Update
Geachte heer/mevrouw,
Hierbij treft u de nieuwe PS Updates aan.
Rechtspraak
In deze nieuwsbrief hebben wij een selectie opgenomen van de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken, die te raadplegen zijn via de hyperlinks onder aan deze nieuwsbrief.
Deze week lichten wij een drietal uitspraken voor u uit. In de eerste uitspraak wordt geoordeeld over het al dan niet voorleggen van de Tromp/Elemans-vraagstelling aan een neuropsycholoog. In de tweede uitspraak laat het Gerecht in Eerste Aanleg zich uit over de ongelijkheid in het toekennen van affectieschade tussen de BES-eilanden en Europees Nederland. In de derde uitspraak oordeelt de rechtbank over schokschade na het zien van televisiebeelden door een nabestaande.
Rechtbank legt Tromp/Elemans-vraagstelling niet voor aan neuropsycholoog vanwege bezwaren NVN/NIP.
In 2017 liep een man tegen de glazen pui in een winkel. Hij liep als gevolg hiervan letsel op. De schadeverzekeraar van de eigenaar van de winkel heeft aansprakelijkheid voor dit voorval erkend. De man is door het UWV volledig arbeidsongeschikt verklaard. De man verzoekt nu om het benoemen van drie deskundigen om zijn letsel te beoordelen: een neuroloog, een neuropsycholoog en een psychiater. De verzekeraar kan zich vinden in het benoemen van een neuroloog en een neuropsycholoog. Zij stelt zich echter op het standpunt dat de neuropsycholoog het onderzoek moet verrichten als hulponderzoek binnen het kader van het onderzoek van de neuroloog. De verzekeraar verzet zich daarnaast tegen het hanteren van de Tromp/Elemans-vraagstelling voor de neuropsycholoog. Zij voert aan dat vraagtekens kunnen worden gezet bij de objectiviteit van de Tromp/Elemans-vraagstelling en dat deze tot op heden geen algemeen geaccepteerde/gestandaardiseerde vraagstelling binnen de juridische en medisch-juridische praktijk is. Nu het gebruik van deze vraagstelling afwijkt van hetgeen gebruikelijk is, zijn de resultaten aan interpretatiegevoeligheid onderhevig. De rechtbank noemt een deskundige. Partijen zijn het verder eens over het voorleggen van de IWMD-vraagstelling aan hem. De rechtbank zal de nieuwste versie van deze vraagstelling inclusief de optionele vraag daarom voorleggen aan de deskundige. De rechtbank overweegt dat in het kader van een voorlopig deskundigenbericht, de wet maar beperkt de ruimte geeft om het verzoek tot het benoemen van een neuropsycholoog af te wijzen. Het door de verzekeraar aangevoerde belang is onvoldoende gewichtig om het verzoek af te wijzen. Niettemin is op basis van het partijdebat wel gebleken dat partijen het gelet op de bruikbaarheid van de rapporten van de deskundigen en het tegengaan van tegenstrijdige conclusies, wenselijk vinden dat een zeker samenspel plaatsvindt tussen de neuroloog en neuropsycholoog, waarbij de deskundigen acht kunnen slaan op hetgeen de andere deskundige heeft vastgesteld. De rechtbank wil aan deze wens tegemoetkomen. De rechtbank zal daarom beslissen dat de deskundigen eerst ieder een eigen conceptrapportage zullen opstellen. De andere deskundige zal – indien de man geen gebruik maakt van zijn blokkeringsrecht – vervolgens de gelegenheid worden gegeven van die conceptrapportage kennis te nemen alvorens een definitieve rapportage op te stellen waarin – voor zover van belang – kan worden ingegaan op hetgeen de andere deskundige in zijn conceptrapportage heeft vastgesteld. De rechtbank benoemt verder dat de Expertgroep Personenschade van het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton (LOVCK) de Tromp/Elemans-vraagstelling heeft voorgelegd aan de beroepsverenigingen voor neurologie en neuropsychologie (NVN/NIP). De reactie van deze verenigingen komt erop neer dat de vraagstelling niet bruikbaar is. Gelet op de bezwaren van de beroepsgroep, ziet de rechtbank aanleiding deze vraagstelling niet voor te leggen aan deskundige. De IMWD-vraagstelling zal dus ook aan de andere deskundige die door de rechtbank wordt benoemd worden voorgelegd. (PS 2026-0293)
Gerecht: ongelijkheid wat betreft affectieschade tussen Europees Nederland en Caribisch Nederland is onwenselijk.
