Update
Geachte heer/mevrouw,
Bijgaand treft u de nieuwe PS Updates aan. In deze editie treft u onder meer een uitspraak aan van de Hoge Raad over de uitleg van het begrip ‘andere persoon’ in artikel 6:108 lid 4 sub g BW, een uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden waarin de Rotterdamse schaal met 25% is verhoogd en meerdere uitspraken over het benoemen van deskundigen in letselschadezaken.
Rechtspraak
In deze nieuwsbrief hebben wij een selectie opgenomen van de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken, die te raadplegen zijn via de hyperlinks onder aan deze nieuwsbrief.
Affectieschade: stelplicht en bewijslast ‘andere persoon’.
Hoge Raad strafrecht. Verdachte is veroordeeld voor moord op zijn ex-partner. Een van de cassatiemiddelen klaagt over de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van de vordering van de benadeelde partij, de oma van het slachtoffer, tot vergoeding van affectieschade. Het klaagt in het bijzonder over het oordeel van het hof dat deze benadeelde partij niet kan worden aangemerkt als ‘naaste’ in de zin van artikel 6:108 lid 4 sub g BW. Tot de kring van personen die recht hebben op vergoeding van affectieschade behoort volgens artikel 6:107 lid 2 aanhef en onder g BW en artikel 6:108 lid 4 aanhef en onder g BW ook de ‘andere persoon’ die in een zodanig nauwe persoonlijke relatie tot het slachtoffer staat. Om op grond van deze – in de wetsgeschiedenis als ‘hardheidsclausule’ aangeduide – bepaling als rechthebbende te worden aangemerkt, moet door die naaste een hechte affectieve relatie worden aangetoond, waarbij als relevante factoren zijn genoemd de intensiteit, de aard en de duur van de relatie. De beantwoording van de vraag of de benadeelde partij kan worden aangemerkt als zo’n ‘andere persoon’, is afhankelijk van informatie die zich doorgaans geheel in het domein van de benadeelde partij bevindt. Voor de verdediging kan het moeilijk zijn om haar betwisting van de door de benadeelde partij aangevoerde feiten en omstandigheden en de bij de selectie daarvan gemaakte keuzes, te voorzien van een nadere inhoudelijke onderbouwing. In het geval waarin een benadeelde partij een vordering tot vergoeding van affectieschade indient op de grond dat zij kan worden aangemerkt als zo’n ‘andere persoon’, zal de benadeelde partij de stelling dat sprake is van een hechte affectieve relatie met concrete gegevens moeten onderbouwen. Als de rechter oordeelt dat de benadeelde partij daarin niet in voldoende mate is geslaagd of dat de verdediging niet in voldoende mate in de gelegenheid is geweest de vordering te betwisten ligt het in de rede dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het op deze vaststellingen en overwegingen gebaseerde oordeel van het hof dat de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van affectieschade in verband met het overlijden van het ten tijde van het bewezenverklaarde feit 42-jarige slachtoffer niet-ontvankelijk moet worden verklaard, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. (PS 2026-0098)
Rotterdamse schaal met 25% verhoogd.
Hof strafrecht. De verdachte heeft met een vuurwapen het slachtoffer neergeschoten. Het slachtoffer had nog een heel leven voor zich, maar is door toedoen van verdachte slechts 37 jaar oud geworden. Er hebben verschillende benadeelde partijen zich gevoegd in het strafproces. Aan diverse personen is een shockschade en/of affectieschade toegewezen. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de band tussen de benadeelde partij en het slachtoffer niet van invloed is op de bepaling van de hoogte van de shockschade. Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van het immateriële deel van shockschade de Rotterdamse schaal als uitgangspunt genomen, maar ziet aanleiding om gelet op de aard en ernst van het bewezen handelen van verdachte deze schaal met 25% te verhogen en vast te stellen dat het bij de benadeelde partij objectief vastgesteld letsel tot een toewijzing aan de bovenkant van de schaal leidt. (PS 2026-0099)
Deskundigenbericht: rechtbank hanteert nieuwe IWMD-vraagstelling.
