Update
Geachte heer/mevrouw,
Bijgaand treft u de nieuwe PS Updates aan.
Rechtspraak
In deze nieuwsbrief hebben wij een selectie opgenomen van de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken, die te raadplegen zijn via de hyperlinks onder aan deze nieuwsbrief.
Smartengeld: € 200.000.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting en een poging tot moord door een vrachtwagen van een transportbedrijf in brand te steken. In de vrachtwagen lag op dat moment de chauffeur te slapen. Hij heeft de brand ternauwernood overleefd, maar liep zeer ernstig en blijvend lichamelijk letsel op. Ongeveer 65% van zijn lichaam raakte verbrand. Hij verbleef langdurig op de intensive care, deels in coma, en zal door blijvende zenuw- en spierbeschadigingen in armen en benen zijn leven lang ernstige beperkingen ondervinden in zijn dagelijks functioneren en kwaliteit van leven. Alles overziend begroot het hof, gelet op de meervoudigheid van letsels en de samenloop van lichamelijk letsel en geobjectiveerd geestelijk letsel, de omvang van de immateriële schade net als de rechtbank op een bedrag van € 200.000. Aan de partner met wie het slachtoffer samenwoont, de dochter en de vader van het slachtoffer wordt gelet op het ernstige en blijvende letsel bij het slachtoffer affectieschade toegewezen (PS 2026-0066).
Spoorwegbeheerder en wegbeheerder (mede) aansprakelijk voor dodelijk ongeval bij spoorweg.
Hoger beroep vrijwaring. Dodelijk ongeval tussen auto en trein op onbewaakte spoorwegovergang. Arriva vordert schadevergoeding van de WAM-verzekeraar van de auto. De rechtbank heeft de vordering van Arriva in de hoofdzaak toegewezen en in de vrijwaringszaak de vorderingen van de WAM-verzekeraar afgewezen en die van ProRail toegewezen. De WAM-verzekeraar heeft in het vonnis in de hoofdzaak berust. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen van de WAM-verzekeraar in de vrijwaringszaak alsnog worden toegewezen en de vordering van ProRail alsnog wordt afgewezen. In de vrijwaringszaak zoekt de WAM-verzekeraar verhaal van haar schade op de wegbeheerder (gemeente) en de spoorwegbeheerder (Prorail). Deze schade bestaat uit (1) de schadevergoeding die de WAM-verzekeraar aan Arriva moet betalen en (2) de vergoeding die zij heeft uitgekeerd aan de nabestaanden van de automobilist die is omgekomen. Deze vorderingen hebben een verschillende juridische grondslag, De eerste vordering baseert de WAM-verzekeraar terecht op subrogatie. Door betaling van de vordering van Arriva op haar verzekerde subrogeert de WAM-verzekeraar in de rechten die haar verzekerde betreffende de door hem geleden schade jegens derden heeft (art. 7:962 lid 1 BW), niet ook in de rechten van de Arriva zelf. Indien naast de automobilist ook anderen – ProRail en/of de gemeente – hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade van Arriva, heeft de verzekerde en (door subrogatie) diens WAM-verzekeraar op grond van artikel 6:10 BW een regresvordering op ProRail en/of de gemeente voor zover de WAM-verzekeraar een groter deel van de schade van Arriva heeft voldaan dan haar verzekerde aangaat tot ten hoogste het deel dat ProRail en/of de gemeente aangaat in hun verhouding tot de verzekerde. Het gaat er bij deze vordering van de WAM-verzekeraar dus om of ProRail en/of de gemeente ook hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens Arriva en, indien dat het geval is, welk gedeelte van de schuld jegens Arriva de verzekerde (en in diens plaats de WAM-verzekeraar), ProRail en/of de gemeente in hun onderlinge verhouding aangaat. Het feit dat Achmea is gesubrogeerd in de rechten van haar verzekerde staat bij deze vordering niet in de weg aan een beroep van Achmea op artikel 6:174 BW (in combinatie met art. 8:1661 lid 2 BW), inhoudende dat de (weg naar de) spoorwegovergang een gebrekkige opstal is. Op grond van artikel 6:197 lid 2 aanhef en onder a BW zijn de rechten uit artikel 6:174 BW weliswaar niet vatbaar voor subrogatie, maar dat geldt bij een subrogatie op grond van artikel 7:962 BW niet voor zover de uitkering van de verzekeraar de aansprakelijkheid van de verzekerde betreft en een ander krachtens artikel 6:174 BW mede aansprakelijk was. Die situatie doet zich hier voor als (mede)aansprakelijkheid van ProRail en/of de gemeente moet worden aangenomen. Voor de tweede vordering van de WAM-verzekeraar ligt dat anders. Die vordering betreft het bedrag dat de WAM-verzekeraar aan de nabestaanden van de automobilist heeft uitgekeerd. Ook die vordering is gebaseerd op subrogatie. Achmea treedt daardoor in de rechten van de verzekerde. Omdat het hier om de eigen schade van de verzekerde gaat (en niet om de schade van een derde waarvoor hij (al dan niet hoofdelijk) aansprakelijk is), gaat het om de aansprakelijkheid van ProRail en/of de gemeente jegens de verzekerde. In die verhouding kan Achmea zich niet op artikel 6:174 BW beroepen, omdat de uitsluiting van subrogatie in die rechten in deze verhouding wel geldt. Het beroep van Achmea op artikel 8:1661 lid 2 BW maakt dat niet anders. In deze bepaling is vastgelegd dat de aansprakelijkheid van artikel 6:174 BW ten aanzien van spoorweginfrastructuur op de beheerder berust. De bepaling creëert dus geen eigen risicoaansprakelijkheid, waarop artikel 6:197 lid 2 BW niet van toepassing is, maar alloceert de bestaande risicoaansprakelijkheid van artikel 6:174 BW voor spoorweginfrastructuur bij de beheerder van spoorweginfrastructuur, bij ProRail dus. Anders dan de rechtbank oordeelt het hof dat deze specifieke spoorwegovergang en de weg ernaartoe gebrekkig zijn, maar ook dat er sprake is geweest van kenbaarheid van het gebrek aan zowel de spoorwegovergang als de weg ernaartoe. Zowel de spoorwegbeheerder als de wegbeheerder zijn naast de automobilist aansprakelijk voor het ontstaan van het ongeval. De onveilige situatie enerzijds en de onachtzaamheid van de automobilist anderzijds hebben naar het oordeel van het hof in gelijke mate bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Voor de onveilige situatie zijn ProRail en de gemeente volgens het hof in gelijke mate verantwoordelijk. Dat betekent een causale verdeling van 50% voor de automobilist (de WAM-verzekeraar ), 25% voor ProRail en 25% voor de gemeente . In de onderlinge verhouding tussen de ProRail en de gemeente is reden voor een aanpassing op grond van de billijkheidcorrectie. Naar het oordeel van het hof valt de gemeente een groter verwijt te maken dan ProRail. Het hof stelt de bijdrage van ProRail op 20% (in plaats van 25%) en van de gemeente op 30% (in plaats van 25%). Voor schadeposten waarvoor alleen de automobilist (de WAM-verzekeraar) en de gemeente hoofdelijk aansprakelijk zijn, geldt een bijdrageplicht van de automobilist (de WAM-verzekeraar) van 62,5% (50/80 * 100%) en van de gemeente van 37,5% (30/80 * 100%). In de verhouding tussen de automobilist ( de WAM-verzekeraar ) is dat 71,4% (50/70 * 100%) voor de automobilist (de WAM-verzekeraar) en 28,6% (20/70 * 100%) voor de gemeente. Het hof beoordeelt verschillende vorderingen. Het hof komt tot een wat ander oordeel dan de rechtbank doordat het hof, anders dan de rechtbank, ProRail en de gemeente medeaansprakelijk houdt voor het ontstaan van het ongeval en de daardoor ontstane schade. Het hof wijst de volgende bedragen toe: de vordering van de WAM-verzekeraar in verband met de schade van Arriva op ProRail tot € 20.539,79 en op de gemeente tot € 40.610,47, te vermeerderen met wettelijke rente. De vordering van de WAM-verzekeraar in verband met de uitkering aan de erven van de automobilist op ProRail tot € 2.044,31 en op de gemeente tot € 2.680,48, te vermeerderen met wettelijke rente, met dien verstande dat ProRail en de gemeente samen niet meer verschuldigd zijn dan € 3.593,78 met wettelijke rente. Tot slot wijst het hof de vordering van ProRail op de WAM-verzekeraar toe tot € 10.728,45, te vermeerderen met wettelijke rente (PS 2026-0057).
