Update
Geachte heer/mevrouw,
Hierbij treft u de eerste PS Updates aan die na de vakantieperiode verschijnt.
Rechtspraak
Omdat er tijdens de vakantieperiode relatief veel rechtspraak is verschenen, is ervoor gekozen om in deze nieuwsbrief meer uitspraken uit te lichten dan gebruikelijk. Vanaf volgende week verschijnt de nieuwsbrief weer in de gebruikelijke omvang. In deze nieuwsbrief hebben wij een selectie opgenomen van de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken, die te raadplegen zijn via de hyperlinks onder aan deze nieuwsbrief. De nieuwsbrief bevat een selectie van de uitspraken die afgelopen vier weken zijn gepubliceerd.
Hof. Samenwerking met belangenbehartiger door verzekeraar op goede gronden beëindigd maar registraties voldoen niet aan de voorwaarden.
Een verzekeraar weigert om verder nog letselschadezaken af te handelen met drie letselschadebureaus en hun bestuurders met wie zij geen zaken meer wil doen. Het hof is van oordeel dat de verzekeraar de samenwerking met de letselschadebureaus met goede redenen heeft kunnen opzeggen. In beroep wordt – omwille van het beoordelen van de vordering tot proceskostenveroordeling – ook een oordeel gegeven over de door de verzekeraar opgenomen registraties in verschillende interne en externe registers. Het voorlopige oordeel van hof is dat door de verzekeraar onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat voor het registreren in het Incidentenregister en het EVR aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan. Het ontbreken van kwaliteit in de belangenbehartiging is onvoldoende en niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van zodanige feiten en omstandigheden dat zij als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaringen in de zin van artikel 350 Sv kunnen dragen, dan wel een zwaardere verdenking van een vermoeden van schuld kunnen opleveren. De opname van de in deze procedure betrokken letselschadeondernemingen in de Gebeurtenissenadministratie en het IVR kunnen volgens het hof wel in stand blijven. Dat geldt niet voor de twee in de procedure betrokken natuurlijke personen. Deze registraties voldoen niet aan de daarvoor geldende voorwaarden. Het hof gebiedt de verzekeraar om deze registraties binnen drie dagen na het wijzen van het arrest te verwijderen en verwijderd te houden. (PS 2026-0343)
Hof. Smartengeld op basis van Rotterdamse schaal en Aanbevelingen rechtspraak: € 231.250.
Strafrecht. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door het slachtoffer met een hamer tegen het gezicht of hoofd te slaan. Het slachtoffer heeft zeer fors letsel opgelopen. Het hof gaat bij het bepalen van het smartengeld concreet uit van de Rotterdamse schaal (RS) en heeft acht geslagen op de Aanbevelingen van de rechtspraak. Aangezien er bij het slachtoffer sprake is van meervoudig letsel, wordt conform voornoemde Aanbeveling 5 eerst uitgegaan van het zwaarste letsel, dat volledig meetelt, waarna het in ernst tweede letsel voor 50% meetelt. Als zwaarste letsel neemt het hof in aanmerking dat de benadeelde partij lijdt aan hersenletsel. Dit valt in de RS als middelzwaar hersenletsel waarin een bandbreedte van € 105.000 tot € 150.000 wordt genoemd. Er zijn daarnaast ook elementen aan te wijzen die vallen onder ernstig hersenletsel te weten dat de benadeelde partij sterk afhankelijk is van anderen en sprake is van een duidelijke aantasting in het intellect en de persoonlijkheid. In deze categorie wordt een bandbreedte van € 150.000 tot € 195.000 genoemd. Omdat bij de benadeelde partij sprake is van elementen uit beide categorieën, zal het hof hiervan het gemiddelde nemen en de schade naar billijkheid bepalen op € 172.500. Als tweede letsel in ernst neemt het hof in aanmerking dat de benadeelde partij een Le Fort-fractuur heeft opgelopen. Hierin ziet het hof aanleiding om, gelet op het bepaalde in de RS, een bedrag van € 25.000 als uitgangspunt te nemen. Tot slot ziet het hof aanleiding om, vanwege de uiterst verwijtbare gedragingen van de verdachte, een opslag van 25% toe te passen. Het voorgaande resulteert in een bedrag van € 231.250. Nu daarnaast bij het slachtoffer sprake is van diverse andere letsels, acht het hof het gehele door het slachtoffer gevorderde bedrag van € 234.733 billijk. (PS 2026-0347)
Hof. Ongeval tijdens wielrentocht: sport en spel.
In 2020 is een vrouw ten val gekomen tijdens een fietstocht toen zij tegen het achterwiel van een andere fietster in het clubje aanfietste. Zij heeft hierbij onder meer een gebroken bekken en heupletsel opgelopen. De gevolgen van het ongeval hebben een diepe impact op het (gezins)leven van de vrouw. De vrouw heeft de andere fietster aansprakelijk gesteld voor haar schade als gevolg van het ongeval. De rechtbank heeft de verzoeken van de vrouw afgewezen. Het hof bekrachtigt de deelgeschilbeschikking. Tussen partijen staat vast dat het ongeval heeft plaatsgevonden tijdens het wielrennen waarbij de deelnemers op racefietsen zaten, fietskleding en helmen droegen, en met een snelheid van 25-27 km/uur achter elkaar reden met een geringe onderlinge afstand waarbij zij wisselend op kop reden. Naar het oordeel van het hof brengt deze algehele wijze van fietsen, geschiedend met de genoemde gemiddelde snelheid van 25-27 km/uur, mee dat dit fietsen niet is te zien als louter recreatief van aard, maar als een activiteit met een sportief karakter. Daarbij kan in het midden blijven of het rijden met een gemiddelde snelheid van ‘25 tot 27 km/uur’ heeft te gelden als rijden met een aanzienlijke snelheid. Dat het competitieve element ontbrak, zoals de vrouw heeft gesteld, doet er naar het oordeel van het hof niet aan af dat er sprake was van een sport- en spelsituatie. Het hof acht voor dit oordeel voorts van belang dat de deelnemers aan de fietstocht onderling afspraken hebben gemaakt over hoe zij zich op de weg zouden gedragen. De tweede grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat bij toepassing van de verhoogde aansprakelijkheidsdrempel de fietster niet onrechtmatig jegens de vrouw heeft gehandeld. De vrouw stelt dat de andere fietster in de gegeven omstandigheden onnodig gevaarlijk en onzorgvuldig heeft gehandeld nu zij zonder voldoende kenbare waarschuwing plotseling linksaf is geslagen. Het hof verwerpt ook deze grief. De andere fietster heeft overeenkomstig de tussen de deelnemers gemaakte afspraken gehandeld. De derde grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat voldoende vast staat dat de fietster, die niet in de gaten had dat de overige fietsers achter haar aan de linkerkant van de weg waren gaan fietsen, in de veronderstelling verkeerde dat de fietsers nog in een lint achter haar fietsten en zij veilig linksaf kon slaan. Deze derde en laatste grief wordt ook verworpen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat in deze zaak sprake is geweest van een toevallige samenloop van omstandigheden zonder toerekenbare fout, met helaas ernstig letsel tot gevolg. (PS 2026-0366)
Rechtbank. Eigen schuld (50%) onderwerp in deelgeschil: toch toekenning 100% van kosten.
Een vrouw heeft tijdens het trainen met haar personal trainer een dumbbell op haar gezicht en borst gekregen waardoor zij ernstig letsel heeft opgelopen. Aansprakelijkheid is door (de verzekeraar van) de sportschool erkend. In deze procedure is (alleen) de vraag aan de orde of sprake is van eigen schuld van de vrouw in de zin van artikel 6:101 BW. De sportschool stelt zich op het standpunt dat het ongeval het gevolg is van de eigen fout van de vrouw (eigen schuld) en de schadevergoedingsplicht van de sportschool daardoor is beperkt tot 50%. De rechtbank is het met de sportschool eens dat de vrouw eigen schuld heeft aan het ongeval. De rechtbank is daarom van oordeel dat de omstandigheid dat de vrouw door haar handelen zelf heeft bijgedragen aan haar letsel reden is om de schadevergoedingsplicht van de sportschool te verminderen op grond van artikel 6:101 lid 1 BW. De rechtbank acht de beperking van de schadevergoedingsplicht tot 50% niet onredelijk. De vrouw heeft zich nog op het standpunt gesteld dat, voor zover de rechtbank tot het oordeel komt dat sprake is van enige mate van eigen schuld, de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 lid 1 BW meebrengt dat geen vermindering van de schadevergoedingsplicht kan plaatsvinden. De vrouw heeft het beroep op de billijkheidscorrectie onvoldoende onderbouwd. De rechtbank wijkt af van het uitgangspunt dat eigen schuld ook wordt toegepast op de kosten van het deelgeschil nu het percentage eigen schuld nu juist inzet van deze procedure is. De kosten dienen volledig vergoed te worden door de sportschool. (PS 2026-0346)
Rechtbank. Eigenares niet-aangelijnde hond aansprakelijk voor val fietser.
Deelgeschil. In 2025 is een fietser ten val gekomen toen hij schrok en hard moest remmen door het plotselinge oversteken van een niet-aangelijnde hond. Hierdoor heeft de man letsel opgelopen. De rechtbank overweegt dat uit de WhatsAppberichten tussen partijen blijkt dat de eigen, onberekenbare gedraging van de hond, namelijk het plotselinge oversteken van het fietspad, direct heeft geleid tot de val van de man. De vrouw, als eigenares van de hond, draagt hiervan het risico. Dat er geen daadwerkelijk contact is geweest tussen de fietser en de hond doet daaraan niets af. Op grond van vaste rechtspraak is het in een deelgeschilprocedure niet noodzakelijk dat duidelijk wordt wat de exacte plaats van het ongeval is, de snelheid waarmee de man fietste en de staat van (de remmen van) de fiets van de man. De door de man verzochte verklaring voor recht wordt toegewezen. De rechtbank constateert dat partijen op het punt van eigen schuld diametraal tegenover elkaar staan. Voor het beroep op eigen schuld is gelet op deze tegenstrijdige standpunten nadere bewijslevering nodig. Voor nadere bewijslevering is echter geen plaats, omdat dit buiten het bestek van de deelgeschilprocedure valt. Tegen deze achtergrond wordt het tegenverzoek van de vrouw afgewezen. Wel geeft de rechtbank partijen mee dat zij in het verdere onderhandelingstraject kunnen proberen (ook) op dit punt overeenstemming te bereiken of, zo nodig, daarover te procederen in een bodemprocedure, waarin wel ruimte is voor nadere bewijslevering. Nu op dit moment nog volstrekt onduidelijk is of er sprake is van eigen schuld aan de zijde van de fietser en, zo ja, in welke mate, is het niet aangewezen om op voorhand al een voorschot op de door hem geleden schade vast te stellen en de vrouw te veroordelen tot betaling daarvan. Om die reden wordt het door de fietser verzochte voorschot op de schade van € 15.000 afgewezen. (PS 2026-0348)
Rechtbank. Provincie wel aansprakelijk jegens slachtoffer, niet jegens zijn werkgever.
