Naar boven ↑

Update

Nummer 31, 2026
Uitspraken van 1 september 2026 tot 7 september 2026
Redactie: Mr. H. Vorsselman, mr. drs. I. van der Zalm, mr. Y. Bosschaart en J. Stulp.

Geachte heer/mevrouw,

Hierbij treft u de nieuwe PS Updates aan. 
 
Rechtspraak
In deze nieuwsbrief hebben wij een selectie opgenomen van de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken die te raadplegen zijn via de hyperlinks onder aan deze nieuwsbrief.

Deze week lichten wij een drietal uitspraken voor u uit. In de eerste uitspraak oordeelt het hof anders dan de rechtbank over een duikongeval van een kademuur van twee meter hoog in Amsterdam. In de tweede uitspraak wordt een oordeel gegeven over de vraag of een manege kan worden aangemerkt als bedrijfsmatig gebruiker. In de derde zaak wordt in deelgeschil een oordeel gevraagd over de vraag of een werkgever én zijn bestuurders aansprakelijk zijn voor de gevolgen van een bedrijfsongeval.

Duik van twee meter hoge kademuur in water: gemeente (toch) niet aansprakelijk.
Hof. De man is in de avond vanaf een kademuur in Amsterdam ‘head first’ het water in gedoken. Daarbij is hij in een ondiep gedeelte van het water terechtgekomen en heeft hij ernstig en blijvend letsel opgelopen. De rechtbank heeft de vorderingen van de man toegewezen. De gemeente c.s. zijn daarvan in beroep gekomen. Ten aanzien van de gestelde aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW geldt dat door de man niet toereikend is toegelicht dat en waarom de gemeente kan worden aangemerkt als bezitter van de terrasconstructie van het gebouw en/of het daaraan grenzende onderwatertalud waar het incident heeft plaatsgevonden. Daarmee kan in zoverre de aansprakelijkheid van de gemeente niet op deze bepaling worden gebaseerd. Daarnaast is het algemene gevaar dat zich realiseert als iemand duikt in het ondiepe water boven het onderwatertalud, niet het gevaar waarop artikel 6:174 BW ziet. De verdere beoordeling zal plaatsvinden aan de hand van de door de man gestelde onrechtmatige daad aan de zijde van de gemeente. Uitgangspunt is dat het niet gaat om een officiële zwemlocatie maar op de locatie wordt zwemmen door de gemeente gedoogd. Beslissend is de zorg die van de gemeente onder die omstandigheden van haar mag worden verwacht. De situatie ter plaatse kenmerkt zich door een grasveld dat geleidelijk naar beneden afloopt, overgaat in een aantal brede terrastreden die naar beneden toe doorlopen tot aan het water. De constructie nodigt uit om naar het water toe te lopen. Aan de rand van het water, maar ook vanaf de kademuur, is te zien dat de terrastreden doorlopen in het water. Vlak onder de waterspiegel is nog een brede terrastrede te zien en ook de bodem die daarna doorloopt is gedeeltelijk zichtbaar. Te zien is dat het water daar ondiep is en de bodem bedekt is met stenen. Het is algemeen bekend dat het niet veilig is om zomaar op een bepaalde plek natuurwater in te duiken, dus zonder eerst te controleren of dat daar veilig kan worden gedaan. Het hof kan in het licht van de concrete situatie ter plaatse niet tot een ander oordeel komen dan dat de kans dat iemand vanaf een bijna twee meter hoge kademuur, in de onmiddellijke nabijheid van de terrastreden ‘head first’ in het water duikt zodanig klein is dat de gemeente met die onwaarschijnlijke kans geen rekening hoefde te houden en daartegen dus ook geen voorzorgsmaatregelen hoefde te nemen. Deze kans leidt tot het oordeel dat geen aansprakelijkheid van de gemeente kan worden aangenomen. Daaraan kan niet afdoen dat het volgens de man voor de gemeente nauwelijks geld of moeite kost om bij de terrastreden een waarschuwingsbord voor ondiepte of obstakels te plaatsen. De bezwaarlijkheid van het treffen van een voorzorgsmaatregel tegen een bepaald soort ongeval moet echter niet alleen worden afgewogen tegen de ernstige gevolgen van een dergelijk ongeval, maar eerst en vooral tegen de vraag of een dergelijk ongeval enigszins realistisch en waarschijnlijk is zodat daarmee rekening moet worden gehouden. Anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat de instructies zoals neergelegd in het ‘Ambtelijk handboek zwemmen & zomerrecreatie’ van de gemeente niet tot de conclusie kunnen leiden dat bepaalde veiligheidsmaatregelen van de gemeente konden worden gevergd. Tot slot concludeert het hof dat er geen sprake is van een schending van artikel 21 Rv. Het hof vernietigt het bestreden vonnis en wijst de vorderingen van de man af. (PS 2026-0394