Literatuur
V. Oskam, ‘“Klimhal” en “obstakelrun”, wie draagt het risico?’, Verkeersrecht ANWB 2026/1
R.S.M. Bosch, annotatie JA bij: ‘Rechtbank Rotterdam 8 oktober 2025, nr. C/10/693451 / HA RK 25-83, ECLI:NL:RBROT:2025:12630’, JA 2026/4 (Wrongful birth. Causaal verband. Immateriële schade. Informatieplicht arts)
K.A.P.C. van Wees, annotatie JA bij: ‘Hoge Raad 11 november 2025, nr. 24/02936, ECLI:NL:HR:2025:1619’, JA 2026/8 (Affectieschade. Hardheidsclausule. Samenloop shock- en affectieschade)
J.A.M. van Spijk, annotatie JA bij: ‘Hoge Raad 11 november 2025, nr. 24/01717, ECLI:NL:HR:2025:1676’, JA 2026/9 (Taxibus-arrest. Hoogeveen-arrest. Confrontatie. Shockschade)
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps-updates@boom.nl.
Met vriendelijke groet,
Ilona van der Zalm & Armin Vorsselman
PS Updates
Hoge Raad
Hof
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting en een poging tot moord door een vrachtwagen van een transportbedrijf in brand te steken. In de vrachtwagen lag op dat moment de chauffeur te slapen. Hij heeft de brand ternauwernood overleefd, maar liep zeer ernstig en blijvend lichamelijk letsel op. Ongeveer 65% van zijn lichaam raakte verbrand. Hij verbleef langdurig op de intensive care, deels in coma, en zal door blijvende zenuw- en spierbeschadigingen in armen en benen zijn leven lang ernstige beperkingen ondervinden in zijn dagelijks functioneren en kwaliteit van leven. De brand heeft niet alleen voor de vrachtwagenchauffeur zelf immense gevolgen (gehad) maar ook voor zijn naasten, die geconfronteerd werden met zijn grotendeels verbrande lichaam, er op enig moment zelfs rekening mee moesten houden afscheid van hem te moeten nemen en zich ook nu nog dagelijks moeten verhouden tot de nieuwe situatie van hun dierbare. De verdachte wordt veroordeeld voor medeplegen poging moord, medeplegen van opzettelijke brandstichting, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. Het slachtoffer, zijn partner, dochter, vader en zus hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Er is bij het slachtoffer sprake van blijvende zenuw- en spierbeschadigingen in zijn armen en benen waardoor zijn ledematen zijn verzwakt. Hierdoor zal hij blijvend ernstige beperkingen ondervinden in het dagelijks leven en is hij aangewezen op intensieve verzorging en hulpmiddelen. Ook leeft het slachtoffer met chronische pijn. Er is sprake van een medische eindtoestand en er is geen verbetering meer te verwachten. Het hof twijfelt er dan ook niet aan dat de feiten naast het lichamelijk letsel ook grote invloed hebben op de psychische gesteldheid van benadeelde. Naar het oordeel van het hof liggen de nadelige gevolgen van deze feiten voor benadeelde zó voor de hand dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Alles overziend begroot het hof, gelet op de meervoudigheid van letsels en de samenloop van lichamelijk letsel en geobjectiveerd geestelijk letsel, de omvang van de immateriële schade net als de rechtbank op een bedrag van € 200.000. Aan de partner met wie het slachtoffer samenwoont en de dochter van het slachtoffer wordt het gevorderde bedrag van € 17.500 aan affectieschade toegewezen, mede gelet op het ernstige en blijvende letsel bij het slachtoffer. Voor de vader van het slachtoffer oordeelt het hof dat hij ook onder ‘naasten’ valt in de zin van artikel 6:107 lid 2 BW en acht het gevorderde bedrag van € 15.000 billijk. Tot slot oordeelt het hof dat de zus als secundair slachtoffer dient te worden aangemerkt. Het hof overweegt dat de zus kort na de brand door haar vader is geïnformeerd over wat haar broer was overkomen en hem vervolgens in het ziekenhuis heeft bezocht. Daar zag zij haar broer ernstig verbrand en beademd liggen, met zware verminkingen aan zijn lichaam en gezicht. Deze confrontatie heeft bij haar geleid tot hevige emotionele schokken, dagelijkse flashbacks en een duidelijke verslechtering van haar functioneren. Haar angststoornis en posttraumatische stressklachten zijn hierdoor toegenomen, hetgeen wordt ondersteund door een verklaring van haar psycholoog. Het hof stelt vast dat sprake is van shockschade en acht het gevorderde bedrag van € 15.000 billijk; € 5.000 meer dan door de rechtbank was toegewezen. Het hof beoordeelt voorts nog vorderingen (meestal van materiële aard) van een groot aantal andere benadeelde partijen, waarbij het hof soms tot een ander oordeel komt dan de rechtbank. 20-01-2026
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting en een poging tot moord door een vrachtwagen van een transportbedrijf in brand te steken. In de vrachtwagen lag op dat moment de chauffeur te slapen. Hij heeft de brand ternauwernood overleefd, maar liep zeer ernstig en blijvend lichamelijk letsel op. Ongeveer 65% van zijn lichaam raakte verbrand. Hij verbleef langdurig op de intensive care, deels in coma, en zal door blijvende zenuw- en spierbeschadigingen in armen en benen zijn leven lang ernstige beperkingen ondervinden in zijn dagelijks functioneren en kwaliteit van leven. De brand heeft niet alleen voor de vrachtwagenchauffeur zelf immense gevolgen (gehad) maar ook voor zijn naasten, die geconfronteerd werden met zijn grotendeels verbrande lichaam, er op enig moment zelfs rekening mee moesten houden afscheid van hem te moeten nemen en zich ook nu nog dagelijks moeten verhouden tot de nieuwe situatie van hun dierbare. De verdachte wordt veroordeeld voor medeplegen poging moord, medeplegen van opzettelijke brandstichting, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. Het slachtoffer, zijn partner, dochter, vader en zus hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Er is bij het slachtoffer sprake van blijvende zenuw- en spierbeschadigingen in zijn armen en benen waardoor zijn ledematen zijn verzwakt. Hierdoor zal hij blijvend ernstige beperkingen ondervinden in het dagelijks leven en is hij aangewezen op intensieve verzorging en hulpmiddelen. Ook leeft het slachtoffer met chronische pijn. Er is sprake van een medische eindtoestand en er is geen verbetering meer te verwachten. Het hof twijfelt er dan ook niet aan dat de feiten naast het lichamelijk letsel ook grote invloed hebben op de psychische gesteldheid van benadeelde. Naar het oordeel van het hof liggen de nadelige gevolgen van deze feiten voor benadeelde zó voor de hand dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Alles overziend begroot het hof, gelet op de meervoudigheid van letsels en de samenloop van lichamelijk letsel en geobjectiveerd geestelijk letsel, de omvang van de immateriële schade net als de rechtbank op een bedrag van € 200.000. Aan de partner met wie het slachtoffer samenwoont en de dochter van het slachtoffer wordt het gevorderde bedrag van € 17.500 aan affectieschade toegewezen, mede gelet op het ernstige en blijvende letsel bij het slachtoffer. Voor de vader van het slachtoffer oordeelt het hof dat hij ook onder ‘naasten’ valt in de zin van artikel 6:107 lid 2 BW en acht het gevorderde bedrag van € 15.000 billijk. Tot slot oordeelt het hof dat de zus als secundair slachtoffer dient te worden aangemerkt. Het hof overweegt dat de zus kort na de brand door haar vader is geïnformeerd over wat haar broer was overkomen en hem vervolgens in het ziekenhuis heeft bezocht. Daar zag zij haar broer ernstig verbrand en beademd liggen, met zware verminkingen aan zijn lichaam en gezicht. Deze confrontatie heeft bij haar geleid tot hevige emotionele schokken, dagelijkse flashbacks en een duidelijke verslechtering van haar functioneren. Haar angststoornis en posttraumatische stressklachten zijn hierdoor toegenomen, hetgeen wordt ondersteund door een verklaring van haar psycholoog. Het hof stelt vast dat sprake is van shockschade en acht het gevorderde bedrag van € 15.000 billijk; € 5.000 meer dan door de rechtbank was toegewezen. Het hof beoordeelt voorts nog vorderingen (meestal van materiële aard) van een groot aantal andere benadeelde partijen, waarbij het hof soms tot een ander oordeel komt dan de rechtbank. 20-01-2026
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting en een poging tot moord door een vrachtwagen van een transportbedrijf in brand te steken. In de vrachtwagen lag op dat moment de chauffeur te slapen. Hij heeft de brand ternauwernood overleefd, maar liep zeer ernstig en blijvend lichamelijk letsel op. Ongeveer 65% van zijn lichaam raakte verbrand. Hij verbleef langdurig op de intensive care, deels in coma, en zal door blijvende zenuw- en spierbeschadigingen in armen en benen zijn leven lang ernstige beperkingen ondervinden in zijn dagelijks functioneren en kwaliteit van leven. De brand heeft niet alleen voor de vrachtwagenchauffeur zelf immense gevolgen (gehad) maar ook voor zijn naasten, die geconfronteerd werden met zijn grotendeels verbrande lichaam, er op enig moment zelfs rekening mee moesten houden afscheid van hem te moeten nemen en zich ook nu nog dagelijks moeten verhouden tot de nieuwe situatie van hun dierbare. De verdachte wordt veroordeeld voor medeplegen poging moord, medeplegen van opzettelijke brandstichting, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. Het slachtoffer, zijn partner, dochter, vader en zus hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Er is bij het slachtoffer sprake van blijvende zenuw- en spierbeschadigingen in zijn armen en benen waardoor zijn ledematen zijn verzwakt. Hierdoor zal hij blijvend ernstige beperkingen ondervinden in het dagelijks leven en is hij aangewezen op intensieve verzorging en hulpmiddelen. Ook leeft het slachtoffer met chronische pijn. Er is sprake van een medische eindtoestand en er is geen verbetering meer te verwachten. Het hof twijfelt er dan ook niet aan dat de feiten naast het lichamelijk letsel ook grote invloed hebben op de psychische gesteldheid van benadeelde. Naar het oordeel van het hof liggen de nadelige gevolgen van deze feiten voor benadeelde zó voor de hand dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Alles overziend begroot het hof, gelet op de meervoudigheid van letsels en de samenloop van lichamelijk letsel en geobjectiveerd geestelijk letsel, de omvang van de immateriële schade net als de rechtbank op een bedrag van € 200.000. Aan de partner met wie het slachtoffer samenwoont en de dochter van het slachtoffer wordt het gevorderde bedrag van € 17.500 aan affectieschade toegewezen, mede gelet op het ernstige en blijvende letsel bij het slachtoffer. Voor de vader van het slachtoffer oordeelt het hof dat hij ook onder ‘naasten’ valt in de zin van artikel 6:107 lid 2 BW en acht het gevorderde bedrag van € 15.000 billijk. Tot slot oordeelt het hof dat de zus als secundair slachtoffer dient te worden aangemerkt. Het hof overweegt dat de zus kort na de brand door haar vader is geïnformeerd over wat haar broer was overkomen en hem vervolgens in het ziekenhuis heeft bezocht. Daar zag zij haar broer ernstig verbrand en beademd liggen, met zware verminkingen aan zijn lichaam en gezicht. Deze confrontatie heeft bij haar geleid tot hevige emotionele schokken, dagelijkse flashbacks en een duidelijke verslechtering van haar functioneren. Haar angststoornis en posttraumatische stressklachten zijn hierdoor toegenomen, hetgeen wordt ondersteund door een verklaring van haar psycholoog. Het hof stelt vast dat sprake is van shockschade en acht het gevorderde bedrag van € 15.000 billijk; € 5.000 meer dan door de rechtbank was toegewezen. Het hof beoordeelt voorts nog vorderingen (meestal van materiële aard) van een groot aantal andere benadeelde partijen, waarbij het hof soms tot een ander oordeel komt dan de rechtbank. 20-01-2026
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting en een poging tot moord door een vrachtwagen van een transportbedrijf in brand te steken. In de vrachtwagen lag op dat moment de chauffeur te slapen. Hij heeft de brand ternauwernood overleefd, maar liep zeer ernstig en blijvend lichamelijk letsel op. Ongeveer 65% van zijn lichaam raakte verbrand. Hij verbleef langdurig op de intensive care, deels in coma, en zal door blijvende zenuw- en spierbeschadigingen in armen en benen zijn leven lang ernstige beperkingen ondervinden in zijn dagelijks functioneren en kwaliteit van leven. De brand heeft niet alleen voor de vrachtwagenchauffeur zelf immense gevolgen (gehad) maar ook voor zijn naasten, die geconfronteerd werden met zijn grotendeels verbrande lichaam, er op enig moment zelfs rekening mee moesten houden afscheid van hem te moeten nemen en zich ook nu nog dagelijks moeten verhouden tot de nieuwe situatie van hun dierbare. De verdachte wordt veroordeeld voor medeplegen poging moord, medeplegen van opzettelijke brandstichting, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. Het slachtoffer, zijn partner, dochter, vader en zus hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Er is bij het slachtoffer sprake van blijvende zenuw- en spierbeschadigingen in zijn armen en benen waardoor zijn ledematen zijn verzwakt. Hierdoor zal hij blijvend ernstige beperkingen ondervinden in het dagelijks leven en is hij aangewezen op intensieve verzorging en hulpmiddelen. Ook leeft het slachtoffer met chronische pijn. Er is sprake van een medische eindtoestand en er is geen verbetering meer te verwachten. Het hof twijfelt er dan ook niet aan dat de feiten naast het lichamelijk letsel ook grote invloed hebben op de psychische gesteldheid van benadeelde. Naar het oordeel van het hof liggen de nadelige gevolgen van deze feiten voor benadeelde zó voor de hand dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Alles overziend begroot het hof, gelet op de meervoudigheid van letsels en de samenloop van lichamelijk letsel en geobjectiveerd geestelijk letsel, de omvang van de immateriële schade net als de rechtbank op een bedrag van € 200.000. Aan de partner