De man is op 5 juli 2021 als automobilist van achteren aangereden toen hij voor een stoplicht stond. Daarna kreeg hij verschillende klachten zoals nek- en rugklachten, hoofdpijn, cognitieve klachten, slaapproblemen, verminderd concentratievermogen en duizeligheid. De rechtbank hanteert de nieuwe IWMD-vraagstelling, ondanks de bezwaren van de verzekeraar daartegen. De nieuwe vraagstelling is volgens de rechtbank een verbetering ten opzichte van de vorige en borduurt daarop voort. Daarbij komt dat niet over één nacht ijs is gegaan. Zoals op de website van De Letselschade Raad is te lezen, is de nieuwe vraagstelling tot stand gekomen na een intensief proces van zes jaar, waarin de vorige versie werd geëvalueerd en vervolgens gereviseerd. Zoals ook op de website van De Letselschade Raad is te lezen sluit deze versie aan bij de NVMSR-richtlijn voor medisch specialistische rapportage in bestuurs- en civielrechtelijk verband 2024 en is naar verwachting beter afgestemd op de wensen en behoeften van zowel medici als juristen werkend binnen het medisch traject bij letselschadezaken. (PS 2026-0087)
Verzoek tot houden mentaal duurbelastbaarheidsonderzoek toegewezen.
Op 13 januari 2018 vond een ongeval plaats waarbij een 10-jarige fietser en een automobilist betrokken waren. De verzekeraar van de auto heeft aansprakelijkheid erkend. De fietser heeft bij dit ongeval blijvend hersenletsel opgelopen. Na neurologisch onderzoek hebben partijen in gezamenlijk overleg een neuropsychologisch onderzoek laten uitvoeren en een verzekeringsarts gevraagd een verzekeringsgeneeskundig onderzoek uit te voeren. De fietser kan zich niet vinden in de uitkomst van de door de verzekeringsarts uitgevoerde expertise. Volgens de fietser zou de verzekeringsarts, als hij de plausibiliteitstoets zou hebben aangelegd, tot meer beperkingen zijn gekomen dan nu het geval is en de fietser wil daarom nadere vragen laten stellen aan de verzekeringsarts. Verder stelt de fietser dat sommige beperkingen mogelijk zijn gemist en om die reden wil hij dat er ook nog een mentaal duurbelastbaarheidsonderzoek (MDBO) wordt uitgevoerd. Volgens de verzekeraar mag de verzekeringsarts niet op grond van plausibiliteit aannemen dat er meer beperkingen bij de fietser aanwezig zijn dan uit de rapporten van de neuroloog en de neuropsycholoog en zijn eigen onderzoek is gebleken. Een MDBO dient volgens de verzekeraar niet te worden uitgevoerd omdat een MDBO geen gangbaar meetinstrument is en het geen meerwaarde biedt boven het al verrichte neuropsychologisch onderzoek. Volgens de rechtbank is het juist is dat de verzekeringsarts zich niet kan baseren op slechts de subjectieve uitlatingen van de fietser. Ook acht de rechtbank juist is dat de verzekeringsarts zich zal moeten baseren op de inhoud van de rapportages van de neuroloog en de neuropsycholoog, maar dat betekent niet dat verzekeringsarts in alle opzichten volledig gebonden is aan de inhoud van deze rapporten. Het door de verzekeringsarts te verrichten verzekeringsgeneeskundig onderzoek en de specifieke expertise van de verzekeringsarts kan mede gelet op deze vraagstelling ertoe leiden dat de verzekeringsarts tot afwijkende bevindingen komt en dat hij daarover gemotiveerd rapporteert. Volgens de rechtbank zijn er weliswaar verschillende aanwijzingen dat de verzekeringsgeneeskundige al is uitgegaan van de plausibiliteitstoets maar daarover resteert nog de nodige twijfel. Vandaar dat aanvullende vragen aan de verzekeringsarts gerechtvaardigd zijn. De rechtbank oordeelt daarnaast dat partijen buiten rechte een MBDO dienen te laten uitvoeren. De verzekeringsarts heeft in zijn rapportage ter verklaring van de discrepantie tussen de ernst van de beperkingen zoals die door de fietser en zijn ouders wordt vermeld en de objectiveerbare afwijkingen op neurologisch en neuropsychologisch vlak eveneens naar voren gebracht dat ‘een rol daarbij kan spelen dat tijdens een NPO in ideale omstandigheden wordt getest en dat daarbij een duurbelasting in minder gunstige omstandigheden niet wordt gesignaleerd’. De verzekeringsarts merkt op dat het soms zinvol kan zijn om hier gericht naar te kijken middels een MBDO omdat het kan zijn dat er dan toch beperkingen worden geobjectiveerd die niet uit een NPO naar voren zijn gekomen. Niet is bovendien komen vast te staan dat MBDO geen gangbaar meetinstrument is en de belangen voor de fietser om de beperkingen volledig in kaart te brengen zijn groot; daarom bepaalt de rechtbank dat er ter nadere medische voorlichting een aanvullende onafhankelijke rapportage heeft plaats te vinden in de vorm van een MDBO. (PS 2026-0088)
Literatuur
A. Kolder, ‘Spelen met risico’s’, Aansprakelijkheid, Verzekering & Schade 2026/1, afl. 1.
G. Esveldt & L.A.B.M. Wijntjens, ‘Schokschade na het Hoogeveen-arrest: geen nauwe relatie, toch schadevergoeding?’, Aansprakelijkheid, Verzekering & Schade 2026/2, afl. 1.