Regres. In 2023 is een man ten val gekomen toen hij op zijn speedpedelec van werk naar zijn woning reed. Hij heeft door het ongeval ernstig letsel opgelopen. De werkgever van de man heeft gedurende 104 weken het loon van de man doorbetaald. De werkgever is niet verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid van zijn werknemers. Op 7 november 2023 heeft de aansprakelijkheidsverzekering van de Provincie richting de man haar aansprakelijkheid erkend vanwege de gebrekkige opstal op grond van artikel 6:174 BW. De Provincie heeft op 4 juli 2025 de aansprakelijkheid richting de werkgever van de hand gewezen. De Provincie wijst erop dat de werkgever vanwege het bepaalde in artikel 6:197 BW geen beroep toekomt op artikel 6:174 BW en dus ook geen rechten kan ontlenen aan de erkenning van aansprakelijkheid op grond van dit artikel richting de werknemer. De Provincie betwist ook onrechtmatig te hebben gehandeld tegenover de werknemer doordat zij haar zorgplicht als wegbeheerder heeft geschonden door gevaarzetting. De rechtbank overweegt dat de werkgever zich niet kan beroepen op artikel 6:174 BW. De rechtbank gaat de Kelderluik-criteria langs en komt tot de conclusie dat voldoende vaststaat dat de gebreken zich pas kort voor het ongeval hebben openbaard en dat de Provincie aan haar zorgplicht heeft voldaan door het fietspad regelmatig te schouwen, ook kort voor het ongeval. Het gevaar was daarom niet kenbaar voor de Provincie, noch had dit de Provincie kenbaar moeten zijn. De vordering wordt afgewezen. (PS 2026-0357)
Rechtbank. Ziekenhuis heeft ernstig verwijtbaar gehandeld door meermaals na te laten patiënt op de hoogte te stellen van Hepatitis-C diagnose: € 180.000 aan smartengeld.
Deelgeschil. In 1997 heeft een bloedonderzoek (vanwege aanwezige hemofilie) bij een man geleid tot een positieve hepatitis C-uitslag. Deze uitslag is vervolgens niet gedeeld met de man of zijn huisarts, ook niet toen hij in 2002 op consult is geweest bij de polikliniek hematologie. In 2006 is deze diagnose opnieuw in het dossier opgemerkt. De betrokken hematoloog heeft de man daarom per telefoon proberen te bereiken en hem per brief laten oproepen voor een consult op de polikliniek. Voor zover de man deze brief heeft ontvangen, heeft hij aan deze oproep geen gehoor gegeven. In 2023 is bij hem de diagnose leverkanker gesteld. Thans is de man uitbehandeld. Bij het indienen van zijn verzoekschrift had hij nog een levensverwachting van naar schatting zes tot twaalf maanden. Een door beide partijen benoemde deskundige acht de kans erg groot dat als de man in de tijdsperiode gelegen tussen 1997 en 2016 zou zijn behandeld voor de hepatitis C-infectie, hij daarvan genezen zou zijn. Het ziekenhuis heeft aansprakelijkheid erkend en heeft in totaal een bedrag van € 160.000 aan voorschotten betaald, alsmede een bedrag van € 26.524,74 aan buitengerechtelijke kosten. De man vordert nu nog aanvullend € 125.000. Dit bedrag moet volgens de man worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 januari 1997, omdat dit het moment was dat de normschending plaatsvond. De rechtbank overweegt dat het verwijt ernstig is. In de zaak zijn meerdere momenten aan te wijzen dat het ziekenhuis nalatig is geweest de man in kennis te stellen van de uitslag. De rechtbank ziet geen aanleiding om bij de vaststelling van de hoogte van het smartengeld rekening te houden met het feit dat de man in de periode tot 2015 zou zijn behandeld met medicatie met bijwerkingen. Dat compenseert immers niet het leed dat hij moet doorstaan als gevolg van het feit dat hij in 2023 leverkanker heeft ontwikkeld, met de gevolgen van dien die de smartengeldvergoeding billijken. Bovendien is hem daarmee ook de kans ontnomen om met behulp van deze mediatie te genezen. De rechtbank slaat acht op vergelijkbare zaken en de Rotterdamse schaal. De rechtbank acht toepassing van de zwaarste categorie, namelijk ‘dodelijke verwondingen’ het meest passend, nu de normschending door het ziekenhuis met het ontstaan van het carcinoom uiteindelijk tot dodelijk letsel heeft geleid. Ten aanzien van het prijspeil en de wettelijke rente gaat de rechtbank uit van 1 januari 2023 als ‘peildatum’. Het ziekenhuis heeft immers onweersproken gesteld dat op dat moment het carcinoom is ontstaan, wat heeft geleid tot de fysieke en psychische klachten die de smartengeldvergoeding billijken. Weliswaar ligt de schadeveroorzakende gebeurtenis veel verder in het verleden, maar dat maakt nog niet dat de vordering waar het in deze procedure – met name – om gaat op dat moment al opeisbaar was, waarbij de rechtbank van oordeel is dat de schadevergoeding ten aanzien van de ongeneselijke ziekte het zwaartepunt van de vordering vormt, afgezet tegen de schadecomponent voor het niet communiceren van de hepatitis C-uitslag als zodanig. De rechtbank acht niet aannemelijk dat een schadevergoeding van deze omvang als toekomstige schade zou zijn toegekend als vóór het ontstaan van het carcinoom de fout van het ziekenhuis al zou zijn ontdekt (en behandeling op dat moment nog mogelijk was geweest). Alles overwegend stelt de rechtbank de totale verplichting tot smartengeldvergoeding vast op een bedrag van € 180.000, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 januari 2023 en wijst deze toe onder aftrek van het schadebedrag dat het ziekenhuis al heeft vergoed. (PS 2026-0359)
Rechtbank. Geen aanleiding om in deze zaak af te wijken van het uitgangspunt dat vanaf 1 november 2025 de nieuwe IWMD-vraagstelling wordt toegepast.
Deelgeschil. In 2022 is een automobilist aangereden toen hij met zijn auto stilstond voor een rood verkeerslicht. De WAM-verzekeraar van de andere auto heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend. De automobilist stelt dat hij als gevolg van het ongeval blijvende fysieke en mentale klachten heeft ontwikkeld, onder meer bestaande uit hoofdpijn, nekpijn, rugpijn en herbelevingen. Partijen zijn in het kader van de schadeafwikkeling in onderhandeling geweest over de noodzaak van het laten verrichten van een neurologische en neuropsychologische expertise. De WAM-verzekeraar stelt zich op het standpunt dat bij een neurologische expertise de IWMD-vraagstelling uit 2025 moet worden gehanteerd. De automobilist wil dat de oude IWMD-vraagstelling wordt gehanteerd. De rechtbank overweegt dat de nieuwe vraagstelling tot stand is gekomen onder leiding van De Letselschade Raad, een onafhankelijke organisatie, waarin alle partijen vertegenwoordigd zijn die bij de behandeling van letselschadezaken betrokken zijn. De Letselschade Raad is daarbij niet over één nacht ijs gegaan. Integendeel, de nieuwe vraagstelling is tot stand gekomen na een intensief proces van zes jaar, waarin de vorige versie van de vraagstelling is geëvalueerd en vervolgens is gereviseerd. Die evaluatie heeft branchebreed plaatsgevonden. Daar komt nog bij dat de nieuwe vraagstelling aansluit bij de NVMSR Richtlijn voor medisch specialistische rapportage in bestuurs- en civielrechtelijk verband 2024. Naar verwachting van De Letselschade Raad is de nieuwe vraagstelling daarmee beter afgestemd op de wensen en behoeften van zowel medici als juristen werkend binnen het medisch traject bij letselschadezaken. Gelet op dit alles geldt als uitgangspunt dat vanaf 1 november 2025 de nieuwe IWMD-vraagstelling wordt toegepast. Er bestaat geen aanleiding om daar in dit specifieke geval van af te wijken. (PS 2026-0360)
Literatuur
A.M. Overheul, annotatie JA bij: ‘Hoge Raad 2 juni 2026, nr. 24/00192, ECLI:NL:HR:2026:822’, JA 2026/91.
T. Riyazi, annotatie JA bij: ‘Rechtbank Noord-Nederland zp Assen, 27 mei 2026, nr. C/19/149413/HA ZA 24-155, ECLI:NL:RBNNE:2026:2184’, JA 2026/96.
L.T. Visscher, ‘Creatief met aansprakelijkheidsrecht’, AV&S 2026/18.
M. Loman, ‘De reflexwerking van kwalitatieve aansprakelijkheid: noodzakelijke aanvulling of overbodige constructie?’, AV&S 2026/19.
E.W. Bosch, ‘Verlies van verdienvermogen: een (on)zekere situatie of een verloren kans?’, AV&S 2026/21.
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps-updates@boom.nl.
