Naar boven ↑

Update

Nummer 29, 2026
Uitspraken van 28 juli 2026 tot 24 augustus 2026
Redactie: Mr. H. Vorsselman, mr. drs. I. van der Zalm, mr. Y. Bosschaart en J. Stulp.

Geachte heer/mevrouw,

Hierbij treft u de eerste PS Updates aan die na de vakantieperiode verschijnt. 

Rechtspraak
Omdat er tijdens de vakantieperiode relatief veel rechtspraak is verschenen, is ervoor gekozen om in deze nieuwsbrief meer uitspraken uit te lichten dan gebruikelijk. Vanaf volgende week verschijnt de nieuwsbrief weer in de gebruikelijke omvang. In deze nieuwsbrief hebben wij een selectie opgenomen van de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken, die te raadplegen zijn via de hyperlinks onder aan deze nieuwsbrief. De nieuwsbrief bevat een selectie van de uitspraken die afgelopen vier weken zijn gepubliceerd. 

Hof. Samenwerking met belangenbehartiger door verzekeraar op goede gronden beëindigd maar registraties voldoen niet aan de voorwaarden.
Een verzekeraar weigert om verder nog letselschadezaken af te handelen met drie letselschadebureaus en hun bestuurders met wie zij geen zaken meer wil doen. Het hof is van oordeel dat de verzekeraar de samenwerking met de letselschadebureaus met goede redenen heeft kunnen opzeggen. In beroep wordt – omwille van het beoordelen van de vordering tot proceskostenveroordeling – ook een oordeel gegeven over de door de verzekeraar opgenomen registraties in verschillende interne en externe registers. Het voorlopige oordeel van hof is dat door de verzekeraar onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat voor het registreren in het Incidentenregister en het EVR aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan. Het ontbreken van kwaliteit in de belangenbehartiging is onvoldoende en niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van zodanige feiten en omstandigheden dat zij als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaringen in de zin van artikel 350 Sv kunnen dragen, dan wel een zwaardere verdenking van een vermoeden van schuld kunnen opleveren. De opname van de in deze procedure betrokken letselschadeondernemingen in de Gebeurtenissenadministratie en het IVR kunnen volgens het hof wel in stand blijven. Dat geldt niet voor de twee in de procedure betrokken natuurlijke personen. Deze registraties voldoen niet aan de daarvoor geldende voorwaarden. Het hof gebiedt de verzekeraar om deze registraties binnen drie dagen na het wijzen van het arrest te verwijderen en verwijderd te houden. (PS 2026-0343)

Hof. Smartengeld op basis van Rotterdamse schaal en Aanbevelingen rechtspraak: € 231.250. 
Strafrecht. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door het slachtoffer met een hamer tegen het gezicht of hoofd te slaan. Het slachtoffer heeft zeer fors letsel opgelopen. Het hof gaat bij het bepalen van het smartengeld concreet uit van de Rotterdamse schaal (RS) en heeft acht geslagen op de Aanbevelingen van de rechtspraak. Aangezien er bij het slachtoffer sprake is van meervoudig letsel, wordt conform voornoemde Aanbeveling 5 eerst uitgegaan van het zwaarste letsel, dat volledig meetelt, waarna het in ernst tweede letsel voor 50% meetelt. Als zwaarste letsel neemt het hof in aanmerking dat de benadeelde partij lijdt aan hersenletsel. Dit valt in de RS als middelzwaar hersenletsel waarin een bandbreedte van € 105.000 tot € 150.000 wordt genoemd. Er zijn daarnaast ook elementen aan te wijzen die vallen onder ernstig hersenletsel te weten dat de benadeelde partij sterk afhankelijk is van anderen en sprake is van een duidelijke aantasting in het intellect en de persoonlijkheid. In deze categorie wordt een bandbreedte van € 150.000 tot € 195.000 genoemd. Omdat bij de benadeelde partij sprake is van elementen uit beide categorieën, zal het hof hiervan het gemiddelde nemen en de schade naar billijkheid bepalen op € 172.500. Als tweede letsel in ernst neemt het hof in aanmerking dat de benadeelde partij een Le Fort-fractuur heeft opgelopen. Hierin ziet het hof aanleiding om, gelet op het bepaalde in de RS, een bedrag van € 25.000 als uitgangspunt te nemen. Tot slot ziet het hof aanleiding om, vanwege de uiterst verwijtbare gedragingen van de verdachte, een opslag van 25% toe te passen. Het voorgaande resulteert in een bedrag van € 231.250. Nu daarnaast bij het slachtoffer sprake is van diverse andere letsels, acht het hof het gehele door het slachtoffer gevorderde bedrag van € 234.733 billijk. (PS 2026-0347)

