Update
Geachte heer/mevrouw,
Hierbij treft u de nieuwe PS Updates aan.
Rechtspraak
In deze nieuwsbrief hebben wij een selectie opgenomen van de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken die te raadplegen zijn via de hyperlinks onder aan deze nieuwsbrief.
Deze week lichten wij een drietal uitspraken voor u uit. In de eerste uitspraak oordeelt het hof anders dan de rechtbank over een duikongeval van een kademuur van twee meter hoog in Amsterdam. In de tweede uitspraak wordt een oordeel gegeven over de vraag of een manege kan worden aangemerkt als bedrijfsmatig gebruiker. In de derde zaak wordt in deelgeschil een oordeel gevraagd over de vraag of een werkgever én zijn bestuurders aansprakelijk zijn voor de gevolgen van een bedrijfsongeval.
Duik van twee meter hoge kademuur in water: gemeente (toch) niet aansprakelijk.
Hof. De man is in de avond vanaf een kademuur in Amsterdam ‘head first’ het water in gedoken. Daarbij is hij in een ondiep gedeelte van het water terechtgekomen en heeft hij ernstig en blijvend letsel opgelopen. De rechtbank heeft de vorderingen van de man toegewezen. De gemeente c.s. zijn daarvan in beroep gekomen. Ten aanzien van de gestelde aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW geldt dat door de man niet toereikend is toegelicht dat en waarom de gemeente kan worden aangemerkt als bezitter van de terrasconstructie van het gebouw en/of het daaraan grenzende onderwatertalud waar het incident heeft plaatsgevonden. Daarmee kan in zoverre de aansprakelijkheid van de gemeente niet op deze bepaling worden gebaseerd. Daarnaast is het algemene gevaar dat zich realiseert als iemand duikt in het ondiepe water boven het onderwatertalud, niet het gevaar waarop artikel 6:174 BW ziet. De verdere beoordeling zal plaatsvinden aan de hand van de door de man gestelde onrechtmatige daad aan de zijde van de gemeente. Uitgangspunt is dat het niet gaat om een officiële zwemlocatie maar op de locatie wordt zwemmen door de gemeente gedoogd. Beslissend is de zorg die van de gemeente onder die omstandigheden van haar mag worden verwacht. De situatie ter plaatse kenmerkt zich door een grasveld dat geleidelijk naar beneden afloopt, overgaat in een aantal brede terrastreden die naar beneden toe doorlopen tot aan het water. De constructie nodigt uit om naar het water toe te lopen. Aan de rand van het water, maar ook vanaf de kademuur, is te zien dat de terrastreden doorlopen in het water. Vlak onder de waterspiegel is nog een brede terrastrede te zien en ook de bodem die daarna doorloopt is gedeeltelijk zichtbaar. Te zien is dat het water daar ondiep is en de bodem bedekt is met stenen. Het is algemeen bekend dat het niet veilig is om zomaar op een bepaalde plek natuurwater in te duiken, dus zonder eerst te controleren of dat daar veilig kan worden gedaan. Het hof kan in het licht van de concrete situatie ter plaatse niet tot een ander oordeel komen dan dat de kans dat iemand vanaf een bijna twee meter hoge kademuur, in de onmiddellijke nabijheid van de terrastreden ‘head first’ in het water duikt zodanig klein is dat de gemeente met die onwaarschijnlijke kans geen rekening hoefde te houden en daartegen dus ook geen voorzorgsmaatregelen hoefde te nemen. Deze kans leidt tot het oordeel dat geen aansprakelijkheid van de gemeente kan worden aangenomen. Daaraan kan niet afdoen dat het volgens de man voor de gemeente nauwelijks geld of moeite kost om bij de terrastreden een waarschuwingsbord voor ondiepte of obstakels te plaatsen. De bezwaarlijkheid van het treffen van een voorzorgsmaatregel tegen een bepaald soort ongeval moet echter niet alleen worden afgewogen tegen de ernstige gevolgen van een dergelijk ongeval, maar eerst en vooral tegen de vraag of een dergelijk ongeval enigszins realistisch en waarschijnlijk is zodat daarmee rekening moet worden gehouden. Anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat de instructies zoals neergelegd in het ‘Ambtelijk handboek zwemmen & zomerrecreatie’ van de gemeente niet tot de conclusie kunnen leiden dat bepaalde veiligheidsmaatregelen van de gemeente konden worden gevergd. Tot slot concludeert het hof dat er geen sprake is van een schending van artikel 21 Rv. Het hof vernietigt het bestreden vonnis en wijst de vorderingen van de man af. (PS 2026-0394)
Stallen van paard: manege geen bedrijfsmatig gebruiker.
