Update
Geachte heer/mevrouw,
Hierbij treft u de nieuwe PS Updates aan.
Rechtspraak
In deze nieuwsbrief hebben wij een selectie opgenomen van de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken die te raadplegen zijn via de hyperlinks onder aan deze nieuwsbrief.
Deze week selecteerden we slechts zes uitspraken. Een uitspraak over werkgeversaansprakelijkheid (schending zorgplicht) en een uitspraak die ziet op een zaak waar verdachte zijn ex-partner heeft vermoord en er sprake is van zowel affectie- (vader en moeder) als shockschade (zus) lichten we hieronder uit. Verder was er een afwijzing bij een deelgeschil (bewijslevering nodig), sprak een werknemer een werkgever aan, maar was de vordering onvoldoende onderbouwd, was er een zaak over de limiet die geldt bij de aansprakelijkheid van de vervoerder van personen over binnenwateren (geen bewuste roekeloosheid, zitplaats niet voorzien van stalen beugel en als gevolg daarvan letsel, limiet van toepassing verklaard) en kende de strafrechter een destijds 14-jarige jongen die na zware mishandeling aan een oog blind werd € 37.000 toe ter vergoeding van immateriële schade.
Zorgplicht werkgever: maatregelen hadden eerder getroffen moeten worden.
Deelgeschil. De uitzendkracht is via het uitzendbureau in dienst getreden bij het bedrijf in de functie van inpakker vleesindustrie. Tijdens de werkzaamheden is een collega met een elektrische stapelaar over de voet van de werknemer gereden. De werknemer heeft hierdoor ernstig voetletsel opgelopen. Uit de overgelegde stukken, in het bijzonder de ongevalsrapportage van het bedrijf, blijkt dat de bij het ongeval betrokken elektrische stapelaar niet een arbeidsmiddel was dat binnen de organisatie van het bedrijf gebruikelijk werd ingezet. Naar het oordeel van de kantonrechter brengt dit nog niet mee dat het gebruik daarvan in strijd was met de zorgplicht. Wel is van belang dat de organisatie (van de veiligheid) kennelijk niet op het gebruik van dit type stapelaar was ingericht. Juist als een werkgever een van de gebruikelijke situatie afwijkend arbeidsmiddel inzet, dient de werkgever zich ervan te vergewissen dat dit arbeidsmiddel veilig binnen de bestaande werkomgeving kan worden gebruikt. Het uitzendbureau en het bedrijf hebben niet betwist dat de op hen rustende zorgplicht is geschonden. Daarom staat de aansprakelijkheid van beide werkgevers vast. Daarnaast oordeelt de kantonrechter dat uit de stukken de aansprakelijkheid van het bedrijf kan worden aangenomen. De stapelaar reed ten tijde van het ongeval achteruit. Voor de werknemer was toen zijn zicht door hoog opgestapelde kratten beperkt. Daarnaast staat vast dat er geen spiegels waren geplaatst op de stapelaar. Na het ongeval zijn er maatregelen getroffen om het zicht te verbeteren. De kantonrechter oordeelt dat van het bedrijf verwacht had mogen worden dat het maatregelen nam. Nu het bedrijf dat heeft nagelaten, heeft het zijn zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 BW, geschonden. Het verzochte voorschot aan smartengeld wordt toegewezen. De kantonrechter verklaart voor het recht dat beide werkgevers aansprakelijk zijn op grond van artikel 7:658 BW. (PS 2026-0401)
Moord en identificatie noodzakelijk: toewijzing affectieschade en shockschade.
Strafrecht. De verdachte heeft zijn ex-partner in haar woning vermoord door haar met een dolk tientallen malen te steken. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van 6.255 kinderpornografische afbeeldingen en video’s. De vader, de moeder en de zus van het slachtoffer hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De vader en moeder vorderen beide € 17.500 aan immateriële schade (affectieschade). De zus vordert € 20.000 aan immateriële schade (shockschade). De rechtbank is van oordeel dat de vader en de moeder als ouders van het slachtoffer recht hebben op affectieschade als bedoeld in artikel 6:108 lid 3 BW. De rechtbank zal dan ook een bedrag van € 17.500 aan affectieschade toewijzen. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat voor de shockschade aan alle criteria is voldaan. De zus heeft het slachtoffer moeten identificeren en zij is daardoor direct geconfronteerd met de schokkende wijze waarop het slachtoffer om het leven is gebracht. Dit is te meer invoelbaar nu het gaat om haar zus en zij blijkens het dossier een nauwe affectieve band met elkaar hadden. Verder is door de zus voldoende onderbouwd dat zij door de directe confrontatie met het verminkte lichaam van haar zus PTSS en een recidiverende depressieve stoornis heeft opgelopen. Ook heeft zij de woning van haar zus moeten opruimen en schoonmaken. De rechtbank wijst het gevorderde bedrag van € 20.000 volledig toe. (PS 2026-0406)
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps-updates@boom.nl.
