Naar boven ↑

Update

Nummer 30, 2026
Uitspraken van 25 augustus 2026 tot 31 augustus 2026
Redactie: Mr. H. Vorsselman, mr. drs. I. van der Zalm, mr. Y. Bosschaart en J. Stulp.

Geachte heer/mevrouw,

Hierbij treft u de nieuwe PS Updates aan. 
 
Rechtspraak
In deze nieuwsbrief hebben wij een selectie opgenomen van de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken die te raadplegen zijn via de hyperlinks onder aan deze nieuwsbrief. 

Deze week lichten wij een drietal uitspraken voor u uit. In de eerste uitspraak oordeelt het hof over schadevorderingen na seksueel misbruik door een vader. In de tweede uitspraak ziet de rechtbank redenen om een verzoek tot het houden van een voorlopig deskundigenbericht af te wijzen en ten slotte wordt in een deelgeschil geoordeeld over vorderingen die door een nabestaande van een werknemer op grond van artikel 7:658 en 7:611 zijn ingesteld.

Seksueel misbruik vader waardoor zoon is geboren: immateriële schadevergoeding € 75.000, vordering moeder slachtoffer afgewezen.
Hof. Strafrecht. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het seksueel misbruik van zijn destijds 13-jarige dochter, waardoor zij zwanger is geraakt, een zware bevalling met een keizersnee heeft moeten ondergaan en is bevallen van een zoon. Mede door het enkele bestaan van de zoon, maar ook door het litteken dat de keizersnee op haar lichaam heeft achtergelaten, wordt het slachtoffer nog dagelijks geconfronteerd met de gevolgen van het seksueel misbruik en dat zal ook zo blijven. Het slachtoffer en haar moeder hebben zich gevoegd als benadeelde partijen. De moeder vordert € 15.000 aan immateriële schade vanwege aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 aanhef onder b BW. Het hof overweegt dat, alhoewel het zeer invoelbaar is dat het bewezen verklaarde feit voor de moeder in emotioneel opzicht zeer belastend is en ook haar leven ingrijpend is veranderd (onder andere doordat zij de zorg voor het zoontje op zich neemt), een onrechtmatige daad gepleegd tegen een kind niet zonder meer met zich brengt dat ook onrechtmatig is gehandeld tegen de ouder van dat kind. Een afdoende wettelijke grondslag voor toewijzing van schade is er in dit concrete geval niet. Het hof is van oordeel dat ten aanzien van de benadeelde partij niet kan worden gesproken van een aantasting in de persoon op andere wijze zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef onder b BW. Ook is geen sprake van een situatie waarin shockschade of affectieschade gevorderd kan worden. Haar vordering wordt afgewezen. Het slachtoffer zelf vordert € 75.000 aan vergoeding van immateriële schade. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte in haar persoon is aangetast. Het hof heeft bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal. In hoofdstuk 14.2 ‘Posttraumatische stressstoornis (PTSS)’ kunnen onder de categorie ‘ernstig’ bedragen tot € 61.000 worden toegekend. Verder is komen vast te staan dat de benadeelde partij ten tijde van het bewezen verklaarde misbruik slechts 13 jaar oud was, waardoor het de aanbeveling heeft het toegewezen bedrag aan immateriële schade met 25% te verhogen. Alles afwegend stelt het hof de omvang van de immateriële schade daarom vast op de gevorderde € 75.000. Verder krijgt zij € 69.104,42 toegekend voor het aandeel in de kosten van het kind t/m 23 jaar. (PS 2026-0387)