L. Bartels,’ Aanvang verjaringstermijn ex art. 7:942 lid 1 BW’, Aansprakelijkheid, Verzekering & Schade 2026/3, afl. 1.
R. Snoek & P. Oskam,’ Hoe ver reikt subrogatie: mag de zorgverzekeraar meeliften op de VSO van de benadeelde?’, Aansprakelijkheid, Verzekering & Schade 2026/4, afl. 1.
B.K.M. Lauwerier, ‘Algemeen’, Aansprakelijkheid, Verzekering & Schade 2026/5, afl. 1.
S. Rutten, ‘Kifid & de Tuchtraad Verzekeraars’, Aansprakelijkheid, Verzekering & Schade 2026/6, afl. 1.
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps-updates@boom.nl.
Met vriendelijke groet,
Ilona van der Zalm & Armin Vorsselman
PS Updates
Hoge Raad
Hof
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden De verdachte heeft met een vuurwapen het slachtoffer neergeschoten. Het slachtoffer had nog een heel leven voor zich, maar is door toedoen van verdachte slechts 37 jaar oud geworden. Met de doodslag van het slachtoffer heeft verdachte aan diens vrouw, kinderen, ouders, zussen, broer, overige familieleden en vrienden onbeschrijfelijk veel en onherstelbaar leed toegebracht. Er hebben verschillende benadeelde partijen zich gevoegd in het strafproces. Aan diverse personen is een shockschade en/of affectieschade toegewezen. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de band tussen de benadeelde partij en het slachtoffer niet van invloed is op de bepaling van de hoogte van de shockschade. Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van het immateriële deel van shockschade de Rotterdamse schaal als uitgangspunt genomen, maar ziet aanleiding om gelet op de aard en ernst van het bewezen handelen van verdachte deze schaal met 25% te verhogen en vast te stellen dat het bij de benadeelde partij objectief vastgesteld letsel tot een toewijzing aan de bovenkant van de schaal leidt. Omtrent het gederfd levensonderhoud is het hof van oordeel dat op basis van het dossier zonder meer kan worden vastgesteld dat de partner en de dochters van het slachtoffer schade in de vorm van gederfd levensonderhoud hebben geleden en verdachte gehouden is deze schade te vergoeden. Het hof overweegt daarnaast dat ten aanzien van een aantal (andere) uitgangspunten die aan de berekeningen van het expertisebureau en daarmee aan de vorderingen ten aanzien van het gederfd levensonderhoud ten grondslag liggen, gezien de betwisting door de verdediging, een nadere onderbouwing en/of nader onderzoek noodzakelijk is. Dit alles maakt dat het hof de vordering gederfd levensonderhoud van de partner slechts voor een gedeelte zal toewijzen waarbij het hof de eerste tien jaar na datum overlijden als uitgangspunt neemt. Ten aanzien van de vordering gederfd levensonderhoud van de dochters zal het bedrag tot het jaar waarin zij achttien jaar oud worden als uitgangpunt worden genomen, met dien verstande dat vanwege de onzekerheid in de fiscale component ook hier het bedrag naar beneden zal worden afgerond, namelijk een bedrag van € 6.000 en € 10.000. Tot slot acht het hof alle vorderingen van de benadeelde partijen tot vergoeding van de affectieschade toewijsbaar. 11-02-2026
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Strafrecht. Mallorcazaak. De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 8 juli 2025 het bestreden arrest vernietigd, zij het uitsluitend voor wat betreft de beslissing op de vordering van de ouders en een van de slachtoffers en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van diezelfde partijen, en de beslissing op de vordering van de partner van het slachtoffer en in zoverre de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de partner. De Hoge Raad heeft de zaak voor zover deze ziet op de vordering van de ouders en een van de slachtoffers zelf afgedaan. De Hoge Raad heeft de zaak naar het hof teruggewezen, opdat de zaak ten aanzien van de beslissing op de vordering van de partner ter zake van gederfd levensonderhoud en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de partner opnieuw wordt berecht en afgedaan. Partijen hebben het hof bericht dat zij tot een regeling zijn gekomen over de te betalen schadevergoeding. De benadeelde partij heeft de vordering tot schadevergoeding ingetrokken. Het hof stelt vast dat de vordering van de benadeelde partij is ingetrokken en dat het hof geen verdere beslissing hoeft te nemen. 29-01-2026