met wie het slachtoffer samenwoont en de dochter van het slachtoffer wordt het gevorderde bedrag van € 17.500 aan affectieschade toegewezen, mede gelet op het ernstige en blijvende letsel bij het slachtoffer. Voor de vader van het slachtoffer oordeelt het hof dat hij ook onder ‘naasten’ valt in de zin van artikel 6:107 lid 2 BW en acht het gevorderde bedrag van € 15.000 billijk. Tot slot oordeelt het hof dat de zus als secundair slachtoffer dient te worden aangemerkt. Het hof overweegt dat de zus kort na de brand door haar vader is geïnformeerd over wat haar broer was overkomen en hem vervolgens in het ziekenhuis heeft bezocht. Daar zag zij haar broer ernstig verbrand en beademd liggen, met zware verminkingen aan zijn lichaam en gezicht. Deze confrontatie heeft bij haar geleid tot hevige emotionele schokken, dagelijkse flashbacks en een duidelijke verslechtering van haar functioneren. Haar angststoornis en posttraumatische stressklachten zijn hierdoor toegenomen, hetgeen wordt ondersteund door een verklaring van haar psycholoog. Het hof stelt vast dat sprake is van shockschade en acht het gevorderde bedrag van € 15.000 billijk; € 5.000 meer dan door de rechtbank was toegewezen. Het hof beoordeelt voorts nog vorderingen (meestal van materiële aard) van een groot aantal andere benadeelde partijen, waarbij het hof soms tot een ander oordeel komt dan de rechtbank. 20-01-2026
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Verdachte en het slachtoffer waren compagnons in een bedrijf. Verdachte heeft zijn nietsvermoedende zakenpartner met voorbedachten rade en op brute wijze om het leven gebracht door hem eerst te slaan en vervolgens meerdere malen met een mes te steken, waarna het slachtoffer later in het ziekenhuis is overleden. Verdachte stelde te hebben gehandeld uit boosheid en gekrenktheid wegens vermeende verduistering en beschuldigingen van seksueel misbruik van zijn echtgenote. Het hof oordeelt dat sprake is van ontoelaatbare eigenrichting en dat verdachte door zijn handelen het fundamentele recht op leven heeft geschonden, waarmee hij zich schuldig heeft gemaakt aan moord. Door de moord op het slachtoffer heeft verdachte onbeschrijflijk en onherstelbaar leed toegebracht aan diens naasten, hetgeen indringend naar voren is gekomen in de slachtofferverklaringen. Het feit heeft daarnaast grote maatschappelijke schok veroorzaakt en vond plaats op de werkvloer, waar twee collega’s aanwezig waren. De collega’s zijn onvrijwillig getuige geweest van de moord, waarbij een van hen PTSS heeft ontwikkeld. De vrouw van het slachtoffer vordert naast materiële schade een bedrag van € 20.000 aan affectieschade en € 35.000 aan shockschade. Uit de stukken blijkt dat de vrouw kort na de aanval aanwezig was op de plaats delict en daar werd geconfronteerd met de gruwelijke situatie. In het ziekenhuis werd zij geconfronteerd met zijn levenloze en gehavende lichaam. Uit een verklaring van een psychosociaal therapeut volgt dat bij de vrouw sprake is van traumagerelateerde klachten en een persisterende complexe rouwstoornis, hetgeen een erkend psychiatrisch ziektebeeld vormt. Nu de verdediging de gevorderde shockschade niet heeft betwist, oordeelt het hof dat de vrouw als rechtstreeks gevolg van het handelen van verdachte immateriële schade in de vorm van shockschade heeft geleden en wijst het de vordering toe. De meerderjarige zoon van het slachtoffer vordert € 17.500 aan affectieschade en € 35.000 aan shockschade. De zoon van de overledene was aanwezig tijdens de steekpartij op het bedrijf. Hij sprak nog kort met de verdachte en zag vervolgens de paniek uitbreken. Hij hoorde dat zijn vader was neergestoken, zag hem naar de ambulance worden getild en reed achter de ambulance aan naar het ziekenhuis. Direct na het overlijden werd hij geconfronteerd met zijn overleden vader, met zichtbaar letsel en bloed. De volgende dag zag hij ook de plek op kantoor waar de steekpartij had plaatsgevonden inclusief de bloedsporen. Uit medische stukken blijkt dat de zoon een erkend psychiatrisch ziektebeeld heeft: ‘Andere gespecificeerde trauma- of stressor gerelateerde stoornis’ (DSM-5), en hij heeft één EMDR-behandeling gehad. Na zijn verzoek om geen verdere behandeling werd het dossier gesloten. De shockschade is niet betwist door de verdediging, maar deze vroeg om een matiging tot € 15.000. Gelet op de omstandigheden en vergelijkbare jurisprudentie stelt het hof de shockschade naar billijkheid vast op € 15.000. Voor het overige deel van de vordering verklaart het hof de zoon niet-ontvankelijk. Ten aanzien van de gevorderde shockschade door de broer van het slachtoffer en de twee zussen van de verdachte oordeelt het hof dat niet is voldaan is aan de vereisten voor shockschade en verklaart hen daarom niet-ontvankelijk ten aanzien van de gevorderde schade. Namens de minderjarige en de meerderjarige zonen van het slachtoffer is aangevoerd dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen van het strafbare feit voor benadeelden zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Naar het oordeel van het hof ziet deze ‘uitzondering’ op het in artikel 6:106 sub b BW bepaalde echter op situaties waarin sprake is van uit de aard en ernst van de normschending volgende evidente nadelige gevolgen voor het slachtoffer van het misdrijf zelf. Zonder iets te willen afdoen aan het peilloze leed dat het overlijden van het slachtoffer als zodanig bij zijn nog jonge kinderen heeft veroorzaakt, constateert het hof dat zonder nadere onderbouwing op deze grond niet kan worden vastgesteld dat bij hen sprake is van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Uit de brief van de psychosociaal therapeut blijkt dat de meerderjarige zoon sinds juli 2024 behandeling krijgt voor trauma- en rouwgerelateerde klachten, gemiddeld eens per twee à drie weken. Hij ervaart angstklachten en verwerkt de situatie nog maar beperkt; volledige verwerking zal tijd kosten en een leven lang bij hem blijven. Het hof acht aannemelijk dat hij geestelijk letsel heeft opgelopen en kent hem immateriële schade toe van € 10.000. Voor de minderjarige zoon geldt dat door zijn jonge leeftijd er nog geen behandeling gestart is en dat geestelijk letsel niet aannemelijk is gemaakt. Zonder nadere onderbouwing kan geen aantasting in de persoon worden vastgesteld. Zijn vordering tot immateriële schade kan daarom niet in dit strafproces worden toegewezen en moet bij de burgerlijke rechter worden ingediend. Het hof stelt vast dat de echtgenote, minderjarige dochter, minderjarige zoon, meerderjarige zoon, moeder en vader tot de kring van gerechtigden volgens artikel 6:108 BW behoren. Hun vorderingen zijn niet betwist en worden daarom toegewezen. De echtgenote, kinderen en de meerderjarige zoon volgen de bedragen uit het Besluit vergoeding affectieschade; de ouders ontvangen ieder € 17.500. De vorderingen van de broer en zussen van het slachtoffer worden afgewezen. Broers en zussen zijn in principe niet gerechtigd. Er zijn in dit geval geen uitzonderlijke omstandigheden die hen onder de restcategorie zouden laten vallen. 16-01-2026
