Naar boven ↑

Update

Nummer 4, 2026
Uitspraken van 27 januari 2026 tot 2 februari 2026
Redactie: Mr. H. Vorsselman, mr. drs. I. van der Zalm, mr. Y. Bosschaart en J. Stulp.

Geachte heer/mevrouw,

Bijgaand treft u de nieuwe PS Updates aan. 

Rechtspraak
In deze nieuwsbrief hebben wij een selectie opgenomen van de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken, die te raadplegen zijn via de hyperlinks onder aan deze nieuwsbrief. 

Overlijden van beide ouders: kinderen wonen bij familie in buitenland, vergoeding op basis kosten van daadwerkelijk ingehuurde professionele hulp.
Deelgeschil over overlijdensschade. Twee minderjarige kinderen hebben hun ouders verloren bij een eenzijdig verkeersongeval in 2018 met een personenauto. Tot aan het overlijden van de ouders woonden de kinderen in Nederland. Sinds het overlijden van hun ouders wonen de kinderen bij hun grootouders, tevens hun voogden, en de bij hen wonende tante in het buitenland. De centrale vraag die beantwoord moet worden is of het door de kinderen gederfde levensonderhoud in natura moet worden begroot op basis van (bespaarde) kosten van professionele hulp in Nederland, zoals namens de kinderen is verzocht, of in het buitenland, zoals de verzekeraar, verwerende partij, verzoekt. De rechtbank komt tot beantwoording van deze vraag (r.o. 5.8-26) en oordeelt dat het gederfde levensonderhoud in natura moet worden begroot op basis van (bespaarde) kosten van professionele hulp in het buitenland, zolang de kinderen daar wonen. De omstandigheid dat naar redelijke verwachting de ouders met de kinderen in Nederland waren blijven wonen indien zij niet zouden zijn overleden, leidt niet tot een ander oordeel. Ook niet als wordt meegewogen dat de daarbij behorende levenstandaard uitgangspunt is voor de bepaling van de behoefte van de kinderen. Voor de compensatie van het gederfde levensonderhoud in natura is namelijk van belang dat de kinderen in dezelfde mate zorg en aandacht krijgen als wanneer de ouders niet zouden zijn overleden. Dat vertaalt zich in het aantal uren dat daaraan wordt besteed en dus moet worden vergoed. Het betalen van een hoger tarief voor ingehuurde of bespaarde professionele hulp dan gebruikelijk is voor professionele hulp in het land waar de kinderen wonen, draagt niet aan dat resultaat bij. Ook het belang van de kinderen bij het behoud van de mogelijkheid om voor hun meerderjarigheid in Nederland terug te keren, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de (bespaarde) kosten van professionele hulp van meet af aan op basis van Nederlandse tarieven moeten worden vergoed. Wel moet bij het begroten van de schade door gederfd levensonderhoud in natura rekening worden gehouden met de kans dat de kinderen in Nederland zullen terugkeren. (PS 2026-0072)

Overwegingen Hoge Raad over vordering benadeelde partij in het strafproces.
Hoge Raad. Verkrachting van 16-jarig meisje (art. 242 (oud) Sr) na heimelijk toebrengen van GHB. De eerste klacht gaat over het schriftuur van de benadeelde partij. Kan een benadeelde partij zich met de vordering tot vergoeding van immateriële schade in het strafproces voegen zonder opgave van een concreet bedrag? De Hoge Raad oordeelt dat dit kan. Zo’n vordering strekt er dan toe dat de rechter de schade begroot. Ook in zo’n geval zal de benadeelde partij feiten en omstandigheden moeten stellen over manier waarop en mate waarin zij in de persoon is aangetast en over gevolgen die zij van het strafbaar feit heeft ondervonden, om de rechter voldoende aanknopingspunten te bieden voor het naar billijkheid begroten van de immateriële schade. De rechter moet ervoor zorgen dat de verdachte in voldoende mate in gelegenheid is geweest zich over die feiten en omstandigheden uit te laten. De tweede klacht gaat over het opleggen van het hof van een schadevergoedingsmaatregel voor de door het slachtoffer geleden immateriële schade, nu het slachtoffer zich ter zake van die schade niet als benadeelde partij heeft gevoegd. Dit kan volgens de Hoge Raad, tenzij er aanwijzingen zijn dat het slachtoffer geen prijs stelt op een schadevergoeding. De derde klacht gaat eveneens over het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel. Heeft het hof zijn beslissing voldoende gemotiveerd, nu uit de overwegingen niet kan worden afgeleid op basis van welke in artikel 6:106 BW vermelde grond en welke omstandigheden het hof zijn oordeel heeft gebaseerd dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door het slachtoffer geleden immateriële schade? De Hoge Raad overweegt dat het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel en, voor zover de benadeelde partij zich met een vordering in het strafproces heeft gevoegd, toewijzing van de vordering benadeelde partij naast elkaar kan plaatsvinden. De rechter moet de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 359 lid 2 en 5 Sr motiveren. Dat betekent dat uit de motivering in ieder geval zal moeten blijken dat en in hoeverre de verdachte naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer aansprakelijk is voor de schade die door het strafbaar feit is toegebracht Als de benadeelde partij zich met een vordering in het strafproces heeft gevoegd, de rechter deze vordering toewijst en ook een schadevergoedingsmaatregel oplegt, zal de begrijpelijkheid van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel in het algemeen volgen uit de motivering van de beslissing over de vordering van de benadeelde partij. Voor zover de rechter de schadevergoedingsmaatregel oplegt en niet ook de vordering van de benadeelde partij toewijst, omdat de benadeelde partij zich niet met de vordering in het strafproces heeft gevoegd of omdat er gronden zijn die in de weg staan aan toewijzing van die vordering die niet zien op materiële verschuldigdheid van die vordering, zal uit de beslissing moeten volgen waarom de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbaar feit is toegebracht. Daarbij is ook voor de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel van belang dat het in beginsel aan het slachtoffer is om feiten en omstandigheden te stellen (en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen) waaruit de schade kan worden afgeleid. Hierbij kan ook het OM een rol spelen. Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel is dus niet mogelijk als de rechter over onvoldoende gegevens beschikt om te kunnen vaststellen dat de verdachte jegens het slachtoffer aansprakelijk is voor de door het slachtoffer geleden schade, waaronder gegevens die bepalend zijn voor de aard en omvang van geleden schade. Verder moet de rechter er ook bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor zorgen dat beide partijen in voldoende mate in gelegenheid zijn geweest zich over die feiten en omstandigheden uit te laten. Begrijpelijkheid van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel is in zo’n geval mede afhankelijk van de manier waarop het debat over die schade is gevoerd en de stukken die in dat verband in geding zijn gebracht. (PS 2026-0077)