- Gerechtshof Den Haag De werknemer stelt dat hem een ongeval is overkomen toen hij takelwerkzaamheden verrichtte voor zijn werkgever. De werkgever betwist dat een dergelijk ongeval heeft plaatsgevonden, laat staan dat de werknemer schade heeft geleden. De kantonrechter heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de werknemer schade heeft geleden als gevolg van het ongeval. Het hof is van oordeel dat de werknemer heeft bewezen dat hem een ongeval is overkomen in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor de werkgever. De werknemer heeft zelf een verklaring afgelegd en het hof is van oordeel dat hij daarnaast geslaagd is in het leveren van aanvullend bewijs. De werknemer hoeft de toedracht van het ongeval niet te bewijzen. Daarnaast oordeelt het hof dat de werknemer voldoende heeft gesteld dat hij schade heeft geleden als gevolg van het ongeval. Dit betekent verder dat de werknemer voldoende heeft gesteld voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure, zoals door hem gevorderd. Volgens vaste jurisprudentie is voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure immers voldoende dat de werknemer de mogelijkheid van schade aannemelijk heeft gemaakt. In die procedure kan de omvang van de schade worden vastgesteld. Het hof is ook van oordeel dat de werkgever niet aan haar zorgplicht heeft voldaan. De werkgever kon niet volstaan met afgaan op de (overigens door de werknemer betwiste) mededeling dat hij ervaring zou hebben met revisie- en onderhoudswerkzaamheden, terwijl niet is gebleken dat zij zich ervan vergist heeft dat de werknemer de benodigde deskundigheid had om de takelwerkzaamheden uit te voeren, laat staan dat gecontroleerd is of een deugdelijke eindstop was aangebracht en de takelwerkzaamheden veilig konden worden uitgevoerd. Ook de stelling van de werkgever dat er sprake is van eigen schuld aan de zijde van de werknemer (hij zou de lijmklem hebben aangebracht, maar ook dit wordt door de werknemer betwist) kan de werkgever niet baten. De werkgever heeft niet aangetoond dat er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid aan de kant van de werknemer. De conclusie is dat het hoger beroep van de werknemer slaagt. Daarom zal het hof het vonnis vernietigen en de vorderingen van de werknemer alsnog toewijzen. Het hof verklaart voor het recht dat de werkgever aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade van de werknemer. 27-01-2026
Rechtbank
- Rechtbank Midden-Nederland De producent heeft een permanente sterilisatiemethode voor vrouwen ontwikkeld. Bij deze methode plaatste een gynaecoloog een spiraalachtig implantaat, Essure, in de eileiders van de vrouw. De Stichting komt op voor alle vrouwen die in Nederland Essure geïmplanteerd hebben gekregen. Volgens de Stichting is Essure onveilig en heeft de producent daar onvoldoende onderzoek naar gedaan. Essure veroorzaakt gezondheidsklachten bij de vrouwen en daar zijn de vrouwen onvoldoende voor gewaarschuwd. Een substantieel aantal vrouwen heeft de keuze gemaakt om Essure operatief te laten verwijderen en ondervindt sindsdien geen klachten meer of een afname daarvan. Om te bereiken dat deze vrouwen een schadevergoeding krijgen, en de zorgverzekeraars worden gecompenseerd voor de medische kosten, is de Stichting deze massaschadeprocedure tegen de producent gestart. De producent bestrijdt dat zij aansprakelijk is tegenover de vrouwen. Zij is van mening dat Essure een veilig product is en dat de klachten die de vrouwen hebben niet door Essure komen. In het kader van het partijdebat over de gestelde gebrekkigheid van Essure en het causale verband met de klachten, hebben partijen diverse publicaties en rapporten van medisch-wetenschappelijke onderzoeken over (de veiligheid van) Essure overgelegd. Om al deze onderzoeken tegen elkaar te kunnen afwegen, wil de rechtbank zich eerst laten voorlichten door een commissie van deskundigen over de (methodologische) kwaliteit van de aangehaalde onderzoeken en de zeggingskracht en relevantie van die onderzoeken. Daarnaast wil de rechtbank onafhankelijk