Met vriendelijke groet,
Ilona van der Zalm & Armin Vorsselman
hoofdredacteuren PS Updates
Rechtbank
- Rechtbank Den Haag Strafrecht. De verdachte heeft zijn ex-partner in haar woning vermoord door haar met een dolk tientallen malen te steken. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van 6.255 kinderpornografische afbeeldingen en video’s. De vader, de moeder en de zus van het slachtoffer hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De vader en moeder vorderen beide € 17.500 aan immateriële schade (affectieschade). De zus vordert € 20.000 aan immateriële schade (shockschade). De rechtbank is van oordeel dat de vader en de moeder als ouders van het slachtoffer recht hebben op affectieschade als bedoeld in artikel 6:108 lid 3 BW. De rechtbank zal dan ook een bedrag van € 17.500 aan affectieschade toewijzen. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat voor de shockschade aan alle criteria is voldaan. De zus heeft het slachtoffer moeten identificeren en zij is daardoor direct geconfronteerd met de schokkende wijze waarop het slachtoffer om het leven is gebracht. Dit is te meer invoelbaar nu het gaat om haar zus en zij blijkens het dossier een nauwe affectieve band met elkaar hadden. Verder is door de zus voldoende onderbouwd dat zij door de directe confrontatie met het verminkte lichaam van haar zus PTSS en een recidiverende depressieve stoornis heeft opgelopen. Ook heeft zij de woning van haar zus moeten opruimen en schoonmaken. De rechtbank wijst het gevorderde bedrag van € 20.000 volledig toe. 07-09-2026
- Rechtbank Noord-Nederland Strafrecht. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van een destijds 14-jarige jongen. De jongen is ten gevolge hiervan blind geworden aan zijn rechteroog. De jongen heeft zich als benadeelde partij gevoegd en vordert een bedrag van € 37.000 ter vergoeding van immateriële schade. Gelet op de medische stukken stelt de rechtbank vast dat de jongen voor de rest van zijn leven zal moeten leven met één zeer slechtziend tot blind oog, waarbij de kans op verbetering zeer klein is. Gelet op de jonge leeftijd van de jongen en de periode dat hij de gevolgen van het geweldsincident nog moet dragen, is de rechtbank van oordeel dat een bedrag van € 37.000 ter vergoeding van immateriële schade zonder meer billijk is. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van eigen schuld bij aangever. De rechtbank ziet daarom ook geen aanleiding om op die grond de immateriële schade te matigen. 03-09-2026
- Rechtbank Den Haag De man heeft een boottocht gemaakt. Tijdens de tocht zit de man op een zitplaats met een verhoogde ondergrond waar zijn voeten op rusten. Verder is zijn zitplaats, anders dan de andere zitplaatsen in de boot, niet voorzien van een stalen beugel om zich aan vast te houden. Als de boot op hoge snelheid vaart, raakt de man los van zijn zitplaats, komt ten val en breekt een ruggenwervel. Sindsdien kampt hij met zenuwpijn aan beide benen. Deze pijn heeft impact op zowel zijn werkende als privéleven. Ten tijde van het ongeval was het boottochtbedrijf verzekerd. Deze zaak gaat over de vraag of de verzekeraar zich namens zijn verzekerde, het boottochtbedrijf, kan beroepen op de wettelijke limiet die geldt voor de aansprakelijkheid van de vervoerder van personen over binnenwateren. De rechtbank oordeelt dat dit inderdaad het geval is. De reden hiervoor is dat het boottochtbedrijf als vervoerder in de zin van de wet moet worden beschouwd. Verder kan niet worden vastgesteld dat het boottochtbedrijf bewust roekeloos heeft gehandeld, is er geen sprake van rechtsverwerking aan de zijde van de verzekeraar en is het beroep op deze limiet ook niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Daarnaast gaat deze zaak over de vraag of de man aanspraak heeft op vergoeding van buitengerechtelijke kosten en van wettelijke rente over het bedrag van de limiet. De rechtbank oordeelt dat de man geen recht heeft op vergoeding van buitengerechtelijke kosten maar wel op vergoeding van wettelijke rente. 26-08-2026