Stallen van paard: manege geen bedrijfsmatig gebruiker.
Deelgeschil. De vrouw is een ongeval overkomen toen zij op een paard reed van een kennis, tijdens een paardrijles op de manege (manage in de uitspraak). Door het ongeval dat ontstond doordat het paard een onverwachte beweging maakte waardoor de vrouw is gevallen, heeft de vrouw een incomplete dwarslaesie opgelopen. De vrouw heeft de manege aansprakelijk gesteld. De vrouw is van mening dat de manege aansprakelijk is voor haar schade op grond van artikel 6:181 BW, omdat de manege als bedrijfsmatig gebruiker van het paard aangemerkt kan worden. De kennis van de vrouw (hierna: de bezitter van het paard) en de manage hadden mondeling een stallingsovereenkomst gesloten die inhield dat het paard het gehele jaar gestald werd bij de manage. De bezitter betaalde hier een bedrag voor en zij kreeg geen vergoeding van de manege voor het gebruik van het paard. Uit de verklaring van de bezitter blijkt dat het paard niet door de manage gebruikt werd als lespaard. De vrouw had met de manage een lesovereenkomst en had aangeven gebruik te maken van haar ‘eigen’ paard. Daarvoor maakte zij, met toestemming van de bezitter, gebruik van het paard. Het contact over het paard ging niet via de manege maar via de bezitter. Doordat de manege het paard niet kon inzetten voor lessen en zij geen rechtstreeks contact had met de bezitter over de inzet van het paard, had de manege geen zeggenschap over het paard. Van grote verbondenheid tussen het paard en de manage is ook geen sprake. Het paard was alleen gestald bij de manage. Het enkele feit dat het paard al jaren gestald was bij de manege, maakt niet dat er daardoor sprake is van grote verbondenheid tussen het paard en de manege. Daarnaast waren de bezitter en de vrouw het beste in staat om de risico’s tijdens de les te minimaliseren en schade te voorkomen. Dat kon de manege niet. De manege kon niet bepalen wie er op het paard mocht rijden en kon het paard ook niet inzetten voor lessen. Daardoor kon zij ook geen maatregelen nemen om het risico op schade te voorkomen. Rekening houdend met de genoemde gezichtspunten is de rechtbank van oordeel dat de manege niet kan worden aangemerkt als bedrijfsmatig gebruiker in de zin van artikel 6:181 BW. Daarom wordt de gevorderde verklaring voor recht, dat de manege als bedrijfsmatig gebruiker kan worden aangemerkt, afgewezen. (PS 2026-0397)

Oordeel over bestuurdersaansprakelijkheid leent zich niet voor deelgeschil.
Deelgeschil. De werknemer is op 17-jarige leeftijd als maaltijdbezorger op een elektrische fiets aangereden door een bestelauto. Hij heeft daarbij letsel aan zijn arm en been opgelopen. De WAM-verzekeraar van de bestelauto heeft de aansprakelijkheid voor 50% erkend. De verzekering van de werkgever biedt geen dekking voor de (overige) schade. In dit deelgeschil verzoekt de werknemer de kantonrechter onder meer om voor recht te verklaren dat de aangesproken ondernemingen en de bestuurders van de werkgever aansprakelijk zijn voor zijn schade door het ongeval. Vast staat dat de werkgever aan de werknemer geen helm en/of fluorescerend hesje heeft verstrekt, terwijl (nog) niet vaststaat of de werkgever een telefoonhouder aan de werknemer heeft verstrekt. De vraag of deze of andere preventieve maatregelen zijn genomen of moesten worden genomen kan in het midden blijven, nu de werkgever niet heeft aangetoond dat hij op het punt van de verkeersveiligheidsinstructies aan zijn zorgplicht heeft voldaan. De kantonrechter oordeelt daarnaast dat er geen sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid. Het verzoek wordt daarom toegewezen op de eerste grondslag (art. 7:658 lid 2 BW), de tweede grondslag (art. 7:611 BW) kan daarom onbesproken blijven. Zijn verzoeken op grond van werkgeversaansprakelijkheid tegen de andere vennootschappen worden afgewezen omdat zij geen werkgever van hem zijn. Een deelgeschil leent zich niet voor de beoordeling van werkgeversaansprakelijkheid nu de door de bestuurders eventueel veroorzaakte schade niet ziet op letsel- of overlijdensschade. Het verzoek om een voorschot op de schadevergoeding wordt afgewezen omdat hij deze, gelet op de betwisting door de werkgever, onvoldoende heeft onderbouwd en voor bewijslevering in deelgeschil geen ruimte is. (PS 2026-0390)

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps-updates@boom.nl.

Met vriendelijke groet,

Ilona van der Zalm & Armin Vorsselman
hoofdredacteuren PS Updates

Hoge Raad

Hof

Rechtbank