Deelgeschil. De vrouw is een ongeval overkomen toen zij op een paard reed van een kennis, tijdens een paardrijles op de manege (manage in de uitspraak). Door het ongeval dat ontstond doordat het paard een onverwachte beweging maakte waardoor de vrouw is gevallen, heeft de vrouw een incomplete dwarslaesie opgelopen. De vrouw heeft de manege aansprakelijk gesteld. De vrouw is van mening dat de manege aansprakelijk is voor haar schade op grond van artikel 6:181 BW, omdat de manege als bedrijfsmatig gebruiker van het paard aangemerkt kan worden. De kennis van de vrouw (hierna: de bezitter van het paard) en de manage hadden mondeling een stallingsovereenkomst gesloten die inhield dat het paard het gehele jaar gestald werd bij de manage. De bezitter betaalde hier een bedrag voor en zij kreeg geen vergoeding van de manege voor het gebruik van het paard. Uit de verklaring van de bezitter blijkt dat het paard niet door de manage gebruikt werd als lespaard. De vrouw had met de manage een lesovereenkomst en had aangeven gebruik te maken van haar ‘eigen’ paard. Daarvoor maakte zij, met toestemming van de bezitter, gebruik van het paard. Het contact over het paard ging niet via de manege maar via de bezitter. Doordat de manege het paard niet kon inzetten voor lessen en zij geen rechtstreeks contact had met de bezitter over de inzet van het paard, had de manege geen zeggenschap over het paard. Van grote verbondenheid tussen het paard en de manage is ook geen sprake. Het paard was alleen gestald bij de manage. Het enkele feit dat het paard al jaren gestald was bij de manege, maakt niet dat er daardoor sprake is van grote verbondenheid tussen het paard en de manege. Daarnaast waren de bezitter en de vrouw het beste in staat om de risico’s tijdens de les te minimaliseren en schade te voorkomen. Dat kon de manege niet. De manege kon niet bepalen wie er op het paard mocht rijden en kon het paard ook niet inzetten voor lessen. Daardoor kon zij ook geen maatregelen nemen om het risico op schade te voorkomen. Rekening houdend met de genoemde gezichtspunten is de rechtbank van oordeel dat de manege niet kan worden aangemerkt als bedrijfsmatig gebruiker in de zin van artikel 6:181 BW. Daarom wordt de gevorderde verklaring voor recht, dat de manege als bedrijfsmatig gebruiker kan worden aangemerkt, afgewezen. (PS 2026-0397)
Oordeel over bestuurdersaansprakelijkheid leent zich niet voor deelgeschil.
Deelgeschil. De werknemer is op 17-jarige leeftijd als maaltijdbezorger op een elektrische fiets aangereden door een bestelauto. Hij heeft daarbij letsel aan zijn arm en been opgelopen. De WAM-verzekeraar van de bestelauto heeft de aansprakelijkheid voor 50% erkend. De verzekering van de werkgever biedt geen dekking voor de (overige) schade. In dit deelgeschil verzoekt de werknemer de kantonrechter onder meer om voor recht te verklaren dat de aangesproken ondernemingen en de bestuurders van de werkgever aansprakelijk zijn voor zijn schade door het ongeval. Vast staat dat de werkgever aan de werknemer geen helm en/of fluorescerend hesje heeft verstrekt, terwijl (nog) niet vaststaat of de werkgever een telefoonhouder aan de werknemer heeft verstrekt. De vraag of deze of andere preventieve maatregelen zijn genomen of moesten worden genomen kan in het midden blijven, nu de werkgever niet heeft aangetoond dat hij op het punt van de verkeersveiligheidsinstructies aan zijn zorgplicht heeft voldaan. De kantonrechter oordeelt daarnaast dat er geen sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid. Het verzoek wordt daarom toegewezen op de eerste grondslag (art. 7:658 lid 2 BW), de tweede grondslag (art. 7:611 BW) kan daarom onbesproken blijven. Zijn verzoeken op grond van werkgeversaansprakelijkheid tegen de andere vennootschappen worden afgewezen omdat zij geen werkgever van hem zijn. Een deelgeschil leent zich niet voor de beoordeling van werkgeversaansprakelijkheid nu de door de bestuurders eventueel veroorzaakte schade niet ziet op letsel- of overlijdensschade. Het verzoek om een voorschot op de schadevergoeding wordt afgewezen omdat hij deze, gelet op de betwisting door de werkgever, onvoldoende heeft onderbouwd en voor bewijslevering in deelgeschil geen ruimte is. (PS 2026-0390)
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps-updates@boom.nl.