Met vriendelijke groet,
Ilona van der Zalm & Armin Vorsselman
hoofdredacteuren PS Updates
Hof
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch Een patiënt is in de periode van december 2019 tot en met januari 2020 in het ziekenhuis opgenomen geweest in verband met de gevolgen van een eenzijdig auto-ongeval eind december 2019. Het ziekenhuis heeft de onrustige patiënt met pols- en enkelbanden op bed gefixeerd. De patiënt wijt zijn latere klachten aan zijn onderbenen aan deze fixatie. De patiënt stelt het ziekenhuis aansprakelijk. De rechtbank heeft de vordering van de patiënt in eerste aanleg afgewezen. Niet is gebleken dat de pijnklachten van de patiënt aan zijn onderbenen door de fixatie zijn veroorzaakt en ook niet dat het ziekenhuis bij de fixatie een fout heeft gemaakt. Het hof bekrachtigt de uitspraak van de rechtbank. Ook de vermeerdering van eis wordt beoordeeld en niet toegewezen. Er is geen sprake van het ontbreken van informed consent en ook geen gebrek in de verslaglegging. Het hof concludeert dat het ziekenhuis niet aansprakelijk is voor de schade van de patiënt en oordeelt dat bij deze stand van zaken ook geen benoeming van een deskundigen of getuigenverhoor gaat plaatsvinden. 04-08-2026
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden In 2022 heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen twee personenauto’s. Een van de auto’s is hierbij total loss geraakt. De bestuurster heeft vergoeding van haar schade, bestaande uit schade aan het voertuig en de expertisekosten, gevorderd. De wederpartij heeft geweigerd die schade te vergoeden, waarna zij hem heeft gedagvaard voor de kantonrechter. Die heeft de vorderingen van de vrouw afgewezen. Het hof laat het vonnis van de kantonrechter in stand. Het hof overweegt dat de vrouw eraan voorbijgaat dat het enkele feit dat een achteropaanrijding plaatsvindt, niet steeds het gevolg hoeft te zijn van een overtreding van de in artikel 19 RVV 1990 neergelegde regel. Indien immers een voor een auto rijdend voertuig een volkomen onverwachte manoeuvre uitvoert of een niet te verwachten beweging maakt (zoals plotseling sterk remmen) kan dat worden beschouwd als de oorzaak van de aanrijding. Anders dan de vrouw heeft aangevoerd rust op de wederpartij dus niet zonder meer de bewijslast van zijn stelling dat hij wél voldoende afstand heeft gehouden. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad ligt de bewijslast bij degene die zich op de rechtsgevolgen van bepaalde feiten beroept. Dat is niet anders bij aanrijdingen zoals hier aan de orde. Het zal van de omstandigheden van het geval afhangen of van deze hoofdregel kan of moet worden afgeweken. Dit is hier niet het geval. De vrouw heeft voorts aangevoerd dat de wederpartij onder invloed van alcohol verkeerde ten tijde van het ongeval. Zij beroept zich hierbij op het proces-verbaal van de politie. Deze passage is onvoldoende duidelijk om vast te stellen dat sprake is van overtreding van artikel 8 WVW, zoals zij betoogt. Het enkele feit dat vermeld wordt dat sprake is van ‘onder invloed van alcohol’ is niet voldoende om daaruit zo’n conclusie te trekken, omdat geen vervolgonderzoek is uitgevoerd en de uitslag (P, A of F) niet is vermeld. De vrouw vermeldt verder ook niets over concrete omstandigheden die daar verder zicht op zouden geven. De vrouw heeft nog een bewijsaanbod gedaan, maar dat is zo algemeen dat het hof daaraan voorbijgaat. Van haar had in hoger beroep mogen worden verwacht dat zij dit behoorlijk zou specificeren. Dat heeft zij nagelaten. 04-08-2026
- Gerechtshof Amsterdam Strafrecht. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door het slachtoffer met een hamer tegen het gezicht of hoofd te slaan. Het slachtoffer heeft zeer fors letsel opgelopen. Het hof gaat bij het bepalen van het smartengeld concreet uit van de Rotterdamse schaal (RS) en heeft acht geslagen op de Aanbevelingen van de rechtspraak. Aangezien er bij het slachtoffer sprake is van meervoudig letsel, wordt conform voornoemde Aanbeveling 5 eerst uitgegaan van het zwaarste letsel, dat volledig meetelt, waarna het in ernst tweede letsel voor 50% meetelt. Als zwaarste letsel neemt het hof in aanmerking dat de benadeelde partij lijdt aan hersenletsel. Dit valt in de RS als middelzwaar hersenletsel waarin een bandbreedte van € 105.000 tot € 150.000 wordt genoemd. Er zijn daarnaast ook elementen aan te wijzen die vallen onder ernstig hersenletsel te weten dat de benadeelde partij sterk afhankelijk is van anderen en sprake is van een duidelijke aantasting in het intellect en de persoonlijkheid. In deze categorie wordt een bandbreedte van € 150.000 tot € 195.000 genoemd. Omdat bij de benadeelde partij sprake is van elementen uit beide categorieën, zal het hof hiervan het gemiddelde nemen en de schade naar billijkheid bepalen op € 172.500. Als tweede letsel in ernst neemt het hof in aanmerking dat de benadeelde partij een Le Fort-fractuur heeft opgelopen. Hierin ziet het hof aanleiding om, gelet op het bepaalde in de RS, een bedrag van € 25.000 als uitgangspunt te nemen. Tot slot ziet het hof aanleiding om, vanwege de uiterst verwijtbare gedragingen van de verdachte, een opslag van 25% toe te passen. Het voorgaande resulteert in een bedrag van € 231.250. Nu daarnaast bij het slachtoffer sprake is van diverse andere letsels, acht het hof het gehele door het slachtoffer gevorderde bedrag van € 234.733 billijk. 29-07-2026
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Een verzekeraar weigert om verder nog letselschadezaken af te handelen met drie letselschadebureaus en hun bestuurders met wie zij geen zaken meer wil doen. Het hof is van oordeel dat de verzekeraar de samenwerking met de letselschadebureaus met goede redenen heeft kunnen opzeggen. In beroep wordt – omwille van het beoordelen van de vordering tot proceskostenveroordeling – ook een oordeel gegeven over de door de verzekeraar opgenomen registraties in verschillende interne en externe registers. Het voorlopige oordeel van hof is dat door de verzekeraar onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat voor het registreren in het Incidentenregister en het EVR aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan. Het ontbreken van kwaliteit in de belangenbehartiging is onvoldoende en niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van zodanige feiten en omstandigheden dat zij als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaringen in de zin van artikel 350 Sv kunnen dragen, dan wel een zwaardere verdenking van een vermoeden van schuld kunnen opleveren. De opname van de in deze procedure betrokken letselschadeondernemingen in de Gebeurtenissenadministratie en het IVR kunnen volgens het hof wel in stand blijven. Dat geldt niet voor de twee in de procedure betrokken natuurlijke personen. Deze registraties voldoen niet aan de daarvoor geldende voorwaarden. Het hof gebiedt de verzekeraar om deze registraties binnen drie dagen na het wijzen van het arrest te verwijderen en verwijderd te houden. 28-07-2026
- Gerechtshof Den Haag De werknemer stelt dat hij tijdens zijn werkzaamheden als glaszetter te zware glasplaten alleen heeft moeten tillen als gevolg waarvan hij een rughernia heeft opgelopen. Hij vordert daarom een verklaring voor recht dat zijn werkgever aansprakelijk is voor de daardoor door hem geleden schade. De werknemer moet in deze procedure de mogelijkheid van schade aannemelijk maken om zo van de mogelijkheid uit artikel 612 Rv gebruik te maken. Vast staat dat de werknemer geen inkomensschade heeft geleden, omdat de werkgever gedurende de gehele periode van zijn arbeidsongeschiktheid 100% van zijn loon heeft doorbetaald. Inmiddels is de werknemer weer volledig aan het werk. De werknemer heeft niet gesteld, noch onderbouwd, dat hij andere schade heeft geleden. Het hof is van oordeel dat de werknemer hiermee onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij enige schade heeft geleden. Daarnaast is het hof van oordeel dat gelet op het beoordelingskader van de omkeringsregel het door de werknemer gestelde verband tussen het tillen van de glasplaten en zijn rugklachten te onzeker is om een geslaagd beroep te kunnen doen op de omkeringsregel. Het hof is van oordeel dat de werknemer onvoldoende heeft gesteld om aansprakelijkheid van de werkgever aan te nemen, zodat geen verwijzing naar de schadestaatprocedure kan volgen. Dit betekent dat de vorderingen terecht zijn afgewezen en het hoger beroep niet slaagt. 09-06-2026
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch In 2020 is een vrouw ten val gekomen tijdens een fietstocht toen zij tegen het achterwiel van een andere fietster in het clubje aanfietste. Zij heeft hierbij onder meer een gebroken bekken en heupletsel opgelopen. De gevolgen van het ongeval hebben een diepe impact op het (gezins)leven van de vrouw. De vrouw heeft de andere fietster aansprakelijk gesteld voor haar schade als gevolg van het ongeval. De rechtbank heeft de verzoeken van de vrouw afgewezen. Het hof bekrachtigt de deelgeschilbeschikking. Tussen partijen staat vast dat het ongeval heeft plaatsgevonden tijdens het wielrennen waarbij de deelnemers op racefietsen zaten, fietskleding en helmen droegen, en met een snelheid van 25-27 km/uur achter elkaar reden met een geringe onderlinge afstand waarbij zij wisselend op kop reden. Naar het oordeel van het hof brengt deze algehele wijze van fietsen, geschiedend met de genoemde gemiddelde snelheid van 25-27 km/uur, mee dat dit fietsen niet is te zien als louter recreatief van aard, maar als een activiteit met een sportief karakter. Daarbij kan in het midden blijven of het rijden met een gemiddelde snelheid van ‘25 tot 27 km/uur’ heeft te gelden als rijden met een aanzienlijke snelheid. Dat het competitieve element ontbrak, zoals de vrouw heeft gesteld, doet er naar het oordeel van het hof niet aan af dat er sprake was van een sport- en spelsituatie. Het hof acht voor dit oordeel voorts van belang dat de deelnemers aan de fietstocht onderling afspraken hebben gemaakt over hoe zij zich op de weg zouden gedragen. De tweede grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat bij toepassing van de verhoogde aansprakelijkheidsdrempel de fietster niet onrechtmatig jegens de vrouw heeft gehandeld. De vrouw stelt dat de andere fietster in de gegeven omstandigheden onnodig gevaarlijk en onzorgvuldig heeft gehandeld nu zij zonder voldoende kenbare waarschuwing plotseling linksaf is geslagen. Het hof verwerpt ook deze grief. De andere fietster heeft overeenkomstig de tussen de deelnemers gemaakte afspraken gehandeld. De derde grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat voldoende vast staat dat de fietster, die niet in de gaten had dat de overige fietsers achter haar aan de linkerkant van de weg waren gaan fietsen, in de veronderstelling verkeerde dat de fietsers nog in een lint achter haar fietsten en zij veilig linksaf kon slaan. Deze derde en laatste grief wordt ook verworpen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat in deze zaak sprake is geweest van een toevallige samenloop van omstandigheden zonder toerekenbare fout, met helaas ernstig letsel tot gevolg. 02-12-2025
