Update
Geachte heer/mevrouw,
Hierbij treft u de nieuwe PS Updates aan.
Rechtspraak
In deze nieuwsbrief hebben wij een selectie opgenomen van de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken die te raadplegen zijn via de hyperlinks onder aan deze nieuwsbrief.
Deze week lichten wij een drietal uitspraken voor u uit. In de eerste uitspraak oordeelt het hof over schadevorderingen na seksueel misbruik door een vader. In de tweede uitspraak ziet de rechtbank redenen om een verzoek tot het houden van een voorlopig deskundigenbericht af te wijzen en ten slotte wordt in een deelgeschil geoordeeld over vorderingen die door een nabestaande van een werknemer op grond van artikel 7:658 en 7:611 zijn ingesteld.
Seksueel misbruik vader waardoor zoon is geboren: immateriële schadevergoeding € 75.000, vordering moeder slachtoffer afgewezen.
Hof. Strafrecht. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het seksueel misbruik van zijn destijds 13-jarige dochter, waardoor zij zwanger is geraakt, een zware bevalling met een keizersnee heeft moeten ondergaan en is bevallen van een zoon. Mede door het enkele bestaan van de zoon, maar ook door het litteken dat de keizersnee op haar lichaam heeft achtergelaten, wordt het slachtoffer nog dagelijks geconfronteerd met de gevolgen van het seksueel misbruik en dat zal ook zo blijven. Het slachtoffer en haar moeder hebben zich gevoegd als benadeelde partijen. De moeder vordert € 15.000 aan immateriële schade vanwege aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 aanhef onder b BW. Het hof overweegt dat, alhoewel het zeer invoelbaar is dat het bewezen verklaarde feit voor de moeder in emotioneel opzicht zeer belastend is en ook haar leven ingrijpend is veranderd (onder andere doordat zij de zorg voor het zoontje op zich neemt), een onrechtmatige daad gepleegd tegen een kind niet zonder meer met zich brengt dat ook onrechtmatig is gehandeld tegen de ouder van dat kind. Een afdoende wettelijke grondslag voor toewijzing van schade is er in dit concrete geval niet. Het hof is van oordeel dat ten aanzien van de benadeelde partij niet kan worden gesproken van een aantasting in de persoon op andere wijze zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef onder b BW. Ook is geen sprake van een situatie waarin shockschade of affectieschade gevorderd kan worden. Haar vordering wordt afgewezen. Het slachtoffer zelf vordert € 75.000 aan vergoeding van immateriële schade. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte in haar persoon is aangetast. Het hof heeft bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal. In hoofdstuk 14.2 ‘Posttraumatische stressstoornis (PTSS)’ kunnen onder de categorie ‘ernstig’ bedragen tot € 61.000 worden toegekend. Verder is komen vast te staan dat de benadeelde partij ten tijde van het bewezen verklaarde misbruik slechts 13 jaar oud was, waardoor het de aanbeveling heeft het toegewezen bedrag aan immateriële schade met 25% te verhogen. Alles afwegend stelt het hof de omvang van de immateriële schade daarom vast op de gevorderde € 75.000. Verder krijgt zij € 69.104,42 toegekend voor het aandeel in de kosten van het kind t/m 23 jaar. (PS 2026-0387)
Verzoek benoemen deskundigen afgewezen omdat relevante informatie niet aan verzekeraar is verstrekt.