Strafrecht. Moord op Saba op een brandweerman. De nabestaanden van het overleden slachtoffer vorderen schadevergoeding. Op de zitting heeft de advocaat van de familie de vordering tot schadevergoeding toegelicht, en aangevoerd dat de nabestaanden van het slachtoffer door het verlies immateriële schade hebben geleden. Voor het Gerecht staat buiten twijfel dat de moord op het slachtoffer de nabestaanden veel leed heeft berokkend. Het gewelddadige overlijden van een familielid brengt een diep verdriet en een groot gemis met zich mee. De vordering van de familie van het slachtoffer stuit echter op twee formeel strafrechtelijke bezwaren. Ten eerste is de vordering namens de familie als geheel ingediend. De wet biedt echter geen grondslag voor een dergelijke collectieve vordering. Ten tweede ziet de vordering feitelijk op vergoeding van affectieschade. Affectieschade is kort gezegd immateriële schade die bestaat uit het verdriet dat wordt veroorzaakt door het overlijden van een naaste als gevolg van een gebeurtenis waarvoor iemand anders aansprakelijk is. Juist in verband met situaties als deze is in Europees Nederland de mogelijkheid ingevoerd om affectieschade te vorderen. Die mogelijkheid bestaat op de BES echter (nog) niet. Waarom deze ongelijkheid tussen Europees Nederland en Caribisch Nederland bestaat, is het Gerecht niet duidelijk, en is in de ogen van het Gerecht ook onwenselijk. Het Gerecht is bekend met de omstandigheid dat de wetgever bezig is ook op de BES toekenning van affectieschade mogelijk te maken, en het Gerecht hoopt dat de wetgever hiermee haast maakt. Maar het gaat de rechtsvormende taak van het Gerecht te buiten om in deze zaak, zonder wettelijke basis, affectieschade toe te kennen. Hoe zuur dit voor de nabestaanden ook is. Het Gerecht zal daarom de familie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding. Ook de partner van het slachtoffer, die aanwezig is geweest bij de moord op haar partner, kan geen affectieschade worden toegekend, op dezelfde grond als hiervoor overwogen. Wel krijgt zij USD 5.000 toegekend omdat de verdachte van een korte afstand op haar heeft geschoten, hetgeen naar zijn aard een zodanig ernstige normschending betreft dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen zonder dat hoeft vastgesteld te worden welke concrete gevolgen zij daarvan heeft ondervonden. (PS 2026-0304)
Schokschade na het kijken van televisiebeelden.
Strafrecht. De verdachte wordt veroordeeld voor doodslag. Het slachtoffer heeft de verdachte, na telefonische bedreigingen over en weer, bij zijn woning opgezocht en heeft al schreeuwend op de voordeur van de verdachte staan bonken. De verdachte heeft vervolgens twee grote keukenmessen gepakt en is hiermee bewapend de confrontatie met het slachtoffer aangegaan. Tijdens het daaropvolgende gevecht heeft de verdachte het ongewapende slachtoffer meermalen gestoken, onder meer in zijn nek en bovenarm. De partner, moeder en de twee kinderen van het overleden slachtoffer hebben zich gevoegd als benadeelde partijen. De benadeelden partijen krijgen hun affectieschade vergoed conform het Besluit vergoeding affectieschade. Daarnaast krijgt de partner van het overleden slachtoffer € 15.000 aan shockschade vergoed. Bij haar is een hevige emotionele schok teweeggebracht door de directe visuele confrontatie met de directe gevolgen van de doodslag op haar partner, toen zij de televisiebeelden bekeek die voor het televisieprogramma Bureau Utrecht zijn gemaakt. Deze televisiebeelden bekeek zij, omdat zij wilde voorkomen dat het dode lichaam van haar partner herkenbaar op televisie te zien zou zijn. De rechtbank is, anders dan de advocaat, van oordeel dat onder deze omstandigheden niet van de benadeelde partij kon worden gevergd eventuele schokschade te voorkomen, door niet naar deze beelden te kijken. Uit de onderbouwing blijkt verder dat de benadeelde partij inmiddels geestelijke klachten heeft die passen bij een posttraumatische stressstoornis. De rechtbank realiseert zich dat niet vastgesteld kan worden in hoeverre dit geestelijk letsel bij de benadeelde partij is veroorzaakt door de doodslag zelf en het/de daardoor veroorzaakte leed, verdriet en angst (affectieschade), en in hoeverre dit geestelijk letsel is veroorzaakt door het bekijken van de televisiebeelden (schokschade). Dit staat er echter niet aan in de weg dat de rechtbank de door de benadeelde partij geleden schokschade schattenderwijs kan vaststellen. (PS 2026-0305)
Literatuur
J.M. Keizer, ‘De verzekeraar als poortwachter tegen malafide belangenbehartigers’, Letsel&Schade 2025/2, p. 3-5.
C. Ploem & R. Simons, ‘De juridische betekenis van medische richtlijnen’, Letsel&Schade 2025/2, p. 6-15.
E.M.J. Foncke & M. Vermeulen, ‘Functionele Neurologische Stoornissen en medische expertise’, Letsel&Schade 2025/2, p. 16-20.