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch In 2014 heeft een psychotische man een politieagent bedreigd en meermaals met een wapen richting hem geschoten. De politieagent heeft aangifte gedaan tegen de man. Na dit incident merkte de politieagent psychische klachten op, die in ernst zijn toegenomen. In 2018 heeft de politieagent zich volledig ziek gemeld. Hij is toen ook gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Bij brief van zijn advocaat van 11 november 2019 heeft de politieagent de man aansprakelijk gesteld voor de door hem als gevolg van het schietincident geleden en nog te lijden schade en daarbij te kennen gegeven dat de man deze brief uitdrukkelijk diende op te vatten als een stuitingshandeling in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW. Bij de rechtbank is de man wel verschenen in de procedure, maar de man heeft, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet (tijdig) een conclusie van antwoord genomen, waarna het recht om te antwoorden is vervallen, zo volgt uit het bestreden vonnis. Het door de politieagent gevorderde is vervolgens in het bestreden vonnis toegewezen. De man is in hoger beroep gegaan. De grief omtrent de verjaring slaagt niet. De brief van 11 november 2019 is tijdig op het adres van de man aangeboden. Dat hij destijds was opgenomen in Mondriaan, dat hijzelf het betreffende ontvangstbewijs niet kon ondertekenen en dat daarom een ander dan hijzelf heeft getekend voor ontvangst zijn persoonlijke omstandigheden waarvan de man het nadeel dient te dragen als een tot hem gerichte wilsverklaring hem daardoor niet bereikt. De verjaringstermijn is dus tijdig gestuit en de vordering is dus niet verjaard. De grief omtrent de medische en juridische causaliteit is wel (deels) gegrond. Het hof ziet aanleiding om de politieagent te gelasten om alle beschikbare medische informatie in het geding te brengen, met de beperking dat het de politieagent zal zijn toegestaan om diens privéadres in de over te leggen stukken weg te lakken. Verder ziet het hof aanleiding om een mondelinge behandeling te gelasten om met partijen nader van gedachten te kunnen wisselen over de inhoudelijke merites van de zaak, in welk verband partijen eventueel aan het hof nadere inlichtingen zullen kunnen verstrekken, het beproeven van een minnelijke regeling en, als niet tot een minnelijke regeling kan worden gekomen, het bespreken met partijen van de meest geëigende verdere procesgang, waaronder de waarschijnlijkheid dat dan een of meer deskundigen zullen moeten worden ingeschakeld en de waarschijnlijkheid dat de kosten daarvan voorshands voor rekening van de man zullen komen. Het hof houdt iedere verdere beslissing aan. 11-11-2025
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch Appellant en geïntimeerde hebben enkele jaren naast elkaar gewoond. Op 20 maart 2021 heeft er zich een incident voorgedaan tussen partijen. Hierbij hebben partijen een woordenwisseling met elkaar gehad en is er geduwd en geslagen. De appellant heeft hierdoor letsel opgelopen. De eerste drie grieven in het principaal hoger beroep richten zich met name tegen de overwegingen van de rechtbank dat de appellant zich in de tweede fase van de confrontatie tussen partijen had moeten onttrekken aan het geweld van geïntimeerde. De vierde grief is gericht tegen de overweging dat er geen condicio sine qua non-verband is tussen het letsel en het onrechtmatig handelen van geïntimeerde. Bij de beoordeling stelt het hof voorop dat op de appellant de stelplicht en bewijslast rust. Naar het oordeel van het hof volgt uit de navolgende bewijsmiddelen dat de appellant de door hem gestelde feiten heeft bewezen. De vraag die vervolgens voorligt, is of de geïntimeerde aansprakelijk is voor het letsel dat de appellant heeft opgelopen. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Door de appellant aan te vallen op de vastgestelde wijze, heeft de geïntimeerde jegens hem onrechtmatig gehandeld. Het hof is voorts van oordeel dat zonder het onrechtmatig handelen van de geïntimeerde het handletsel bij de appellant niet zou zijn ontstaan. Er is dan ook voldaan aan het condicio sine qua non-verband. Voorts staat deze schade in een zodanig verband met de gebeurtenis, zijnde de aanvallen van de geïntimeerde, dat deze schade aan de geïntimeerde als gevolg van zijn handelingen kan worden toegerekend. Dat bij deze aanvallen van de geïntimeerde letsel zou kunnen ontstaan bij de appellant, is een te verwachten gevolg, ook als dat gebeurt als gevolg van een verdediging met gebruik van enig geweld. De grieven in het principaal hoger beroep slagen in die zin dat de vorderingen van de appellant alsnog kunnen worden toegewezen. De grieven in het incidenteel hoger beroep worden door het hof verworpen. 30-09-2025
Rechtbank
- Rechtbank Noord-Nederland Strafrecht. De verdachte heeft zich in de periode 2007-2013 schuldig gemaakt aan het seksueel misbruiken van zijn tweelingzusjes die toen tussen de zes en twaalf jaar oud waren. Na het plegen van de hands-on delicten is verdachte vervolgens in de periode van 2017-2025 doorgegaan met het plegen van hands-off delicten. Ook nu heeft hij binnen zijn familie een slachtoffer gemaakt door het vervaardigen, verspreiden en bezitten van kinderporno van zijn destijds driejarige nichtje. In deze periode heeft hij ook ruim 2500 kinderpornografische afbeeldingen in zijn bezit gehad, waaronder van zijn destijds minderjarige ex-vriendin. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van zeven jaar en tbs met dwangverpleging. De tweelingzusjes hebben zich gevoegd als benadeelde partijen. De rechtbank overweegt dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelden zo voor de hand liggen dat sprake is van een persoonsaantasting. Bovendien is voldoende aannemelijk gemaakt dat de benadeelde partijen psychische schade hebben geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het seksueel misbruik. Ze zijn immers in hun ouderlijk huis, een plek waar zij zich veilig horen te voelen, op zeer jonge leeftijd jarenlang seksueel misbruikt door hun broer. Gelet op de ernst, duur, frequentie en locatie van de inbreuk op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partijen en de gevolgen die deze inbreuk voor de zusjes heeft gehad, gaat de rechtbank uit van de bovengrens van categorie A (meest ernstig) van de Rotterdamse schaal, te weten € 32.000. Gelet op de zeer jeugdige leeftijd waarop de benadeelde partijen het langdurig misbruik hebben moeten ondergaan acht de rechtbank een verhoging van voornoemd bedrag met 25%, overeenkomstig aanbeveling 2 van de Rotterdamse schaal, passend. Beide zusjes krijgen dus € 40.000 aan immateriële schadevergoeding toegekend. 13-08-2026
- Rechtbank Gelderland Een laborante stelt dat zij in 2014 en in 2017 in de uitoefening van haar werkzaamheden letsel heeft opgelopen. Hierbij zijn schouderklachten ontstaan dan wel verergerd, met blijvend letsel (gedeeltelijke supraspinatus ruptuur in 2014 en een volledige supraspinatus ruptuur in 2017) tot gevolg. Zij stelt dat haar werkgever op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de als gevolg van de ongevallen geleden en nog te lijden schade omdat de werkgever zijn zorgplicht heeft geschonden. De vrouw stelt dat zij bij beide ongevallen boven haar macht moest tillen en niet of onvoldoende werd bijgestaan door een andere laborant. Ook waren er volgens haar onvoldoende hulpmiddelen aanwezig en hield de werkgever onvoldoende toezicht op de naleving van de verplichting om hulpmiddelen te gebruiken. De werkgever en zijn aansprakelijkheidsverzekeraar voeren verweer. Primair wordt betwist dat de vrouw schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden. Subsidiair stellen zij dat van een zorgplichtschending geen sprake is geweest. Voor zover van een zorgplichtschending wel sprake is geweest, stellen zij dat aannemelijk is dat de pre-existente klachten en de mogelijke oorzaken gelegen in de privésfeer van de vrouw zo overheersend zijn, dat eventuele aansprakelijkheid op grond van artikel 6:101 BW komt te vervallen. De kantonrechter is van oordeel dat de werkgever niet aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 BW. Hoewel naar zijn oordeel voldoende vaststaat dat de vrouw (enige) schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden, is namelijk onvoldoende gebleken dat de werkgever de op hem rustende zorgplicht heeft geschonden. In de gegeven omstandigheden heeft de werkgever alle maatregelen genomen die redelijkerwijs van hem verwacht mochten worden. De vorderingen van de vrouw worden afgewezen. 31-07-2026
- Rechtbank Midden-Nederland In 2018 is een vrouw betrokken geraakt bij een verkeersongeval. De verzekeraar van de tegenpartij heeft aansprakelijkheid erkend. De vrouw verzoekt de rechtbank om een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig deskundigenonderzoek te gelasten. De verzekeraar verzoekt om eerst een aanvullend neurochirurgisch onderzoek te gelasten. De rechtbank is het met de verzekeraar eens dat er eerst een aanvullend neurochirurgisch onderzoek dient plaats te vinden. Anders dan de verzekeraar is de rechtbank van mening dat een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek niet prematuur is. Het eerdere neurochirurgische rapport geeft voldoende aanleiding om aan te nemen dat er in ieder geval voor een deel een causaal verband bestaat tussen de klachten van de vrouw en het ongeval. Partijen zijn het eens geworden over de deskundigen. Omdat de verzekeraar de aansprakelijkheid heeft erkend, zal hij de kosten van het voorschot van de deskundigen voldoen. De rechtbank wijst daarnaast het inzageverzoek van de verzekeraar toe. De vrouw moet onder andere haar ongeschoonde huisartsenjournaal verstrekken. 29-07-2026
- Rechtbank Midden-Nederland Deelgeschil. In 2025 is een fietser ten val gekomen toen hij schrok en hard moest remmen door het plotselinge oversteken van een niet-aangelijnde hond. Hierdoor heeft de man letsel opgelopen. De rechtbank overweegt dat uit de WhatsAppberichten tussen partijen blijkt dat de eigen, onberekenbare gedraging van de hond, namelijk het plotselinge oversteken van het fietspad, direct heeft geleid tot de val van de man. De vrouw, als eigenares van de hond, draagt hiervan het risico. Dat er geen daadwerkelijk contact is geweest tussen de fietser en de hond doet daaraan niets af. Op grond van vaste rechtspraak is het in een deelgeschilprocedure niet noodzakelijk dat duidelijk wordt wat de exacte plaats van het ongeval is, de snelheid waarmee de man fietste en de staat van (de remmen van) de fiets van de man. De door de man verzochte verklaring voor recht wordt toegewezen. De rechtbank constateert dat partijen op het punt van eigen schuld diametraal tegenover elkaar staan. Voor het beroep op eigen schuld is gelet op deze tegenstrijdige standpunten nadere bewijslevering nodig. Voor nadere bewijslevering is echter geen plaats, omdat dit buiten het bestek van de deelgeschilprocedure valt. Tegen deze achtergrond wordt het tegenverzoek van de vrouw afgewezen. Wel geeft de rechtbank partijen mee dat zij in het verdere onderhandelingstraject kunnen proberen (ook) op dit punt overeenstemming te bereiken of, zo nodig, daarover te procederen in een bodemprocedure, waarin wel ruimte is voor nadere bewijslevering. Nu op dit moment nog volstrekt onduidelijk is of er sprake is van eigen schuld aan de zijde van de fietser en, zo ja, in welke mate, is het niet aangewezen om op voorhand al een voorschot op de door hem geleden schade vast te stellen en de vrouw te veroordelen tot betaling daarvan. Om die reden wordt het door de fietser verzochte voorschot op de schade van € 15.000 afgewezen. 23-07-2026