Veilig Thuis en gemeente niet aansprakelijk voor gezinsdrama.
De ex-partner van de eisende partij heeft in 2016 hun 2-jarige dochter en daarna zichzelf verdronken in het Markermeer. De eisende partij vindt dat Veilig Thuis en de gemeente, die bij de begeleiding van het gezin betrokken waren, aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van de daad van zijn ex-partner. Volgens de man zijn Veilig Thuis en de gemeente namelijk in hun zorgplicht tekortgeschoten. De eiser leunt blijkens zijn stellingen zwaar op het negatieve oordeel in rapporten van de inspecties en de Wmo-toezichthouder over bepaalde facetten van het optreden van Veilig Thuis en de gemeente bij de zorg en ondersteuning aan het gezin. De rechtbank hecht voor de beoordeling van de civiele aansprakelijkheidsvraag echter geen doorslaggevende betekenis aan deze rapporten. Daarbij is van belang dat de onderzoeken van de Wmo-toezichthouder en de inspecties niet strekten tot beantwoording van de schuldaansprakelijkheidsvraag, maar erop gericht waren om te beoordelen of de zorgstructuur zoals de gemeente die had ingericht voldeed voor de kwetsbare inwoners respectievelijk om de werkwijze te verbeteren voor alle betrokken organisaties. De rechtbank ziet hoe groot de emotionele uitwerking is die het trieste voorval en de nasleep ervan op de eisende partij hebben gehad. Er is echter geen sprake van een onrechtmatige daad omdat Veilig Thuis en de gemeente hun zorgplicht niet hebben geschonden. Zij zijn daarom niet schadeplichtig. De vorderingen van de eiser worden afgewezen. (PS 2026-0071)

Verrekening van toekomstig pensioen als voordeel zou zorgen voor dubbele benadeling.
Deelgeschil. In 2020 is een motorrijder ten val gekomen door toedoen van een personenauto die hem geen voorrang verleende. Hierbij heeft de motorrijder onder andere een verbrijzelde linkerpols opgelopen. Ten tijde van het verkeersongeval werkte hij als zelfstandig schilder vanuit zijn eenmanszaak. Hij had geen pensioenvoorziening. De man heeft na het ongeval niet meer gewerkt als (zelfstandig) schilder, maar is sinds 2023 in loondienst werkzaam als materiaalbeheerder. Bij deze werkgever bouwt hij pensioen op. Volgens de man is voordeeltoerekening van het pensioen niet aan de orde, omdat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 6:100 BW. Voordeeltoerekening is volgens de verzekeraar wel degelijk op zijn plaats, omdat het opgebouwde pensioen een toekomstig voordeel oplevert wat de man niet zou hebben gehad indien het ongeval zich niet zou hebben voorgedaan (met gedeeltelijke aftrek van betaalde pensioenpremies, die daarop in mindering moeten worden gebracht). De rechtbank overweegt dat pensioenopbouw kan worden beschouwd als een (soort) sommenverzekering. Het dient in ieder geval als uitgesteld inkomen voor later dat pas tot uitkering komt bij de pensioengerechtigde leeftijd en is niet bedoeld als compensatie voor huidig verlies aan verdienvermogen. De man lijdt echter nu al schade als gevolg van het verlies aan verdienvermogen en zou dubbel worden benadeeld indien tot verrekening wordt overgegaan. De omstandigheden, waar de verzekeraar desgevraagd ter zitting onvoldoende tegenover heeft gezet, pleiten tegen verrekening en maken dat de rechtbank, alles in onderling verband en samenhang bezien, tot de conclusie komt dat voordeeltoerekening van het opgebouwde pensioen geen recht doet aan de situatie. (PS 2026-0073)

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps-updates@boom.nl.

Met vriendelijke groet,

Ilona van der Zalm & Armin Vorsselman 
PS Updates

Hoge Raad

Hof

Rechtbank

Antillen