Rechtbank. Een vrouw is al fietsend aangereden door een scooter, waardoor zij ten val is gekomen. Zij heeft last van fysieke en psychiatrische klachten. Zij wil dat deskundigen onderzoek doen naar het bestaan van de klachten en dat zij vaststellen in hoeverre de klachten aan het ongeval zijn toe te rekenen. Uit de processtukken en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling komt volgens de rechtbank naar voren dat de vrouw bewust niet heeft voldaan aan het verzoek van de medisch adviseur van de verzekeraar, om stukken aan te leveren die betrekking hebben op ingrijpende (andere) gebeurtenissen die de vrouw heeft meegemaakt en die volgens de verzekeraar haar klachten zouden kunnen verklaren. Volgens de vrouw heeft de verzekeraar geen recht op overlegging van de opgevraagde nadere informatie. Zij is pas bereid om de extra informatie te delen op het moment dat de aan te wijzen deskundigen dit noodzakelijk achten. De rechtbank wijst het verzoek tot een voorlopig deskundigenbericht af. De rechtbank is van oordeel dat de door de verzekeraar gevraagde gegevens relevant zijn voor de beoordeling van de causaliteit en daarmee aan de verzekeraar verstrekt moeten worden. Het verzoek van de vrouw is volgens de rechtbank prematuur en in strijd met de eisen van een goede procesorde en het verzoek van de vrouw wordt daarom afgewezen. Voordat meerdere, kostbare deskundigenonderzoeken worden uitgevoerd, acht de rechtbank het onder de gegeven omstandigheden van belang dat de vrouw de opgevraagde stukken en nadere informatie aan de verzekeraar verstrekt. Pas daarna kan worden beoordeeld of het verzoek voldoende concreet en ter zake dienend is en welke feiten met de verschillende deskundigenonderzoeken bewezen kunnen worden. (PS 2026-0385)
Geen dekking voor affectieschade op Goed Werkgeverschap-verzekering: geen schending artikel 7:611 BW.
Rechtbank. Deelgeschil. Een man is overleden door een eenzijdig ongeval waarbij de auto frontaal op een boom is gereden. De man was in dienst als directiechauffeur en is op de terugreis na het afzetten van een directielid verongelukt. De dochter van de man heeft hem na het ongeval bezocht in het uitvaartcentrum. De dochter heeft door het ongeval materiële en immateriële schade, althans affectieschade, geleden en stel de werkgever van haar vader daarvoor aansprakelijk. Zij stelt dat uit de rittenregistratie van de werkgever blijkt dat niet is voldaan aan de Arbeidstijdenwet. De kantonrechter overweegt dat deze stelling, gelet op de rittenregistratie en het ontbreken van andere aanwijzingen, niet voor de hand ligt. Andere gronden die moeten leiden tot schending van de zorgplicht door de werkgever zijn niet aangevoerd zodat aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW moet worden afgewezen. De werkgever heeft een first party-verzekering, een zogeheten Goed Werkgeverschap-verzekering, afgesloten ten behoeve van de werknemer. De dochter voert aan dat het feit dat affectieschade voor nabestaanden niet verzekerd is, ertoe leidt dat de verzekering niet behoorlijk is. De kantonrechter is van oordeel dat affectieschade anders van aard is dan schade bij een ongeval van de werknemer zelf en dat niet kan worden geconcludeerd dat naar maatschappelijke opvattingen dekking voor affectieschade in kwestie inmiddels de norm is geworden. Het enkele feit dat die affectieschade niet gedekt is, rechtvaardigt niet om de verzekering als niet behoorlijk te kwalificeren. Als elk onderdeel van een verzekering als deze wordt beoordeeld los van de verdere inhoud van die verzekering, zou dat al snel leiden tot de conclusie dat elke verzekering die niet voor alle risico’s volledige dekking verleent geen behoorlijke verzekering is. De werkgever is met zijn Goed Werkgeverschap-verzekering dus niet tekortgeschoten in zijn verplichting zorg te dragen voor een behoorlijke verzekering. Bij dit oordeel acht de kantonrechter ook van belang dat in dit geval, waar de werkgever ten aanzien van het ongeval geen verwijt treft, de doelen van erkenning en genoegdoening een minder prominente rol spelen. De kantonrechter wijst het verzoek van de dochter af. (PS 2026-0384)
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps-updates@boom.nl.