Met vriendelijke groet,
Ilona van der Zalm & Armin Vorsselman
hoofdredacteuren PS Updates
Hoge Raad
Hof
- Gerechtshof Amsterdam Hof. De man is in de avond vanaf een kademuur in Amsterdam ‘head first’ het water in gedoken. Daarbij is hij in een ondiep gedeelte van het water terechtgekomen en heeft hij ernstig en blijvend letsel opgelopen. De rechtbank heeft de vorderingen van de man toegewezen. De gemeente c.s. zijn daarvan in beroep gekomen. Ten aanzien van de gestelde aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW geldt dat door de man niet toereikend is toegelicht dat en waarom de gemeente kan worden aangemerkt als bezitter van de terrasconstructie van het gebouw en/of het daaraan grenzende onderwatertalud waar het incident heeft plaatsgevonden. Daarmee kan in zoverre de aansprakelijkheid van de gemeente niet op deze bepaling worden gebaseerd. Daarnaast is het algemene gevaar dat zich realiseert als iemand duikt in het ondiepe water boven het onderwatertalud, niet het gevaar waarop artikel 6:174 BW ziet. De verdere beoordeling zal plaatsvinden aan de hand van de door de man gestelde onrechtmatige daad aan de zijde van de gemeente. Uitgangspunt is dat het niet gaat om een officiële zwemlocatie maar op de locatie wordt zwemmen door de gemeente gedoogd. Beslissend is de zorg die van de gemeente onder die omstandigheden van haar mag worden verwacht. De situatie ter plaatse kenmerkt zich door een grasveld dat geleidelijk naar beneden afloopt, overgaat in een aantal brede terrastreden die naar beneden toe doorlopen tot aan het water. De constructie nodigt uit om naar het water toe te lopen. Aan de rand van het water, maar ook vanaf de kademuur, is te zien dat de terrastreden doorlopen in het water. Vlak onder de waterspiegel is nog een brede terrastrede te zien en ook de bodem die daarna doorloopt is gedeeltelijk zichtbaar. Te zien is dat het water daar ondiep is en de bodem bedekt is met stenen. Het is algemeen bekend dat het niet veilig is om zomaar op een bepaalde plek natuurwater in te duiken, dus zonder eerst te controleren of dat daar veilig kan worden gedaan. Het hof kan in het licht van de concrete situatie ter plaatse niet tot een ander oordeel komen dan dat de kans dat iemand vanaf een bijna twee meter hoge kademuur, in de onmiddellijke nabijheid van de terrastreden ‘head first’ in het water duikt zodanig klein is dat de gemeente met die onwaarschijnlijke kans geen rekening hoefde te houden en daartegen dus ook geen voorzorgsmaatregelen hoefde te nemen. Deze kans leidt tot het oordeel dat geen aansprakelijkheid van de gemeente kan worden aangenomen. Daaraan kan niet afdoen dat het volgens de man voor de gemeente nauwelijks geld of moeite kost om bij de terrastreden een waarschuwingsbord voor ondiepte of obstakels te plaatsen. De bezwaarlijkheid van het treffen van een voorzorgsmaatregel tegen een bepaald soort ongeval moet echter niet alleen worden afgewogen tegen de ernstige gevolgen van een dergelijk ongeval, maar eerst en vooral tegen de vraag of een dergelijk ongeval enigszins realistisch en waarschijnlijk is zodat daarmee rekening moet worden gehouden. Anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat de instructies zoals neergelegd in het ‘Ambtelijk handboek zwemmen & zomerrecreatie’ van de gemeente niet tot de conclusie kunnen leiden dat bepaalde veiligheidsmaatregelen van de gemeente konden worden gevergd. Tot slot concludeert het hof dat er geen sprake is van een schending van artikel 21 Rv. Het hof vernietigt het bestreden vonnis en wijst de vorderingen van de man af. 01-09-2026