Hof. Ongeval tijdens wielrentocht: sport en spel.
In 2020 is een vrouw ten val gekomen tijdens een fietstocht toen zij tegen het achterwiel van een andere fietster in het clubje aanfietste. Zij heeft hierbij onder meer een gebroken bekken en heupletsel opgelopen. De gevolgen van het ongeval hebben een diepe impact op het (gezins)leven van de vrouw. De vrouw heeft de andere fietster aansprakelijk gesteld voor haar schade als gevolg van het ongeval. De rechtbank heeft de verzoeken van de vrouw afgewezen. Het hof bekrachtigt de deelgeschilbeschikking. Tussen partijen staat vast dat het ongeval heeft plaatsgevonden tijdens het wielrennen waarbij de deelnemers op racefietsen zaten, fietskleding en helmen droegen, en met een snelheid van 25-27 km/uur achter elkaar reden met een geringe onderlinge afstand waarbij zij wisselend op kop reden. Naar het oordeel van het hof brengt deze algehele wijze van fietsen, geschiedend met de genoemde gemiddelde snelheid van 25-27 km/uur, mee dat dit fietsen niet is te zien als louter recreatief van aard, maar als een activiteit met een sportief karakter. Daarbij kan in het midden blijven of het rijden met een gemiddelde snelheid van ‘25 tot 27 km/uur’ heeft te gelden als rijden met een aanzienlijke snelheid. Dat het competitieve element ontbrak, zoals de vrouw heeft gesteld, doet er naar het oordeel van het hof niet aan af dat er sprake was van een sport- en spelsituatie. Het hof acht voor dit oordeel voorts van belang dat de deelnemers aan de fietstocht onderling afspraken hebben gemaakt over hoe zij zich op de weg zouden gedragen. De tweede grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat bij toepassing van de verhoogde aansprakelijkheidsdrempel de fietster niet onrechtmatig jegens de vrouw heeft gehandeld. De vrouw stelt dat de andere fietster in de gegeven omstandigheden onnodig gevaarlijk en onzorgvuldig heeft gehandeld nu zij zonder voldoende kenbare waarschuwing plotseling linksaf is geslagen. Het hof verwerpt ook deze grief. De andere fietster heeft overeenkomstig de tussen de deelnemers gemaakte afspraken gehandeld. De derde grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat voldoende vast staat dat de fietster, die niet in de gaten had dat de overige fietsers achter haar aan de linkerkant van de weg waren gaan fietsen, in de veronderstelling verkeerde dat de fietsers nog in een lint achter haar fietsten en zij veilig linksaf kon slaan. Deze derde en laatste grief wordt ook verworpen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat in deze zaak sprake is geweest van een toevallige samenloop van omstandigheden zonder toerekenbare fout, met helaas ernstig letsel tot gevolg. (PS 2026-0366)