N.A.C. van den Boom, ‘Lisfranc-letsels. Diagnostiek, behandeling en juridische implicaties volgens de recente richtlijn’, Letsel&Schade 2025/2, p. 21-25.
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps-updates@boom.nl.
Met vriendelijke groet,
Ilona van der Zalm & Armin Vorsselman
PS Updates
Hof
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch Strafrecht. Het hof veroordeelt de verdachte voor moord op zijn partner. De ouders en de twee minderjarige kinderen van het overleden slachtoffer hebben zich gevoegd als benadeelde partijen. De benadeelden partijen krijgen hun affectieschade vergoed conform het Besluit vergoeding affectieschade. De kinderen krijgen daarnaast ieder € 32.500 aan immateriële schadevergoeding vergoed. Het hof overweegt dat de benadeelde partijen door toedoen van de verdachte, hun vader, op een gruwelijke wijze hun moeder hebben verloren. Het handelen van de verdachte heeft onomkeerbare gevolgen voor de benadeelde partijen. Hiermee zijn de benadeelde partijen niet alleen hun moeder kwijtgeraakt, maar is ook hun relatie met hun vader ingrijpend veranderd. De benadeelde partijen zijn sinds de aanhouding van de verdachte meermalen verhuisd en van school gewisseld. Tevens zijn zij door de verdachte in onwetendheid gelaten over het lot van hun moeder en hebben zij geen afscheid van haar kunnen nemen. 01-07-2026
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Een eigenaar van een eenmanszaak die werkzaamheden als opdrachtnemer verrichtte in opdracht van een ander bedrijf, is in 2020 op de bouwplaats ten val gekomen en heeft daarbij letsel opgelopen aan beide benen. In geschil is waar de opdrachtnemer is gevallen en of dit in de uitoefening van zijn werkzaamheden is gebeurd. Volgens de opdrachtnemer is hij tijdens hijswerkzaamheden vanaf de zolderverdieping op een plat dak gevallen en volgens de opdrachtgever is de opdrachtnemer vanaf een zeecontainer op de grond gevallen toen hij na werktijd een grap wilde uithalen. De kantonrechter heeft de opdrachtnemer opgedragen te bewijzen dat hij tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden van het dak van de te bouwen woning is gevallen. In het eindvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat de opdrachtnemer daarin is geslaagd. De opdrachtnemer heeft appel ingesteld tegen het tussenvonnis van de kantonrechter en de opdrachtgever heeft voorwaardelijk appel ingesteld. Het hof is van oordeel dat met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat de opdrachtnemer, zoals hij stelt, op het plat dak van de aanbouw is gevallen terwijl hij bezig was met hand- en spandiensten voor de hijswerkzaamheden en hij dus schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. De vervolgvraag die beantwoord moet worden is of de opdrachtnemer deze werkzaamheden heeft verricht in de uitoefening van het bedrijf van de opdrachtgever. Ook dit is het geval. Het beroep op een uitzonderingssituatie slaagt niet. Aan het voorwaardelijke appel wordt niet toegekomen. De opdrachtgever is gehouden om de schade van de opdrachtnemer te vergoeden. Het hof bekrachtigt het eindvonnis. 16-06-2026
- Gerechtshof Amsterdam In 2022 heeft een aanrijding plaatsgevonden, waarbij een fietser is aangereden door een personenauto. Enkele dagen later heeft een belangenbehartiger zich namens de fietser bij de WAM-verzekeraar van de personenauto gemeld. Deze belangenbehartiger heeft de WAM-verzekeraar aansprakelijk gesteld voor de financiële gevolgen van de aanrijding. De verzekeraar heeft bij controle van de CIS-databank geconstateerd dat de fietser in de interne en externe verwijzingsregisters in totaal zeven keer werd vermeld. Twee van deze vermeldingen betroffen gevallen van misleiding van andere verzekeraars. De verzekeraar heeft besloten om een externe tactisch onderzoeker in te schakelen om een nader feitenonderzoek te doen. De verzekeraar heeft de fietser laten weten dat hij op grond van artikel 185 WVW aansprakelijkheid erkent met een schulddeling van 50% vanwege door de fietser gemaakte verkeersfouten en dat de vaststelling van de materiële schade en letselschade in behandeling was. Later heeft de verzekeraar de fietser onder meer bericht dat uit zijn onderzoek blijkt dat de fietser opzettelijk onjuiste informatie aan de verzekeraar heeft verstrekt en dat de fietser daarmee heeft gepoogd om de verzekeraar opzettelijk te misleiden. De verzekeraar vordert onder andere de door hem gemaakte onderzoekskosten, bestaand uit € 532 interne kosten en € 2.400 voor het inschakelen van een externe tactisch onderzoeker, van de fietser op grond van onrechtmatige