Update
Geachte heer/mevrouw,
Hierbij treft u de nieuwe PS Updates aan. De laatste voor we een maand van de zomer gaan genieten: de volgende PS Updates verschijnt op maandag 24 augustus.
Rechtspraak
In deze nieuwsbrief hebben wij een selectie opgenomen van de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken, die te raadplegen zijn via de hyperlinks onder aan deze nieuwsbrief.
Drie uitspraken lichten wij hier voor u uit. Een eerste uitspraak gaat om het gebruik van de hardheidsclausule (affectieschade bij overlijden) in het geval van een stiefvader. Volgens de Hoge Raad is de eerdere toewijzing (hof) ontoereikend gemotiveerd. De Hoge Raad anticipeert hiermee dus ook niet op een mogelijke wetswijziging (uitbreiding vaste kring van gerechtigden). Uit een tweede uitspraak volgt juist dat een stiefvader wel met succes een beroep kan doen op de hardheidsclausule en volgens de rechtbank recht heeft op vergoeding wegens affectieschade na overlijden. Wel blijkt uit de uitspraak dat de feiten hier anders waren (bijna twintig jaar gezinsleden en slachtoffer woonde op dat moment bij hem; hij viel terug op zijn stiefvader op het moment dat hij geen verblijfplaats had). De derde uitspraak betreft een zaak waarbij de twee dagen voor de inhoudelijke behandeling ingediende vordering tot vergoeding van affectieschade ontvankelijk is.
Hoge Raad: toewijzing affectieschade stiefvader (hardheidsclausule) ontoereikend gemotiveerd.
Strafrecht. Hoge Raad. Vordering benadeelde partij ter zake van affectieschade. Kan de stiefvader van het overleden slachtoffer worden aangemerkt als naaste in de zin van artikel 6:108 lid 4 BW? De Hoge Raad overweegt dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever tot uitgangspunt heeft genomen dat de kring van personen die recht hebben op vergoeding van affectieschade, beperkt is tot personen die geacht mogen worden een zeer nauwe band met het slachtoffer te hebben. Een ruimere kring van gerechtigden zou volgens de wetgever de beheersbaarheid van de regeling sterk doen afnemen en onvoldoende zekerheid bieden dat een vergoeding alleen wordt betaald in gevallen waarin daadwerkelijk sprake is van een ernstig verlies. Uit de vaststellingen van de rechtbank volgt dat de benadeelde partij in 1983 als stiefvader deel is gaan uitmaken van het gezin waarin het toen 13-jarige slachtoffer tot zijn 20e levensjaar opgroeide, en dat het slachtoffer ten tijde van het bewezenverklaarde feit in 2021 niet meer ‘thuiswonend’ was. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat stiefouders ‘naar de letter’ niet onder de in artikel 6:108 lid 4 BW bedoelde personen vallen, maar dat uit een motie uit 2016 zou blijken dat stiefouders ‘dezelfde bedragen ter vergoeding van affectieschade krijgen als biologische ouders’. Op grond hiervan heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van affectieschade tot het bedrag van € 17.500 toegewezen. Dit door het hof overgenomen oordeel is ontoereikend gemotiveerd. Daarbij is volgens de Hoge Raad van belang dat onvoldoende kan worden afgeleid op welke in artikel 6:108 lid 4 BW vermelde grond en op welke door de rechtbank vastgestelde omstandigheden de rechtbank de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij heeft gebaseerd. Voor zover de rechtbank die toewijzing heeft gegrond op artikel 6:108 lid 4 aanhef en onder c BW geldt dat in deze bepaling de stief- of pleegouder niet is opgenomen. Voor zover de rechtbank die toewijzing heeft gegrond op artikel 6:108 lid 4 aanhef en onder e BW geldt dat uit de vaststellingen van de rechtbank volgt dat de benadeelde partij ten tijde van het bewezenverklaarde feit in 2021 al geruime tijd niet meer duurzaam in gezinsverband de zorg voor het slachtoffer had. Voor zover de rechtbank die toewijzing heeft gegrond op artikel 6:108 lid 4 aanhef en onder g BW geldt dat de rechtbank geen nadere feiten heeft vastgesteld over de intensiteit, aard en duur van de relatie tussen het slachtoffer en de benadeelde partij die een beroep op deze – in de wetsgeschiedenis als ‘hardheidsclausule’ aangeduide – bepaling kunnen dragen. Dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de wet de wens naar voren komt dat – zoals ten aanzien van pleegouders uiteindelijk ook is vastgelegd in de in artikel 6:108 lid 3 BW bedoelde algemene maatregel van bestuur – ouders en stiefouders, als de wet aan hen een aanspraak geeft op vergoeding van affectieschade, aanspraak kunnen maken op bedragen van gelijke hoogte, maakt dit alles niet anders. Het cassatiemiddel slaagt. Een hernieuwde behandeling van de zaak om uitsluitend hierover opnieuw te oordelen zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De Hoge Raad bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij deze slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. (PS 2026-0325)
Beroep stiefvader op artikel 6:108 lid 4 onder e BW slaagt niet, wel recht op affectieschade op grond van artikel 6:108 lid 4 onder g BW.
Strafrecht. De verdachte heeft zich samen met ten minste één ander schuldig gemaakt aan een kille en professionele liquidatie en een poging daartoe door middel van twee volautomatische vuurwapens. De moeder van het overleden slachtoffer heeft zich gevoegd als benadeelde partij. Haar affectieschade wordt vergoed conform het Besluit vergoeding affectieschade. Zij vordert ook vergoeding van shockschade: deze vordering wordt door de rechtbank afgewezen. De gevorderde shockschade is enkel onderbouwd met een beknopte toelichting van de benadeelde partij zelf. Hieruit komt onder meer naar voren dat de benadeelde partij door het overlijden van haar zoon zichtbaar en ingrijpend is geraakt. Zij heeft zeer veel verdriet en zit in een diep rouwproces. Op basis van deze toelichting kan echter niet worden vastgesteld of er sprake is van geestelijk letsel dat is ontstaan als gevolg van een emotionele schok door de directe confrontatie met het dodelijk letsel dat haar zoon heeft opgelopen. Ook de broer van het overleden slachtoffer vordert vergoeding van shockschade. De rechtbank overweegt dat uit de stukken blijkt dat de broer traumatische klachten heeft ontwikkeld, die een zeer negatieve weerslag op de kwaliteit van zijn leven hebben. Ook hier kan echter niet worden vastgesteld of er sprake is van geestelijk letsel dat is ontstaan als gevolg van een emotionele schok door de directe confrontatie met het dodelijk letsel dat zijn broer heeft opgelopen. De partner van de moeder van het overleden slachtoffer doet een beroep op de hardheidsclausule ex artikel 6:108 lid 4 onder g BW. Dit slaagt echter niet. De partner kreeg in 2018 een relatie met de moeder, toen het overleden slachtoffer niet meer thuis woonde. Hetgeen de benadeelde partij heeft gesteld, geeft weliswaar blijk van een warme familieband, maar niet dat dit een naar aard en intensiteit dusdanig nauwe persoonlijke relatie was, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij als naaste moet worden aangemerkt. De stiefvader van het overleden slachtoffer doet een beroep op artikel 6:108 lid 4 onder e BW. De stiefvader kan naar het oordeel van de rechtbank echter geen aanspraak maken op vergoeding van affectieschade op voornoemd artikel omdat er op het moment van overlijden geen sprake was van duurzame zorg in gezinsverband. Wel is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een onderlinge verhouding als bedoeld in artikel 6:108 lid 4 onder g BW: het slachtoffer en zijn stiefvader zijn bijna twintig jaar lang gezinsleden van elkaar geweest en de stiefvader beschouwt het slachtoffer als zijn eigen zoon. Van belang is bovendien dat het slachtoffer op de stiefvader terugviel op het moment dat hij geen verblijfplaats had en ook bij hem woonde op het moment dat hij is komen te overlijden. Krachtens het Besluit vergoeding affectieschade heeft hij daarmee recht op een bedrag van € 17.500. (PS 2026-0327)
Vorderingen affectieschade die twee dagen voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling zijn ingediend zijn ontvankelijk.