- Gerechtshof Den Haag Deze zaak gaat over een kop-staartaanrijding. Het hof heeft in een tussenarrest geoordeeld dat de bestuurder van de achterste auto onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van de bestuurder van de voorste auto. De bestuurder van de achterste auto werd uitgenodigd een met stukken onderbouwde schadeberekening in het geding te brengen. Het hof heeft in een tweede tussenarrest het verzoek de zaak naar een schadestaatprocedure te verwijzen verworpen omdat er inmiddels een eindtoestand is bereikt en de gelaedeerde nog één keer de gelegenheid geboden zijn schade deugdelijk te onderbouwen. In het onderhavige arrest stelt het hof de schade vast, gedeeltelijk schattenderwijs. De gelaedeerde vordert een bedrag van € 5.000 aan smartengeld. Het hof acht het op basis van het huisartsjournaal en de brief van de neuroloog aannemelijk dat de gelaedeerde klachten heeft ervaren als gevolg van het ongeval in de vorm van vermoeidheid, nekpijn, hoofdpijn en concentratieproblemen, om deze reden is smartengeld toewijsbaar. Gegeven de door de gelaedeerde hiervoor aangevoerde omstandigheden, acht het hof een smartengeld van € 750 passend en billijk. De gelaedeerde vordert daarnaast een bedrag van € 41.964,88 ter zake van inkomensschade. Hij stelt daartoe dat hij zich als gevolg van het ongeval arbeidsongeschikt heeft moeten melden bij zijn werkgever. Als gevolg daarvan is volgens de gelaedeerde zijn contract voor bepaalde duur (tot 1 augustus 2018), na het verstrijken van die duur niet verlengd. Pas toen hij weer volledig hersteld was, is hij weer in dienst genomen. Dit betekent dat hij vanaf augustus 2018 tot en met mei 2019 geen inkomsten heeft genoten. Het hof overweegt als volgt. Met betrekking tot de periode voor 1 augustus 2018 geldt dat de gelaedeerde op basis van zijn arbeidsovereenkomst tijdens ziekte recht had op doorbetaling van 70% van zijn loon van € 3.600 bruto per maand. Als het hof ervan uitgaat dat hij zich op 20 juni 2018 (de dag van het ongeval) heeft ziek gemeld en zich niet hersteld heeft gemeld voor of op 31 juli 2018 (de laatste dag van zijn arbeidsovereenkomst), betekent dat dat hij gedurende 1,33 maand 30% van zijn loon heeft gemist. De schade bedraagt dan € 1.436,40 bruto. Het hof kan op basis van de overlegde stukken er niet van uit gaan dat de gelaedeerde per 1 augustus 2018 als gevolg van het ongeval niet in aanmerking is gebracht voor ziekengeld of WW-uitkering. In combinatie met het feit dat langdurige arbeidsongeschiktheid als gevolg van de low-impactaanrijding niet aannemelijk is, de neuroloog geen afwijkingen heeft geconstateerd en de prognose goed achtte (hoewel hij uitging van een ongeval met een grotere impact dan zich daadwerkelijk heeft voorgedaan), acht het hof onvoldoende aangetoond dat ook in de periode na 1 augustus 2018 sprake was van relevant inkomensverlies als gevolg van het ongeval. Dit betekent dat het hof het inkomensverlies van de gelaedeerde schattenderwijs zal begroten op € 1.500 bruto. Het hof verklaart tot slot dat de verzekeraar van de laedens ook aansprakelijk is voor de schade aan de auto, schade in de vorm van expertisekosten en voor de kosten van de deelprocedure. 13-01-2026
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Hoger beroep vrijwaring. Dodelijk ongeval tussen auto en trein op onbewaakte spoorwegovergang. Arriva vordert schadevergoeding van de WAM-verzekeraar van de auto. De rechtbank heeft de vordering van Arriva in de hoofdzaak toegewezen en in de vrijwaringszaak de vorderingen van de WAM-verzekeraar afgewezen en die van ProRail toegewezen. De WAM-verzekeraar heeft in het vonnis in de hoofdzaak berust. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen van de WAM-verzekeraar in de vrijwaringszaak alsnog worden toegewezen en de vordering van ProRail alsnog wordt afgewezen. In de vrijwaringszaak zoekt de WAM-verzekeraar verhaal van haar schade op de wegbeheerder (gemeente) en de spoorwegbeheerder (Prorail). Deze schade bestaat uit (1) de schadevergoeding die de WAM-verzekeraar aan Arriva moet betalen en (2) de vergoeding die zij heeft uitgekeerd aan de nabestaanden van de automobilist die is omgekomen. Deze vorderingen hebben een verschillende juridische grondslag, De eerste vordering baseert de WAM-verzekeraar terecht op subrogatie. Door betaling van de vordering van Arriva op haar verzekerde subrogeert de WAM-verzekeraar in de rechten die haar verzekerde betreffende de door hem geleden schade jegens derden heeft (art. 7:962 lid 1 BW), niet ook in de rechten van de Arriva zelf. Indien naast de automobilist ook anderen – ProRail en/of de gemeente – hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade van Arriva, heeft de verzekerde en (door subrogatie) diens WAM-verzekeraar op grond van artikel 6:10 BW een regresvordering op ProRail en/of de gemeente voor zover de WAM-verzekeraar een groter deel van de schade van Arriva heeft voldaan dan haar verzekerde aangaat tot ten hoogste het deel dat ProRail en/of de gemeente aangaat in hun verhouding tot de verzekerde. Het gaat er bij deze vordering van de WAM-verzekeraar dus om of ProRail en/of de gemeente ook hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens Arriva en, indien dat het geval is, welk gedeelte van de schuld jegens Arriva de verzekerde (en in diens plaats de WAM-verzekeraar), ProRail en/of de gemeente in hun onderlinge verhouding aangaat. Het feit dat Achmea is gesubrogeerd in de rechten van haar verzekerde staat bij deze vordering niet in de weg aan een beroep van Achmea op artikel 6:174 BW (in combinatie met art. 8:1661 lid 2 BW), inhoudende dat de (weg naar de) spoorwegovergang een gebrekkige opstal is. Op grond van artikel 6:197 lid 2 aanhef en onder a BW zijn de rechten uit artikel 6:174 BW weliswaar niet vatbaar voor subrogatie, maar dat geldt bij een subrogatie op grond van artikel 7:962 BW niet voor zover de uitkering van de verzekeraar de aansprakelijkheid van de verzekerde betreft en een ander krachtens artikel 6:174 BW mede aansprakelijk was. Die situatie doet zich hier voor als (mede)aansprakelijkheid van ProRail en/of de gemeente moet worden aangenomen. Voor de tweede vordering van de WAM-verzekeraar ligt dat anders. Die vordering betreft het bedrag dat de WAM-verzekeraar aan de nabestaanden van de automobilist heeft uitgekeerd. Ook die vordering is gebaseerd op subrogatie. Achmea treedt daardoor in de rechten van de verzekerde. Omdat het hier om de eigen schade van de verzekerde gaat (en niet om de schade van een derde waarvoor hij (al dan niet hoofdelijk) aansprakelijk is), gaat het om de aansprakelijkheid van ProRail en/of de gemeente jegens de verzekerde. In die verhouding kan Achmea