daad. Het reeds aan de fietser betaalde voorschot van € 500 beschouwde de verzekeraar volgens zijn brief als slotbetaling voor de schade aan zijn fiets en smartengeld. De verzekeraar heeft bij de politie aangifte gedaan tegen de fietser. De fietser is strafrechtelijk vervolgd voor fraude, maar door de politierechter vrijgesproken omdat de ten laste gelegde feiten niet bewezen zijn verklaard. Bij de kantonrechter heeft de verzekeraar onder andere veroordeling van de fietser tot betaling van € 4.432 gevorderd. De kantonrechter heeft de vorderingen als niet weersproken toegewezen. In hoger beroep heeft de fietser alsnog verweer gevoerd. Het hof oordeelt dat de fietser onrechtmatig heeft gehandeld door opzettelijk onjuiste informatie aan de verzekeraar te verstrekken en gehouden is de kosten te vergoeden en al uitgekeerde vergoedingen terug te betalen. De grieven slagen niet. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis. 16-06-2026
Rechtbank
- Rechtbank Midden-Nederland Strafrecht. De verdachte wordt veroordeeld voor doodslag. Het slachtoffer heeft de verdachte, na telefonische bedreigingen over en weer, bij zijn woning opgezocht en heeft al schreeuwend op de voordeur van de verdachte staan bonken. De verdachte heeft vervolgens twee grote keukenmessen gepakt en is hiermee bewapend de confrontatie met het slachtoffer aangegaan. Tijdens het daaropvolgende gevecht heeft de verdachte het ongewapende slachtoffer meermalen gestoken, onder meer in zijn nek en bovenarm. De partner, moeder en de twee kinderen van het overleden slachtoffer hebben zich gevoegd als benadeelde partijen. De benadeelden partijen krijgen hun affectieschade vergoed conform het Besluit vergoeding affectieschade. Daarnaast krijgt de partner van het overleden slachtoffer € 15.000 aan shockschade vergoed. Bij haar is een hevige emotionele schok teweeggebracht door de directe visuele confrontatie met de directe gevolgen van de doodslag op haar partner, toen zij de televisiebeelden bekeek die voor het televisieprogramma Bureau Utrecht zijn gemaakt. Deze televisiebeelden bekeek zij, omdat zij wilde voorkomen dat het dode lichaam van haar partner herkenbaar op televisie te zien zou zijn. De rechtbank is, anders dan de advocaat, van oordeel dat onder deze omstandigheden niet van de benadeelde partij kon worden gevergd eventuele schokschade te voorkomen, door niet naar deze beelden te kijken. Uit de onderbouwing blijkt verder dat de benadeelde partij inmiddels geestelijke klachten heeft die passen bij een posttraumatische stressstoornis. De rechtbank realiseert zich dat niet vastgesteld kan worden in hoeverre dit geestelijk letsel bij de benadeelde partij is veroorzaakt door de doodslag zelf en het/de daardoor veroorzaakte leed, verdriet en angst (affectieschade), en in hoeverre dit geestelijk letsel is veroorzaakt door het bekijken van de televisiebeelden (schokschade). Dit staat er echter niet aan in de weg dat de rechtbank de door de benadeelde partij geleden schokschade schattenderwijs kan vaststellen. 30-06-2026
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant De rechtbank heeft op 3 juni 2026 een beschikking gewezen. De rechtbank heeft ambtshalve geconstateerd dat in deze beschikking de voorschotbedragen voor de deskundigen niet apart benoemd zijn in de beschikking. Voor een juiste financiële afwikkeling is dit wel nodig. Daarom heeft de rechtbank aan partijen het voornemen geuit om de beschikking op dit punt aan te passen en hen verzocht een eventueel bezwaar tegen de aanpassing kenbaar te maken. De advocaten van partijen hebben aangegeven tegen dit voorstel geen bezwaar te hebben. De rechtbank is van oordeel dat het niet opnemen van de voorschotbedragen van de deskundigen in de beschikking van 3 juni 2026 een kennelijke fout betreft die zich voor eenvoudig herstel leent. De rechtbank zal daarom rechtsoverweging 4.9 aanvullen op de wijze als in het dictum vermeld. 18-06-2026