Strafrecht. Vrijspraak moord, veroordeling doodslag. De moeder en twee zoons van het overleden slachtoffer hebben zich gevoegd als benadeelde partijen. De verdediging heeft volstaan met een betwisting van de vorderingen van de benadeelde partijen, omdat de vorderingen twee dagen voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling zijn ingediend. De verdediging stelt dat als een vordering niet binnen een termijn van veertien dagen voor aanvang van het onderzoek ter terechtzitting ter kennis van de verdediging is gebracht, de verdediging in de regel zal kunnen volstaan met een betwisting zonder onderbouwing, met als gevolg de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de betwiste onderdelen van de vordering. Naar het oordeel van de rechtbank gaat dit standpunt in dit geval niet op. De vorderingen van de benadeelde partijen bestaan uit affectieschade en een factuur van de uitvaartkosten. De factuur is eenvoudig van aard en het kenmerk van affectieschade is dat deze wordt gevormd door forfaitaire bedragen voor een afgebakende kring van gerechtigden. Gelet op de aard van de vorderingen, de beperkte complexiteit ervan en de geringe omvang van de onderbouwing die eraan ten grondslag ligt, is de verdediging voldoende tijd gegund om behoorlijk te reageren. De benadeelde partijen zijn dan ook ontvankelijk in hun vorderingen. De benadeelde partijen krijgen hun affectieschade vergoed conform het Besluit vergoeding affectieschade. (PS 2026-0326)
Literatuur
B.A. van Beest, ‘De onveranderlijke rol van de bestuurder: summa divisio en justice in adversity in de WAM-richtlijn’, VR 2026/97.
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps-updates@boom.nl.
De redactie van PS Updates wenst u een fijne zomer!
Met vriendelijke groet,
Ilona van der Zalm & Armin Vorsselman
hoofdredacteuren PS Updates
Hoge Raad
- Hoge Raad Strafrecht. Hoge Raad. Vordering benadeelde partij ter zake van affectieschade. Kan de stiefvader van het overleden slachtoffer worden aangemerkt als naaste in de zin van artikel 6:108 lid 4 BW? De Hoge Raad overweegt dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever tot uitgangspunt heeft genomen dat de kring van personen die recht hebben op vergoeding van affectieschade, beperkt is tot personen die geacht mogen worden een zeer nauwe band met het slachtoffer te hebben. Een ruimere kring van gerechtigden zou volgens de wetgever de beheersbaarheid van de regeling sterk doen afnemen en onvoldoende zekerheid bieden dat een vergoeding alleen wordt betaald in gevallen waarin daadwerkelijk sprake is van een ernstig verlies. Uit de vaststellingen van de rechtbank volgt dat de benadeelde partij in 1983 als stiefvader deel is gaan uitmaken van het gezin waarin het toen 13-jarige slachtoffer tot zijn 20e levensjaar opgroeide, en dat het slachtoffer ten tijde van het bewezenverklaarde feit in 2021 niet meer ‘thuiswonend’ was. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat stiefouders ‘naar de letter’ niet onder de in artikel 6:108 lid 4 BW bedoelde personen vallen, maar dat uit een motie uit 2016 zou blijken dat stiefouders ‘dezelfde bedragen ter vergoeding van affectieschade krijgen als biologische ouders’. Op grond hiervan heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van affectieschade tot het bedrag van € 17.500 toegewezen. Dit door het hof overgenomen oordeel is ontoereikend gemotiveerd. Daarbij is volgens de Hoge Raad van belang dat onvoldoende kan worden afgeleid op welke in artikel 6:108 lid 4 BW vermelde grond en op welke door de rechtbank vastgestelde omstandigheden de rechtbank de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij heeft gebaseerd. Voor zover de rechtbank die toewijzing heeft gegrond op artikel 6:108 lid 4 aanhef en onder c BW geldt dat in deze bepaling de stief- of pleegouder niet is opgenomen. Voor zover de rechtbank die toewijzing heeft gegrond op artikel 6:108 lid 4 aanhef en onder e BW geldt dat uit de vaststellingen van de rechtbank volgt dat de benadeelde partij ten tijde van het bewezenverklaarde feit in 2021 al geruime tijd niet meer duurzaam in gezinsverband de zorg voor het slachtoffer had. Voor zover de rechtbank die toewijzing heeft gegrond op artikel 6:108 lid 4 aanhef en onder g BW geldt dat de rechtbank geen nadere feiten heeft vastgesteld over de intensiteit, aard en duur van de relatie tussen het slachtoffer en de benadeelde partij die een beroep op deze – in de wetsgeschiedenis als ‘hardheidsclausule’ aangeduide – bepaling kunnen dragen. Dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de wet de wens naar voren komt dat – zoals ten aanzien van pleegouders uiteindelijk ook is vastgelegd in de in artikel 6:108 lid 3 BW bedoelde algemene maatregel van bestuur – ouders en stiefouders, als de wet aan hen een aanspraak geeft op vergoeding van affectieschade, aanspraak kunnen maken op bedragen van gelijke hoogte, maakt dit alles niet anders. Het cassatiemiddel slaagt. Een hernieuwde behandeling van de zaak om uitsluitend hierover opnieuw te oordelen zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De Hoge Raad bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij deze slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. 14-07-2026
- Parket bij de Hoge Raad Conclusie advocaat-generaal De Bock. In 2016 heeft een geweldsincident in een ggz-kliniek plaatsgevonden. Een patiënt heeft een werknemer aangevallen met een metalen vork. De werknemer heeft een deelgeschil aanhangig gemaakt. De kantonrechter heeft de gevorderde verklaring voor recht dat de werkgever aansprakelijk is ex artikel 7:658 BW afgewezen. Ook het hof kwam tot de conclusie dat de vorderingen van de werknemer niet toewijsbaar zijn, omdat de zorgplichtschending van de werkgever niet in causaal verband staat tot de ondervonden schade. Volgens het hof is de werkgever ook niet aansprakelijk op grond van artikel 7:611 BW. De Hoge Raad heeft uitdrukkelijk overwogen dat de uit goed werkgeverschap voortvloeiende verzekeringsverplichting beperkt is tot verkeersongevallen, dat een meer algemene verzekeringsplicht in strijd is met de strekking van artikel 7:658 BW, dat het de taak van de wetgever is daarin te voorzien en dat het – mede met het oog op rechtszekerheid en hanteerbaarheid van het recht – de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat hier anders over te oordelen. Het hof ziet geen aanleiding van dit oordeel van de Hoge Raad af te wijken. De werknemer is hiertegen in cassatie gegaan. De advocaat-generaal is van oordeel dat het cassatieberoep kans van slagen heeft. De advocaat-generaal vindt het oordeel van het hof onbegrijpelijk. Het feit dat het ging om een onverwachte en plotselinge aanval maakt volgens de advocaat-generaal niet dat causaal verband dan ontbreekt. De advocaat-generaal gaat ook in op goed werkgeverschap en specifiek de verplichting om een verzekering af te sluiten. De advocaat-generaal overweegt dat de Hoge Raad zou kunnen overwegen of er aanleiding is om het recht op het punt verder te ontwikkelen, dan wel te herhalen dat dit moet worden overgelaten aan de wetgever. Het voordeel van dat laatste zou zijn dat de problematiek van ‘de lappendeken van werkgeversaansprakelijkheid’ opnieuw onder de aandacht van de wetgever wordt gebracht en wellicht door de minister kan worden geagendeerd. Hierbij wordt ook verwezen naar het Afzinkkelder-arrest van de Hoge Raad. 03-07-2026