Met vriendelijke groet,
Ilona van der Zalm & Armin Vorsselman
hoofdredacteuren PS Updates
Hoge Raad
Hof
- Gerechtshof Den Haag Strafrecht. Shakenbabysyndroom. Een 28-jarige man is veroordeeld voor het doden van zijn 14 weken oude zoon, door hem te schudden en hem vervolgens in een hopeloze toestand te laten door niet direct medische hulp in te schakelen. Het zoontje heeft hierdoor zeer ernstig hersenletsel opgelopen en is uiteindelijk overleden. De moeder heeft zich als benadeelde partij gevoegd en een bedrag van € 150.000 (bestaande uit € 105.000 immateriële schade, € 25.000 shockschade en € 20.000 affectieschade) gevorderd. Het hof wijst het gevorderde bedrag aan affectieschade toe. Het hof oordeelt dat aannemelijk is dat de moeder shockschade heeft geleden. Zij heeft haar zoon in een medische noodtoestand gevonden in de woning en is daarnaast onder behandeling van een psycholoog. Het hof acht het gevorderde bedrag aan shockschade redelijk. De verhoging van de shockschade ter terechtzitting wordt niet gevolgd door het hof. De moeder is ook mishandeld door de verdachte doordat hij een telefoon tegen haar gezicht heeft gegooid. Het hof acht voor deze mishandeling een bedrag van € 500 aan immateriële schade aannemelijk. Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. 24-08-2026
- Gerechtshof Amsterdam Strafrecht. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het seksueel misbruik van zijn destijds 13-jarige dochter, waardoor zij zwanger is geraakt, een zware bevalling met een keizersnee heeft moeten ondergaan en is bevallen van een zoon. Mede door het enkele bestaan van de zoon, maar ook door het litteken dat de keizersnee op haar lichaam heeft achtergelaten, wordt het slachtoffer nog dagelijks geconfronteerd met de gevolgen van het seksueel misbruik en dat zal ook zo blijven. Het slachtoffer en haar moeder hebben zich gevoegd als benadeelde partijen. De moeder vordert € 15.000 aan immateriële schade vanwege aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 aanhef onder b BW. Het hof overweegt dat, alhoewel het zeer invoelbaar is dat het bewezen verklaarde feit voor de moeder in emotioneel opzicht zeer belastend is en ook haar leven ingrijpend is veranderd (onder andere doordat zij de zorg voor het zoontje op zich neemt), een onrechtmatige daad gepleegd tegen een kind niet zonder meer met zich brengt dat ook onrechtmatig is gehandeld tegen de ouder van dat kind. Een afdoende wettelijke grondslag voor toewijzing van schade is er in dit concrete geval niet. Het hof is van oordeel dat ten aanzien van de benadeelde partij niet kan worden gesproken van een aantasting in de persoon op andere wijze zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef onder b BW. Ook is geen sprake van een situatie waarin shockschade of affectieschade gevorderd kan worden. Haar vordering wordt afgewezen. Het slachtoffer zelf vordert € 75.000 aan vergoeding van immateriële schade. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte in haar persoon is aangetast. Het hof heeft bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal. In hoofdstuk 14.2 ‘Posttraumatische stressstoornis (PTSS)’ kunnen onder de categorie ‘ernstig’ bedragen tot € 61.000 worden toegekend. Verder is komen vast te staan dat de benadeelde partij ten tijde van het bewezen verklaarde misbruik slechts 13 jaar oud was, waardoor het de aanbeveling heeft het toegewezen bedrag aan immateriële schade met 25% te verhogen. Alles afwegend stelt het hof de omvang van de immateriële schade daarom vast op de gevorderde € 75.000. Verder krijgt zij € 69.104,42 toegekend voor het aandeel in de kosten van het kind t/m 23 jaar. 24-07-2026
Rechtbank