zich niet op artikel 6:174 BW beroepen, omdat de uitsluiting van subrogatie in die rechten in deze verhouding wel geldt. Het beroep van Achmea op artikel 8:1661 lid 2 BW maakt dat niet anders. In deze bepaling is vastgelegd dat de aansprakelijkheid van artikel 6:174 BW ten aanzien van spoorweginfrastructuur op de beheerder berust. De bepaling creëert dus geen eigen risicoaansprakelijkheid, waarop artikel 6:197 lid 2 BW niet van toepassing is, maar alloceert de bestaande risicoaansprakelijkheid van artikel 6:174 BW voor spoorweginfrastructuur bij de beheerder van spoorweginfrastructuur, bij ProRail dus. Anders dan de rechtbank oordeelt het hof dat deze specifieke spoorwegovergang en de weg ernaartoe gebrekkig zijn, maar ook dat er sprake is geweest van kenbaarheid van het gebrek aan zowel de spoorwegovergang als de weg ernaartoe. Zowel de spoorwegbeheerder als de wegbeheerder zijn naast de automobilist aansprakelijk voor het ontstaan van het ongeval. De onveilige situatie enerzijds en de onachtzaamheid van de automobilist anderzijds hebben naar het oordeel van het hof in gelijke mate bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Voor de onveilige situatie zijn ProRail en de gemeente volgens het hof in gelijke mate verantwoordelijk. Dat betekent een causale verdeling van 50% voor de automobilist (de WAM-verzekeraar ), 25% voor ProRail en 25% voor de gemeente . In de onderlinge verhouding tussen de ProRail en de gemeente is reden voor een aanpassing op grond van de billijkheidcorrectie. Naar het oordeel van het hof valt de gemeente een groter verwijt te maken dan ProRail. Het hof stelt de bijdrage van ProRail op 20% (in plaats van 25%) en van de gemeente op 30% (in plaats van 25%). Voor schadeposten waarvoor alleen de automobilist (de WAM-verzekeraar) en de gemeente hoofdelijk aansprakelijk zijn, geldt een bijdrageplicht van de automobilist (de WAM-verzekeraar) van 62,5% (50/80 * 100%) en van de gemeente van 37,5% (30/80 * 100%). In de verhouding tussen de automobilist ( de WAM-verzekeraar ) is dat 71,4% (50/70 * 100%) voor de automobilist (de WAM-verzekeraar) en 28,6% (20/70 * 100%) voor de gemeente. Het hof beoordeelt verschillende vorderingen. Het hof komt tot een wat ander oordeel dan de rechtbank doordat het hof, anders dan de rechtbank, ProRail en de gemeente medeaansprakelijk houdt voor het ontstaan van het ongeval en de daardoor ontstane schade. Het hof wijst de volgende bedragen toe: de vordering van de WAM-verzekeraar in verband met de schade van Arriva op ProRail tot € 20.539,79 en op de gemeente tot € 40.610,47, te vermeerderen met wettelijke rente. De vordering van de WAM-verzekeraar in verband met de uitkering aan de erven van de automobilist op ProRail tot € 2.044,31 en op de gemeente tot € 2.680,48, te vermeerderen met wettelijke rente, met dien verstande dat ProRail en de gemeente samen niet meer verschuldigd zijn dan € 3.593,78 met wettelijke rente. Tot slot wijst het hof de vordering van ProRail op de WAM-verzekeraar toe tot € 10.728,45, te vermeerderen met wettelijke rente. 23-12-2025
Rechtbank
- Rechtbank Limburg Bij vonnis van de meervoudige (straf)kamer is de man veroordeeld voor onder meer het seksueel uitbuiten van de vrouw. De vrouw heeft zich in de voornoemde strafprocedure gevoegd als benadeelde partij en heeft een vordering ingesteld die opgebouwd is uit de volgende posten: (a) afgenomen inkomsten van € 24.910, (b) ontruiming van het gehuurde van € 17.178,02, (c) reiskosten van € 46,28, (d) eigen risico van € 378,95 en (e) immateriële schade van € 30.000. De rechtbank heeft aan immateriële schade een bedrag van € 10.000 toegewezen en heeft het toegewezen bedrag aan afgenomen inkomsten onder meer als volgt gemotiveerd: ‘Rekening houdend met bovenstaande feiten bedraagt een voorzichtige – in het voordeel van de verdachte – begroting van de afgenomen inkomsten 52 x 4 x 80 x 50% = 8.320 euro’. De man is uiteindelijk veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 18.708,60, waarna door de rechtbank is bepaald dat de vrouw in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De rechtbank oordeelt dat de geleden (materiële) schade die zij het onderwerp heeft gemaakt van deze procedure, de schade is die zij heeft geleden doordat de inkomsten die door haar zijn verworven niet aan haar zijn toegekomen, maar door de man zijn geïnd en behouden. Het betreft daarmee geen schade als gevolg van letsel. Omdat het verzoek niet ziet op schade als gevolg van letsel, kan het geschil daarover niet in een deelgeschilprocedure worden voorgelegd. 14-01-2026
- Rechtbank Overijssel De werkgever is in een fabrikant in onder meer vleeswaren, soepen en vegetarische producten, de werknemer was als productiemedewerker bij hem in dienst. De werknemer is tijdens het werk uitgegleden op een te gladde vloer na werkzaamheden door een extern bedrijf en kwam daarbij op zijn rug en linkerbil terecht, waarna hij na herstel zijn werk bij de werkgever heeft hervat. Enige tijd later kreeg hij tijdens het werk een zware balk (hefboom) op zijn hoofd, werd hij in het ziekenhuis opgenomen en is de bediening van de hefboom daarna aangepast. De verzekeraar van de werkgever heeft wel aansprakelijkheid erkend voor de twee ongevallen maar betwist de schade, omdat er volgens haar al eerder sprake was van beperkingen. De partijen zijn er niet in geslaagd om gezamenlijk een deskundigen te benoemen en een vraagstelling op te stellen. De rechtbank benoemt een deskundige en bepaalt de vraagstelling aan de deskundige. 13-01-2026
- Rechtbank Noord-Holland Er heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen twee auto’s. De voorste bestuurder maakte een noodstop voor een schrikhek op de rijbaan. De achterste bestuurder kon niet meer op tijd remmen en botste tegen de auto van de voorste bestuurder aan, hierbij heeft hij letsel opgelopen. De achterste bestuurder verzoekt in deze deelgeschilprocedure een verklaring voor recht dat de gemeente aansprakelijk is voor het ongeval, omdat zij heeft gehandeld in strijd met de op haar rustende zorgplicht als wegbeheerder. De kantonrechter oordeelt dat de gemeente onder deze omstandigheden wist, althans behoorde te begrijpen dat een schrikhek midden op de rijbaan een wezenlijk gevaar voor personen kon opleveren. Van de weggebruikers kon niet worden verwacht dat zij op een dergelijk schrikhek op 120 meter vóór de rotonde bedacht waren. Weggebruikers waren in de avond aangewezen op hun eigen (dim)verlichting en wat daarmee kon worden waargenomen. Van een afstand was het schrikhek niet of slecht zichtbaar en de kans dat iemand daar tegenaan zou rijden was groot. De tijd om het schrikhek te ontwijken was immers zeer kort. Verder kunnen de gevolgen van een dergelijke aanrijding ernstig zijn. Daarbij diende de gemeente rekening te houden met weggebruikers die de maximumsnelheid niet altijd stipt naleven, terwijl zij er voorts