Verzoek benoemen deskundigen afgewezen omdat relevante informatie niet aan verzekeraar is verstrekt.
Rechtbank. Een vrouw is al fietsend aangereden door een scooter, waardoor zij ten val is gekomen. Zij heeft last van fysieke en psychiatrische klachten. Zij wil dat deskundigen onderzoek doen naar het bestaan van de klachten en dat zij vaststellen in hoeverre de klachten aan het ongeval zijn toe te rekenen. Uit de processtukken en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling komt volgens de rechtbank naar voren dat de vrouw bewust niet heeft voldaan aan het verzoek van de medisch adviseur van de verzekeraar, om stukken aan te leveren die betrekking hebben op ingrijpende (andere) gebeurtenissen die de vrouw heeft meegemaakt en die volgens de verzekeraar haar klachten zouden kunnen verklaren. Volgens de vrouw heeft de verzekeraar geen recht op overlegging van de opgevraagde nadere informatie. Zij is pas bereid om de extra informatie te delen op het moment dat de aan te wijzen deskundigen dit noodzakelijk achten. De rechtbank wijst het verzoek tot een voorlopig deskundigenbericht af. De rechtbank is van oordeel dat de door de verzekeraar gevraagde gegevens relevant zijn voor de beoordeling van de causaliteit en daarmee aan de verzekeraar verstrekt moeten worden. Het verzoek van de vrouw is volgens de rechtbank prematuur en in strijd met de eisen van een goede procesorde en het verzoek van de vrouw wordt daarom afgewezen. Voordat meerdere, kostbare deskundigenonderzoeken worden uitgevoerd, acht de rechtbank het onder de gegeven omstandigheden van belang dat de vrouw de opgevraagde stukken en nadere informatie aan de verzekeraar verstrekt. Pas daarna kan worden beoordeeld of het verzoek voldoende concreet en ter zake dienend is en welke feiten met de verschillende deskundigenonderzoeken bewezen kunnen worden. (PS 2026-0385)

Geen dekking voor affectieschade op Goed Werkgeverschap-verzekering: geen schending artikel 7:611 BW.
Rechtbank. Deelgeschil. Een man is overleden door een eenzijdig ongeval waarbij de auto frontaal op een boom is gereden. De man was in dienst als directiechauffeur en is op de terugreis na het afzetten van een directielid verongelukt. De dochter van de man heeft hem na het ongeval bezocht in het uitvaartcentrum. De dochter heeft door het ongeval materiële en immateriële schade, althans affectieschade, geleden en stel de werkgever van haar vader daarvoor aansprakelijk. Zij stelt dat uit de rittenregistratie van de werkgever blijkt dat niet is voldaan aan de Arbeidstijdenwet. De kantonrechter overweegt dat deze stelling, gelet op de rittenregistratie en het ontbreken van andere aanwijzingen, niet voor de hand ligt. Andere gronden die moeten leiden tot schending van de zorgplicht door de werkgever zijn niet aangevoerd zodat aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW moet worden afgewezen. De werkgever heeft een first party-verzekering, een zogeheten Goed Werkgeverschap-verzekering, afgesloten ten behoeve van de werknemer. De dochter voert aan dat het feit dat affectieschade voor nabestaanden niet verzekerd is, ertoe leidt dat de verzekering niet behoorlijk is. De kantonrechter is van oordeel dat affectieschade anders van aard is dan schade bij een ongeval van de werknemer zelf en dat niet kan worden geconcludeerd dat naar maatschappelijke opvattingen dekking voor affectieschade in kwestie inmiddels de norm is geworden. Het enkele feit dat die affectieschade niet gedekt is, rechtvaardigt niet om de verzekering als niet behoorlijk te kwalificeren. Als elk onderdeel van een verzekering als deze wordt beoordeeld los van de verdere inhoud van die verzekering, zou dat al snel leiden tot de conclusie dat elke verzekering die niet voor alle risico’s volledige dekking verleent geen behoorlijke verzekering is. De werkgever is met zijn Goed Werkgeverschap-verzekering dus niet tekortgeschoten in zijn verplichting zorg te dragen voor een behoorlijke verzekering. Bij dit oordeel acht de kantonrechter ook van belang dat in dit geval, waar de werkgever ten aanzien van het ongeval geen verwijt treft, de doelen van erkenning en genoegdoening een minder prominente rol spelen. De kantonrechter wijst het verzoek van de dochter af. (PS 2026-0384)

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps-updates@boom.nl.

Met vriendelijke groet,

Ilona van der Zalm & Armin Vorsselman
hoofdredacteuren PS Updates

Hoge Raad

Hof

Rechtbank