarts te verrichten verzekeringsgeneeskundig onderzoek en de specifieke expertise van de verzekeringsarts kan mede gelet op deze vraagstelling ertoe leiden dat de verzekeringsarts tot afwijkende bevindingen komt en dat hij daarover gemotiveerd rapporteert. Volgens de rechtbank zijn er weliswaar verschillende aanwijzingen dat de verzekeringsgeneeskundige al is uitgegaan van de plausibiliteitstoets maar daarover resteert nog de nodige twijfel. Vandaar dat aanvullende vragen aan de verzekeringsarts gerechtvaardigd zijn. De rechtbank oordeelt daarnaast dat partijen buiten rechte een MBDO dienen te laten uitvoeren. De verzekeringsarts heeft in zijn rapportage ter verklaring van de discrepantie tussen de ernst van de beperkingen zoals die door de fietser en zijn ouders wordt vermeld en de objectiveerbare afwijkingen op neurologisch en neuropsychologisch vlak eveneens naar voren gebracht dat ‘een rol daarbij kan spelen dat tijdens een NPO in ideale omstandigheden wordt getest en dat daarbij een duurbelasting in minder gunstige omstandigheden niet wordt gesignaleerd’. De verzekeringsarts merkt op dat het soms zinvol kan zijn om hier gericht naar te kijken middels een MBDO omdat het kan zijn dat er dan toch beperkingen worden geobjectiveerd die niet uit een NPO naar voren zijn gekomen. Niet is bovendien komen vast te staan dat MBDO geen gangbaar meetinstrument is en de belangen voor de fietser om de beperkingen volledig in kaart te brengen zijn groot; daarom bepaalt de rechtbank dat er ter nadere medische voorlichting een aanvullende onafhankelijke rapportage heeft plaats te vinden in de vorm van een MDBO. (PS 2026-0088)

Literatuur 
A. Kolder, ‘Spelen met risico’s’, Aansprakelijkheid, Verzekering & Schade 2026/1, afl. 1. 

G. Esveldt & L.A.B.M. Wijntjens, ‘Schokschade na het Hoogeveen-arrest: geen nauwe relatie, toch schadevergoeding?’, Aansprakelijkheid, Verzekering & Schade 2026/2, afl. 1. 

L. Bartels,’ Aanvang verjaringstermijn ex art. 7:942 lid 1 BW’, Aansprakelijkheid, Verzekering & Schade 2026/3, afl. 1. 

R. Snoek & P. Oskam,’ Hoe ver reikt subrogatie: mag de zorgverzekeraar meeliften op de VSO van de benadeelde?’, Aansprakelijkheid, Verzekering & Schade 2026/4, afl. 1.

B.K.M. Lauwerier, ‘Algemeen’, Aansprakelijkheid, Verzekering & Schade 2026/5, afl. 1.

S. Rutten, ‘Kifid & de Tuchtraad Verzekeraars’, Aansprakelijkheid, Verzekering & Schade 2026/6, afl. 1.

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps-updates@boom.nl.

Met vriendelijke groet,

Ilona van der Zalm & Armin Vorsselman 
PS Updates

Hoge Raad

Hof

Rechtbank