- Rechtbank Noord-Holland De eigenaar van een appartement heeft deze verhuurd. De eigenaar heeft de onderbuurman gevraagd om te helpen met het openmaken van de deur van het appartement. Op het moment dat de deur openging, stormden drie mannen met bivakmutsen het appartement uit. In het appartement bleek een hennepkwekerij te zijn gevestigd. De onderbuurman is weggeduwd en van de trap gevallen waardoor hij letsel heeft opgelopen. De onderbuurman stelt de eigenaar van het appartement aansprakelijk. Volgens de onderbuurman heeft de eigenaar onzorgvuldig en gevaarzettend gehandeld door de identiteit van de huurder onvoldoende te controleren en door hem niet te waarschuwen toen de eigenaar hem om hulp vroeg. Dat de onderbuurman is overlopen door vluchtende criminelen is volgens de kantonrechter objectief zodanig onverwachts, dat de eigenaar niet onrechtmatig heeft gehandeld. De kantonrechter komt tot het oordeel dat het een ongelukkige samenloop van omstandigheden betreft. De vordering van de onderbuurman wordt afgewezen. 12-08-2026
- Rechtbank Overijssel Deelgeschil. Een man is overleden door een eenzijdig ongeval waarbij de auto frontaal op een boom is gereden. De man was in dienst als directiechauffeur en is op de terugreis na het afzetten van een directielid verongelukt. De dochter van de man heeft hem na het ongeval bezocht in het uitvaartcentrum. De dochter heeft door het ongeval materiële en immateriële schade, althans affectieschade, geleden en stelt dat de werkgever van haar vader aansprakelijk is. De dochter voert aan dat sprake is geweest van een nachtdienst en dat nachtdiensten maximaal tien uur mogen duren. Zij stelt dat uit de rittenregistratie van de werkgever blijkt dat niet is voldaan aan de Arbeidstijdenwet. De kantonrechter overweegt dat deze stelling, gelet op de rittenregistratie en het ontbreken van andere aanwijzingen, niet voor de hand ligt. Andere gronden die moeten leiden tot schending van de zorgplicht door de werkgever zijn niet aangevoerd zodat aansprakelijkheid op deze grond moet worden afgewezen. De werkgever heeft een first party-verzekering, een zogeheten Goed Werkgeverschap-verzekering. De dochter voert aan dat het feit dat affectieschade voor nabestaanden niet verzekerd is, ertoe leidt dat de verzekering niet behoorlijk is. De kantonrechter is van oordeel dat affectieschade anders van aard is dan schade bij een ongeval van de werknemer zelf en dat niet kan worden geconcludeerd dat naar maatschappelijke opvattingen dekking voor affectieschade in kwestie inmiddels de norm is geworden. Het enkele feit dat die affectieschade niet gedekt is, rechtvaardigt niet om de verzekering als niet behoorlijk te kwalificeren. Als elk onderdeel van een verzekering als deze wordt beoordeeld los van de verdere inhoud van die verzekering, zou dat al snel leiden tot de conclusie dat elke verzekering die niet voor alle risico’s volledige dekking verleent geen behoorlijke verzekering is. De werkgever is met zijn Goed Werkgeverschap-verzekering dus niet tekortgeschoten in zijn verplichting zorg te dragen voor een behoorlijke verzekering. Bij dit oordeel acht de kantonrechter ook van belang dat in dit geval, waar de werkgever ten aanzien van het ongeval geen verwijt treft, de doelen van erkenning en genoegdoening een minder prominente rol spelen. De kantonrechter wijst het verzoek van de dochter af. 11-08-2026
- Rechtbank Noord-Nederland Een vrouw is al fietsend aangereden door een scooter, waardoor zij ten val is gekomen. Zij heeft last van fysieke en psychiatrische klachten. Zij wil dat deskundigen onderzoek doen naar het bestaan van de klachten en dat zij vaststellen in hoeverre de klachten aan het ongeval zijn toe te rekenen. Uit de processtukken en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling komt volgens de rechtbank naar voren dat de vrouw bewust niet heeft voldaan aan het verzoek van de medisch adviseur van de verzekeraar, om stukken aan te leveren die betrekking hebben op ingrijpende (andere) gebeurtenissen die de vrouw heeft meegemaakt en die volgens de verzekeraar