rekening mee diende te houden dat weggebruikers niet steeds de nodige oplettendheid zullen betrachten. Gezien deze situatie had de gemeente extra voorzorgsmaatregelen kunnen (en moeten) nemen. Zij had bijvoorbeeld (knipperende) waarschuwingslichten kunnen plaatsen op het schrikhek of verkeerregelaars kunnen regelen, deze maatregelen waren niet bezwaarlijk geweest. Met inachtneming van het hiervoor geschetste kader van de onrechtmatigheidstoetsing van artikel 6:162 BW en na weging van de concrete omstandigheden van het geval komt de kantonrechter tot de conclusie dat de gemeente toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld en daarmee aansprakelijk is voor de schade die de achterste bestuurder als gevolg van het ongeval heeft geleden en nog lijdt. De gemeente doet een beroep op eigen schuld aan de kant van de achterste bestuurder omdat hij onvoldoende oplettend zou hebben gereden. De kantonrechter oordeelt dat hiervan sprake is. Van de achterste bestuurder had mogen worden verwacht dat hij op onverwachte situaties op de donkere weg bedacht was en daarop tijdig anticipeerde. Daarbij is van belang dat zijn voorganger wel tijdig tot stilstand kwam. Naar het oordeel van de kantonrechter dient de gemeente 75% van de schade te vergoeden. Het beroep op de billijkheidscorrectie door de achterste bestuurder slaagt niet. 08-01-2026
- Rechtbank Noord-Holland Er heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen twee auto’s. De voorste bestuurder maakte een noodstop voor een schrikhek op de rijbaan. De achterste bestuurder kon niet meer op tijd remmen en botste tegen de auto van de voorste bestuurder aan, hierbij heeft hij letsel opgelopen. De achterste bestuurder verzoekt in dit deelgeschil een verklaring voor het recht dat de WAM-verzekeraar van de voorste bestuurder aansprakelijk is voor de schade ten gevolge van het ongeval. Partijen zijn het met elkaar eens dat, kort vóór het ongeval, midden op de rijbaan – een 80 km weg – en op circa 120 meter vóór de rotonde een schrikhek (van reflecterend materiaal) stond met daarboven het verkeersbord ‘verboden in te rijden’ en een bord ‘uitgezonderd bewoners’. Dit schrikwerk was door de duisternis en afwezigheid van straatverlichting slecht zichtbaar. Volgens de kantonrechter heeft de achterste bestuurder echter onvoldoende duidelijk gemaakt waarom de voorste bestuurder een gevaarzettende situatie heeft gecreëerd die maakt dat hij op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor de schade van de voorste bestuurder. De stelling dat de voorste bestuurder groot licht had moeten voeren of zijn alarmlichten had moeten inschakelen heeft de achterste bestuurder tegenover de gemotiveerde betwisting door de WAM-verzekeraar niet nader onderbouwd. Van belang daarbij is bovendien dat de voorste bestuurder tijdig zijn auto tot stilstand heeft kunnen brengen, wat de achterste bestuurder niet heeft gedaan. Schade die daardoor is ontstaan komt voor zijn eigen rekening. Van deze bestuurder had namelijk mogen worden verwacht dat hij op onverwachte situaties bedacht was en daarop tijdig anticipeerde. De conclusie is dat de voorste bestuurder niet onrechtmatig jegens de achterste bestuurder heeft gehandeld. De WAM-verzekeraar is daarom niet schadeplichtig. De kantonrechter zal de verzoeken afwijzen. 08-01-2026
- Rechtbank Den Haag De werknemer is in dienst getreden bij een uitzendbedrijf op basis van een uitzendovereenkomst. Het uitzendbedrijf heeft een overeenkomst gesloten met een bemiddelingsbedrijf die bemiddelt tussen toeleveranciers en afnemers ter zake de inkoop van producten en diensten. Op grond van deze overeenkomst is de werknemer tewerkgesteld bij een groothandel als schoonmaker, Deze groothandel had een overeenkomst met een schoonmaakbedrijf, bij de groothandel werkten werknemers van dit schoonmaakbedrijf en van het uitzendbureau. Tijdens de uitoefeningen van zijn schoonmaakwerkzaamheden heeft de werknemer een arbeidsongeval gehad. Hij heeft zijn hoofd gestoten tegen de constructie van de machine terwijl hij onder de lopende band doorging. In de hoofdzaak vordert de werknemer dat het uitzendbedrijf en de groothandel aansprakelijk zijn voor de schade. In de vrijwaringszaak vordert het uitzendbedrijf dat de groothandel en het schoonmaakbedrijf aansprakelijk zijn voor de schade. In de andere vrijwaringszaak vordert de groothandel dat het schoonmaakbedrijf aansprakelijk is voor de schade. De vraag die in de hoofdzaak centraal staat is of het uitzendbureau (als formeel werkgever) en de groothandel (als materieel werkgever) hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de schade die de werknemer stelt te hebben geleden en stelt nog te zullen lijden. De Hoge Raad heeft in het arrest Davelaar/Allspan uitgewerkt wanneer een niet-werkgever, zoals de groothandel, op grond van artikel 7:658 lid 4 BW aansprakelijk is. De kantonrechter overweegt als volgt. Vast staat dat de installaties die de werknemer moest schoonmaken, alsmede de hogedrukslangen waarmee hij dit moest doen, van de groothandel zijn. Voorts staat vast dat de werknemer deze schoonmaakwerkzaamheden op de bedrijfslocatie van het de groothandel uitvoerde. Ter zitting is gebleken dat de groothandel zelf de veiligheidsvoorschriften ten aanzien van het uitvoeren van de schoonmaakwerkzaamheden opstelde en deze aan het uitzendbedrijf doorstuurde en dat dit bedrijf deze vervolgens aan de uitzendkrachten verstrekte. Hieruit volgt dat de groothandel, al dan niet indirect, (mede) zeggenschap had over de veiligheid van de uit te voeren schoonmaakwerkzaamheden. Dat zij het toezicht op en de zeggenschap over de uitvoering van de schoonmaakwerkzaamheden contractueel bij het schoonmaakbedrijf had neergelegd, laat onverlet de invloed die de groothandel (ook) had op de werkomstandigheden van de werknemer en de daaraan verbonden veiligheidsrisico’s. Dat de groothandel de uitvoering van de schoonmaakwerkzaamheden heeft uitbesteed, is weliswaar een begrijpelijke bedrijfsmatige keuze, maar leidt naar het oordeel van de kantonrechter niet tot de conclusie dat deze werkzaamheden niet tot de bedrijfsvoering behoren. Verder acht de kantonrechter van belang dat de schoonmaakwerkzaamheden ten behoeve van het primaire verwerkingsproces bij de groothandel dagelijks moeten plaatsvinden. Naar het oordeel van de kantonrechter kunnen de schoonmaakwerkzaamheden gelet op het voorgaande dan ook worden aangemerkt als werkzaamheden die vallen onder artikel 7:658 lid 4 BW. De kantonrechter oordeelt daarnaast dat er sprake is van een arbeidsongeval en dat de toedracht vaststaat. Nu zowel het uitzendbureau als de groothandel niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij aan hun zorgplicht hebben voldaan zijn zij jegens de man aansprakelijk. In de vrijwaringszaken wordt geoordeeld dat het schoonmaakbedrijf – in de contractuele relatie tot het uitzendbureau – verantwoordelijk was voor de veiligheidsinstructies op de werkvloer en hiermee in de onderlinge verhouding 100% draagplichtig is voor de schade. Ook oordeelt de kantonrechter dat het schoonmaakbedrijf in verhouding tot de groothandel 100% draagplichtig is. De kantonrechter veroordeelt het schoonmaakbedrijf om aan de groothandel datgene te betalen wat zij aan de werknemer moet betalen. 07-01-2026