- Rechtbank Noord-Nederland Strafrecht. Verdachte heeft zich op 17 augustus 2025 schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Hij heeft tijdens een uitgaansavond met een mes in de buik van het slachtoffer gestoken. Eerder die nacht heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan een mishandeling door een ander slachtoffer in zijn bovenbeen/bil te steken. Een slachtoffer vordert naast materiële schade € 30.000 ter vergoeding van immateriële schade. De rechtbank constateert dat alleen door acuut ingrijpen van omstanders en medische zorg het letsel van benadeelde niet dodelijk is geweest. Benadeelde heeft drie buikoperaties moeten ondergaan en heeft in totaal 22 dagen in het ziekenhuis gelegen. De prognose is dat hij blijvende gezondheidsrisico’s zal houden en dat is, gelet op zijn jonge leeftijd, bijzonder ingrijpend, nu hij de gevolgen daarvan vermoedelijk gedurende een groot deel van zijn leven zal ondervinden. Gelet op het voorgaande en rekening houdend met het strafbare feit dat in het onderhavige geval bewezen is verklaard, acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 30.000 billijk. Het tweede slachtoffer heeft vergoeding van de materiële schade gevorderd. 23-07-2026
- Rechtbank Den Haag Strafrecht. Verdachte heeft zich gedurende een periode van zes jaar schuldig gemaakt aan het seksueel misbruiken van zijn minderjarige dochter. De bijzondere curator heeft zich namens de dochter als benadeelde partij gevoegd en vordert een schadevergoeding van € 50.000 (immateriële schade). Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de dochter rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De aard en de ernst van de normschending van die feiten zijn zodanig dat de nadelige gevolgen daarvan voor haar zo voor de hand liggen dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen, ook zonder de vaststelling van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven. De rechtbank weegt in het bijzonder mee de vergaande aantasting van de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, mede gezien haar leeftijd, en de gevolgen daarvan voor haar geestelijke gezondheid naar algemene ervaringsregels en gelet op wat namens haar ter toelichting op de vordering is aangevoerd. De rechtbank sluit bij de vaststelling van dit bedrag aan bij de Rotterdamse schaal, categorie 15.2a (ontucht met binnendringen, meest ernstig), waarvoor een bedrag van € 12.500 tot € 32.000 wordt aanbevolen. In de jonge leeftijd van het slachtoffer en de mate van verwijtbaarheid van de verdachte ziet de rechtbank wel grond voor een correctie van 10%, oftewel 2 x € 3.200 bovenop het genoemde maximum. De rechtbank stelt de geleden immateriële schade derhalve naar billijkheid vast op een bedrag van € 38.400. 23-07-2026
- Rechtbank Overijssel Deze letselschadezaak gaat over de gevolgen van een ongeval dat een man op 6 november 2018 is overkomen. Er is sprake van een chronisch pijnsyndroom na een whiplashmechanisme. De verzekeraar heeft de aansprakelijkheid erkend maar betwist de omvang van de schade. Bij tussenvonnis van 27 november 2024 heeft de rechtbank een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige benoemd om de beperkingen (ten gevolge van de ongevalsgerelateerde klachten) in kaart te brengen om de omvang van de schade te kunnen vaststellen. Partijen hebben geen inhoudelijke bezwaren geuit tegen deze bevindingen en conclusies, zodat de rechtbank deze zal volgen. De rechtbank neemt daarbij tot uitgangspunt dat de FML de situatie weergeeft zoals die zich vanaf 10 mei 2023 heeft voorgedaan. Op 10 mei 2023 heeft de psychiater zijn tweede onderzoek verricht en heeft hij op grond van dat onderzoek geconcludeerd dat de in 2020 vastgestelde aanpassingsstoornis in 2023 niet langer aan de orde is. Vanaf 10 mei 2023 kan daarom een wijziging in de medische situatie worden vastgesteld. De verzekeringsarts haalt ook aan dat sinds 2023 sprake is van afname van klachten. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank ervan uitgaat dat de man vanaf 10 mei 2023 niet als arbeidsongeschikt heeft te gelden voor werk en huishoudelijke taken en dat de jaarschade voor uitval van zelfwerkzaamheid zal worden vastgesteld op € 87,15 per jaar. De rechtbank stelt vast dat in de periode van november 2018 tot 10 mei 2023 geen FML is opgesteld. De man heeft bij akte verzocht de verzekeringsarts een tweede FML te laten opstellen. De verzekeraar heeft daar bezwaar tegen gemaakt. Uit de medische rapportages volgt dat de man vóór 10 mei 2023 klachten had waaruit beperkingen voortvloeiden. De rechtbank stelt partijen in de gelegenheid zich bij akte uit te laten over het voornemen een tweede FML op te laten stellen en de arbeidsongeschiktheid voor de periode van 6 november 2018 tot 10 mei 2023 te laten beoordelen. 22-07-2026
- Rechtbank Gelderland In het tussenvonnis van 26 februari 2025 is een deskundigenonderzoek gelast. De verzekeraar acht zich niet gebonden aan het deskundigenbericht. De rechtbank overweegt dat het niet duidelijk is of de deskundige bij zijn onderzoek wel het hele procesdossier tot zijn beschikking had. Uit de opsomming van de stukken waarvan hij kennis heeft genomen, volgt dat hij niet van alle stukken in het procesdossier kennis heeft genomen. Daarnaast is niet gebleken dat de deskundige de Leidraad veilig werken op hoogte van het VNO bij de beantwoording van de vragen heeft betrokken, terwijl deze door beide partijen is genoemd in de processtukken. De rechtbank is daarom voornemens om de deskundige nadere aanvullende vragen voor te leggen. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over dit voornemen en de aan de deskundige te stellen nadere vragen. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen. 22-07-2026
- Rechtbank Midden-Nederland Een man heeft een andere man mishandeld waardoor het linkerbeen van het slachtoffer is geamputeerd. De man is hier strafrechtelijk voor veroordeeld. Het slachtoffer eist daarom een schadevergoeding van € 86.987,26 met rente. De rechtbank zal dit deels toewijzen. Dit heeft ermee te maken dat het slachtoffer zelf ook een aandeel heeft gehad in de aanloop naar de mishandeling, waardoor 70% (met toepassing van de billijkheidscorrectie) van het ontstaan van de schade aan de man toe te rekenen is en 30% aan het slachtoffer. Verder is de rechtbank van oordeel dat het slachtoffer onvoldoende heeft aangetoond dat de studievertraging het directe gevolg is geweest van de mishandeling. De totale schade die de man moet vergoeden bedraagt 70% van € 68.667,42, vermeerderd met wettelijke rente. 22-07-2026
- Rechtbank Noord-Holland Regres. In 2023 is een man ten val gekomen toen hij op zijn speedpedelec van werk naar zijn woning reed. Hij heeft door het ongeval ernstig letsel opgelopen. De werkgever van de man heeft gedurende 104 weken het loon van de man doorbetaald. De werkgever is niet verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid van zijn werknemers. Op 7 november 2023 heeft de aansprakelijkheidsverzekering van de Provincie richting de man haar aansprakelijkheid erkend vanwege de gebrekkige opstal op grond van artikel 6:174 BW. De Provincie heeft op 4 juli 2025 de aansprakelijkheid richting de werkgever van de hand gewezen. De Provincie wijst erop dat de werkgever vanwege het bepaalde in artikel 6:197 BW geen beroep toekomt op artikel 6:174 BW en dus ook geen rechten kan ontlenen aan de erkenning van aansprakelijkheid op grond van dit artikel richting de werknemer. De Provincie betwist ook onrechtmatig te hebben gehandeld tegenover de werknemer doordat zij haar zorgplicht als wegbeheerder heeft geschonden door gevaarzetting. De rechtbank overweegt dat de werkgever zich niet kan beroepen op artikel 6:174 BW. De rechtbank gaat de Kelderluik-criteria langs en komt tot de conclusie dat voldoende vaststaat dat de gebreken zich pas kort voor het ongeval hebben openbaard en dat de Provincie aan haar zorgplicht heeft voldaan door het fietspad regelmatig te schouwen, ook kort voor het ongeval. Het gevaar was daarom niet kenbaar voor de Provincie, noch had dit de Provincie kenbaar moeten zijn. De vordering wordt afgewezen. 22-07-2026
- Rechtbank Amsterdam De rechtbank is in eerdere tussenvonnissen tot de conclusie gekomen dat de eisende partij omver is gelopen door de hond van de wederpartij en niet door haar eigen hond. Op grond van artikelen 6:179 jo. 6:180 BW is de wederpartij aansprakelijk voor de schade die zij als gevolg daarvan lijdt. De rechtbank volhardt in hetgeen is overwogen en beslist in de eerdere tussenvonnissen die in deze zaak zijn gewezen, waaronder het tussenvonnis van 8 april 2026. In dat tussenvonnis heeft de rechtbank onder meer de schade definitief begroot (of afgewezen) ten aanzien van verschillende schadeonderdelen. Het totaalbedrag voor deze schadeonderdelen bedraagt € 22.539,10, waarvan gedaagden, in verband met het geslaagde beroep op eigen schuld, 60% aan eiseres moeten vergoeden. De rechtbank komt in dit tussenvonnis niet terug op eerder genomen bindende eindbeslissingen. De rechtbank gaat in dit tussenvonnis over tot een begroting van het verlies aan verdienvermogen. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat er een schending van artikel 21 Rv heeft plaatsgevonden wat gevolg heeft voor de omvang van de proceskostenveroordeling. 22-07-2026
- Rechtbank Limburg Een man is op 16 mei 1997 ten val gekomen met zijn racefiets als gevolg van een oneffenheid in het wegdek. De man heeft bij de val hersenschade opgelopen. Bij vonnis van 11 januari 2006 heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de gemeente gehouden is om aan de man 70% van de schade te vergoeden die het gevolg is geweest van het ongeval en heeft de rechtbank de gemeente veroordeeld tot het betalen van diverse bedragen. De gemeente heeft aan de veroordelingen tot betaling voldaan. In dit deelgeschil vordert de man aanvullende schade, stellende dat sprake is van inkomensschade die nog niet is meegenomen in het vonnis van 11 januari 2006. Volgens de rechtbank is tussen partijen niet in geschil is dat de rechtbank in het eindvonnis van 11 januari 2006 de geleden en toekomstige schade van de man heeft begroot, waarbij een concreet bedrag is toegewezen dat als verlies van verdienvermogen aan de man diende te worden vergoed. Daarbij is sprake van een veroordeling tot betaling van een bedrag ineens (als bedoeld in artikel 6:105 BW). Tussen partijen is niet in geschil dat in de berekening van het Nederlands Rekencentrum Letselschade, op basis waarvan de rechtbank tot de schadevaststelling is gekomen, inflatie en indexering zijn meegenomen. Het verzoek zoals dat door de man is voorgelegd ziet daarmee naar het oordeel van de rechtbank op een schadecomponent die al in het vonnis van de rechtbank Roermond van 11 januari 2006 is verdisconteerd. Daarom staat het gezag van gewijsde eraan in de weg dat de man het in 2006 voor de toekomst vastgestelde verlies van verdienvermogen opnieuw ter beoordeling voorlegt. Het verzoek van de man wordt om die reden afgewezen, waarbij de kosten van het deelgeschil worden begroot. 21-07-2026