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch Strafrecht. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van zware mishandeling met voorbedachten rade door het slachtoffer te mishandelen met een stok en vervolgens zwavelzuur over haar heen te gooien. Ruim een half jaar later heeft hij samen met een ander geprobeerd de woning van het slachtoffer in brand te steken terwijl het slachtoffer en haar minderjarige zoon in de woning aanwezig waren. Het slachtoffer heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 67.987,10 bestaande uit € 22.987,10 aan materiële schade en € 45.000 aan immateriële schade. In eerste aanleg is de vordering toegewezen tot een bedrag van € 60.000 waarvan € 15.000 aan materiële schade en € 45.000 aan immateriële schade. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat het slachtoffer als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade is toegebracht. Het slachtoffer heeft als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte letsel opgelopen, te weten ernstige brandwonden in haar gezicht en lichaam alsmede blijvende littekens in haar gezicht en op haar lichaam. Daarnaast had zij snijwonden op het hoofd en een gebroken neus. Het hof acht het bedrag van € 45.000 aan immateriële schade billijk. 27-08-2026
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden De vrouw stelt dat zij in 2022 is aangereden door een auto. De kantonrechter heeft de vordering na het horen van getuigen afgewezen omdat niet bewezen is dat op 5 mei 2022 een aanrijding als door de vrouw gesteld heeft plaatsgevonden. Het hof is het met de kantonrechter eens en zal het vonnis bekrachtigen. Uit voormelde bewijsmiddelen blijkt dat er twee lezingen bestaan. Waar de vrouw zegt dat zij is aangereden waardoor zij op de grond terecht is gekomen, met letsel tot gevolg, volgt uit de verklaring van de bestuurder van de auto juist dat de vrouw alleen haar kleinzoon heeft opgepakt nadat hij was gevallen. Het hof kan gelet op de uiteenlopende verklaringen, die allebei gesteund worden door verklaringen van anderen, niet vaststellen wie de waarheid spreekt. Voor beide versies geldt dat steun vooral komt van familie en vrienden/bekenden, reden waarom het hof die verklaringen met behoedzaamheid beziet. De onzekerheid over wat zich heeft voorgedaan, komt ten laste van de vrouw. Zij is degene op wie de bewijslast rust en die dus het bewijsrisico draagt van het niet kunnen vaststellen van de gestelde feiten. Het hof passeert haar nadere bewijsaanbod. Het hoger beroep slaagt niet. 18-08-2026
Rechtbank
- Rechtbank Noord-Holland De man is als motorrijder betrokken geweest bij een eenzijdig verkeersongeval. Daarbij heeft hij ernstig letsel opgelopen. Voor de (letsel)schade die hij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het ongeval heeft hij drie partijen aansprakelijk gesteld, namelijk de WAM-verzekeraar, het Waarborgfonds en de gemeente. Geen van hen erkent aansprakelijkheid. De zorgverzekeraar stelt een eigen vorderingsrecht te hebben ten opzichte van gedaagde partijen. De man vordert primair dat het Waarborgfonds en de gemeente hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het ontstaan van het ongeval. De man heeft schade geleden door het rijgedrag van een bestuurder van een onbekende auto. Deze bestuurder heeft volgens de man onrechtmatig gehandeld door hem geen voorrang te verlenen. Met die schade kan hij bij het Waarborgfonds terecht. De gemeente is als wegbeheerder ook aansprakelijk op grond van de artikelen 6:174 BW en 6:162 BW. De weg voldeed namelijk niet aan de te stellen eisen. Het zicht was in beide richtingen slecht door de aanwezige bosschages langs de weg. Subsidiair stelt de man dat naast de gemeente de WAM-verzekeraar van de bestuurder die voor de onbekende auto reed aansprakelijk is. De man stelt dat hij ook onrechtmatig heeft gehandeld door hem geen voorrang te verlenen. De rechtbank oordeelt dat de man en de