haar klachten zouden kunnen verklaren. Volgens de vrouw heeft de verzekeraar geen recht op overlegging van de opgevraagde nadere informatie. Zij is pas bereid om de extra informatie te delen op het moment dat de aan te wijzen deskundigen dit noodzakelijk achten. De rechtbank wijst het verzoek tot een voorlopig deskundigenbericht af. De rechtbank is van oordeel dat de door de verzekeraar gevraagde gegevens relevant zijn voor de beoordeling van de causaliteit en daarmee aan de verzekeraar verstrekt moeten worden. Het verzoek van de vrouw is volgens de rechtbank prematuur en in strijd met de eisen van een goede procesorde en het verzoek van de vrouw wordt daarom afgewezen. Voordat meerdere, kostbare deskundigenonderzoeken worden uitgevoerd, acht de rechtbank het onder de gegeven omstandigheden van belang dat de vrouw de opgevraagde stukken en nadere informatie aan de verzekeraar verstrekt. Pas daarna kan worden beoordeeld of het verzoek voldoende concreet en ter zake dienend is en welke feiten met de verschillende deskundigenonderzoeken bewezen kunnen worden. 21-07-2026
- Rechtbank Overijssel Deelgeschil. De inlener is tijdens zijn werkzaamheden met zijn hand in een fileermachine terechtgekomen, waardoor hij letsel heeft opgelopen. De inlener raakte hierdoor arbeidsongeschikt en vanwege het uitzendbeding in zijn arbeidsovereenkomst ook werkloos. De opdrachtgever zet werknemer in om bij de eigenaar van de productieruimte schoonmaakwerkzaamheden te verrichten. De kantonrechter oordeelt dat alleen de opdrachtgever als feitelijk werkgever kan worden gezien en de vorderingen jegens de eigenaar van de productieruimte worden daarom afgewezen. Naar het oordeel van de kantonrechter is ten aanzien van het ongeval onvoldoende gebleken dat de opdrachtgever aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Daarvoor is van belang dat de opdrachtgever eerder is geconfronteerd met een ongeval en de arbeidsinspectie al in 2022 een waarschuwing heeft gegeven met betrekking tot het schoonmaken van de machines die niet worden stilgezet. Gelet daarop mocht van de opdrachtgever extra zorg voor zijn werknemers worden verwacht, zoals het deugdelijk instrueren en waarschuwen en het voldoende toezicht houden op de naleving van de veiligheidsvoorschriften. De kantonrechter oordeelt dat de opdrachtgever onvoldoende heeft aangetoond dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan en wijst de gevorderde verklaring toe. Tot slot stelt de kantonrechter de voorschotten op de schadevergoeding vast en wijst deze voor een deel toe. Ten aanzien van de kosten rechtsbijstand voorafgaand aan de procedure is de rechtbank kritisch. Deze zijn onvoldoende gespecificeerd en kantoorkosten worden geacht in het tarief te zijn begrepen. Het door de advocaat gehanteerde uurtarief van € 320 exc. btw acht de rechtbank te hoog. De rechtbank gaat uit van € 265. 16-07-2026
- Rechtbank Noord-Holland In deze zaak vordert een werknemer een verklaring voor recht dat de werkgever aansprakelijk is voor de schade die de werknemer vanwege een bedrijfsongeval heeft geleden en vordert betaling van een voorschot op de schadevergoeding. De kantonrechter wijst de gevorderde verklaring voor recht toe, ook al is de aansprakelijkheid door de verzekeraar van de werkgever al erkend. De werknemer heeft voldoende belang bij de verklaring voor recht. Daarnaast oordeelt de kantonrechter dat er een grond is voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure. De kantonrechter wijst het voorschot van € 2.500 toe. Ook vordert de werknemer betaling van achterstallige vakantietoeslag en een deel van de fooienpot. De kantonrechter wijst de vorderingen van de werknemer toe, behalve de betaling van een deel van de fooienpot. 15-07-2026