- Rechtbank Rotterdam Kort geding. In 2021 is een werknemer slachtoffer geworden van een bedrijfsongeval tijdens het opbouwen van een steiger. De aansprakelijkheidsverzekeraar van de werkgever heeft aansprakelijkheid erkend voor de gevolgen van het ongeval. Sindsdien wordt tussen partijen onderhandeld over de uit het ongeval voortvloeiende schade. In september 2025 heeft de man een deelgeschilprocedure aanhangig gemaakt. Partijen zijn bij de mondelinge behandeling in december 2025 mediation overeengekomen. De eerste mediationbijeenkomst is kort van tevoren door de verzekeraar geannuleerd. Achteraf is gebleken dat de verzekeraar in de periode van januari tot mei 2026 een onderzoek naar de letselclaim heeft laten verrichten door een extern onderzoeksbureau. De man eist afschrift van de reeds opgemaakte rapporten, verklaringen, interne notities en/of andere vastgelegde feiten met betrekking tot het onderzoek. De verzekeraar heeft bepaalde stukken verstrekt, maar geen afschriften van interne communicatie van de verzekeraar, zoals e-mails, brieven en telefoonnotities. In het kort geding vordert de man nu dat de verzekeraar wordt veroordeeld om verschillende afschriften te verstrekken. De voorzieningenrechter gaat de verschillende vorderingen langs. De vordering omtrent een video waarin de man lopend te zien zou zijn wordt afgewezen, vanwege het professionele verschoningsrecht. Als bepaalde gegevens zich niet bij een functioneel verschoningsgerechtigde, zoals een arts, advocaat of notaris bevinden, maar bij diens patiënt of cliënt, zijn laatstgenoemden niet zonder meer gehouden inzage van de verlangde gegevens te verstrekken. Het professionele verschoningsrecht zou anders eenvoudig kunnen worden omzeild. Indien de verzekeraar inzage moet verstrekken in vertrouwelijke correspondentie met zijn advocaat doet dit afbreuk aan de rechten van de verzekeraar om zich vrijelijk tot zijn advocaat te kunnen wenden en met zijn advocaat te kunnen corresponderen en informatie te kunnen uitwisselen zonder dat een wederpartij of een derde daarin inzage krijgt. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat de verzekeraar over bepaalde documenten/gegevens beschikt. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding enige voorziening te treffen. 20-07-2026
- Rechtbank Limburg Tijdens werkzaamheden in de Ziggo Dome is een werknemer van een podium gevallen, waarbij hij zijn rechterpols heeft gebroken. De werknemer vordert een verklaring voor recht dat zijn werkgever en inlener hoofdelijk dan wel ieder afzonderlijk aansprakelijk zijn voor de door hem geleden en nog te lijden schade als gevolg van het arbeidsongeval. Daarnaast vordert de inlener dat de werkgever veroordeeld wordt de inlener te vrijwaren voor alles waartoe de inlener in de hoofdzaak jegens de werknemer mocht worden veroordeeld, althans in de mate waarin de schade op grond van artikel 6:10 BW jo. artikel 6:101 BW aan de werkgever kan worden toegerekend. Op grond van hetgeen naar voren is gebracht oordeelt de kantonrechter dat de werkgever en de inlener hebben voldaan aan de op hen rustende zorgplicht en dus niet aansprakelijk zijn voor de schade van de werknemer. In de gegeven omstandigheden waren de werkgever c.s. niet gehouden om aan alle zijden van het podium hekken te plaatsen, aldus de kantonrechter. Ook is niet aannemelijk dat andere maatregelen genomen hadden moeten worden. Van de werknemer mocht volgens de kantonrechter enige oplettendheid worden verwacht terwijl hij rondliep op het podium. Van de werkgever kan niet worden gevergd er te allen tijde op toe te zien dat de medewerkers niet zonder te kijken een stap naar achteren zetten. De vorderingen worden afgewezen. 15-07-2026
- Rechtbank Noord-Holland De gedaagde heeft een glas naar het gezicht van de eiser gegooid waardoor de eiser letsel heeft opgelopen. De gedaagde is naar aanleiding van dit incident strafrechtelijk vervolgd. Hij is veroordeeld tot een taakstraf en tot betaling van schadevergoeding van € 2.500 waarbij het slachtoffer voor het overige niet-ontvankelijk is verklaard. De eiser heeft geen hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing. Door de gedaagde is aan een deel van de veroordeling voldaan. De eiser vordert een verklaring voor recht dat de gedaagde aansprakelijk is voor de schade die hij heeft geleden en nog zal lijden door de mishandeling. Daarnaast vordert het slachtoffer een veroordeling tot betaling van het bedrag dat na de strafrechtelijke veroordeling nog niet is betaald en een voorschot op de aanvullende schade. De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van een onrechtmatige daad en veroordeelt de gedaagde tot het betalen van het bedrag dat na de strafrechtelijke veroordeling nog niet is voldaan vermeerderd met de wettelijke rente. De rechtbank acht geen grond aanwezig voor het toewijzen van een nader voorschot, maar verwijst de zaak naar de schadestaatprocedure. Omdat de gedaagde na ruim drie jaar rauwelijks is gedagvaard ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren. 15-07-2026
- Rechtbank Gelderland In 2020 zijn twee mannen met elkaar slaags geraakt in een woning. Volgens de eisende partij is sprake van een onrechtmatige daad van de gedaagde partij, omdat de gedaagde partij hem heeft mishandeld. De gedaagde partij betwist de aansprakelijkheid en de schade en beroept zich op noodweer(exces) en uitlokking. Hij heeft ook een tegenvordering ingesteld tegen de eisende partij. Volgens de gedaagde partij heeft hij materiële en immateriële schade geleden omdat de eisende partij hem heeft mishandeld. De eisende partij betwist de aansprakelijkheid en de schade en beroept zich ook op noodweer(exces) en eigen schuld. De rechtbank wijst alle vorderingen af. Beide partijen hebben onrechtmatig tegenover elkaar gehandeld, maar voor beide partijen geldt dat de vorderingen tot schadevergoeding niet toewijsbaar zijn, wegens gebrek aan onderbouwing van het causaal verband en/of het bestaan en/of de omvang van de gestelde schade. 15-07-2026
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant Deelgeschil. Een man is in 2019 gewond geraakt bij een eenzijdig verkeersongeval toen hij op een driewielmotor zat en de bestuurder met het voorwiel van dit voertuig een stoeprand raakte. Hij heeft ernstig letsel opgelopen als gevolg van het ongeval: bloedingen in het brein, uitgebreide breuken van de schedelbasis, het aangezicht, de scapula links, wervels en van zenuwuitval. De verzekeraar van het voertuig heeft aansprakelijkheid erkend. Partijen hebben een geschil over de afwikkeling van de schade. De man verzoekt de rechtbank in dit deelgeschil primair om te bepalen dat zijn restverdiencapaciteit nihil is. Als dat niet toewijsbaar is, wil hij subsidiair veroordeling van de verzekeraar om mee te werken aan een nieuw neuropsychologisch onderzoek (NPO). Als dat ook niet toewijsbaar is, wil hij meer subsidiair dat de rechtbank bepaalt dat een revalidatiearts moet worden ingeschakeld. De verzekeraar voert verweer. De rechtbank overweegt dat op basis van het uitgevoerde NPO niet kan worden geoordeeld dat er geen cognitieve klachten en beperkingen zijn, maar ook niet dat die er wel zijn. Nu geen oordeel kan worden geveld over de cognitieve klachten en beperkingen, en de fysieke klachten en beperkingen van de man niet zodanig zijn dat elke restverdiencapaciteit alleen daarom al ontbreekt, moet het primaire verzoek worden afgewezen. Ook het feit dat de arbeidsdeskundigen rapporteren over de mogelijkheid voor de man om arbeid te verrichten op een beschutte werkplek, maakt dat afwijzing aan de orde moet zijn. Ook arbeid op een beschutte werkplek is tenslotte – anders dan de man aanvoert – arbeid tegen loonwaarde. De rechtbank wijst het subsidiaire verzoek wel toe. De verzekeraar moet medewerking verlenen aan een nieuw NPO. Meerdere deskundigen wijzen op de noodzaak om te beschikken over een NPO waaruit conclusies kunnen worden getrokken ten aanzien van de (eventuele) cognitieve klachten en beperkingen van de man als gevolg van het ongeval. Een nieuw NPO kan de discussie tussen partijen op dit punt oplossen, en kan de man verder helpen richting het verkrijgen van (beschutte) arbeid. De rechtbank merkt op dat de persoon die het vorige NPO heeft uitgevoerd niet de aangewezen persoon lijkt om het nieuwe NPO uit te voeren. Zonder af te doen aan de professionaliteit en deskundigheid van deze deskundige, geldt dat zij zich in deze zaak al negatief heeft uitgelaten over de zin van een nieuw NPO. 15-07-2026
- Rechtbank Den Haag Deelgeschil. In 1997 heeft een bloedonderzoek (vanwege aanwezige hemofilie) bij een man geleid tot een positieve hepatitis C-uitslag. Deze uitslag is vervolgens niet gedeeld met de man of zijn huisarts, ook niet toen hij in 2002 op consult is geweest bij de polikliniek hematologie. In 2006 is deze diagnose opnieuw in het dossier opgemerkt. De betrokken hematoloog heeft de man daarom per telefoon proberen te bereiken en hem per brief laten oproepen voor een consult op de polikliniek. Voor zover de man deze brief heeft ontvangen, heeft hij aan deze oproep geen gehoor gegeven. In 2023 is bij hem de diagnose leverkanker gesteld. Thans is de man uitbehandeld. Bij het indienen van zijn verzoekschrift had hij nog een levensverwachting van naar schatting zes tot twaalf maanden. Een door beide partijen benoemde deskundige acht de kans erg groot dat als de man in de tijdsperiode gelegen tussen 1997 en 2016 zou zijn behandeld voor de hepatitis C-infectie, hij daarvan genezen zou zijn. Het ziekenhuis heeft aansprakelijkheid erkend en heeft in totaal een bedrag van € 160.000 aan voorschotten betaald, alsmede een bedrag van € 26.524,74 aan buitengerechtelijke kosten. De man vordert nu nog aanvullend € 125.000. Dit bedrag moet volgens de man worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 januari 1997, omdat dit het moment was dat de normschending plaatsvond. De rechtbank overweegt dat het verwijt ernstig is. In de zaak zijn meerdere momenten aan te wijzen dat het ziekenhuis nalatig is geweest de man in kennis te stellen van de uitslag. De rechtbank ziet geen aanleiding om bij de vaststelling van de hoogte van het smartengeld rekening te houden met het feit dat de man in de periode tot 2015 zou zijn behandeld