Naar boven ↑

Update

Nummer 28, 2026
Uitspraken van 14 juli 2026 tot 27 juli 2026
Redactie: Mr. H. Vorsselman, mr. drs. I. van der Zalm, mr. Y. Bosschaart en J. Stulp.

Geachte heer/mevrouw,

Hierbij treft u de nieuwe PS Updates aan. De laatste voor we een maand van de zomer gaan genieten: de volgende PS Updates verschijnt op maandag 24 augustus. 

Rechtspraak
In deze nieuwsbrief hebben wij een selectie opgenomen van de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken, die te raadplegen zijn via de hyperlinks onder aan deze nieuwsbrief. 

Drie uitspraken lichten wij hier voor u uit. Een eerste uitspraak gaat om het gebruik van de hardheidsclausule (affectieschade bij overlijden) in het geval van een stiefvader. Volgens de Hoge Raad is de eerdere toewijzing (hof) ontoereikend gemotiveerd. De Hoge Raad anticipeert hiermee dus ook niet op een mogelijke wetswijziging (uitbreiding vaste kring van gerechtigden). Uit een tweede uitspraak volgt juist dat een stiefvader wel met succes een beroep kan doen op de hardheidsclausule en volgens de rechtbank recht heeft op vergoeding wegens affectieschade na overlijden. Wel blijkt uit de uitspraak dat de feiten hier anders waren (bijna twintig jaar gezinsleden en slachtoffer woonde op dat moment bij hem; hij viel terug op zijn stiefvader op het moment dat hij geen verblijfplaats had). De derde uitspraak betreft een zaak waarbij de twee dagen voor de inhoudelijke behandeling ingediende vordering tot vergoeding van affectieschade ontvankelijk is.

Hoge Raad: toewijzing affectieschade stiefvader (hardheidsclausule) ontoereikend gemotiveerd.
Strafrecht. Hoge Raad. Vordering benadeelde partij ter zake van affectieschade. Kan de stiefvader van het overleden slachtoffer worden aangemerkt als naaste in de zin van artikel 6:108 lid 4 BW? De Hoge Raad overweegt dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever tot uitgangspunt heeft genomen dat de kring van personen die recht hebben op vergoeding van affectieschade, beperkt is tot personen die geacht mogen worden een zeer nauwe band met het slachtoffer te hebben. Een ruimere kring van gerechtigden zou volgens de wetgever de beheersbaarheid van de regeling sterk doen afnemen en onvoldoende zekerheid bieden dat een vergoeding alleen wordt betaald in gevallen waarin daadwerkelijk sprake is van een ernstig verlies. Uit de vaststellingen van de rechtbank volgt dat de benadeelde partij in 1983 als stiefvader deel is gaan uitmaken van het gezin waarin het toen 13-jarige slachtoffer tot zijn 20e levensjaar opgroeide, en dat het slachtoffer ten tijde van het bewezenverklaarde feit in 2021 niet meer ‘thuiswonend’ was. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat stiefouders ‘naar de letter’ niet onder de in artikel 6:108 lid 4 BW bedoelde personen vallen, maar dat uit een motie uit 2016 zou blijken dat stiefouders ‘dezelfde bedragen ter vergoeding van affectieschade krijgen als biologische ouders’. Op grond hiervan heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van affectieschade tot het bedrag van € 17.500 toegewezen. Dit door het hof overgenomen oordeel is ontoereikend gemotiveerd. Daarbij is volgens de Hoge Raad van belang dat onvoldoende kan worden afgeleid op welke in artikel 6:108 lid 4 BW vermelde grond en op welke door de rechtbank vastgestelde omstandigheden de rechtbank de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij heeft gebaseerd. Voor zover de rechtbank die toewijzing heeft gegrond op artikel 6:108 lid 4 aanhef en onder c BW geldt dat in deze bepaling de stief- of pleegouder niet is opgenomen. Voor zover de rechtbank die toewijzing heeft gegrond op artikel 6:108 lid 4 aanhef en onder e BW geldt dat uit de vaststellingen van de rechtbank volgt dat de benadeelde partij ten tijde van het bewezenverklaarde feit in 2021 al geruime tijd niet meer duurzaam in gezinsverband de zorg voor het slachtoffer had. Voor zover de rechtbank die toewijzing heeft gegrond op artikel 6:108 lid 4 aanhef en onder g BW geldt dat de rechtbank geen nadere feiten heeft vastgesteld over de intensiteit, aard en duur van de relatie tussen het slachtoffer en de benadeelde partij die een beroep op deze – in de wetsgeschiedenis als ‘hardheidsclausule’ aangeduide – bepaling kunnen dragen. Dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de wet de wens naar voren komt dat – zoals ten aanzien van pleegouders uiteindelijk ook is vastgelegd in de in artikel 6:108 lid 3 BW bedoelde algemene maatregel van bestuur – ouders en stiefouders, als de wet aan hen een aanspraak geeft op vergoeding van affectieschade, aanspraak kunnen maken op bedragen van gelijke hoogte, maakt dit alles niet anders. Het cassatiemiddel slaagt. Een hernieuwde behandeling van de zaak om uitsluitend hierover opnieuw te oordelen zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De Hoge Raad bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij deze slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. (PS 2026-0325)