- Rechtbank Gelderland Deelgeschil. De uitzendkracht is via het uitzendbureau in dienst getreden bij het bedrijf in de functie van inpakker vleesindustrie. Tijdens de werkzaamheden is een collega met een elektrische stapelaar over de voet van de werknemer gereden. De werknemer heeft hierdoor ernstig voetletsel opgelopen. Uit de overgelegde stukken, in het bijzonder de ongevalsrapportage van het bedrijf, blijkt dat de bij het ongeval betrokken elektrische stapelaar niet een arbeidsmiddel was dat binnen de organisatie van het bedrijf gebruikelijk werd ingezet. Naar het oordeel van de kantonrechter brengt dit nog niet mee dat het gebruik daarvan in strijd was met de zorgplicht. Wel is van belang dat de organisatie (van de veiligheid) kennelijk niet op het gebruik van dit type stapelaar was ingericht. Juist als een werkgever een van de gebruikelijke situatie afwijkend arbeidsmiddel inzet, dient de werkgever zich ervan te vergewissen dat dit arbeidsmiddel veilig binnen de bestaande werkomgeving kan worden gebruikt. Het uitzendbureau en het bedrijf hebben niet betwist dat de op hen rustende zorgplicht is geschonden. Daarom staat de aansprakelijkheid van beide werkgevers vast. Daarnaast oordeelt de kantonrechter dat uit de stukken de aansprakelijkheid van het bedrijf kan worden aangenomen. De stapelaar reed ten tijde van het ongeval achteruit. Voor de werknemer was toen zijn zicht door hoog opgestapelde kratten beperkt. Daarnaast staat vast dat er geen spiegels waren geplaatst op de stapelaar. Na het ongeval zijn er maatregelen getroffen om het zicht te verbeteren. De kantonrechter oordeelt dat van het bedrijf verwacht had mogen worden dat het maatregelen nam. Nu het bedrijf dat heeft nagelaten, heeft het zijn zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 BW, geschonden. Het verzochte voorschot aan smartengeld wordt toegewezen. De kantonrechter verklaart voor het recht dat beide werkgevers aansprakelijk zijn op grond van artikel 7:658 BW. 24-08-2026
- Rechtbank Gelderland Deelgeschil. Als voorbereiding op uitzending heeft de werkneemster in opdracht van haar werkgever een meerdaagse HEAT-course gevolgd bij het trainingsinstituut. Onderdeel van de training was een simulatie waarbij cursisten dekking moesten zoeken onder geweervuur. Tijdens die simulatie is de werkneemster ten val gekomen waarbij zij letsel heeft opgelopen aan haar rechterenkelgewricht. Volgens de werkneemster zijn voorafgaand aan de simulatieoefening onvoldoende instructies gegeven. Daarnaast stelt de werkneemster dat de oefening plaatsvond in een omgeving die onvoldoende veilig was ingericht. Hoewel vastgesteld kan worden dat de instructie ‘dive to the ground’ is gegeven en ook vastgesteld kan worden dat de werkneemster zich daar niet aan heeft gehouden, is het van belang om vast te stellen of er vóór de simulatie andere, tegenstrijdige instructies zijn gegeven waar de werkneemster zich vervolgens wél aan heeft gehouden. Daarbij acht de kantonrechter mede van belang dat tijdens de simulatie gebruik werd gemaakt van geweerschoten in een nagebootste gevaarsituatie. Niet uitgesloten is dat een dergelijke setting aanleiding kan geven tot schrik-, stress- of paniekreacties en daarmee tot onvoorspelbaar gedrag van deelnemers. Juist daarom kan de inhoud van de vooraf gegeven instructies van betekenis zijn voor de beoordeling of er maatregelen zijn getroffen die redelijkerwijs noodzakelijk waren om schade te voorkomen. Partijen verschillen wezenlijk van mening over de inhoud van de instructies en over de vraag welke aandacht voorafgaand is besteed aan de risico’s van het terrein en aan de wijze waarop deelnemers daarop moesten reageren. Daarnaast verschillen partijen van mening over de omstandigheden van het terrein waarop het ongeval heeft plaatsgevonden. Deze geschilpunten raken rechtstreeks de vraag of de werkgever heeft voldaan aan zijn zorgplicht. Voor de beantwoording daarvan is nadere bewijslevering nodig, dit valt buiten het bestek van de deelgeschilprocedure. Het verzoek zal daarom op grond van artikel 1019z Rv worden afgewezen. 14-08-2026