- Parket bij de Hoge Raad Conclusie advocaat-generaal Van Peursem na prejudiciële verwijzing terug uit Luxemburg. In zijn eerste conclusie betoogde de advocaat-generaal dat de bestuurder door het voorval met de handrem abrupt veranderde van bestuurder in verkeersslachtoffer en dus onder de bescherming van de WAM viel. Het HvJ EU heeft voor recht verklaard dat artikel 12 lid 1 Richtlijn 2009/103/EG zo uitgelegd moet worden dat de schade die is geleden door de bestuurder van een voertuig waarmee een eenzijdig verkeersongeval heeft plaatsgevonden niet hoeft te worden gedekt door de in deze richtlijn bedoelde verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, zelfs in een geval waarin een inzittende heeft ingegrepen in de besturing van dit voertuig en dit ongeval zich door dat ingrijpen heeft voorgedaan. De advocaat-generaal verandert nu ook van mening: er is geen WAM-dekking voor de bestuurder na handremingreep van een inzittende. De advocaat-generaal concludeert tot verwerping van het cassatieberoep. 03-07-2026
Hof
Rechtbank
- Rechtbank Noord-Nederland Strafrecht. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag gericht tegen een destijds 16-jarige jongen door hem met een mes in zijn buik te steken, ten gevolge waarvan het slachtoffer levensbedreigend gewond is geraakt. Dit door verdachte uitgeoefende geweld vond ogenschijnlijk plaats zonder enige aanleiding. Het slachtoffer heeft zich gevoegd als benadeelde partij. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij zowel fysiek als geestelijk letsel heeft opgelopen door het bewezenverklaarde handelen van verdachte. De rechtbank neemt, gelet op de overgelegde stukken, voor het fysieke letsel categorie 4.9. onder c (sub 2) en categorie 10 onder b van de Rotterdamse schaal als uitgangspunt en voor het geestelijke letsel betreft dit categorie 14.2 onder d. Daarnaast kijkt de rechtbank ook naar de hoogte van de schadevergoedingen die worden toegekend in soortgelijke zaken. In de onderhavige zaak kent de rechtbank bij het bepalen van het toe te wijzen bedrag ook gewicht toe aan de jonge leeftijd van het slachtoffer (de benadeelde partij). De rechtbank acht alles afwegende een bedrag van € 60.000 aan immateriële schadevergoeding billijk en zal dat bedrag dan ook toewijzen. Het neefje van het slachtoffer, die aanwezig was bij de steekpartij, heeft zich ook gevoegd als benadeelde partij. Voldoende is komen vast te staan dat hij geestelijk letsel heeft opgelopen door zijn confrontatie met de schokkende gebeurtenis. Er is bij hem PTSS vastgesteld. De rechtbank neemt categorie 14.2 onder d van de Rotterdamse schaal als uitgangspunt. Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde handelen van verdachte en de jonge leeftijd van de benadeelde partij zal de rechtbank deze schaal met 25% verhogen en vaststellen dat het bij de benadeelde partij objectief vastgestelde letsel tot een toewijzing aan de bovenkant van de schaal leidt. De rechtbank acht een bedrag van € 6.875 billijk en zal dat bedrag toewijzen. 14-07-2026
- Rechtbank Gelderland Strafrecht. De verdachte heeft in een psychose een vriendin bij wie hij logeerde doodgestoken. De vader en zus van het overleden slachtoffer hebben zich gevoegd als benadeelde partijen. De vader krijgt zijn affectieschade vergoed conform het Besluit vergoeding affectieschade. Het beroep van de zus op de hardheidsclausule in de zin van artikel 6:108 lid 4 onder g BW slaagt. Er is sprake van een bijzondere en hechte affectieve relatie. Het leeftijdsverschil was minder dan twee jaar. Na het overlijden van hun moeder, toen de benadeelde partij 11 jaar was, zijn zij samen naar een kostschool in Zwitserland gestuurd. Ze spraken de taal niet, waren in een nieuwe omgeving en zaten nog in een rouwproces. Ze mochten om die reden bij wijze van uitzondering een kamer delen en waren hierdoor nog meer op elkaar aangewezen. Hun band werd niet alleen gekenmerkt door wat ze samen deden, maar vooral door wat ze voor elkaar betekenden. Het overleden slachtoffer was niet alleen haar zus, maar ook haar vertrouwenspersoon en steun, waarbij de benadeelde partij altijd volledig zichzelf kon zijn. Vanaf februari 2024 woonde de benadeelde partij ook in een woning naast het overleden slachtoffer. Een andere benadeelde partij heeft zich ook gevoegd: zij vordert een vergoeding van € 1.500 aan shockschade. De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij niet direct nadat verdachte het bewezenverklaarde delict had gepleegd, geconfronteerd is geweest met het stoffelijk overschot van het overleden slachtoffer en de verwondingen die op haar lichaam waren aangebracht. Integendeel. Zij heeft het stoffelijk overschot pas bij de condoleance gezien, waarbij niet aannemelijk is dat zij op dat moment werd geconfronteerd met alle verwondingen op het lichaam en evenmin aannemelijk is dat sprake is geweest van een onverhoedse confrontatie. Dat de benadeelde partij later bij het schoonmaken van de woning met bloedspatten van het overleden slachtoffer is geconfronteerd moet heel akelig voor haar zijn geweest, maar ook dit valt niet onder de situaties waarop de Hoge Raad doelt. Reeds op grond van het voorgaande wordt niet voldaan aan de criteria voor schokschade. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij daarom afwijzen. 14-07-2026
- Rechtbank Amsterdam In 2022 is een destijds 11-jarig meisje gebeten door een hond in haar linkeronderbeen. Het meisje is hiervoor medisch behandeld. De wonden zijn genezen, maar zij heeft blijvende littekens, waarvan eentje kuilvormig is. De eigenaar van de hond heeft het meisje na de beet naar huis begeleid en een aantal van haar kosten vergoed. Hij heeft geen wettelijke aansprakelijkheidsverzekering. De ouders van het meisje vragen de kantonrechter om voor recht te verklaren dat de eigenaar aansprakelijk is voor de schade. Ook vragen zij onder meer als voorschot een vergoeding van € 5.000 voor immateriële schade. De eigenaar van de hond is het daar niet mee eens. Hij vindt dat hij de schade al heeft vergoed door onder meer de materiële kosten te betalen van (ongeveer) € 60. Bovendien vertrouwde hij erop dat de kwestie al was afgehandeld, zeker omdat hij al lange tijd niets meer had gehoord. Verder wijst hij erop dat het een schrikreactie van zijn hond was en dat het meisje eigen schuld heeft aan het incident, waardoor hij sowieso niets meer hoeft te betalen. De kantonrechter overweegt dat het niet uitmaakt of de hond uit schrik reageerde of niet. Het gaat erom of de hond schade heeft veroorzaakt. Omdat de man de bezitter van de hond is, is hij (risico)aansprakelijk voor de schade die door de beet is ontstaan. Het argument van de man dat hij erop mocht vertrouwen dat de zaak was afgerond, omdat de ouders de vergoeding van de materiële kosten hebben geaccepteerd en hij daarna lange tijd niets meer van hen heeft gehoord, slaagt niet. De vordering is niet verjaard. Ook zijn er geen omstandigheden waaruit volgt dat hij erop mocht vertrouwen dat de ouders geen schadevergoeding meer zouden vragen. Ze hebben dat nooit gezegd, en