- Rechtbank Midden-Nederland Medische aansprakelijkheid. In het tussenvonnis van 9 april 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat uit het rapport van deskundigen, dat als uitgangspunt moet dienen bij de beoordeling van het handelen van het ziekenhuis omdat er geen zwaarwegende bezwaren tegen bestaan, volgt dat de hulpverleners van het ziekenhuis niet hebben gehandeld zoals van redelijk handelende en redelijk bekwame hulpverleners mocht worden verwacht bij de behandeling van de patiënt. Daardoor is sprake van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst van opdracht (art. 6:74 BW) dan wel een onrechtmatige gedraging (art. 6:162 BW). Vervolgens heeft de rechtbank vastgesteld dat aan de patiënt de kans ontnomen is dat in 2015 vastgesteld kon worden dat de tumor kwaadaardig was. Dat nu niet kan worden vastgesteld of de tumor kwaadaardig was, is het gevolg van de fouten die het ziekenhuis heeft gemaakt en daardoor bestaat nu onzekerheid over de causaliteit. De rechtbank heeft daarom aanleiding gezien om voorshands aan te nemen dat de tumor al kwaadaardig was in 2015 en 2016 en heeft het ziekenhuis toegelaten tegenbewijs te leveren tegen dit voorshands oordeel. De rechtbank oordeelt dat het ziekenhuis geen tegenbewijs heeft geleverd tegen het rapport van de deskundigen, in ieder geval heeft zij geen punten aangevoerd waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven. Daarnaast zou volgens het ziekenhuis een in mammacarcinoom gespecialiseerde oncologisch chirurg, een radioloog gespecialiseerd in de mammaradiologie en een patholoog gespecialiseerd in de mammapathologie benoemd moeten worden om het vereiste tegenbewijs te kunnen leveren. De rechtbank volgt het ziekenhuis daarin niet omdat het aan het ziekenhuis is om tegenbewijs te leveren tegen het voorshands oordeel dat de tumor al kwaadaardig was. En het is niet aan de rechtbank om een deskundige te benoemen om (mogelijk) het bewijs te kunnen leveren, dat door het ziekenhuis geleverd moet worden. De conclusie is dat [gedaagde] niet het bewijs heeft geleverd dat de tumor van [B] nog niet kwaadaardig was bij de controles in 2015 en 2016 en het voorshands oordeel dus niet heeft kunnen ontzenuwen. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat de tumor kwaadaardig was en dat het ziekenhuis aansprakelijk is voor de schade. Dit betekent dat de gevraagde verklaring voor recht dat sprake is van aansprakelijkheid aan de kant van het ziekenhuis wordt gegeven en dat de daaruit voortvloeiende materiële en immateriële (overlijdens)schade, wordt toegewezen. De verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt ook toegewezen. 31-12-2025
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant Er heeft op een parkeerterrein een ongeval plaatsgevonden tussen een personenauto en een motor. Hierbij is schade ontstaan en heeft de motorrijder verwondingen opgelopen. Vast staat dat voorafgaande aan de botsing door de BMW en een drietal motorrijders, voor langere tijd, stunts als driften en wheelies op het parkeerterrein plaatsvonden. Bij de vraag of de bestuurder van de BMW tegen de motorrijder onrechtmatig heeft gehandeld dient bij de invulling van de Kelderluik-criteria gekeken worden naar de sport-en-spelsituatie. De motorrijder heeft onvoldoende onderbouwd gesteld waaruit het onrechtmatig handelen van de BMW-bestuurder bestaat gezien de sport-en-spelsituatie waar sprake van was. Uit de te algemene stelling dat de bestuurder aan het driften was volgt naar het oordeel van de rechtbank nog geen aansprakelijkheid. Daarnaast is het onrechtmatig handelen aan de kant van de bestuurder ook niet uit de vaststaande feiten af te leiden omdat de relevante toedracht van het ongeval onduidelijk is gebleven. Dit betekent dat de vordering dient te worden afgewezen. 10-12-2025
- Rechtbank Amsterdam Op 7 januari 2024 rond 1:40 uur heeft een ongeval plaatsgevonden tussen de bestuurder van een personenauto en de fatbiker. De fatbiker reed vanuit westelijke richting in oostelijke richting op het fietspad, terwijl de bestuurder in noordelijke richting reed. Beiden reden de kruising op en kwamen daar met elkaar in botsing, waarbij schade ontstond aan zowel de auto als de elektrische fiets. Aangezien de bestuurder als gemotoriseerde verkeersdeelnemer schadevergoeding vordert van de fatbiker als ongemotoriseerde verkeersdeelnemer moet de vordering van de bestuurder worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:162 BW en de reflexwerking van artikel 185 WVW. Vast staat dat ten tijde van het ongeval de bestuurder op een plek reed waar dat niet was toegestaan, er gold een inrijverbod. Ten tijde van het ongeval waren er ook geen verkeerslichten voor het autoverkeer op de kruising. Gelet op het ontbreken van een verkeerslicht voor motorvoertuigen geldt dat de bestuurder voorrang had moeten verlenen aan al het verkeer op de kruising. Door niet alleen het inrijverbod te negeren maar ook geen voorrang te verlenen aan de fatbiker heeft de bestuurder een ernstige verkeersfout gemaakt die in elk geval mede het ongeval heeft veroorzaakt. Hieruit volgt dat geen sprake is van overmacht aan de kant van de bestuurder en dat in elk geval een deel van de schade van voor zijn eigen rekening blijft. De bestuurder is er niet in geslaagd om bewijs te leveren dat de fatbiker door rood is gereden en dat er om die reden een andere causaliteitsverdeling dient te worden gemaakt. Daarnaast oordeelt de kantonrechter dat er sprake is van een schending van artikel 21 Rv. Ten eerste heeft de bestuurder in de dagvaarding verzwegen dat hij zelf een verkeersfout heeft gemaakt en hij heeft over de situatie ter plekke een onjuist beeld geschetst. Daarbij heeft de bestuurder, zoals hij op de zitting heeft toegegeven, ook de situatieschets gewijzigd door daar gegevens aan toe te voegen aan het formulier dat is opgemaakt tijdens de aanrijding. Daarnaast is kantonrechter is van oordeel dat de handtekening van de fatbiker op het aanrijdingsformulier, zoals de bestuurder dat heeft overgelegd, niet van de fatbiker afkomstig is. Gelet op de omvang en de ernst van de schendingen van de waarheidsplicht door de bestuurder, welke schendingen bovendien betrekking hebben op gegevens die essentieel zijn voor de beoordeling van het geschil, is de gevolgtrekking die de kantonrechter daaruit maakt dat de bestuurder niet wordt toegelaten tot bewijslevering van zijn stelling dat de fatbiker door rood is gefietst. De vordering van de bestuurder wordt afgewezen. 31-10-2025