laten toetsen of de producent meer en betere onderzoeksmogelijkheden tot haar beschikking had staan dan zij heeft benut, zoals de Stichting heeft aangevoerd. De rechtbank constateert dat zich in het dossier geen langetermijnonderzoek bevindt, waarbij een vergelijking wordt gemaakt tussen een controlegroep vrouwen zonder Essure en zonder anticonceptie die op het lichaam inwerkt (zoals de pil of een spiraal) en een controlegroep vrouwen met Essure. De producent heeft aangevoerd dat dit onderzoek niet mogelijk is, terwijl de Stichting juist de producent verwijt dit onderzoek niet te hebben gedaan. De rechtbank wil zich daarom laten voorlichten of dergelijk onderzoek, dat tot een directe manier van vergelijken zou leiden, wel of niet mogelijk was. Naast de discussie over de medisch-wetenschappelijke onderzoeken naar Essure, vindt de rechtbank ook relevant hoe gynaecologen in Nederland vrouwen die Essure geïmplanteerd hebben gekregen en klachten ervaren, behandelen. Bij een substantieel deel van die vrouwen wordt Essure namelijk sinds een aantal jaren verwijderd met een operatie, ondanks de verstrekkende gevolgen die dat kan hebben. Uit dat wat hiervoor is overwogen, volgt dat bij de rechtbank de vraag leeft of de onderzoeken die de producent heeft gedaan toereikend zijn en dan vooral of de producent (ook) onderzoek had kunnen doen naar vrouwen zonder Essure en zonder anticonceptie die inwerkt op het lichaam (pil, spiraal). De rechtbank zal een commissie van deskundigen benoemen, die bestaat uit twee klinisch epidemiologen (waarvan één voorzitter zal zijn), twee gynaecologen en één immunoloog. De rechter stelt de vraagstelling vast. De kosten van het deskundigenonderzoek worden over de partijen verdeeld. Uitgangspunt is dat de verzoeker deze kosten betaalt, maar omdat de producent nog niet aan haar verzwaarde stelplicht heeft voldaan dient zij de helft van de kosten te voldoen. Daarnaast wil de rechtbank meer informatie ontvangen van de producent over de (klinische) onderzoeken die zij naar Essure heeft ingesteld en de onderbouwing daarvan voor toelating tot en behoud op de markt, die zij nog niet heeft overlegd. Daarom zal de rechtbank de producent op grond van artikel 22 Rv bevelen de documenten die staan opgesomd bij akte in deze procedure te overleggen. 11-02-2026
- Rechtbank Oost-Brabant De man is op 2 april 2023 ten val gekomen toen hij met zijn wielrenfiets in contact kwam met de metalen rand van een betonplaat in het wegdek. Hij heeft daarbij letsel opgelopen. De gemeente en haar verzekeraar weigeren aansprakelijkheid voor dit ongeval te erkennen. De man verzoekt de rechter in deelgeschil te bepalen dat de gemeente en de verzekeraar aansprakelijk zijn voor zijn schade. De rechtbank wijst dit verzoek van de man af omdat nadere bewijsvoering noodzakelijk is en (nog) onvoldoende is komen vast te staan dat de weg gebrekkig was, of dat sprake was van een gevaarzettende situatie, in verband waarmee de gemeente als wegbeheerder aansprakelijk zou zijn voor de gevolgen van het ongeval van de man. Voor het horen van getuigen en het eventueel laten uitvoeren van een onderzoek door een of meer deskundigen is in dit deelgeschil geen plaats. 22-01-2026
- Rechtbank Midden-Nederland Op 15 september 2022 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden op een kruising tussen een voetganger en een fietser. Toen de voetganger in of vlak na de bocht wilde oversteken, kwamen hij en de fietser met elkaar in botsing. De voetganger kwam ten val en liep letsel op aan zijn rechterarm. In deze zaak staat de vraag centraal of de fietser jegens de voetganger aansprakelijk is. De voetganger verwijt de fietser dat hij onvoldoende oplettend en voorzichtig heeft gereden en zijn snelheid niet heeft aangepast aan de verkeerssituatie en de omstandigheden ter plaatse. De fietser betwist dit. De rechtbank oordeelt dat de fietser er redelijkerwijs niet op bedacht hoefde te zijn dat voetgangers, over de rijbaan tegen het verkeer in de bocht om zouden komen, omdat er een trottoir aan de overzijde aanwezig was. Er was voor de voetganger ook geen noodzaak om tegen het verkeer in door de bocht over de weg te lopen. Doordat de voetganger en zijn vrienden, die dicht bij elkaar liepen, pas in het gezichtsveld van de fietser zijn gekomen toen hij al vlakbij hen was, kan niet van de fietser worden verwacht dat hij anders had gehandeld dan dat hij heeft gedaan. Omdat de voetganger nog in de binnenbocht of net na de binnenbocht liep, heeft de fietser daarop niet kunnen anticiperen. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling dat de fietser meer voorzichtigheid had moeten betrachten. De voetganger heeft niet gesteld dat het op het moment van het ongeval zodanig druk was dat de fietser meer voorzichtig had moeten handelen. Tot slot oordeelt de rechtbank dat de voetganger onvoldoende aanknopingspunten naar voren heeft gebracht waaruit zou kunnen worden geconcludeerd dat de fietser te hard heeft gereden. De gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen. 14-01-2026
- Rechtbank Midden-Nederland De man is op 5 juli 2021 als automobilist van achteren aangereden toen hij voor een stoplicht stond. Daarna kreeg hij verschillende klachten zoals nek- en rugklachten, hoofdpijn, cognitieve klachten, slaapproblemen, verminderd concentratievermogen en duizeligheid. De verzekeraar heeft de aansprakelijkheid van de gevolgen van het ongeval erkend. Partijen twisten over het causaal verband tussen de gestelde klachten van de man en het ongeval. In die discussie speelt onder andere de medische voorgeschiedenis van de man een rol (hij is eerder betrokken geweest bij een achteropaanrijding) en de impact van het ongeval (het gaat om een aanrijding met een geringe snelheid). Om duidelijkheid te krijgen over het causaal verband verzoekt de man om een neuroloog en een verzekeringsarts als deskundige te benoemen om een expertise uit te brengen. De verzekeraar verzet zich niet tegen de benoeming van een neuroloog, dit verzoek wordt toegewezen. De verzekeraar verzet zich wel tegen het verzoek tot benoeming van een verzekeringsgeneeskundige, zij stelt dat dit verzoek prematuur is. De rechtbank zal echter ook het gevraagde onderzoek door de verzekeringsgeneeskundige bevelen en daarvoor een deskundige benoemen. De man heeft goed uitgelegd waarom dit onderzoek nodig is. Aan de bezwaren van de verzekeraar gaat de rechtbank voorbij. Het is namelijk niet aannemelijk dat er geen enkel causaal verband bestaat tussen de gestelde klachten van de man en het ongeval. Het is nog wel onduidelijk welke gestelde klachten van de man in verband staan met het ongeval, maar die klachten zullen met het neurologisch onderzoek geobjectiveerd kunnen worden. Het verzochte verzekeringsgeneeskundig onderzoek zal vervolgens plaatsvinden na de neurologische expertise en daarop voortbouwen. Het verzoek is daarom niet prematuur maar efficiënt. De rechtbank hanteert de nieuwe IWMD-vraagstelling, ondanks de bezwaren van de verzekeraar daartegen. De nieuwe vraagstelling is volgens de rechtbank een verbetering ten opzichte van de vorige en borduurt daarop voort. Daarbij komt dat niet over één nacht ijs is gegaan. Zoals op de website van De Letselschade Raad is te lezen, is de nieuwe vraagstelling tot stand gekomen na een intensief proces van zes jaar, waarin de vorige versie werd geëvalueerd en vervolgens gereviseerd. Zoals ook op de website van De Letselschade Raad is te lezen sluit deze versie aan bij de NVMSR-richtlijn voor medisch specialistische rapportage in bestuurs- en civielrechtelijk verband 2024 en is naar verwachting beter afgestemd op de wensen en behoeften van zowel medici als juristen werkend binnen het medisch traject bij letselschadezaken. De rechtbank kiest dus voor de verbeterde en niet, zoals ASR wenst, voor de oudere versie van de vraagstelling. 13-01-2026
- Rechtbank Midden-Nederland Tussen de man en de vrouw heeft een aanrijding plaatsgevonden. De man reed op een snorscooter met blauw kenteken en de vrouw op een elektrische bakfiets. De verzekeraar van de man heeft op grond van artikel 185 Wegenverkeerswet aansprakelijkheid voor 50% erkend. De vrouw verzoekt te verklaren dat haar schade volledig moet worden vergoed. De rechtbank wijst dit verzoek af, omdat de causale verdeling en de billijkheidscorrectie niet leiden tot een hoger vergoedingspercentage dan 50%. De verzoeken van de vrouw tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten en de kosten van de deelgeschilprocedure worden gedeeltelijk toegewezen. 13-01-2026