door de vergoeding van de materiële kosten te accepteren hebben ze ook niet de indruk gewekt dat ze het erbij zouden laten zitten. De kantonrechter volgt hem ook niet in het eigenschuldverweer. Het meisje stond stil op haar fiets in de steeg. En ook als zij niet stilstond maar daar zou hebben gefietst terwijl dat daar niet mocht, betekent dat nog niet dat zij zich op zo’n manier heeft gedragen dat de schade (deels) voor haar eigen rekening moet blijven. Zij heeft de hond bijvoorbeeld niet opgehitst. De kantonrechter oordeelt dat het meisje recht heeft op een vergoeding van haar immateriële schade. Het meisje heeft verteld dat de psychische gevolgen voor haar gelukkig niet groot zijn geweest. Zij heeft door de beet maar één nacht slecht geslapen en is ook niet bang geworden voor honden in het algemeen. Wel heeft ze het steegje een tijd vermeden, maar dat is niet zo erg. De littekens zijn wel jammer, zo heeft ze verteld, want die zie je als ze een korte broek of rok aanheeft. Het gaat bij de vaststelling van het smartengeld dus met name om de littekens. Om de hoogte van het smartengeld vast te stellen, wordt de Rotterdamse schaal gebruikt. Alles afwegend vindt de kantonrechter een smartengeldvergoeding van € 3.000 daarom passend. 10-07-2026
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant Strafrecht. Vrijspraak moord, veroordeling doodslag. De moeder en twee zoons van het overleden slachtoffer hebben zich gevoegd als benadeelde partijen. De verdediging heeft volstaan met een betwisting van de vorderingen van de benadeelde partijen, omdat de vorderingen twee dagen voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling zijn ingediend. De verdediging stelt dat als een vordering niet binnen een termijn van veertien dagen voor aanvang van het onderzoek ter terechtzitting ter kennis van de verdediging is gebracht, de verdediging in de regel zal kunnen volstaan met een betwisting zonder onderbouwing, met als gevolg de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de betwiste onderdelen van de vordering. Naar het oordeel van de rechtbank gaat dit standpunt in dit geval niet op. De vorderingen van de benadeelde partijen bestaan uit affectieschade en een factuur van de uitvaartkosten. De factuur is eenvoudig van aard en het kenmerk van affectieschade is dat deze wordt gevormd door forfaitaire bedragen voor een afgebakende kring van gerechtigden. Gelet op de aard van de vorderingen, de beperkte complexiteit ervan en de geringe omvang van de onderbouwing die eraan ten grondslag ligt, is de verdediging voldoende tijd gegund om behoorlijk te reageren. De benadeelde partijen zijn dan ook ontvankelijk in hun vorderingen. De benadeelde partijen krijgen hun affectieschade vergoed conform het Besluit vergoeding affectieschade. 09-07-2026
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant Strafrecht. De verdachte heeft zich samen met ten minste één ander schuldig gemaakt aan een kille en professionele liquidatie en een poging daartoe door middel van twee volautomatische vuurwapens. De moeder van het overleden slachtoffer heeft zich gevoegd als benadeelde partij. Haar affectieschade wordt vergoed conform het Besluit vergoeding affectieschade. Zij vordert ook vergoeding van shockschade: deze vordering wordt door de rechtbank afgewezen. De gevorderde shockschade is enkel onderbouwd met een beknopte toelichting van de benadeelde partij zelf. Hieruit komt onder meer naar voren dat de benadeelde partij door het overlijden van haar zoon zichtbaar en ingrijpend is geraakt. Zij heeft zeer veel verdriet en zit in een diep rouwproces. Op basis van deze toelichting kan echter niet worden vastgesteld of er sprake is van geestelijk letsel dat is ontstaan als gevolg van een emotionele schok door de directe confrontatie met het dodelijk letsel dat haar zoon heeft opgelopen. Ook de broer van het overleden slachtoffer vordert vergoeding van shockschade. De rechtbank overweegt dat uit de stukken blijkt dat de broer traumatische klachten heeft ontwikkeld, die een zeer negatieve weerslag op de kwaliteit van zijn leven hebben. Ook hier kan echter niet worden vastgesteld of er sprake is van geestelijk letsel dat is ontstaan als gevolg van een emotionele schok door de directe confrontatie met het dodelijk letsel dat zijn broer heeft opgelopen. De partner van de moeder van het overleden slachtoffer doet een beroep op de hardheidsclausule ex artikel 6:108 lid 4 onder g BW. Dit slaagt echter niet. De partner kreeg in 2018 een relatie met de moeder, toen het overleden slachtoffer niet meer thuis woonde. Hetgeen de benadeelde partij heeft gesteld, geeft weliswaar blijk van een warme familieband, maar niet dat dit een naar aard en intensiteit dusdanig nauwe persoonlijke relatie was, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij als naaste moet worden aangemerkt. De stiefvader van het overleden slachtoffer doet een beroep op artikel 6:108 lid 4 onder e BW. De stiefvader kan naar het oordeel van de rechtbank echter geen aanspraak maken op vergoeding van affectieschade op voornoemd artikel omdat er op het moment van overlijden geen sprake was van duurzame zorg in gezinsverband. Wel is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een onderlinge verhouding als bedoeld in artikel 6:108 lid 4 onder g BW: het slachtoffer en zijn stiefvader zijn bijna twintig jaar lang gezinsleden van elkaar geweest en de stiefvader beschouwt het slachtoffer als zijn eigen zoon. Van belang is bovendien dat het slachtoffer op de stiefvader terugviel op het moment dat hij geen verblijfplaats had en ook bij hem woonde op het moment dat hij is komen te overlijden. Krachtens het Besluit vergoeding affectieschade heeft hij daarmee recht op een bedrag van € 17.500. 09-07-2026
- Rechtbank Gelderland Tussenvonnis. In een eerder tussenvonnis is een deskundigenonderzoek bevolen over de looptijd van de door de eisende partij geleden en te lijden schade (het verlies aan verdienvermogen). De deskundige heeft de aan hem voorgelegde vragen beantwoord. De vraag die partijen verdeeld houdt is in hoeverre vervolgens rekening moet worden gehouden met het pre-existent letsel van de eisende partij en of hij al dan niet vanwege de aanwezigheid van een pensioenvoorziening eerder zou zijn gestopt met werken. De rechtbank acht, de goede en kwade kansen afwegend, aannemelijk dat de eisende partij in de hypothetische situatie tot aan het bereiken van zijn AOW-leeftijd (thans 67,5 jaar) zou hebben doorgewerkt in zijn onderneming. Dat betekent dat voor de berekening van zijn verlies aan verdienvermogen moet worden gerekend tot 30 maart 2034. De rechtbank kan zich voorstellen dat, nu er duidelijkheid is over het einde van de looptijd van deze schadepost, partijen in staat zijn in onderling overleg tot een berekening van de schade wegens het verlies aan verdienvermogen te komen. Wanneer dat in onderling overleg niet mogelijk blijkt, zal de rechtbank een deskundige benoemen, waarbij vooralsnog kan worden volstaan met één deskundige. Partijen zullen daarom in de gelegenheid worden gesteld zich in dat geval uit te laten over de persoon en de expertise van de te benoemen deskundige en de aan de deskundige te stellen vragen. De rechtbank noemt een potentiële deskundige bij naam. 08-07-2026