met medicatie met bijwerkingen. Dat compenseert immers niet het leed dat hij moet doorstaan als gevolg van het feit dat hij in 2023 leverkanker heeft ontwikkeld, met de gevolgen van dien die de smartengeldvergoeding billijken. Bovendien is hem daarmee ook de kans ontnomen om met behulp van deze mediatie te genezen. De rechtbank slaat acht op vergelijkbare zaken en de Rotterdamse schaal. De rechtbank acht toepassing van de zwaarste categorie, namelijk ‘dodelijke verwondingen’ het meest passend, nu de normschending door het ziekenhuis met het ontstaan van het carcinoom uiteindelijk tot dodelijk letsel heeft geleid. Ten aanzien van het prijspeil en de wettelijke rente gaat de rechtbank uit van 1 januari 2023 als ‘peildatum’. Het ziekenhuis heeft immers onweersproken gesteld dat op dat moment het carcinoom is ontstaan, wat heeft geleid tot de fysieke en psychische klachten die de smartengeldvergoeding billijken. Weliswaar ligt de schadeveroorzakende gebeurtenis veel verder in het verleden, maar dat maakt nog niet dat de vordering waar het in deze procedure – met name – om gaat op dat moment al opeisbaar was, waarbij de rechtbank van oordeel is dat de schadevergoeding ten aanzien van de ongeneselijke ziekte het zwaartepunt van de vordering vormt, afgezet tegen de schadecomponent voor het niet communiceren van de hepatitis C-uitslag als zodanig. De rechtbank acht niet aannemelijk dat een schadevergoeding van deze omvang als toekomstige schade zou zijn toegekend als vóór het ontstaan van het carcinoom de fout van het ziekenhuis al zou zijn ontdekt (en behandeling op dat moment nog mogelijk was geweest). Alles overwegend stelt de rechtbank de totale verplichting tot smartengeldvergoeding vast op een bedrag van € 180.000, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 januari 2023 en wijst deze toe onder aftrek van het schadebedrag dat het ziekenhuis al heeft vergoed. 14-07-2026
- Rechtbank Midden-Nederland Verzoeker en verweerder zijn op het water bij het berijden van een jetski met elkaar in botsing gekomen. Verzoeker is daarbij gewond geraakt. Verzoeker vindt dat verweerder aansprakelijk is voor de (financiële) gevolgen van zijn letsel. Verzoeker was niet aanwezig bij de mondelinge behandeling en heeft daarom niet kunnen reageren op de visie van verweerder over de toedracht van het ongeval. Hierdoor staat de verklaring van verzoeker tegenover die van verweerder. Verzoeker heeft geen stukken of verklaringen overgelegd ter onderbouwing van zijn lezing, terwijl op hem de stelplicht en bewijslast van de toedracht rusten. Deze procedure leent zich niet voor nadere bewijsvoering. Daarmee staat ook de aansprakelijkheid van verweerder niet vast. 14-07-2026
- Rechtbank Gelderland Een vrouw heeft tijdens het trainen met haar personal trainer een dumbbell op haar gezicht en borst gekregen waardoor zij ernstig letsel heeft opgelopen. Aansprakelijkheid is door (de verzekeraar van) de sportschool erkend. In deze procedure is (alleen) de vraag aan de orde of sprake is van eigen schuld van de vrouw in de zin van artikel 6:101 BW. De sportschool stelt zich op het standpunt dat het ongeval het gevolg is van de eigen fout van de vrouw (eigen schuld) en de schadevergoedingsplicht van de sportschool daardoor is beperkt tot 50%. De rechtbank is het met de sportschool eens dat de vrouw eigen schuld heeft aan het ongeval. De rechtbank is daarom van oordeel dat de omstandigheid dat de vrouw door haar handelen zelf heeft bijgedragen aan haar letsel reden is om de schadevergoedingsplicht van de sportschool te verminderen op grond van artikel 6:101 lid 1 BW. De rechtbank acht de beperking van de schadevergoedingsplicht tot 50% niet onredelijk. De vrouw heeft zich nog op het standpunt gesteld dat, voor zover de rechtbank tot het oordeel komt dat sprake is van enige mate van eigen schuld, de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 lid 1 BW meebrengt dat geen vermindering van de schadevergoedingsplicht kan plaatsvinden. De vrouw heeft het beroep op de billijkheidscorrectie onvoldoende onderbouwd. De rechtbank wijkt af van het uitgangspunt dat eigen schuld ook wordt toegepast op de kosten van het deelgeschil nu het percentage eigen schuld nu juist inzet van deze procedure is. De kosten dienen volledig vergoed te worden door de sportschool. 09-07-2026
- Rechtbank Gelderland Deelgeschil. In 2022 is een automobilist aangereden toen hij met zijn auto stilstond voor een rood verkeerslicht. De WAM-verzekeraar van de andere auto heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend. De automobilist stelt dat hij als gevolg van het ongeval blijvende fysieke en mentale klachten heeft ontwikkeld, onder meer bestaande uit hoofdpijn, nekpijn, rugpijn en herbelevingen. Partijen zijn in het kader van de schadeafwikkeling in onderhandeling geweest over de noodzaak van het laten verrichten van een neurologische en neuropsychologische expertise. De WAM-verzekeraar stelt zich op het standpunt dat bij een neurologische expertise de IWMD-vraagstelling uit 2025 moet worden gehanteerd. De automobilist wil dat de oude IWMD-vraagstelling wordt gehanteerd. De rechtbank overweegt dat de nieuwe vraagstelling tot stand is gekomen onder leiding van De Letselschade Raad, een onafhankelijke organisatie, waarin alle partijen vertegenwoordigd zijn die bij de behandeling van letselschadezaken betrokken zijn. De Letselschade Raad is daarbij niet over één nacht ijs gegaan. Integendeel, de nieuwe vraagstelling is tot stand gekomen na een intensief proces van zes jaar, waarin de vorige versie van de vraagstelling is geëvalueerd en vervolgens is gereviseerd. Die evaluatie heeft branchebreed plaatsgevonden. Daar komt nog bij dat de nieuwe vraagstelling aansluit bij de NVMSR Richtlijn voor medisch specialistische rapportage in bestuurs- en civielrechtelijk verband 2024. Naar verwachting van De Letselschade Raad is de nieuwe vraagstelling daarmee beter afgestemd op de wensen en behoeften van zowel medici als juristen werkend binnen het medisch traject bij letselschadezaken. Gelet op dit alles geldt als uitgangspunt dat vanaf 1 november 2025 de nieuwe IWMD-vraagstelling wordt toegepast. Er bestaat geen aanleiding om daar in dit specifieke geval van af te wijken. 01-07-2026
- Rechtbank Noord-Holland Deelgeschil. Een werknemer verzoekt een verklaring voor recht dat zijn voormalige werkgever aansprakelijk is voor de schade die hij heeft geleden doordat hij tijdens zijn werk van een ladder is gevallen in 2023. De man voert aan dat de werkgever aansprakelijk is omdat hij niet heeft aangetoond dat hij de maatregelen heeft getroffen die redelijkerwijs nodig waren om schade te voorkomen, terwijl sprake was van een valrisico en een onervaren werknemer. Ook heeft de werkgever geen geschikt materieel verstrekt om op hoogte te werken. De werkgever voert verweer. Hij voert aan dat het de bedoeling was dat zijn opdrachtnemer de werkzaamheden aan de schuur zou uitvoeren en het benodigde gereedschap zou meenemen; de werknemer zou de opdrachtnemer slechts assisteren. Bovendien had de werknemer een veiligheidscertificaat en had hij dus zelf moeten inzien dat het plaatsen van een ladder op een gladde ondergrond onveilig was. De werkgever heeft zijn verantwoordelijkheid genomen, door het loon van de werknemer na het ongeval zes maanden door te betalen. Ook betwist de werkgever de gestelde (arbeidsvermogens)schade, omdat de werknemer volgens de werkgever in staat is om te werken. De werkgever wil er niet aan meewerken dat de man profiteert van de situatie en is daarom niet bereid de gegevens van zijn verzekeraar te verstrekken aan de man. De kantonrechter overweegt dat het betoog van de werkgever niet kan slagen. Omdat de werkgever een van zijn werknemers heeft opgedragen werkzaamheden uit te voeren waarbij (ook) op hoogte moest worden gewerkt, was de werkgever ervoor verantwoordelijk dat die werknemer kon beschikken over (bijvoorbeeld) een veilige ladder. Dat heeft de werkgever niet gedaan. In plaats daarvan was de werknemer aangewezen op een ladder die toevallig aanwezig was, omdat de eigenaar van de schapenschuur die ladder ter beschikking had gesteld. De werkgever heeft niet gezorgd voor de beschikbaarheid van een ladder die was voorzien van voor de hand liggende maatregelen om wegglijden te voorkomen, zoals bijvoorbeeld (rubberen) antislipvoet(en), terwijl van de werkgever kan worden verlangd dat hij materieel ter beschikking stelt dat aan dergelijke veiligheidseisen voldoet. Er is geen sprake van opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van de werknemer. Dat een werknemer minder voorzichtig is dan raadzaam, is daarvoor onvoldoende. De werkgever is dus aansprakelijk voor de schade van de werknemer en moet een voorschot betalen van € 8.000. De kantonrechter overweegt dat de werkgever niet zijn verzekeringsgegevens hoeft te verstrekken aan de werknemer. De werknemer heeft op grond van artikel 7:954 lid 2 BW geen (rechtstreekse) vordering op de verzekeraar zolang de werkgever geen (formele) melding doet van het ongeval bij de verzekeraar. Kennelijk heeft de werkgever zo’n melding (nog) niet gedaan, althans daarvan is niet gebleken. Bij deze stand van zaken heeft de werknemer onvoldoende belang bij zijn verzoek om de verzekeringsgegevens te verkrijgen. 23-06-2026
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant Een man is bij een ongeval op een tokkelbaan in een klimpark gewond geraakt en uiteindelijk overleden. Hij ging via een zipline (kabel) naar beneden. Het onderdeel waarmee de zipline aan een paal was bevestigd, de long zip clamp, is bij de arm afgebroken. De producent van de zipline had de zipline, genaamd de saferoller, op de markt gebracht. Het afgebroken onderdeel was geproduceerd door de fabrikant van dat onderdeel. De verzekeraar van de producent vordert in de hoofdzaak schadevergoeding van de fabrikant van het afgebroken onderdeel. De verzekeraar stelt dat hij de verhaalsvordering op de fabrikant heeft overgenomen van de nabestaanden van de man. Volgens de verzekeraar is de fabrikant als producent van het afgebroken onderdeel aansprakelijk voor de schade. In de hoofdzaak staat de vraag centraal of de fabrikant een gebrekkig product in het verkeer heeft gebracht en daarvoor aansprakelijk is. In de vrijwaringszaak stelt de fabrikant van het afgebroken onderdeel dat de ontwikkelaar van de zipline en de bouwer van het klimpark gehouden zijn te vergoeden waartoe hij in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld. Volgens de fabrikant heeft de ontwikkelaar mede de ontwerpkeuze voor de saferoller bepaald. Daarnaast zou de bouwer van het klimpark een tweede klem, de pole clamp, onjuist hebben gemonteerd, waardoor geen back-upbeveiliging aanwezig was voor de afgebroken long zip clamp. De rechtbank neemt als vaststaand feit aan dat de verzekeraar van de producent de vordering van de nabestaanden op de fabrikant van het afgebroken onderdeel heeft gekocht en in die hoedanigheid schadevergoeding vordert. De verzekeraar baseert zijn vordering tot schadevergoeding primair op de regeling van de productaansprakelijkheid en subsidiair op onrechtmatige daad. De rechtbank concludeert dat de fabrikant op grond van artikel 6:185 BW aansprakelijk is. De verweren van de fabrikant slagen niet. De vorderingen van de fabrikant in de vrijwaringszaak worden afgewezen. De rechtbank oordeelt dat de fabrikant de schadevergoeding van de verzekeraar moet betalen. 27-05-2026