Rechtbank. Eigen schuld (50%) onderwerp in deelgeschil: toch toekenning 100% van kosten. 
Een vrouw heeft tijdens het trainen met haar personal trainer een dumbbell op haar gezicht en borst gekregen waardoor zij ernstig letsel heeft opgelopen. Aansprakelijkheid is door (de verzekeraar van) de sportschool erkend. In deze procedure is (alleen) de vraag aan de orde of sprake is van eigen schuld van de vrouw in de zin van artikel 6:101 BW. De sportschool stelt zich op het standpunt dat het ongeval het gevolg is van de eigen fout van de vrouw (eigen schuld) en de schadevergoedingsplicht van de sportschool daardoor is beperkt tot 50%. De rechtbank is het met de sportschool eens dat de vrouw eigen schuld heeft aan het ongeval. De rechtbank is daarom van oordeel dat de omstandigheid dat de vrouw door haar handelen zelf heeft bijgedragen aan haar letsel reden is om de schadevergoedingsplicht van de sportschool te verminderen op grond van artikel 6:101 lid 1 BW. De rechtbank acht de beperking van de schadevergoedingsplicht tot 50% niet onredelijk. De vrouw heeft zich nog op het standpunt gesteld dat, voor zover de rechtbank tot het oordeel komt dat sprake is van enige mate van eigen schuld, de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 lid 1 BW meebrengt dat geen vermindering van de schadevergoedingsplicht kan plaatsvinden. De vrouw heeft het beroep op de billijkheidscorrectie onvoldoende onderbouwd. De rechtbank wijkt af van het uitgangspunt dat eigen schuld ook wordt toegepast op de kosten van het deelgeschil nu het percentage eigen schuld nu juist inzet van deze procedure is. De kosten dienen volledig vergoed te worden door de sportschool. (PS 2026-0346)

Rechtbank. Eigenares niet-aangelijnde hond aansprakelijk voor val fietser.
Deelgeschil. In 2025 is een fietser ten val gekomen toen hij schrok en hard moest remmen door het plotselinge oversteken van een niet-aangelijnde hond. Hierdoor heeft de man letsel opgelopen. De rechtbank overweegt dat uit de WhatsAppberichten tussen partijen blijkt dat de eigen, onberekenbare gedraging van de hond, namelijk het plotselinge oversteken van het fietspad, direct heeft geleid tot de val van de man. De vrouw, als eigenares van de hond, draagt hiervan het risico. Dat er geen daadwerkelijk contact is geweest tussen de fietser en de hond doet daaraan niets af. Op grond van vaste rechtspraak is het in een deelgeschilprocedure niet noodzakelijk dat duidelijk wordt wat de exacte plaats van het ongeval is, de snelheid waarmee de man fietste en de staat van (de remmen van) de fiets van de man. De door de man verzochte verklaring voor recht wordt toegewezen. De rechtbank constateert dat partijen op het punt van eigen schuld diametraal tegenover elkaar staan. Voor het beroep op eigen schuld is gelet op deze tegenstrijdige standpunten nadere bewijslevering nodig. Voor nadere bewijslevering is echter geen plaats, omdat dit buiten het bestek van de deelgeschilprocedure valt. Tegen deze achtergrond wordt het tegenverzoek van de vrouw afgewezen. Wel geeft de rechtbank partijen mee dat zij in het verdere onderhandelingstraject kunnen proberen (ook) op dit punt overeenstemming te bereiken of, zo nodig, daarover te procederen in een bodemprocedure, waarin wel ruimte is voor nadere bewijslevering. Nu op dit moment nog volstrekt onduidelijk is of er sprake is van eigen schuld aan de zijde van de fietser en, zo ja, in welke mate, is het niet aangewezen om op voorhand al een voorschot op de door hem geleden schade vast te stellen en de vrouw te veroordelen tot betaling daarvan. Om die reden wordt het door de fietser verzochte voorschot op de schade van € 15.000 afgewezen. (PS 2026-0348)

Rechtbank. Provincie wel aansprakelijk jegens slachtoffer, niet jegens zijn werkgever.
Regres. In 2023 is een man ten val gekomen toen hij op zijn speedpedelec van werk naar zijn woning reed. Hij heeft door het ongeval ernstig letsel opgelopen. De werkgever van de man heeft gedurende 104 weken het loon van de man doorbetaald. De werkgever is niet verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid van zijn werknemers. Op 7 november 2023 heeft de aansprakelijkheidsverzekering van de Provincie richting de man haar aansprakelijkheid erkend vanwege de gebrekkige opstal op grond van artikel 6:174 BW. De Provincie heeft op 4 juli 2025 de aansprakelijkheid richting de werkgever van de hand gewezen. De Provincie wijst erop dat de werkgever vanwege het bepaalde in artikel 6:197 BW geen beroep toekomt op artikel 6:174 BW en dus ook geen rechten kan ontlenen aan de erkenning van aansprakelijkheid op grond van dit artikel richting de werknemer. De Provincie betwist ook onrechtmatig te hebben gehandeld tegenover de werknemer doordat zij haar zorgplicht als wegbeheerder heeft geschonden door gevaarzetting. De rechtbank overweegt dat de werkgever zich niet kan beroepen op artikel 6:174 BW. De rechtbank gaat de Kelderluik-criteria langs en komt tot de conclusie dat voldoende vaststaat dat de gebreken zich pas kort voor het ongeval hebben openbaard en dat de Provincie aan haar zorgplicht heeft voldaan door het fietspad regelmatig te schouwen, ook kort voor het ongeval. Het gevaar was daarom niet kenbaar voor de Provincie, noch had dit de Provincie kenbaar moeten zijn. De vordering wordt afgewezen. (PS 2026-0357)