zorgverzekeraar onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren hebben gebracht op basis waarvan kan worden vastgesteld dat de onbekende automobilist een wettelijke (verkeers)norm of zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden. Dit verwijt slaagt daarom niet. Verder wijst niets erop dat de bestuurder die achter de onbekende auto reed gevaarzettend (onrechtmatig) rijgedrag heeft vertoond. Niemand heeft verklaard dat de bestuurder de haaientanden is gepasseerd. De man en de zorgverzekeraar hebben dit verwijt ook onvoldoende gemotiveerd. Nu, gelet op het voorgaande, niet is komen vast te staan dat de onbekende automobilist of de andere bestuurder ten opzichte van de man een fout als bedoeld in artikel 6:162 BW heeft gemaakt, oordeelt de rechtbank dat de aanwezige begroeiing voor het verkeer geen rol heeft gespeeld bij het ontstaan van het ongeval. De afwezigheid van een stopbord en een tweede spiegel bij de kruising heeft daaraan evenmin bijgedragen. Dergelijke maatregelen kunnen wellicht effectief zijn voor de verkeersveiligheid, maar het ontbreken daarvan levert nog geen onrechtmatig handelen van de gemeente ten opzichte van de man op. Uit de rapporten en de overgelegde foto’s van de situatie ter plaatse blijkt bovendien dat het zicht voldoende was voor autoverkeer. Verder hebben de man en zorgverzekeraar onvoldoende onderbouwd dat de gemeente met de plaatsing van de opstaande stoeprand waartegen de man is aangereden, een gevaarzettende verkeerssituatie in het leven heeft geroepen. De gemeente kan daarom niet als wegbeheerder verantwoordelijk worden gehouden. De conclusie van het voorgaande is dat de onbekende automobilist, de andere bestuurder noch de gemeente aansprakelijk is voor de gestelde schade als gevolg van het ongeval. Daarmee zijn het Waarborgfonds en de WAM-verzekeraar ook niet schadeplichtig. 26-08-2026
- Rechtbank Noord-Nederland Strafrecht. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en het dragen van een mes. De verdachte heeft het slachtoffer eenmaal met een mes in zijn bovenlichaam gestoken. Het slachtoffer heeft zich als benadeelde partij gevoegd en vordert materiële en immateriële schadevergoeding. Aanvankelijk werd een bedrag van € 65.000 ter vergoeding van immateriële schade gevorderd. Ter zitting is de vordering ten aanzien van de immateriële schade vermeerderd met € 8.000 aangezien er een posttraumatische stressstoornis (PTSS) bij de benadeelde partij is vastgesteld. Op basis van het dossier gaat de rechtbank ervan uit dat de benadeelde partij een wond van ongeveer 6 tot 10 centimeter heeft opgelopen in de linkerzijkant van zijn borst. Deze verwonding heeft zowel de spieren als het spiervlies doorklieft. Daarnaast was er sprake van een klaplong en zat er bloed in de borstholte. De rechtbank oordeelt dat het letsel van de benadeelde partij onder categorie 4.1 onder C, middelzwaar borstletsel, valt. De rechtbank is van oordeel dat het billijk is om een bedrag van € 32.000 toe te wijzen. De rechtbank wijst daarnaast het gevorderde bedrag van € 8.000 aan immateriële schade toe nu dit deel van de vordering niet door verdachte is betwist en de vordering de rechtbank niet onredelijk voorkomt. 25-08-2026