- Rechtbank Overijssel Partijen hebben een geschil over de medische en financiële gevolgen van het ongeval dat de man is overkomen in Zweden. Zij hebben daarover al meerdere juridische procedures tegen elkaar gevoerd. Dit is de eerste bodemprocedure. De verzekeraar heeft de aansprakelijkheid van zijn verzekerde voor deze aanrijding erkend. De verzekeraar stelt zich op het standpunt dat hij de schade van de man als gevolg van het ongeval volledig heeft gecompenseerd en vordert een verklaring voor recht waarin dat wordt vastgelegd. De man vordert een verklaring voor recht dat de verzekeraar gehouden is zijn schade te vergoeden, alsmede een voorschot op de schadevergoeding met verwijzing naar de schadestaatprocedure. De man heeft naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate aangetoond dat het meer waarschijnlijk is dat een deel van de klachten zijn veroorzaakt door het ongeval dan door (eventuele) andere oorzaken. Voor de overige klachten kan op basis van de uitgevoerde medische expertises niet worden vastgesteld dat deze zijn ontstaan door het ongeval. De rechtbank kan nog geen eindvonnis wijzen. De rechtbank is voornemens om voor de verdere beoordeling – conform de Zweedse praktijk – aansluiting te zoeken bij de systematiek van de Zweedse Road Traffic Injury Commission. De rechtbank begrijpt dat deze instantie aan de hand van tabellen een berekening maakt op basis van het functieverlies aan de hand van een door een verzekeringsarts geconstateerde medische invaliditeit. De rechtbank is voornemens om, met toepassing van het Zweedse recht, een verzekeringsarts te benoemen. Deze kan de rechtbank adviseren over de arbeidsongeschiktheid als gevolg van het ongeval. Voordat de rechtbank daartoe overgaat, zal zij partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over het voornemen van de rechtbank. Daarna kan de rechtbank verder beoordelen of de man aanspraak kan maken op schadevergoeding en zo ja, op welk bedrag. 01-07-2026
- Rechtbank Gelderland Twee heren zijn slachtoffer geworden van openlijke geweldpleging. Als gevolg van deze geweldpleging hebben zij medische behandelingen moeten ondergaan. De daders zijn veroordeeld tot werkstraffen voor het openlijk in vereniging plegen van geweld en daarnaast ook veroordeeld tot het betalen van schadevergoedingen aan de heren. Het ging om een bedrag van € 4.276,61 ten behoeve van het ene slachtoffer en een bedrag van € 577,23 ten behoeve van het andere slachtoffer. De zorgverzekeraar heeft de daders aansprakelijk gesteld voor de medische kosten die zijn ontstaan door de mishandeling. De daders beroepen zich op verjaring van de vorderingen van de zorgverzekeraar, dit beroep slaagt niet. De zorgverzekeraar legt aan zijn vordering tot het betalen van schadevergoeding groepsaansprakelijkheid (artikel 6:166 BW) dan wel individueel onrechtmatig handelen (artikel 6:162 BW) ten grondslag. Ondanks dat de kantonrechter de (groeps)aansprakelijkheid opnieuw beoordeelt, weliswaar met medeneming van de dwingende bewijskracht van de strafrechtelijke veroordelingen, komt naar het oordeel van de kantonrechter uit de door de daders overgelegde processen-verbaal van getuigenverhoor uit het strafdossier niet een heel ander beeld naar voren, waaruit blijkt dat in het geheel geen sprake was van het bewust gezamenlijk optreden als deelnemers van de groep en handelen in groepsverband. De daders voeren ook nog aan dat het onrechtmatige handelen niet aan hen kan worden toegerekend. Met de strafrechter is de kantonrechter van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van noodweer. De kantonrechter oordeelt dat de daders beiden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De kantonrechter ziet aanleiding om de zorgverzekeraar in de gelegenheid te stellen om zich bij nadere akte nader uit te laten over het causaal verband tussen de diverse onderdelen van de door hem gevorderde schade en het onrechtmatig handelen. De kantonrechter verwijst daarom de zaak naar de rol. 04-03-2026