Rechtbank. Ziekenhuis heeft ernstig verwijtbaar gehandeld door meermaals na te laten patiënt op de hoogte te stellen van Hepatitis-C diagnose: € 180.000 aan smartengeld.
Deelgeschil. In 1997 heeft een bloedonderzoek (vanwege aanwezige hemofilie) bij een man geleid tot een positieve hepatitis C-uitslag. Deze uitslag is vervolgens niet gedeeld met de man of zijn huisarts, ook niet toen hij in 2002 op consult is geweest bij de polikliniek hematologie. In 2006 is deze diagnose opnieuw in het dossier opgemerkt. De betrokken hematoloog heeft de man daarom per telefoon proberen te bereiken en hem per brief laten oproepen voor een consult op de polikliniek. Voor zover de man deze brief heeft ontvangen, heeft hij aan deze oproep geen gehoor gegeven. In 2023 is bij hem de diagnose leverkanker gesteld. Thans is de man uitbehandeld. Bij het indienen van zijn verzoekschrift had hij nog een levensverwachting van naar schatting zes tot twaalf maanden. Een door beide partijen benoemde deskundige acht de kans erg groot dat als de man in de tijdsperiode gelegen tussen 1997 en 2016 zou zijn behandeld voor de hepatitis C-infectie, hij daarvan genezen zou zijn. Het ziekenhuis heeft aansprakelijkheid erkend en heeft in totaal een bedrag van € 160.000 aan voorschotten betaald, alsmede een bedrag van € 26.524,74 aan buitengerechtelijke kosten. De man vordert nu nog aanvullend € 125.000. Dit bedrag moet volgens de man worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 januari 1997, omdat dit het moment was dat de normschending plaatsvond. De rechtbank overweegt dat het verwijt ernstig is. In de zaak zijn meerdere momenten aan te wijzen dat het ziekenhuis nalatig is geweest de man in kennis te stellen van de uitslag. De rechtbank ziet geen aanleiding om bij de vaststelling van de hoogte van het smartengeld rekening te houden met het feit dat de man in de periode tot 2015 zou zijn behandeld met medicatie met bijwerkingen. Dat compenseert immers niet het leed dat hij moet doorstaan als gevolg van het feit dat hij in 2023 leverkanker heeft ontwikkeld, met de gevolgen van dien die de smartengeldvergoeding billijken. Bovendien is hem daarmee ook de kans ontnomen om met behulp van deze mediatie te genezen. De rechtbank slaat acht op vergelijkbare zaken en de Rotterdamse schaal. De rechtbank acht toepassing van de zwaarste categorie, namelijk ‘dodelijke verwondingen’ het meest passend, nu de normschending door het ziekenhuis met het ontstaan van het carcinoom uiteindelijk tot dodelijk letsel heeft geleid. Ten aanzien van het prijspeil en de wettelijke rente gaat de rechtbank uit van 1 januari 2023 als ‘peildatum’. Het ziekenhuis heeft immers onweersproken gesteld dat op dat moment het carcinoom is ontstaan, wat heeft geleid tot de fysieke en psychische klachten die de smartengeldvergoeding billijken. Weliswaar ligt de schadeveroorzakende gebeurtenis veel verder in het verleden, maar dat maakt nog niet dat de vordering waar het in deze procedure – met name – om gaat op dat moment al opeisbaar was, waarbij de rechtbank van oordeel is dat de schadevergoeding ten aanzien van de ongeneselijke ziekte het zwaartepunt van de vordering vormt, afgezet tegen de schadecomponent voor het niet communiceren van de hepatitis C-uitslag als zodanig. De rechtbank acht niet aannemelijk dat een schadevergoeding van deze omvang als toekomstige schade zou zijn toegekend als vóór het ontstaan van het carcinoom de fout van het ziekenhuis al zou zijn ontdekt (en behandeling op dat moment nog mogelijk was geweest). Alles overwegend stelt de rechtbank de totale verplichting tot smartengeldvergoeding vast op een bedrag van € 180.000, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 januari 2023 en wijst deze toe onder aftrek van het schadebedrag dat het ziekenhuis al heeft vergoed. (PS 2026-0359)