- Rechtbank Rotterdam De vrouw is in haar stilstaande personenauto aan de voorkant aangereden door een voor haar staande vrachtwagen die voor de vrouw onverwacht naar achteren reed. De vrouw heeft na de aanrijding gezondheidsklachten gekregen en is tevens arbeidsongeschikt verklaard. In dit tussenvonnis moet worden beoordeeld of tussen de aanrijding en de gezondheidsklachten van de vrouw causaal verband kan worden aangenomen. Er zijn door een orthopedisch chirurg en een neuroloog op verzoek van de rechtbank in het verleden deskundigenberichten uitgebracht. In het laatste tussenvonnis heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek door een psychiater bevolen, omdat de neuroloog van mening was dat bij de vrouw mogelijk sprake was van een psychiatrische aandoening. Uit het rapport van de psychiater volgt volgens de rechtbank dat de vrouw lijdt aan een zogenoemde functioneel-neurologisch-symptoomstoornis. De vraag is of dit als een gevolg van de aanrijding kan worden beschouwd. Die vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Op grond van de uitgebrachte deskundigenrapporten in onderling verband en samenhang beschouwd en tegen de achtergrond van de in deze zaak vaststaande feiten en omstandigheden, oordeelt de rechtbank dat de vrouw deze stoornis niet zou hebben ontwikkeld als zij niet zou zijn aangereden. Nu dient de omvang van de hierdoor door de vrouw geleden schade te worden vastgesteld. Hiervoor moeten nieuwe deskundigen worden benoemd die zullen moeten rapporteren over de beperkingen van de vrouw als gevolg van de door de rechtbank als vaststaand aangenomen klachten en onder andere over het verlies aan verdienvermogen. De rechtbank verwijst de zaak naar de rol om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de te nemen vervolgstappen. 27-05-2026
- Rechtbank Rotterdam Ongeval tussen een voetgangster en een scooter. Voetgangster heeft als gevolg van het ongeval letsel opgelopen. De verzekeraar van de scooter meent dat zijn verzekerde een beroep op overmacht toekomt. Daartoe stelt de verzekeraar het volgende. De voetgangster stak plotseling over op een plek waar geen zebrapad was. De scooterbestuurder zag haar niet aankomen en reed met een gepaste snelheid van 30 km/u, terwijl 45 km/u was toegestaan. Door de smalle rijstrook en het tegemoetkomende verkeer kon hij niet verder uitwijken. Dat de scooter weinig geluid maakte, doet hier niet aan af, omdat de aanrijding door het plotseling oversteken van de voetgangster niet voorkomen had kunnen worden. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden aangenomen dat het ongeval uitsluitend is te wijten aan de voetgangster. De door de voetgangster gemaakte fout was niet zo onwaarschijnlijk dat de scooterbestuurder daarmee in redelijkheid geen rekening hoefde te houden. Het beroep op overmacht slaagt daarom niet. De rechtbank ziet geen reden om de verzekeraar voor een hoger percentage dan 50% aansprakelijk te houden. Daarnaast ziet de rechtbank ook geen aanleiding om de billijkheidscorrectie toe te passen. De conclusie uit het voorgaande is dat de verzekeraar voor 50% aansprakelijk wordt geacht. 16-04-2026
- Rechtbank Noord-Nederland Deelgeschil. In 2011 is een man op een snorscooter aangereden door een naar rechts afslaande auto, waardoor hij ten val is gekomen. In 2012 is hij weer ten val gekomen met zijn snorscooter toen een scooterrijder zijn evenwicht verloor en de snorscooter van de man raakte. Hij is toen op zijn hoofd terechtgekomen. In 2013 is hij, rijdend op een fiets, aangereden door een andere fietser, die hem geen voorrang verleende. In 2015 is hij weer het slachtoffer geworden van een verkeersongeval op zijn snorscooter toen hem geen voorrang werd verleend. De verzekeraars van de tegenpartijen in 2012, 2013 en 2015 hebben aansprakelijkheid voor de ongevallen erkend. Er zijn verschillende medische adviezen door de jaren heen uitgebracht. De man heeft over de jaren heen ook verschillende belangenbehartigers gehad. Ter zake van het hem in 2015 overkomen ongeval heeft het gerechtshof Amsterdam vastgesteld dat hij het oogmerk had om de verzekeraar te misleiden teneinde een hoger bedrag uitgekeerd te krijgen dan waarop hij aanspraak kon maken. De man vordert nu onder meer in dit deelgeschil dat de regelend verzekeraar voor de drie ongevallen gebonden is aan bepaalde gemaakte rapportages en dat deze rapportage c.q. deze rapportages het uitgangspunt moet of moeten vormen bij het verder tussen partijen te doorlopen schaderegelingstraject. De verzekeraar voert verweer. De rechtbank overweegt dat uit de overgelegde rapportages kan worden opgemaakt dat de man niet consistent is in hetgeen hij heeft verklaard over de hem overkomen ongevallen bij de verschillende deskundigen. De rechtbank overweegt dat de verzekeraar gemotiveerd heeft bestreden dat een dergelijk plausibel klachtenpatroon op basis van de door de man verstrekte (medische) informatie en de ingebrachte expertiserapporten kan worden vastgesteld. De verzekeraar heeft in dit verband naar voren gebracht dat de man de verzekeraar vanaf het begin onjuiste en onvolledige informatie heeft verstrekt en dat uit de overgelegde verschillende expertiserapporten blijkt dat de deskundigen voor hun oordeel niet allen over dezelfde (medische) informatie beschikten. Gelet hierop is door de verzekeraar meermaals aangegeven dat het van belang is dat de man helderheid verschaft over alle ongevallen, waarbij in de vraagstelling – in het kader van de expertise – naar de verschillende ongevallen moet worden uitgesplitst. De rechtbank benoemt ook het arrest van het hof. Op basis van dit arrest kan worden aangenomen dat de man ter zake van een van de ongevallen, waarvoor de verzekeraar als regelend verzekeraar optreedt, opzettelijk onjuiste informatie heeft verstrekt en dat er meer ongevallen zijn geweest dan door hem zijn gesteld. In het kader van de beoordeling kan daarom niet van het causaal verband worden uitgegaan en heeft de verzekeraar daarmee terecht en op goede gronden aangegeven dat alle ongevallen die de man in de periode van 16 juni 2012 tot en met 1 mei 2015 heeft gehad, dienen te worden onderzocht door de verschillende deskundigen en voor een goede beoordeling de vraagstelling aan de deskundigen per ongeval dient te worden uitgesplist. Het verzoek van de man wordt afgewezen. 10-10-2017
Antillen
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba Een Amerikaanse toeriste stelt dat zij in Sint Maarten letsel heeft opgelopen doordat zij ’s nachts op een slecht verlichte weg met haar voet is terechtgekomen in een pothole. Zij vordert schadevergoeding van het Land. Het Gerecht heeft de vordering afgewezen op de grond dat niet kan worden aangenomen dat de bedoelde weg een openbare weg is en evenmin dat die weg een opstal is waarvan het Land bezitter is. De vrouw is in hoger beroep gegaan. Het Hof is wel van mening dat het Land aansprakelijk is. Blijkens de erfpachtakte en de ministeriële beschikking waarnaar de akte verwijst, heeft het Land aan de weg de bestemming van openbare weg gegeven. Het is dus een openbare weg in de zin van de tweede volzin van artikel 6:174 lid 2 BW. Het Hof overweegt dat op zichzelf aan wegen in Sint Maarten niet zonder meer dezelfde eisen gesteld kunnen worden als aan vergelijkbare wegen in Nederland of (delen van) de Verenigde Staten van Amerika. Rekening moet worden gehouden met budgettaire beperkingen van het Land, die dwingen tot keuzen bij het onderhoud van het wegennet. Verder moet rekening worden gehouden met regelmatig optredende storm- en orkaanschade, onder meer veroorzaakt door de orkaan Irma. Niettemin is het Hof van oordeel dat de Nile Road ten tijde van het ongeval niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen en daardoor gevaar voor personen en zaken opleverde. Het hof overweegt onder meer dat een pothole erg gevaarlijk is, de weg in een populaire toeristische omgeving ligt en mede wordt gebruikt door feestgangers die alcoholische dranken hebben gedronken of om andere reden niet altijd voorzichtig zijn. Bovendien was het alweer drie en een half jaar geleden dat de orkaan Irma Sint Maarten trof en kan een pothole met eenvoudige middelen en weinig werk onschadelijk worden gemaakt. In het midden kan blijven of de weg ten tijde van het ongeval slecht verlicht was. Ook indien de verlichting goed was, voldeed de weg vanwege de pothole niet aan de daaraan te stellen eisen. Ook kan in het midden blijven of de vrouw alcoholhoudende dranken had gedronken, en zo ja, hoeveel. Mogelijk alcoholgebruik door de vrouw leidt ook niet tot vermindering van de schadevergoedingsplicht als bedoeld in artikel 6:101 BW. Verder is niet van belang of de weg (primair) bestemd is voor voetgangers. Het Land heeft niet betwist dat voetgangers zonder moeite langs de slagboom op de weg kunnen komen. Er bestaat een causaal verband. Bij de in artikel 6:98 BW bedoelde toerekening van de schade aan het Land is van belang dat de aansprakelijkheid is gebaseerd op een veiligheidsnorm en dat sprake is van letselschade. Mede gelet daarop passeert het Hof alle bezwaren van het Land tegen de schadebegroting. De vrouw krijgt USD 44.116,37 aan schadevergoeding toegekend. 28-07-2026
- Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba In 2024 heeft op Aruba een verkeersongeval plaatsgevonden tussen twee auto’s. Alle inzittenden van de auto’s zijn in zorgwekkende toestand naar het ziekenhuis gebracht. Een van de betrokkenen is in het ziekenhuis behandeld in verband met ernstig letsel. Haar werkgever heeft zich garant gesteld voor de kosten van het ziekenhuis van in totaal Afl. 88.390,08. Tevens is de werkgever een betalingsregeling aangegaan voor de aflossing van deze schuld aan het ziekenhuis. De werkgever vordert nu dat de gedaagde partij de veroorzaakte schade van Afl. 88.390,08 aan hem vergoed. Volgens de werkgever is de gedaagde partij de bestuurder van de andere auto en zat hij dronken achter het stuur. Uit het overgelegde mutatierapport blijkt echter dat zowel de gedaagde partij als de andere inzittende van de auto door het ongeval uit de auto zijn geslingerd en dat daarom niet kon worden vastgesteld wie op het moment van het ongeval de bestuurder was. Als ervan wordt uitgegaan dat de gedaagde partij de bestuurder was dan geldt nog dat de werkgever niet heeft toegelicht hoe de gedaagde partij onrechtmatig jegens de werkgever heeft gehandeld. Daarnaast geldt dat de betalingsverplichting van de werkgever vanwege zijn garantstelling jegens het ziekenhuis geen schade is die als gevolg van het ongeval (en daarmee het onrechtmatig handelen van de gedaagde partij) wordt geleden. Het gevorderde wordt afgewezen. 25-03-2026