- Rechtbank Midden-Nederland De werkneemster is in dienst geweest bij een uitzendorganisatie. De werkneemster stelt in deze procedure de uitzendorganisatie en het bedrijf hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die voortvloeit uit het arbeidsongeval. De werkneemster stelt dat zij bij haar werkzaamheden aan de zalmfileerlijn bij het bedrijf gebruik maakte van een staverhoger met twee tredes. Zij stelt dat de verhoger is gekanteld en haar onderbeen heeft geraakt waardoor zij diverse fracturen heeft opgelopen. De kantonrechter is van oordeel dat de werkneemster niet heeft onderbouwd dat er zich op de werkvloer een ongeval heeft voorgedaan. Het vermeende ongeval is, terwijl er meerdere mensen aan de fileerlijn werkzaam zijn, door niemand waargenomen. De werkneemster heeft het aanvankelijk ook niet bij de uitzendorganisatie of het bedrijf gemeld. Daarbij komt dat de werkneemster wisselend heeft verklaard of de wat er precies gebeurd zou zijn. Ook is de kantonrechter van oordeel dat de werkneemster niet heeft voldaan aan haar stelplicht voor wat betreft het door haar gestelde oorzakelijk verband tussen het vermeende ongeval en het vermeende letsel. Het enige wat zij als onderbouwing naar voren heeft gebracht is de schriftelijke verklaring van haarzelf. De vorderingen van de werkneemster worden afgewezen. 12-08-2026
- Rechtbank Midden-Nederland Deelgeschil. De werknemer is op 17-jarige leeftijd als maaltijdbezorger op een elektrische fiets aangereden door een bestelauto. Hij heeft daarbij letsel aan zijn arm en been opgelopen. De WAM-verzekeraar van de bestelauto heeft de aansprakelijkheid voor 50% erkend. De verzekering van de werkgever biedt geen dekking voor de (overige) schade. In dit deelgeschil verzoekt de werknemer de kantonrechter onder meer om voor recht te verklaren dat de aangesproken ondernemingen en de bestuurders van de werkgever aansprakelijk zijn voor zijn schade door het ongeval. Vast staat dat de werkgever aan de werknemer geen helm en/of fluorescerend hesje heeft verstrekt, terwijl (nog) niet vaststaat of de werkgever een telefoonhouder aan de werknemer heeft verstrekt. De vraag of deze of andere preventieve maatregelen zijn genomen of moesten worden genomen kan in het midden blijven, nu de werkgever niet heeft aangetoond dat hij op het punt van de verkeersveiligheidsinstructies aan zijn zorgplicht heeft voldaan. De kantonrechter oordeelt daarnaast dat er geen sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid. Het verzoek wordt daarom toegewezen op de eerste grondslag (art. 7:658 lid 2 BW), de tweede grondslag (art. 7:611 BW) kan daarom onbesproken blijven. Zijn verzoeken op grond van werkgeversaansprakelijkheid tegen de andere vennootschappen worden afgewezen omdat zij geen werkgever van hem zijn. Een deelgeschil leent zich niet voor de beoordeling van werkgeversaansprakelijkheid nu de door de bestuurders eventueel veroorzaakte schade niet ziet op letsel- of overlijdensschade. Het verzoek om een voorschot op de schadevergoeding wordt afgewezen omdat hij deze, gelet op de betwisting door de werkgever, onvoldoende heeft onderbouwd en voor bewijslevering in deelgeschil geen ruimte is. 06-08-2026
- Rechtbank Limburg De man heeft bij de aanhouding door agenten verwondingen opgelopen. De man stelt dat de Politie bij haar handelen op 22 oktober 2024 de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit heeft overschreden. De Politie heeft volgens de man met dit handelen artikel 7 Politiewet overtreden en hiermee onrechtmatig gehandeld. De kantonrechter kan zich voorstellen dat de man enigszins verbaasd was toen vier agenten voor zijn deur verschenen, terwijl hij had gebeld voor een ambulance voor zijn zieke vrouw. De agenten waren aanwezig vanwege het onprettige telefoongesprek met de centralist, waarbij de man overstuur dan wel agressief reageerde richting de centralist, de vragen niet beantwoordde en de centralist de vrouw van de man op de achtergrond een kreunend geluid hoorde maken. Daarom werd er gedacht aan huiselijk geweld en zijn de agenten naar de woning van de man gestuurd. De agenten zijn dus vanwege een mogelijk onveilige situatie naar de woning gegaan. Volgens de kantonrechter volgt uit de opnames dat de man de agenten toegang tot de woning heeft ontzegd. De agenten hebben vervolgens geweld