- Rechtbank Overijssel Een man is in 2023 geblesseerd geraakt aan zijn hamstrings tijdens het gebruik van een fitnesstoestel in een sportschool. Bij het gebruik van het fitnesstoestel door de man is op enig moment de weerstand van de gewichten weggevallen. De man heeft een deelgeschilprocedure bij de rechtbank aanhangig gemaakt om de aansprakelijkheid van de sportschool voor het ongeval vast te laten stellen op grond van artikel 6:173 BW jo. artikel 6:181 lid 1 BW, dan wel artikel 6:162 BW. Bij beschikking heeft de deelgeschilrechter het verzoek afgewezen. De deelgeschilrechter heeft overwogen dat niet is gebleken dat de ‘seated leg curl’ gebrekkig was in de zin van artikel 6:173 BW jo. artikel 6:181 BW. Ook is niet gebleken dat de sportschool onzorgvuldig heeft gehandeld jegens de man in de zin van artikel 6:162 BW. De man verzoekt nu de rechtbank om terug te komen op de beslissing van de deelgeschilrechter. Ook verzoekt hij de rechtbank om verlof te verlenen om tussentijds hoger beroep in te stellen. De rechtbank wijst de vorderingen van de man af. De man heeft onvoldoende aangevoerd om tot de conclusie te komen dat de beslissing van de deelgeschilrechter berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag. Daarom is de rechtbank gebonden aan de beslissing van de deelgeschilrechter. De rechtbank zal het verlofverzoek van de man om tussentijds hoger beroep in te stellen afwijzen nu met dit vonnis al een eindvonnis zal worden gewezen en hij in zoverre geen belang meer heeft bij tussentijds beroep. Daarvoor is van belang dat de man primair uitsluitend vordert dat de rechtbank terugkomt op de bindende eindbeslissing en een verklaring voor recht geeft dat de sportschool aansprakelijk is. Die vordering zal gelet op het voorgaande worden afgewezen. Er zijn verder door de man geen vorderingen ingesteld waarop de rechtbank in deze instantie nog een beslissing moet nemen. De in de deelgeschilbeschikking vervatte beslissingen zijn dan ook niet langer cruciaal en bepalend voor de afloop van deze bodemzaak. 17-06-2026
- Rechtbank Amsterdam In 1997 is een man, werkzaam bij de vuilnisophaaldienst, beklemd geraakt tussen de hydraulische armlift en het veiligheidshek van de vuilniswagen. Hij heeft daardoor ernstig letsel opgelopen en is volledig arbeidsongeschikt geworden. Het college van B&W van de gemeente heeft aansprakelijkheid voor de letselschade erkend, heeft een aantal materiële schadeposten vergoed en de WAO-uitkering van de man aangevuld tot het niveau van zijn laatste salaris. In 2006 heeft een andere advocaat de zaak overgenomen. Deze advocaat heeft de man tot begin 2024 bijgestaan en toen zijn dossier overgedragen aan de accountant van de man. In 2024 hebben de nieuwe advocaten van de man de gemeente laten weten dat de schade van de man nog niet volledig is vergoed en dat de man zijn vordering tot vergoeding daarvan handhaaft. In 2025 heeft de gemeente de man laten weten dat zij nooit aansprakelijkheid heeft erkend voor de volledige schade, maar alleen voor de schadeposten die zijn en nog steeds worden vergoed. Volgens de gemeente zijn andere schadeposten verjaard en is de termijn daarvoor gaan lopen op 15 december 2003 of 9 december 2004. De advocaten van de man hebben de voormalige advocaat van de man aangesproken. Volgens de man is de voormalige advocaat aansprakelijk omdat hij zijn vordering heeft laten verjaren en hij niet aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan. Daarna is gebleken dat een brief van de voormalig advocaat van 11 november 2008 als stuitingshandeling kan worden gezien. De gemeente heeft vervolgens een beroep gedaan op verjaring van de vordering van de man per 11 november 2013. Op 17 juli 2025 heeft de rechtbank in een door de man gestarte kortgedingprocedure een ordemaatregel getroffen die inhoudt dat de voormalig advocaat € 55.500 aan de man betaalt onder de voorwaarde dat de man de vordering die hij op de gemeente heeft voor vergoeding van de andere schadeposten voor dat bedrag aan de voormalig advocaat cedeert. Aan de veroordelingen in de uitspraak in kort geding is voldaan. Daarna heeft de man de voormalig advocaat in een bodemprocedure betrokken. In incident vordert de voormalig advocaat dat de rechtbank de man en de gemeente veroordeelt tot afgifte of tot inzage in alle correspondentie. De vorderingen in incident tegen zowel de man als de gemeente worden gedeeltelijk toegewezen. 17-06-2026
- Rechtbank Rotterdam De eisende partij stelt dat de gedaagde partij hem in 2023 op een festival in Rotterdam zonder aanleiding geslagen heeft, waardoor hij ernstig tandletsel en andere schade heeft opgelopen. De gedaagde erkent dat hij heeft geslagen, maar voert aan dat hij zichzelf moest verdedigen (noodweer) omdat hij eerst door de eisende partij bij zijn nek werd gegrepen. De kantonrechter merkt op dat, gelet op de uitgebreide en onderbouwde betwisting van de gestelde noodweersituatie, van de gedaagde partij had mogen worden verwacht dat hij was ingegaan op de stelling dat het grijpen bij de nek door de eisende partij pas ruimschoots na de klap van de gedaagde partij heeft plaatsgevonden of dat hij zijn beroep op noodweer op andere wijze (beter) had onderbouwd. De gedaagde partij kan niet volstaan met het overleggen van een enkele