Rechtbank. Geen aanleiding om in deze zaak af te wijken van het uitgangspunt dat vanaf 1 november 2025 de nieuwe IWMD-vraagstelling wordt toegepast.
Deelgeschil. In 2022 is een automobilist aangereden toen hij met zijn auto stilstond voor een rood verkeerslicht. De WAM-verzekeraar van de andere auto heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend. De automobilist stelt dat hij als gevolg van het ongeval blijvende fysieke en mentale klachten heeft ontwikkeld, onder meer bestaande uit hoofdpijn, nekpijn, rugpijn en herbelevingen. Partijen zijn in het kader van de schadeafwikkeling in onderhandeling geweest over de noodzaak van het laten verrichten van een neurologische en neuropsychologische expertise. De WAM-verzekeraar stelt zich op het standpunt dat bij een neurologische expertise de IWMD-vraagstelling uit 2025 moet worden gehanteerd. De automobilist wil dat de oude IWMD-vraagstelling wordt gehanteerd. De rechtbank overweegt dat de nieuwe vraagstelling tot stand is gekomen onder leiding van De Letselschade Raad, een onafhankelijke organisatie, waarin alle partijen vertegenwoordigd zijn die bij de behandeling van letselschadezaken betrokken zijn. De Letselschade Raad is daarbij niet over één nacht ijs gegaan. Integendeel, de nieuwe vraagstelling is tot stand gekomen na een intensief proces van zes jaar, waarin de vorige versie van de vraagstelling is geëvalueerd en vervolgens is gereviseerd. Die evaluatie heeft branchebreed plaatsgevonden. Daar komt nog bij dat de nieuwe vraagstelling aansluit bij de NVMSR Richtlijn voor medisch specialistische rapportage in bestuurs- en civielrechtelijk verband 2024. Naar verwachting van De Letselschade Raad is de nieuwe vraagstelling daarmee beter afgestemd op de wensen en behoeften van zowel medici als juristen werkend binnen het medisch traject bij letselschadezaken. Gelet op dit alles geldt als uitgangspunt dat vanaf 1 november 2025 de nieuwe IWMD-vraagstelling wordt toegepast. Er bestaat geen aanleiding om daar in dit specifieke geval van af te wijken. (PS 2026-0360)

Literatuur
A.M. Overheul, annotatie JA bij: ‘Hoge Raad 2 juni 2026, nr. 24/00192, ECLI:NL:HR:2026:822’, JA 2026/91. 

T. Riyazi, annotatie JA bij: ‘Rechtbank Noord-Nederland zp Assen, 27 mei 2026, nr. C/19/149413/HA ZA 24-155, ECLI:NL:RBNNE:2026:2184’, JA 2026/96. 

L.T. Visscher, ‘Creatief met aansprakelijkheidsrecht’, AV&S 2026/18. 

M. Loman, ‘De reflexwerking van kwalitatieve aansprakelijkheid: noodzakelijke aanvulling of overbodige constructie?’, AV&S 2026/19. 

E.W. Bosch, ‘Verlies van verdienvermogen: een (on)zekere situatie of een verloren kans?’, AV&S 2026/21. 

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps-updates@boom.nl.

Met vriendelijke groet,

Ilona van der Zalm & Armin Vorsselman
hoofdredacteuren PS Updates

Hof

Rechtbank

Antillen