- Rechtbank Noord-Holland De man is op 31 oktober 2019 in het ziekenhuis geopereerd door de traumachirurg in verband met de ziekte van Morbus Dupuytren aan zijn linkerpink. Na deze operatie heeft de man problemen ondervonden aan zijn pink en is hij opnieuw geopereerd. Op 30 november 2020 heeft de man het ziekenhuis aansprakelijk gesteld voor de materiële en immateriële schade die hij lijdt en heeft geleden. Op 23 juli 2024 is de verjaring gestuit. De man verzoekt om een deskundige te benoemen. Dit verzoek wordt toegewezen. Omdat partijen verschillen over de persoon van de te benoemen deskundige zal de rechtbank vaststellen wie als deskundige moet worden benoemd. 02-10-2025
- Rechtbank Noord-Holland In de beschikking van 3 juli 2025 heeft de rechtbank de behandeling van de zaak aangehouden zodat partijen zich uit konden laten over de persoon van de te benoemen deskundige. Uit de e-mailberichten en de brief die de rechtbank vervolgens van partijen heeft ontvangen, blijkt dat partijen geen overeenstemming hebben weten te krijgen over de persoon van de te benoemen deskundige. Om die reden zal de rechtbank in deze beschikking beoordelen wie als deskundige benoemd moet worden. Niet ter beoordeling staat of de operatie had moeten worden verricht door een gynaecoloog die op de hoogte is van ernstige gecompliceerde wondproblemen bij buikchirurgie. Dit komt ook niet in de vraagstelling naar voren waar partijen al eerder overeenstemming over hebben bereikt. Beoordeeld moet worden of het handelen van de behandelend gynaecoloog onder de gegeven omstandigheden voldeed aan de eisen van een redelijk bekwaam en een redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden. Een te benoemen deskundige die hetzelfde specialisme uitoefent als de hulpverlener van wie het handelen ter discussie staat, is aan dezelfde professionele standaard gebonden en weet wat daarin wordt voorgeschreven. Daarbij dient de deskundige rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de vrouw, zoals die ook bij de behandeld gynaecoloog bekend waren, en dat in zijn onderzoek mee te nemen. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de deskundige, met eenzelfde specialisme als de gynaecoloog die de vrouw heeft behandeld, als deskundige dient te worden benoemd. Daarnaast stelt de rechtbank de vraagstelling vast. 18-09-2025
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant Op 13 januari 2018 vond een ongeval plaats waarbij een 10-jarige fietser en een automobilist betrokken waren. De verzekeraar van de auto heeft aansprakelijkheid erkend. De fietser heeft bij dit ongeval blijvend hersenletsel opgelopen. Na het laten verrichten van een neurologisch onderzoek hebben partijen in gezamenlijk overleg een neuropsychologisch onderzoek laten uitvoeren en een verzekeringsarts gevraagd een verzekeringsgeneeskundig onderzoek uit te voeren. De fietser kan zich niet vinden in de uitkomst van de door de verzekeringsarts uitgevoerde expertise. Volgens de fietser zou de verzekeringsarts, als hij de plausibiliteitstoets zou hebben aangelegd, tot meer beperkingen zijn gekomen dan nu het geval is en de fietser wil daarom nadere vragen laten stellen aan de verzekeringsarts. Verder stelt de fietser dat sommige beperkingen mogelijk zijn gemist en om die reden wil hij dat er ook nog een mentaal duurbelastbaarheidsonderzoek (MDBO) plaatsvindt. Volgens de verzekeraar mag de verzekeringsarts niet op grond van plausibiliteit aannemen dat er meer beperkingen bij de fietser aanwezig zijn dan uit de rapporten van de neuroloog en de neuropsycholoog en zijn eigen onderzoek is gebleken. Een MDBO dient volgens de verzekeraar niet te worden uitgevoerd omdat dit geen gangbaar meetinstrument is en het geen meerwaarde biedt boven het al verrichte neuropsychologisch onderzoek. Volgens de rechtbank is het juist is dat de verzekeringsarts zich niet kan baseren op slechts de subjectieve uitlatingen van de fietser. Ook acht de rechtbank juist dat de verzekeringsarts zich zal moeten baseren op de inhoud van de