verklaring en de genoemde foto’s. De foto’s van het gestelde letsel bieden net als een verklaring van een ander – in het licht van de betwisting van de eisende partij – onvoldoende steun voor het noodweerscenario van de gedaagde partij. Het gestelde letsel is hierop lastig te zien en kan bovendien ook goed passen bij de worsteling tijdens het tweede moment. Er is dus sprake van een aan de gedaagde partij toerekenbare onrechtmatige daad. De kantonrechter gaat de verschillende schadeposten langs. Het beroep van de gedaagde partij op eigen schuld slaagt niet. Uit de verwerping van het beroep op noodweer volgt dat niet is komen vast te staan dat de eisende partij de gedaagde partij eerst bij de nek heeft gegrepen of heeft geslagen. Dat betekent dat de toegewezen schade niet mede het gevolg is van een omstandigheid die aan de schuld van de eisende partij is te wijten dan wel voor zijn risico komt. 12-06-2026
- Rechtbank Midden-Nederland In 2021 heeft een voorval plaatsgevonden tussen twee mannen, waarbij de ene man de ander letsel heeft toegebracht. Het slachtoffer heeft hiervoor een medische behandeling moeten ondergaan. De ziektekostenverzekeraar heeft deze kosten vergoed en wil in deze procedure het bedrag van € 1.895,26 dat hij aan schade heeft vergoed verhalen op de andere man. De man betwist aansprakelijk te zijn voor de schade. De kantonrechter overweegt dat de strafrechter bewezen heeft verklaard dat de man het slachtoffer heeft gestoken met een mes in de romp. Het vonnis van de strafrechter is onherroepelijk. De man heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen volgen dat dit bewezen verklaarde feit in déze procedure niet als vaststaand feit kan worden aangenomen. Noodweer kan niet worden aangenomen en er is ook geen sprake van een overmachtssituatie. De man heeft dus onrechtmatig gehandeld; wel is sprake van eigen schuld. De kantonrechter acht wel de rol van de man bij het ontstaan van de schade van het slachtoffer groter omdat de verdediging met een mes door de man in dit geval disproportioneel is. Het slachtoffer hoefde niet te verwachten dat hij als gevolg van zijn eigen handelen ernstig gewond zou raken en zelfs het leven zou kunnen laten door een messteek. De man had ook kunnen verwachten dat het slachtoffer als gevolg daarvan medisch behandeld zou moeten worden en daardoor schade zou lijden en heeft de aanmerkelijk kans op ernstiger letsel aanvaard. Naar het oordeel van de kantonrechter hebben de aan het slachtoffer toe te rekenen omstandigheden voor 25% bijgedragen aan het ontstaan van de schade. De kantonrechter ziet dan ook reden 25% van de schade voor rekening van het slachtoffer te laten. De kantonrechter oordeelt verder dat de omstandigheid dat de man bedreigd werd door een aanzienlijk grotere groep, hij zich geïntimideerd voelde en het gevoel had dat hij geen kant meer op kon ervoor zorgt dat in dit geval tot een andere verdeling van de schade op grond van de billijkheidscorrectie wordt gekomen dan die op basis van de causaliteit. De kantonrechter komt gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden tot 50% aansprakelijkheid van de man voor het door het slachtoffer geleden schade. 10-06-2026
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant In 2017 liep een man tegen de glazen pui in een winkel. Hij liep als gevolg hiervan letsel op. De schadeverzekeraar van de eigenaar van de winkel heeft aansprakelijkheid voor dit voorval erkend. De man is door het UWV volledig arbeidsongeschikt verklaard. De man verzoekt nu om het benoemen van drie deskundigen om zijn letsel te beoordelen: een neuroloog, een neuropsycholoog en een psychiater. De verzekeraar kan zich vinden in het benoemen van een neuroloog en een neuropsycholoog. Zij stelt zich echter op het standpunt dat de neuropsycholoog het onderzoek moet verrichten als hulponderzoek binnen het kader van het onderzoek van de neuroloog. De verzekeraar verzet zich daarnaast tegen het hanteren van de Tromp/Elemans-vraagstelling voor de neuropsycholoog. Zij voert aan dat vraagtekens kunnen worden gezet bij de objectiviteit van de Tromp/Elemans-vraagstelling en dat deze tot op heden geen algemeen geaccepteerde/gestandaardiseerde vraagstelling binnen de juridische en medisch-juridische praktijk is. Nu het gebruik van deze vraagstelling afwijkt van hetgeen gebruikelijk is, zijn de resultaten aan interpretatiegevoeligheid onderhevig. De rechtbank noemt een deskundige. Partijen zijn het verder eens over het voorleggen van de IWMD-vraagstelling aan hem. De rechtbank zal de nieuwste versie van deze vraagstelling inclusief de optionele vraag