gebruikt. Naar het oordeel van de kantonrechter hebben de agenten in de situatie gehandeld op een manier die voor man het minst bezwarend is en is de redelijke verhouding tussen de wijze van optreden en het beoogde doel van dat optreden gegeven. Het door de agenten toegepaste geweld is naar het oordeel van de kantonrechter op de meest laagdrempelige manier aangevangen en passend bij de mate van verzet van de man. De feiten en omstandigheden rechtvaardigen het toegepaste geweld. De conclusie is dat het handelen van de agenten voldeed aan de vereisten van artikel 7 Politiewet. Dit betekent dat er een rechtvaardigingsgrond bestond voor het door de agenten toegepaste geweld en er dus geen sprake is van een door de Politie gepleegde onrechtmatige daad. Dit leidt ertoe dat de vorderingen van de man worden afgewezen. 05-08-2026
- Rechtbank Limburg Rechtbank. De zaak betreft een al sinds 2020 lopende letselschadezaak. De man is in 2015 een verkeersongeval overkomen. De verzekeraar heeft aansprakelijkheid voor het verkeersongeval erkend. In een eerder tussenvonnis is aangenomen dat er causaal verband bestaat tussen de subjectieve gezondheidsklachten van de man en het ongeval. Om te beoordelen of deze gezondheidsklachten ook tot beperkingen leiden is eerst een verzekeringsgeneeskundige en vervolgens een arbeidsdeskundige benoemd. Dit vonnis betreft het eindvonnis in deze zaak. De rechtbank verwerpt het verweer van de verzekeraar dat (uit het rapport van de arbeidsdeskundige volgt dat) het niet benutten van arbeidsmogelijkheden enkel en alleen aan de man zelf te wijten is. Die conclusie kan naar het oordeel van de rechtbank niet uit het rapport van de arbeidsdeskundige worden afgeleid. In het kader van die praktische beoordeling heeft de arbeidsdeskundige gewezen op de voorwaarden die de verzekeringsarts aan een functie voor de man heeft verbonden en op de eisen die de verzekeringsarts heeft gesteld aan een werkomgeving voor de man. Dit maakt dat de functies volgens de arbeidsdeskundige na inhoudelijke beoordeling op de passendheid toch niet passend zijn. Dat de vacatures na een praktische beoordeling door de arbeidsdeskundige alsnog afvallen is dus niet het gevolg van de opstelling van de man, maar het gevolg van de eisen en voorwaarden die door de verzekeringsdeskundige op basis van de ongevalgerelateerde klachten van de man zijn vastgesteld. De rechtbank overweegt dat het verweer dat de verzekeraar voor het overige voert kort gezegd betrekking heeft op het onbenut laten van de restverdiencapaciteit door de man. De rechtbank legt echter het rapport van de arbeidsdeskundige zo uit dat de functies die door de arbeidsdeskundige als theoretisch passend zijn aangemerkt, voor de man feitelijk niet passend zijn. Het verweer van de verzekeraar dat de man ook zonder ongeval – de rechtbank begrijpt: blijvend – arbeidsongeschikt zou zijn geraakt, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Volgens de rechtbank kan deze stelling niet worden afgeleid uit het rapport van de arbeidsdeskundige. De rechtbank overweegt wel dat het feit dat de arbeidsdeskundige heeft aangegeven dat het waarschijnlijk is dat de man, het ongeval weggedacht, bepaalde periodes (langdurig) arbeidsongeschikt zou zijn geweest, wel verdisconteerd zal moeten worden in de schadebegroting. 29-07-2026