- Rechtbank Den Haag Deelgeschil. In 2016 vond een kettingbotsing plaats waarbij een automobiliste letsel heeft opgelopen. De automobiliste was ten tijde van het ongeval werkzaam als apotheker, maar is nu volledig arbeidsongeschikt verklaard. Zij ervaart nog steeds klachten. De WAM-verzekeraar van de auto die de kettingbotsing veroorzaakte heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend. Op gezamenlijk verzoek van partijen heeft een neurologische expertise plaatsgevonden. Deze neuroloog komt in zijn rapport tot de conclusie dat de huidige klachten van pijn in de nek en het achterhoofd redelijkerwijs als het gevolg van het ongeval moeten worden beschouwd. De WAM-verzekeraar blijft zich echter op het standpunt stellen dat er geen causaal verband is en baseert dit oordeel op het advies van haar eigen medisch adviseur. In geschil is tussen partijen of de rapportage van de neuroloog kan dienen als uitgangspunt voor de juridische beoordeling van de verzoeken van de vrouw. De rechtbank oordeelt dat de WAM-verzekeraar geen zwaarwegende en steekhoudende bezwaren heeft. De WAM-verzekeraar is in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over en kanttekeningen te plaatsen bij het conceptrapport. De medisch adviseur van de WAM-verzekeraar heeft geen aanleiding gezien tot het stellen van (aanvullende) vragen. Gelet op de voormelde bezwaren van de WAM-verzekeraar had dat wel op de weg van de WAM-verzekeraar gelegen. Om die reden moeten de bevindingen van de neuroloog tussen partijen tot uitgangspunt worden genomen. De WAM-verzekeraar kan niet achteraf, als de uitkomsten van de gezamenlijke rapportage van 2021 haar niet bevallen en er pas in 2023 een onderzoek is uitgevoerd naar de impact van het ongeval, alsnog aanvullende vragen stellen en dan in dit stadium nog verlangen dat er aanvullend psychologisch en neurologisch onderzoek wordt gedaan of verder onderzoek wordt gedaan naar de impact van het ongeval. Dat had de WAM-verzekeraar allemaal kunnen aankaarten in het kader van de gezamenlijke expertise en dat heeft zij niet gedaan. Van een redelijk handelend verzekeraar mag onder deze omstandigheden worden verwacht dat zij zich conformeert aan het rapport van een in gezamenlijk overleg ingeschakelde deskundige. Op basis van de verschillende door de vrouw overgelegde medische rapporten die zijn opgesteld en het rapport van de neuroloog is de rechtbank van oordeel dat de vrouw heeft aangetoond dat haar klachtenpatroon plausibel is en dan mogen aan het bewijs van het oorzakelijk verband geen al te hoge eisen worden gesteld, in die zin dat het ontbreken van een specifieke, medisch aantoonbare verklaring voor de klachten niet in de weg staat aan het oordeel dat het bewijs van het oorzakelijk verband geleverd is. De vrouw toont een consistent, consequent en samenhangend klachtenpatroon. Een alternatieve (zelfstandige) verklaring voor de klachten is onvoldoende aannemelijk geworden. Het causaal verband wordt aangenomen. Het verzoek van de vrouw om voor recht te verklaren dat (een deel van) de door haar beschreven symptomen en klachten leiden tot beperkingen bij haar als gevolg waarvan zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is wordt afgewezen. Een in opdracht van partijen uitgevoerd verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek heeft immers nog niet plaatsgevonden en het is niet aan de rechtbank om zonder dergelijk onderzoek zelf vast te stellen dat de met het ongeval causaal samenhangende klachten en symptomen leiden tot beperkingen die tot gevolg hebben dat de vrouw volledig en duurzaam arbeidsongeschikt moet worden geacht. Dat geldt zelfs in het geval dat dit voor de hand lijkt te liggen. 03-07-2026
- Rechtbank Midden-Nederland Deelgeschil. In 2025 heeft in Utrecht een auto-ongeluk plaatsgevonden waarbij een vrouw letsel heeft opgelopen. De vrouw heeft de Nederlandse vertegenwoordiger van de WAM-verzekeraar van de betrokken auto aangesproken. Aanvankelijk is de aansprakelijkheid afgewezen, maar daarna is deze op 22 juli 2025 alsnog erkend. Op 22 oktober 2025 is de vertegenwoordiger teruggekomen op deze erkenning en heeft zij de aansprakelijkheid afgewezen. De vrouw is van mening dat de vertegenwoordiger niet mag terugkomen op deze erkenning. Zij is daarom deze deelgeschilprocedure gestart. De rechtbank is van oordeel dat van dwaling of een nieuw relevant feit geen sprake is geweest, zodat de verzekeraar aan haar onvoorwaardelijke erkenning gebonden is. 02-07-2026
- Rechtbank Noord-Holland Bij tussenbeschikking van 4 juni 2026 heeft de rechtbank de behandeling van de zaak aangehouden zodat partijen zich uit konden laten over de hoogte van het voorschot van de te benoemen psychiater. In deze beschikking benoemt de rechtbank de psychiater als deskundige. 01-07-2026
- Rechtbank Den Haag In een eerder tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat zij aanleiding ziet om een psychiater als tweede deskundige te benoemen, aan wie de IWMD-vraagstelling wordt voorgelegd. Partijen zijn akkoord met de door de rechtbank voorgestelde persoon van de deskundige. Zij bleek echter het onderzoek niet te kunnen uitvoeren en heeft een collega-psychiater aangeraden. De eisende partij is akkoord met benoeming van deze psychiater en zijn kostenbegroting. De wederpartij maakt bezwaar: de psychiater zou geen civielrechtelijke (letsel)schadekwesties behandelen. De rechtbank gaat aan dit bezwaar voorbij. De psychiater heeft zich bereid verklaard het onderzoek te verrichten, waaruit volgt dat hij zich daartoe in staat acht. Ook constateert de rechtbank dat de psychiater wel degelijk eerder in een civiele procedure als deskundige is benoemd. Bovendien zal aan de psychiater worden gevraagd een zogenoemd disclosure statement af te geven, alvorens over te gaan tot het inhoudelijke onderzoek. Na afgifte van dit statement zal aan de psychiater de IWMD-vraagstelling worden voorgelegd, tenzij de inhoud van het disclosure statement en de reacties daarop van partijen aanleiding zouden geven tot een andere beslissing. 01-07-2026
- Rechtbank Overijssel Deelgeschil. In 2025 is een automobiliste van achteren aangereden door een andere auto. De automobiliste heeft hierbij letsel opgelopen. De WAM-verzekeraar van de andere auto heeft aansprakelijkheid erkend. De automobiliste verzoekt aanvullende voorschotten ten titel van buitengerechtelijke kosten en smartengeld te begroten en de WAM-verzekeraar te veroordelen tot betaling daarvan. Ook verzoekt de automobiliste onder meer om de WAM-verzekeraar te veroordelen tot medewerking aan benoeming van een gezamenlijke deskundige dan wel om haar te machtigen zelfstandig en op kosten van de WAM-verzekeraar een deskundige in te schakelen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de automobiliste erkend dat van een medische eindsituatie nog geen sprake is, dat de medische informatie nog niet is uitgekristalliseerd en dat het inschakelen van een deskundige daarom wellicht prematuur is. Nu beide partijen het erover eens zijn dat het inschakelen van een deskundige prematuur is, zullen de daarop betrekking hebbende vorderingen worden afgewezen. Omdat het causaal verband niet kan worden vastgesteld bestaat ook te weinig duidelijkheid over de omvang van de aan het ongeval toe te rekenen schade. Dit betekent dat de kantonrechter nu niet kan vaststellen dat de automobiliste een vorderingsrecht heeft dat het reeds verstrekte voorschot overstijgt. De vordering met betrekking tot het smartengeld wordt dus afgewezen. 29-06-2026