daarom voorleggen aan de deskundige. De rechtbank overweegt dat in het kader van een voorlopig deskundigenbericht, de wet maar beperkt de ruimte geeft om het verzoek tot het benoemen van een neuropsycholoog af te wijzen. Het door de verzekeraar aangevoerde belang is onvoldoende gewichtig om het verzoek af te wijzen. Niettemin is op basis van het partijdebat wel gebleken dat partijen het gelet op de bruikbaarheid van de rapporten van de deskundigen en het tegengaan van tegenstrijdige conclusies, wenselijk vinden dat een zeker samenspel plaatsvindt tussen de neuroloog en neuropsycholoog, waarbij de deskundigen acht kunnen slaan op hetgeen de andere deskundige heeft vastgesteld. De rechtbank wil aan deze wens tegemoetkomen. De rechtbank zal daarom beslissen dat de deskundigen eerst ieder een eigen conceptrapportage zullen opstellen. De andere deskundige zal – indien de man geen gebruik maakt van zijn blokkeringsrecht – vervolgens de gelegenheid worden gegeven van die conceptrapportage kennis te nemen alvorens een definitieve rapportage op te stellen waarin – voor zover van belang – kan worden ingegaan op hetgeen de andere deskundige in zijn conceptrapportage heeft vastgesteld. De rechtbank benoemt verder dat de Expertgroep Personenschade van het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton (LOVCK) de Tromp/Elemans-vraagstelling heeft voorgelegd aan de beroepsverenigingen voor neurologie en neuropsychologie (NVN/NIP). De reactie van deze verenigingen komt erop neer dat de vraagstelling niet bruikbaar is. Gelet op de bezwaren van de beroepsgroep, ziet de rechtbank aanleiding deze vraagstelling niet voor te leggen aan deskundige. De IMWD-vraagstelling zal dus ook aan de andere deskundige die door de rechtbank wordt benoemd worden voorgelegd. 03-06-2026
- Rechtbank Rotterdam Een moeder stelt de huisarts van haar destijds 6-jarige dochter aansprakelijk. Volgens de moeder is het Guillain-Barré-syndroom (GBS) bij haar dochter ontstaan door onzorgvuldig antibioticumbeleid van de huisarts. De huisarts verzoekt de rechtbank om een onderzoek door een deskundige te bevelen. Hij heeft er belang bij zijn positie in rechte te kunnen bepalen omdat partijen van mening blijven verschillen over de aansprakelijkheid en de vraag of het gevoerde antibioticumbeleid wel of niet te maken heeft met het door het meisje ontwikkelde GBS. Partijen kunnen het niet eens worden over de te benoemen deskundige. De rechtbank acht het bezwaar van de moeder tegen de benoeming van een bepaalde deskundige omdat hij algemeen neuroloog is onvoldoende zwaarwegend. Een neuroloog beschikt over de kennis en kunde om de vraagstelling te kunnen beantwoorden. Niet betwist is immers dat het GBS een neurologische afwijking is. De neuroloog is bovendien ook kinderneuroloog én hij verricht al lange tijd neurologische expertises, ook bij kinderen. De rechtbank benoemt de deskundige en stelt een vraagstelling vast. De huisarts moet de helft van het voorschot betalen. De rechtbank brengt de andere helft van het voorschot ten laste van 's Rijks kas. 02-06-2026
- Rechtbank Rotterdam In 2022 is een man in een vestiging van de KFC van een afgebroken kruk gevallen. Hij had direct (lage) rugklachten met later uitstraling naar zijn linkerbeen, een doof gevoel in het linkerbeen en plasproblemen. De aansprakelijkheidsverzekeraar van de franchisenemer van de vestiging heeft de aansprakelijkheid voor de in redelijkheid aan het voorval toe te rekenen schade erkend. Partijen en hun medisch adviseurs verschillen van mening over de vraag of er bij de man sprake is van een traumatische hernia of van een degeneratieve hernia of van een combinatie van deze twee. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben partijen overleg gehad en zijn zij tot afspraken gekomen over het voorlopig deskundigenonderzoek en de te stellen vragen aan de deskundige. De rechtbank benoemt een neuroloog als deskundige en stelt de IWMD-vraagstelling vast ter beantwoording. 02-06-2026
- Rechtbank Noord-Holland In 2021 is een begeleidster onder werktijd aangevallen door een cliënt waarbij zij in een nekklem werd gelegd. Zij kwam daardoor ten val en verloor het bewustzijn. De vrouw ervaart nog steeds ernstige klachten aan haar nek en rug. De werkgever heeft aansprakelijkheid erkend, maar partijen zijn het oneens over de omvang van de ongevalsgevolgen. De vrouw verzoekt dat een deskundige wordt benoemd. Partijen hebben overeenstemming bereikt over de persoon van de te benoemen deskundige, de aan de deskundige te stellen vragen, wie van hen het voorschot van de deskundige dient te betalen en welke stukken aan de deskundige dienen te worden verstrekt. Wat betreft de aan de deskundige te stellen vragen zijn partijen overeengekomen dat de oude IWMD-vraagstelling zal worden gehanteerd. 01-06-2026