- Rechtbank Midden-Nederland Deelgeschil. De vrouw is een ongeval overkomen toen zij op een paard reed van een kennis, tijdens een paardrijles op de manege (manage in de uitspraak). Door het ongeval dat ontstond doordat het paard een onverwachte beweging maakte waardoor de vrouw is gevallen, heeft de vrouw een incomplete dwarslaesie opgelopen. De vrouw heeft de manege aansprakelijk gesteld. De vrouw is van mening dat de manege aansprakelijk is voor haar schade op grond van artikel 6:181 BW, omdat de manege als bedrijfsmatig gebruiker van het paard aangemerkt kan worden. De kennis van de vrouw (hierna: de bezitter van het paard) en de manage hadden mondeling een stallingsovereenkomst gesloten die inhield dat het paard het gehele jaar gestald werd bij de manage. De bezitter betaalde hier een bedrag voor en zij kreeg geen vergoeding van de manege voor het gebruik van het paard. Uit de verklaring van de bezitter blijkt dat het paard niet door de manage gebruikt werd als lespaard. De vrouw had met de manage een lesovereenkomst en had aangeven gebruik te maken van haar ‘eigen’ paard. Daarvoor maakte zij, met toestemming van de bezitter, gebruik van het paard. Het contact over het paard ging niet via de manege maar via de bezitter. Doordat de manege het paard niet kon inzetten voor lessen en zij geen rechtstreeks contact had met de bezitter over de inzet van het paard, had de manege geen zeggenschap over het paard. Van grote verbondenheid tussen het paard en de manage is ook geen sprake. Het paard was alleen gestald bij de manage. Het enkele feit dat het paard al jaren gestald was bij de manege, maakt niet dat er daardoor sprake is van grote verbondenheid tussen het paard en de manege. Daarnaast waren de bezitter en de vrouw het beste in staat om de risico’s tijdens de les te minimaliseren en schade te voorkomen. Dat kon de manege niet. De manege kon niet bepalen wie er op het paard mocht rijden en kon het paard ook niet inzetten voor lessen. Daardoor kon zij ook geen maatregelen nemen om het risico op schade te voorkomen. Rekening houdend met de genoemde gezichtspunten is de rechtbank van oordeel dat de manege niet kan worden aangemerkt als bedrijfsmatig gebruiker in de zin van artikel 6:181 BW. Daarom wordt de gevorderde verklaring voor recht, dat de manege als bedrijfsmatig gebruiker kan worden aangemerkt, afgewezen. 22-07-2026
- Rechtbank Amsterdam Medewerkers van de werkgever kunnen hun fiets of auto stallen in de parkeergarage die opengaat door het gebruik van een ‘tagscanner’. Een werknemer heeft bij het binnenfietsen van de parkeergarage de naar beneden komende garagedeur tegen zijn hoofd gekregen waardoor hij letsel aan zijn hoofd en aan zijn nek heeft opgelopen. De werknemer stelt dat er sprake was van een onveilige situatie. Ondanks het gebruik van de tagscanner heeft het immers kunnen gebeuren dat de garagedeur naar beneden is gegaan, zonder dat er een beveiligingsmaatregel, zoals een sensor, is aangebracht om dit te voorkomen. De schade is ook ontstaan in de uitoefening van de werkzaamheden. Er is namelijk sprake van een functioneel verband tussen de activiteit waarbij de schade is ontstaan en de dienstbetrekking. Dit betoog kan naar het oordeel van de kantonrechter niet leiden tot aansprakelijkheid. Het inrijden heeft te gelden als woon-werkverkeer. De werknemer heeft niet duidelijk gemaakt dat dit inrijden al gebeurde in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Dat zijn werkgever aan zijn medewerkers logistieke aanwijzingen heeft gegeven voor het stallen van een fiets of ander vervoermiddel, betekent nog niet dat daarmee al sprake is van uitoefening van de werkzaamheden. Nu geen sprake is van schade die is ontstaan in de uitoefening van de werkzaamheden, is artikel 7:658 BW niet van toepassing. De kantonrechter volgt de werknemer niet in zijn stelling dat de werkgever aansprakelijk is op grond van artikel 7:611 BW. De kantonrechter oordeelt dat er voor de werkgever geen aanleiding was om veiligheidsmaatregelen te nemen. Daarnaast is ook niet gebleken dat het pasjessysteem niet goed werkte. De werkgever is daarom niet aansprakelijk voor de schade van de werknemer als gevolg van het ongeval. 24-04-2026