- Rechtbank Noord-Holland In 2020 heeft een destijds 21-jarige bestuurder van een auto een eenzijdig verkeersongeval veroorzaakt. Hij reed tegen een boom, waarbij hij ernstig letsel (incomplete dwarslaesie) heeft opgelopen, net als de andere drie inzittenden van de auto. De auto was in eigendom van een bv waar de vader van de bestuurder indirecte medeaandeelhouder en medebestuurder van was. De bestuurder reed met toestemming van zijn vader in de auto. De bestuurder wenst de door hem geleden en te lijden schade te verhalen op de WAM- en cascoverzekeraar van de auto. Deze verzekeraar wenst op haar beurt de door haar uitgekeerde schadebedragen te verhalen op de bestuurder. De rechtbank wijst de vordering van de bestuurder af. Het door de bestuurder weigeren van een bloedproef leidt in dit geval op grond van de polisvoorwaarden tot geen recht op uitkering. Het aanbod van de bestuurder om alsnog uitslagen van het ziekenhuis van een bloedafname, te weten zijn bloedwaardes van de bewuste avond, te overleggen leidt niet tot een ander oordeel. Dit maakt namelijk de eerdere weigering om mee te werken aan het bloedonderzoek niet ongedaan. De bestuurder heeft daarmee verhinderd dat de verzekeraar kon vaststellen of sprake was van alcohol- of drugsgebruik. De verzekeraar heeft onverschuldigde betalingen aan de bestuurder gedaan. Daarnaast mag de verzekeraar op grond van artikel 15 lid 1 WAM de uitkeringen die zij heeft gedaan aan de andere inzittenden verhalen op de bestuurder, omdat hij niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt. De door de verzekeraar betaalde cascoschade aan de auto komt ook voor rekening van de bestuurder. 24-06-2026
- Rechtbank Overijssel Een man stelt dat hij COPD heeft ontwikkeld door blootstelling aan chroom-6 gedurende zijn werkzaamheden van 1985 tot en met 2006 op een werkplaats. Hij heeft in 2021 een verzoek tot schadevergoeding gedaan op grond van de Regeling uitkering chroom-6. De staatssecretaris heeft dit verzoek afgewezen omdat niet voldaan is aan de voorwaarde uit de regeling dat de COPD binnen tien jaar (de latentieperiode) na de laatste blootstelling aan chroom-6 is vastgesteld. De rechtbank gaat ook uit van de latentieperiode van tien jaar en is van oordeel dat de staatssecretaris het verzoek om schadevergoeding van de man op goede gronden heeft kunnen afwijzen. Immers, bij een openbaring van COPD meer dan vijf jaar na de laatste blootstelling aan chroom-6, is het al niet meer aannemelijk dat de COPD (mede) daardoor is veroorzaakt. 23-06-2026
- Rechtbank Noord-Holland Een man werd in oktober 2023 met een acute klaplong opgenomen in een ziekenhuis. Ter behandeling werd er bij hem een (thorax)drain geplaatst. De dagen erna ontwikkelde zich ophoping van lucht onder de huid en verslechterde zijn gezondheidssituatie. Hij is toen overgeplaatst naar de intensive care, waar hij enkele dagen later is overleden. De erfgenamen van de overleden man stellen zich op het standpunt dat het ziekenhuis bij de medische behandeling verwijtbaar onzorgvuldig heeft gehandeld en hebben het ziekenhuis aansprakelijk gesteld. Het ziekenhuis en haar aansprakelijkheidsverzekeraar hebben de aansprakelijkheid afgewezen. De erfgenamen willen meer duidelijkheid over hun procespositie en willen dat een longarts naar de zaak kijkt. Het ziekenhuis en haar aansprakelijkheidsverzekeraar voeren geen verweer. Partijen zijn het eens over de persoon van de deskundige. De rechtbank wijst het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht toe. De kosten van het voorschot worden door de Staat voorgeschoten. 18-06-2026
- Rechtbank Gelderland Een destijds 17-jarig meisje heeft zelfmoord gepleegd. Het meisje heeft voor haar dood regelmatig contact gehad met jongerenwerkers van een welzijnsorganisatie: zowel telefonisch, in persoon en via WhatsApp. De gemeente heeft het overlijden van het meisje als calamiteit gemeld bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. De inspectie heeft haar bevindingen neergelegd in een onderzoekrapport. Hierin wordt geconcludeerd dat de zorg en ondersteuning aan het meisje gedeeltelijk passend was. De advocaat van de vader van het meisje heeft de welzijnsorganisatie verzocht om inzage in en kopie van alle stukken die betrekking hebben op de ondersteuning die de organisatie en haar jongerenwerkers hebben geboden aan het meisje. De welzijnsorganisatie weigert dit. Zij stelt dat de jongerenwerkers een geheimhoudingsplicht hebben en dat niet is gebleken van een zwaarwegend belang van de vader dat tot doorbreking van die geheimhoudingsplicht kan leiden. De vader verzoekt nu de rechtbank om de organisatie te bevelen tot afgifte van de stukken en een voorlopig getuigenverhoor te gelasten. De rechtbank stelt voorop dat het overlijden van het meisje een uiterst verdrietige gebeurtenis is, die vanzelfsprekend een grote weerslag heeft op de vader en de andere nabestaanden. Vanuit menselijk oogpunt valt alleszins te begrijpen dat de nabestaanden van het meisje op zoek zijn naar antwoorden. Ook anderen die bij het meisje betrokken waren, zijn door haar zelfdoding geraakt. Dit laat echter onverlet dat het verzoek van de vader tot afgifte van de gegevens van zijn dochter langs een juridische lat moet worden gelegd. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat tussen de vader en de organisatie een rechtsbetrekking in de zin van artikel 194 Rv omdat hij (gemotiveerd en met stukken onderbouwd) stelt dat de organisatie haar zorgplicht heeft geschonden en hij wil onderzoeken of de organisatie jegens hem verplicht is tot vergoeding van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat zoals bedoeld in artikel 6:108 lid 3 BW. De gevraagde gegevens zijn voldoende bepaald. De vader heeft voldoende belang bij inzage. Er is naar het oordeel van de rechtbank gegronde reden voor twijfel dat de begeleiding van de organisatie naar behoren is verleend, gelet op het rapport van de inspectie. Gesteld nog gebleken is dat op jongerenwerkers een wettelijke geheimhoudingsplicht rust. Evenmin komt hen een wettelijk verschoningsrecht toe. Hoewel de rechtbank zonder meer aanneemt dat jongerenwerkers op deze wijze zinvol en maatschappelijk relevant werk verrichten waaraan een vertrouwensrelatie met de jongere bijdraagt, is daarmee nog niet aannemelijk dat met het effectief kunnen uitoefenen van het beroep van jongerenwerker zwaarwegende maatschappelijke belangen zijn gemoeid, laat staan dat deze belangen aanmerkelijk zouden kunnen worden geschaad zonder het aanvaarden van het verschoningsrecht en dat het algemeen belang van de waarheidsvinding daarvoor moet wijken. Ten slotte hebben zij ook geen afgeleid verschoningsrecht ten aanzien van de informatie die betrekking heeft op zorg door de huisarts en diens praktijkondersteuners. De jongerenwerkers en/of de organisatie hebben immers geen werkzaamheden voor de huisarts(enpraktijk en -ondersteuners) verricht uit hoofde waarvan hen informatie bekend is. De rechtbank wijst ook het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor toe. Het verzoek voldoet aan de daarvoor geldende vereisten. De vader heeft bij zijn verzoek een in rechte te respecteren belang en de verweren van de organisatie bieden op zichzelf en in onderlinge samenhang onvoldoende grond om het verzoek af te wijzen. 12-06-2026