- Rechtbank Rotterdam Kort geding. In 2025 is een man als voetganger aangereden door een personenauto. Hij heeft als gevolg van het ongeval ernstig en blijvend letsel opgelopen: schedelhersenletsel, meerdere breuken en huidverwondingen. Na geruime tijd in coma te hebben gelegen, verkeert de man op dit moment in een verminderde bewustzijnstoestand en is hij volledig ADL-afhankelijk. De broer en zus van de man zijn benoemd tot curator. De WAM-verzekeraar van de personenauto heeft aansprakelijkheid erkend. Ten behoeve van de revalidatie van de man hebben partijen gesproken over een revalidatietraject bij een kliniek in de Verenigde Staten (VS). In dat kader zijn de kosten van de behandeling, het verblijf en het vervoer nader onderzocht. Op een gegeven moment heeft de verzekeraar meegedeeld dat de kosten van het vervoer van de man per ambulancevliegtuig niet redelijk zijn en dat zij daarom geen toestemming geeft voor de behandeling in de VS. De curatoren zijn het daar niet mee eens. Zij hebben de kosten van de kliniek en de vervoerskosten zelf betaald en zijn als begeleiders met hem meegereisd naar de VS, waar hij met het revalidatietraject is gestart. De curatoren vorderen van de verzekeraar betaling van een geldsom als vergoeding van de gemaakte en te maken kosten met betrekking tot de behandeling van de man. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat de verzekeraar vergoeding van bepaalde kosten onvoorwaardelijk heeft toegezegd en dat de toezegging voor het overige onder bepaalde voorwaarden is gedaan. Dat de verzekeraar onlangs € 150.000 heeft uitgekeerd, leidt niet tot een ander oordeel. De curatoren stellen terecht dat het reeds uitgekeerde bedrag ziet op vergoeding van andere posten (smartengeld en voorschot onder algemene titel). 15-05-2026
- Rechtbank Den Haag Een juridisch adviesbureau op het gebied van letselschade voor slachtoffers heeft een man bijgestaan naar aanleiding van een verkeersongeval waarbij hij letsel heeft opgelopen. Deze man en de verzekeraar van de tegenpartij hebben een vaststellingsovereenkomst ondertekend. Het adviesbureau stelt dat de man zijn vordering op de verzekeraar tot betaling van buitengerechtelijke kosten aan het bureau heeft gecedeerd. Het bureau heeft buitengerechtelijke kosten gemaakt en hiervoor facturen aan de verzekeraar verzonden. De verzekeraar heeft deze facturen meermaals niet tijdig en/of volledig voldaan. Het bureau vordert nu dat de kantonrechter de verzekeraar veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 280,32 aan wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de proceskosten. De verzekeraar voert verweer: de man heeft nooit buitengerechtelijke kosten aan het bureau betaald en op dit punt dus ook geen schade geleden. Verder heeft er geen rechtsgeldige cessie door de man aan het bureau van de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten plaatsgevonden. De reden hiervoor is dat de man geen vordering op de verzekeraar had en deze wegens het ontbreken van beschikkingsbevoegdheid dus ook niet aan het bureau kon overdragen. Bovendien is de vordering niet met voldoende bepaalbaarheid omschreven en is de vordering tot betaling van wettelijke rente evenmin een nevenrecht. Daarnaast is pas na totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst mededeling van de cessie aan de verzekeraar gedaan, maar toen had de man al finale kwijting aan de zorgverzekeraar verleend. Partijen willen antwoord op de vraag of professionele belangenbehartigers, die de vordering van een benadeelde tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten aan zichzelf laten cederen, wettelijke rente kunnen vorderen als de verzekeraar deze kosten niet tijdig voldoet. De kantonrechter is van oordeel dat dit in dit geval niet mogelijk is. De kantonrechter is van oordeel dat in voldoende mate duidelijk is dat voor het ontstaan van een schadevergoedingsvordering in de vorm van buitengerechtelijke kosten vereist is dat daadwerkelijk buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt. Verder is ook in voldoende mate duidelijk dat de overdracht van een nog niet ontstane vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten pas tot stand komt na het ontstaan daarvan. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding om op deze punten verduidelijking aan de Hoge Raad te vragen en ziet daarom af van het stellen van prejudiciële vragen. 15-04-2026