Beroep stiefvader op artikel 6:108 lid 4 onder e BW slaagt niet, wel recht op affectieschade op grond van artikel 6:108 lid 4 onder g BW. 
Strafrecht. De verdachte heeft zich samen met ten minste één ander schuldig gemaakt aan een kille en professionele liquidatie en een poging daartoe door middel van twee volautomatische vuurwapens. De moeder van het overleden slachtoffer heeft zich gevoegd als benadeelde partij. Haar affectieschade wordt vergoed conform het Besluit vergoeding affectieschade. Zij vordert ook vergoeding van shockschade: deze vordering wordt door de rechtbank afgewezen. De gevorderde shockschade is enkel onderbouwd met een beknopte toelichting van de benadeelde partij zelf. Hieruit komt onder meer naar voren dat de benadeelde partij door het overlijden van haar zoon zichtbaar en ingrijpend is geraakt. Zij heeft zeer veel verdriet en zit in een diep rouwproces. Op basis van deze toelichting kan echter niet worden vastgesteld of er sprake is van geestelijk letsel dat is ontstaan als gevolg van een emotionele schok door de directe confrontatie met het dodelijk letsel dat haar zoon heeft opgelopen. Ook de broer van het overleden slachtoffer vordert vergoeding van shockschade. De rechtbank overweegt dat uit de stukken blijkt dat de broer traumatische klachten heeft ontwikkeld, die een zeer negatieve weerslag op de kwaliteit van zijn leven hebben. Ook hier kan echter niet worden vastgesteld of er sprake is van geestelijk letsel dat is ontstaan als gevolg van een emotionele schok door de directe confrontatie met het dodelijk letsel dat zijn broer heeft opgelopen. De partner van de moeder van het overleden slachtoffer doet een beroep op de hardheidsclausule ex artikel 6:108 lid 4 onder g BW. Dit slaagt echter niet. De partner kreeg in 2018 een relatie met de moeder, toen het overleden slachtoffer niet meer thuis woonde. Hetgeen de benadeelde partij heeft gesteld, geeft weliswaar blijk van een warme familieband, maar niet dat dit een naar aard en intensiteit dusdanig nauwe persoonlijke relatie was, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij als naaste moet worden aangemerkt. De stiefvader van het overleden slachtoffer doet een beroep op artikel 6:108 lid 4 onder e BW. De stiefvader kan naar het oordeel van de rechtbank echter geen aanspraak maken op vergoeding van affectieschade op voornoemd artikel omdat er op het moment van overlijden geen sprake was van duurzame zorg in gezinsverband. Wel is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een onderlinge verhouding als bedoeld in artikel 6:108 lid 4 onder g BW: het slachtoffer en zijn stiefvader zijn bijna twintig jaar lang gezinsleden van elkaar geweest en de stiefvader beschouwt het slachtoffer als zijn eigen zoon. Van belang is bovendien dat het slachtoffer op de stiefvader terugviel op het moment dat hij geen verblijfplaats had en ook bij hem woonde op het moment dat hij is komen te overlijden. Krachtens het Besluit vergoeding affectieschade heeft hij daarmee recht op een bedrag van € 17.500. (PS 2026-0327

Vorderingen affectieschade die twee dagen voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling zijn ingediend zijn ontvankelijk. 
Strafrecht. Vrijspraak moord, veroordeling doodslag. De moeder en twee zoons van het overleden slachtoffer hebben zich gevoegd als benadeelde partijen. De verdediging heeft volstaan met een betwisting van de vorderingen van de benadeelde partijen, omdat de vorderingen twee dagen voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling zijn ingediend. De verdediging stelt dat als een vordering niet binnen een termijn van veertien dagen voor aanvang van het onderzoek ter terechtzitting ter kennis van de verdediging is gebracht, de verdediging in de regel zal kunnen volstaan met een betwisting zonder onderbouwing, met als gevolg de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de betwiste onderdelen van de vordering. Naar het oordeel van de rechtbank gaat dit standpunt in dit geval niet op. De vorderingen van de benadeelde partijen bestaan uit affectieschade en een factuur van de uitvaartkosten. De factuur is eenvoudig van aard en het kenmerk van affectieschade is dat deze wordt gevormd door forfaitaire bedragen voor een afgebakende kring van gerechtigden. Gelet op de aard van de vorderingen, de beperkte complexiteit ervan en de geringe omvang van de onderbouwing die eraan ten grondslag ligt, is de verdediging voldoende tijd gegund om behoorlijk te reageren. De benadeelde partijen zijn dan ook ontvankelijk in hun vorderingen. De benadeelde partijen krijgen hun affectieschade vergoed conform het Besluit vergoeding affectieschade. (PS 2026-0326)

Literatuur
B.A. van Beest, ‘De onveranderlijke rol van de bestuurder: summa divisio en justice in adversity in de WAM-richtlijn’, VR 2026/97.

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps-updates@boom.nl.

De redactie van PS Updates wenst u een fijne zomer!

Met vriendelijke groet,

Ilona van der Zalm & Armin Vorsselman
hoofdredacteuren PS Updates

Hoge Raad

Hof

Rechtbank