- Rechtbank Gelderland Een destijds 17-jarig meisje heeft zelfmoord gepleegd. Het meisje heeft voor haar dood regelmatig contact gehad met haar huisartsenpraktijk. De gemeente heeft het overlijden van het meisje als calamiteit gemeld bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. De inspectie heeft haar bevindingen neergelegd in een onderzoekrapport. Hierin wordt geconcludeerd dat de zorg en ondersteuning aan het meisje gedeeltelijk passend was. De vader verzoekt de rechtbank om de huisartsenpraktijk te bevelen een kopie van het medisch dossier van zijn dochter af te geven voor zover dat in verband staat met de zelfdoding en/of de psychische gesteldheid van zijn dochter. Daarnaast verzoekt hij de rechtbank om een voorlopig getuigenverhoor te gelasten. De rechtbank stelt voorop dat het overlijden van het meisje een uiterst verdrietige gebeurtenis is, die vanzelfsprekend een grote weerslag heeft op de vader en de andere nabestaanden. Vanuit menselijk oogpunt valt alleszins te begrijpen dat de nabestaanden van het meisje op zoek zijn naar antwoorden. Ook anderen die bij het meisje betrokken waren, zijn door haar zelfdoding geraakt. Dit laat echter onverlet dat het verzoek van de vader tot afgifte van de gegevens van zijn dochter langs een juridische lat moet worden gelegd. De rechtbank overweegt dat er twijfel is of de huisartsenpraktijk de zorg aan het meisje naar behoren heeft verleend. Aan de hand van het dossier kan inzichtelijk worden welke signalen wanneer en met wie zijn gedeeld en op welke wijze de huisartsenpraktijk daarmee vervolgens is omgegaan. De vader heeft aannemelijk gemaakt dat hij een zwaarwegend belang heeft bij inzage in het medisch dossier van zijn dochter. Het inzageverzoek wordt toegewezen op grond van artikel 7:458a lid 1 sub c BW. De rechtbank volgt het standpunt van de huisartsenpraktijk niet dat de enige wettelijke toegestane route inzage is door een onafhankelijke arts ex artikel 7:458b BW. Deze regeling biedt de verzoekende partij een extra voorziening, maar de verzoekende partij wordt niet verplicht om van deze voorziening gebruik te maken. Dat de vader deze weg niet heeft bewandeld staat niet in de weg aan toewijzing van het inzageverzoek. Het feit dat de dochter tijdens haar leven niet wilde dat haar ouders werden geïnformeerd over haar medische situatie zorgt er ook niet voor dat het inzageverzoek moet worden afgewezen. De dochter heeft niet uitdrukkelijk uitgesproken dat zij niet wenste dat haar ouders te allen tijde, en specifiek na haar overlijden, inzage in of afschrift van gegevens uit haar medisch dossier zouden krijgen en dat deze wens elektronisch of schriftelijk is vastgelegd. Ook het verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor wordt toegewezen. Het verzoek voldoet aan de daarvoor geldende vereisten. De vader heeft bij zijn verzoek een in rechte te respecteren belang en de verweren van de huisartsenpraktijk bieden op zichzelf en in onderlinge samenhang onvoldoende grond om het verzoek af te wijzen. 12-06-2026
- Rechtbank Noord-Holland In 2012 en in 2020 is een man betrokken geraakt bij tweezijdige verkeersongevallen. Hij stelt door beide ongevallen letsel te hebben opgelopen. De wederpartijen bij de verkeersongevallen zijn bij dezelfde WAM-verzekeraar verzekerd. In een eerdere beschikking in deze zaak heeft de rechtbank bepaald dat er een voorlopig deskundigenonderzoek door een neuroloog moest plaatsvinden naar de gevolgen van het tweede ongeval. Dat onderzoek heeft inmiddels plaatsgevonden en de benoemde deskundige heeft een schriftelijk rapport opgesteld. In deze procedure verzoekt de man dat de rechtbank een voorlopig deskundigenonderzoek door een psychiater en een revalidatiearts beveelt. De WAM-verzekeraar voert verweer en stelt dat het onderzoek van de neuroloog opnieuw moet plaatsvinden, maar dan door een andere deskundige. De rechtbank oordeelt dat er geen reden is een nieuw deskundigenonderzoek door een neuroloog te bevelen. De rechtbank zal een deskundigenonderzoek door een psychiater bevelen, maar niet door een revalidatiearts. De rechtbank houdt de zaak aan, zodat partijen zich uit kunnen laten over de hoogte van het voorschot van de te benoemen psychiater. 04-06-2026
- Rechtbank Noord-Holland Deelgeschil. In 2021 is een vrouw als passagier betrokken geraakt bij een aanrijding toen de bestuurder van de auto op enig moment de macht over het stuur verloren is. Als gevolg van dit ongeval heeft de vrouw ernstig letsel opgelopen. Zij verzoekt de rechtbank onder meer voor recht te verklaren dat de WAM-verzekeraar van de auto waar zij in zat volledig aansprakelijk is voor de schade die zij als gevolg daarvan lijdt. De verzekeraar heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend, maar voert aan dat aan de vrouw een percentage eigen schuld (25%) moet worden toegerekend: enerzijds omdat zij tijdens het ongeval geen gordel droeg en anderzijds omdat zij is ingestapt bij een bestuurder die onder invloed van alcohol verkeerde. De rechtbank is van oordeel dat aan de vrouw een percentage eigen schuld moet worden toegerekend. De vrouw had drie minuten de tijd om haar gordel om te doen. Dat zij dus geen enkele gelegenheid zou hebben gehad om haar gordel om te doen is niet aannemelijk. Uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat het dragen van een gordel de kans op ernstig letsel bij aanrijdingen aanzienlijk vermindert. Dat het in dit specifieke geval anders zou zijn, zoals de vrouw stelt, heeft zij niet onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbijgaat. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er voldoende momenten geweest waarop de vrouw en de bestuurder dicht bij elkaar in de buurt zijn geweest. Gelet op het hoge alcoholpromillage in het bloed van de bestuurder kan het niet anders dan dat de bestuurder uiterlijke kenmerken vertoonde waardoor voor anderen, en dus ook voor de vrouw, kenbaar was dat hij onder invloed van een zodanige hoeveelheid alcohol was, dat hij geen auto meer mocht (en kon) besturen. Dit had de vrouw ervan moeten weerhouden bij hem in de auto te stappen. De rechtbank is wel van oordeel dat bij de causaliteitsafweging geldt dat aan de bestuurder een aanzienlijk groter deel van de omstandigheden moet worden toegerekend. De bestuurder is namelijk onder invloed van alcohol en zonder dat hij over een geldig rijbewijs beschikte, met een snelheid van ongeveer 100 km/u (terwijl 50 was toegestaan) over een in het midden van de weg gelegen groenstrook gereden waardoor hij op de andere weghelft in botsing kwam met een tegenligger. Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat er sprake is van een percentage eigen schuld van 40%. Een billijkheidscorrectie is op zijn plaats. Er is sprake van een zeer ernstig verkeersongeval. Als gevolg van het ongeval heeft de vrouw ernstig letsel opgelopen, waaronder een gecompliceerde heupfractuur, een heupluxatie, een dijbeenfractuur en een armfractuur. De vrouw heeft als gevolg van het letsel gedurende langere tijd moeten revalideren. Daarbij geldt dat zij ook nu nog altijd klachten ervaart en dat zij niet verzekerd is voor haar schade. Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat een billijkheidscorrectie van 15% passend is. De schadevergoedingsverplichting van de verzekeraar bedraagt 75%. 15-05-2026