rapportages van de neuroloog en de neuropsycholoog. Deze rapportages zijn in gezamenlijk overleg tussen partijen tot stand gekomen en er zijn door partijen geen bezwaren gemaakt tegen deze rapportages van zodanige aard dat partijen niet aan deze rapportages zijn gebonden. Deze rapportages dienen volgens de rechtbank het uitgangspunt te vormen voor de verzekeringsarts, maar dat betekent niet dat de verzekeringsarts in alle opzichten volledig gebonden is aan de inhoud van deze rapporten. De vraagstelling aan de verzekeringsarts was om de fietser op te roepen voor een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en op basis van de expertiserapporten van de neuroloog en de neuropsycholoog alsmede op basis van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat de verzekeringsarts bij de fietser verricht, de functionele beperkingen van de fietser in verband met het uit de expertiserapporten volgende ongevalsletsel te omschrijven en de belastbaarheid neer te leggen in een FML/belastbaarheidsprofiel. Het door de verzekeringsarts te verrichten verzekeringsgeneeskundig onderzoek en de specifieke expertise van de verzekeringsarts kan mede gelet op deze vraagstelling ertoe leiden dat de verzekeringsarts tot afwijkende bevindingen komt en dat hij daarover gemotiveerd rapporteert. Volgens de rechtbank zijn er weliswaar verschillende aanwijzingen dat de verzekeringsgeneeskundige al is uitgegaan van de plausibiliteitstoets maar daarover resteert nog de nodige twijfel. Vandaar dat aanvullende vragen aan de verzekeringsarts gerechtvaardigd zijn. De rechtbank oordeelt daarnaast dat partijen buiten rechte een MBDO dienen te laten uitvoeren. De verzekeringsarts heeft in zijn rapportage ter verklaring van de discrepantie tussen de ernst van de beperkingen zoals die door de fietser en zijn ouders wordt vermeld en de objectiveerbare afwijkingen op neurologisch en neuropsychologisch vlak eveneens naar voren gebracht dat ‘een rol daarbij kan spelen dat tijdens een NPO in ideale omstandigheden wordt getest en dat daarbij een duurbelasting in minder gunstige omstandigheden niet wordt gesignaleerd’. De verzekeringsarts merkt op dat het soms zinvol kan zijn om hier gericht naar te kijken middels een MBDO omdat het kan zijn dat er dan toch beperkingen worden geobjectiveerd die niet uit een NPO naar voren zijn gekomen. Weliswaar volgt uit het verslag van de neuropsycholoog dat evenals als bij een MBDO sprake was van een langdurig onderzoek tot na de middagpauze, dat na de middagpauze de neuropsycholoog geeuwgedrag waarneemt en de fietser steeds meer vermoeid oogt, alsmede dat zij ook een beperking in de duurbelasting aanneemt, maar hieruit kan de rechtbank nog niet concluderen dat een MBDO geen meerwaarde heeft boven het NPO zoals dat heeft plaatsgevonden. Niet is bovendien komen vast te staan dat MBDO geen gangbaar meetinstrument is en zijn de belangen voor de fietser om de beperkingen volledig in kaart te brengen groot; daarom bepaalt de rechtbank dat er ter nadere medische voorlichting een aanvullende onafhankelijke rapportage heeft plaats te vinden in de vorm van een MDBO. 12-08-2025
- Rechtbank Noord-Holland De vrouw verzoekt de rechtbank een deskundige te benoemen. Zij wil duidelijkheid over de vraag of er sprake was van onzorgvuldig handelen rondom haar operatie in het ziekenhuis op 6 november 2017. Ook wenst de vrouw duidelijkheid te krijgen over de vraag of zij door dat handelen schade heeft opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw belang heeft bij het verzoek en dat het verzoek voldoende bepaald is. De rechtbank stelt de aan de deskundige te stellen vragen vast. De rechtbank stelt ook vast dat de vrouw het voorschot van de te benoemen deskundige moet betalen. De deskundige waarover partijen het eens waren, blijkt niet meer als deskundige op te treden. Partijen krijgen daarom nog de gelegenheid zich uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige, de rechtbank zal de zaak aanhouden met zes weken. 03-07-2025
- Rechtbank Noord-Holland De rechtbank zal overgaan tot benoeming van de hierna te noemen deskundige. Aan deze deskundige zullen de in de beslissing vermelde vragen worden voorgelegd. 03-03-2022