- Rechtbank Gelderland Deelgeschil. In 2023 is een vrouw op een bakfiets betrokken geraakt bij een eenzijdig ongeval. Zij is ten val gekomen, waarbij zij onder meer letsel aan haar hoofd heeft opgelopen. De vrouw stelt dat zij ten val is gekomen doordat de remmen niet meer functioneerden, waardoor er sprake zou zijn van een gebrekkig product. Zij heeft verschillende partijen aangesproken, waaronder de verkoper, het bedrijf dat de bakfiets in het verkeer heeft gebracht en het bedrijf dat haar naam aan de fiets verbonden heeft. Deze partijen voeren afzonderlijk verweer. De rechtbank overweegt dat uit de stukken niet blijkt hoe de vrouw precies ten val is gekomen en op welke plek. De conclusie is dan ook dat bij deze stand van zaken te veel onduidelijkheden bestaan die wel van belang zijn voor de beoordeling van de toedracht van het ongeval. Dat betekent dat in dit deelgeschil de toedracht niet kan worden vastgesteld. Daar komt bij dat er weliswaar aanwijzingen zijn dat er sprake is geweest van het niet of verminderd functioneren van de remkabels, maar dat in deze procedure niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de remwerking zodanig was verminderd dat de vrouw in het geheel niet meer kon remmen. Uit het voorgaande volgt dat zonder nadere instructie niet op het verzoek kan worden beslist. De met een dergelijke instructie gepaard gaande tijd en moeite, hoogstwaarschijnlijk in de vorm van getuigenverhoren en mogelijk deskundigenonderzoeken, staan naar het oordeel van de rechtbank niet in verhouding tot de kans dat een vaststellingsovereenkomst tot stand zal komen. 03-04-2026
- Rechtbank Gelderland Deelgeschil. In 2022 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een personenauto en een bestelbus. De bestelbus is op een tot stilstand gekomen personenauto gebotst. De bestuurster van de personenauto is per ambulance naar het ziekenhuis vervoerd. Later is zij overgebracht naar een hospice, waar zij op 71-jarige leeftijd is overleden. De echtgenoot van de overleden vrouw verzoekt de rechtbank onder andere voor recht te verklaren dat de WAM-verzekeraar van de bestelbus aansprakelijk is voor alle overlijdensschade, vermogensschade en affectie- en shockschade die hij lijdt als gevolg van het verkeersongeval. Aan dit verzoek heeft hij ten grondslag gelegd dat de bestuurder van de bestelbus op grond van artikel 6:162 BW en artikel 19 RVV aansprakelijk is voor de door hem geleden schade. De bestuurder had voldoende afstand moeten houden, moeten anticiperen op de snelheid van zijn vrouw en in staat moeten zijn om zijn voertuig tijdig tot stilstand te brengen. De rechtbank overweegt dat het vaste rechtspraak is dat het achter op een auto rijden geen uitzondering rechtvaardigt op de hoofdregel van bewijslastverdeling. Ook is dit onvoldoende basis om aan te nemen dat de bestuurder van de achterste auto een toerekenbare verkeersfout heeft gemaakt. De rechtbank kan slechts vaststellen dat de overleden vrouw onder kenbare (verkeers)noodzaak, plotseling en krachtig heeft geremd. Een bestuurder moet weliswaar bedacht zijn op onverwachte gebeurtenissen en ook plotseling en tijdig kunnen anticiperen op afremmend verkeer, maar gelet op de omstandigheden op de weg gaat het te ver om van de bestuurder van de bestelbus te verwachten dat hij zijn voertuig zo onverwachts, zonder enige aanleiding of waarschuwing, geheel tot stilstand kon brengen zonder daarbij de auto van de overleden vrouw te raken. Aangezien niet is komen vast te staan dat de bestuurder van de bestelbus te weinig afstand hield of onoplettend heeft gereden, betekent het enkele feit dat hij achter op de auto van de overleden vrouw is gebotst dus niet dat hij een toerekenbare verkeersfout heeft gemaakt. Er is sprake van een zeer noodlottig ongeval, maar voor de gevolgen daarvan kan de WAM-verzekeraar niet aansprakelijk worden gehouden. De gevraagde verklaring voor recht zal worden afgewezen. 01-12-2025
- Rechtbank Gelderland Deelgeschil. In 2016 is een automobilist van achteren aangereden door een andere auto. De WAM-verzekeraar van deze andere auto heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend. De automobilist stelt dat hij als gevolg van het ongeval blijvend letsel heeft opgelopen, bestaande uit pijnklachten aan de nek, schouder en rug, hoofdpijnklachten, cognitieve klachten, psychische klachten en slaapproblemen. Ten tijde van het ongeval werkte de automobilist in loondienstverband als magazijnmedewerker en als zelfstandige in de avonduren als schoonmaker van scholen en kantoren. Na het ongeval is hij voor beide werkzaamheden uitgevallen. De WAM-verzekeraar heeft in de periode vanaf het ongeval tot medio 2020 in totaal een bedrag van € 56.000 op de materiële schade bevoorschot. Ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten heeft zij € 30.000 bevoorschot. De schaderegeling is vastgelopen. Partijen verschillen onder andere van mening over het eventuele verrekenen van de door de man ontvangen transitievergoeding (€ 20.866,37 bruto). Volgens de man is dat in deze zaak niet redelijk. De rechtbank overweegt dat er sprake is van causaal verband tussen het ongeval en het recht op transitievergoeding. Dat bij een later ontslag de transitievergoeding hoger zou zijn geweest, is geen omstandigheid die dit anders maakt. Indien de automobilist in dienst zou zijn gebleven, staat immers niet vast dat zijn dienstverband uiteindelijk zou zijn beëindigd door middel van een vaststellingsovereenkomst en het uitkeren van een transitievergoeding of door, bijvoorbeeld, het zelf opzeggen van de arbeidsovereenkomst. De vraag is vervolgens of sprake is van een verkregen voordeel. De rechtbank acht van belang dat de transitievergoeding naar haar aard strekt tot compensatie voor het ontslag en de kosten voor de transitie naar een andere baan. De vergoeding dekt dus deels eventuele schade bestaande uit verlies aan inkomen na het ontslag. Naar het oordeel van de rechtbank is er daarmee voldoende aanleiding deze te betrekken in de berekening van het verlies aan verdienvermogen bij de schadeafwikkeling. Anderzijds acht de rechtbank van belang dat de vergoeding wordt berekend op basis van de duur van het dienstverband en daarmee ook een tegemoetkoming is om de gevolgen van het ontslag voor de werknemer te verzachten. In die zin heeft de vergoeding, naar het oordeel van de rechtbank, ook iets in zich van een compensatie voor het verlies van een baan in bredere zin dan enkel in financieel opzicht. De rechtbank acht dan ook redelijk om over te gaan tot verrekening van 50% van de netto verkregen transitievergoeding. De rechtbank overweegt verder dat er geen sprake is van een onzorgvuldige of anderszins schadetoebrengende handelswijze aan de zijde van de WAM-verzekeraar. 10-09-2025