Naar boven ↑

Update

Nummer 26, 2026
Uitspraken van 30 juni 2026 tot 6 juli 2026
Redactie: Mr. H. Vorsselman, mr. drs. I. van der Zalm, mr. Y. Bosschaart en J. Stulp.

Geachte heer/mevrouw,

Hierbij treft u de nieuwe PS Updates aan. 

Rechtspraak
In deze nieuwsbrief hebben wij een selectie opgenomen van de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken, die te raadplegen zijn via de hyperlinks onder aan deze nieuwsbrief. 

Deze week lichten wij een drietal uitspraken voor u uit. In de eerste uitspraak wordt geoordeeld over het al dan niet voorleggen van de Tromp/Elemans-vraagstelling aan een neuropsycholoog. In de tweede uitspraak laat het Gerecht in Eerste Aanleg zich uit over de ongelijkheid in het toekennen van affectieschade tussen de BES-eilanden en Europees Nederland. In de derde uitspraak oordeelt de rechtbank over schokschade na het zien van televisiebeelden door een nabestaande.

Rechtbank legt Tromp/Elemans-vraagstelling niet voor aan neuropsycholoog vanwege bezwaren NVN/NIP.
In 2017 liep een man tegen de glazen pui in een winkel. Hij liep als gevolg hiervan letsel op. De schadeverzekeraar van de eigenaar van de winkel heeft aansprakelijkheid voor dit voorval erkend. De man is door het UWV volledig arbeidsongeschikt verklaard. De man verzoekt nu om het benoemen van drie deskundigen om zijn letsel te beoordelen: een neuroloog, een neuropsycholoog en een psychiater. De verzekeraar kan zich vinden in het benoemen van een neuroloog en een neuropsycholoog. Zij stelt zich echter op het standpunt dat de neuropsycholoog het onderzoek moet verrichten als hulponderzoek binnen het kader van het onderzoek van de neuroloog. De verzekeraar verzet zich daarnaast tegen het hanteren van de Tromp/Elemans-vraagstelling voor de neuropsycholoog. Zij voert aan dat vraagtekens kunnen worden gezet bij de objectiviteit van de Tromp/Elemans-vraagstelling en dat deze tot op heden geen algemeen geaccepteerde/gestandaardiseerde vraagstelling binnen de juridische en medisch-juridische praktijk is. Nu het gebruik van deze vraagstelling afwijkt van hetgeen gebruikelijk is, zijn de resultaten aan interpretatiegevoeligheid onderhevig. De rechtbank noemt een deskundige. Partijen zijn het verder eens over het voorleggen van de IWMD-vraagstelling aan hem. De rechtbank zal de nieuwste versie van deze vraagstelling inclusief de optionele vraag daarom voorleggen aan de deskundige. De rechtbank overweegt dat in het kader van een voorlopig deskundigenbericht, de wet maar beperkt de ruimte geeft om het verzoek tot het benoemen van een neuropsycholoog af te wijzen. Het door de verzekeraar aangevoerde belang is onvoldoende gewichtig om het verzoek af te wijzen. Niettemin is op basis van het partijdebat wel gebleken dat partijen het gelet op de bruikbaarheid van de rapporten van de deskundigen en het tegengaan van tegenstrijdige conclusies, wenselijk vinden dat een zeker samenspel plaatsvindt tussen de neuroloog en neuropsycholoog, waarbij de deskundigen acht kunnen slaan op hetgeen de andere deskundige heeft vastgesteld. De rechtbank wil aan deze wens tegemoetkomen. De rechtbank zal daarom beslissen dat de deskundigen eerst ieder een eigen conceptrapportage zullen opstellen. De andere deskundige zal – indien de man geen gebruik maakt van zijn blokkeringsrecht – vervolgens de gelegenheid worden gegeven van die conceptrapportage kennis te nemen alvorens een definitieve rapportage op te stellen waarin – voor zover van belang – kan worden ingegaan op hetgeen de andere deskundige in zijn conceptrapportage heeft vastgesteld. De rechtbank benoemt verder dat de Expertgroep Personenschade van het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton (LOVCK) de Tromp/Elemans-vraagstelling heeft voorgelegd aan de beroepsverenigingen voor neurologie en neuropsychologie (NVN/NIP). De reactie van deze verenigingen komt erop neer dat de vraagstelling niet bruikbaar is. Gelet op de bezwaren van de beroepsgroep, ziet de rechtbank aanleiding deze vraagstelling niet voor te leggen aan deskundige. De IMWD-vraagstelling zal dus ook aan de andere deskundige die door de rechtbank wordt benoemd worden voorgelegd. (PS 2026-0293)

Gerecht: ongelijkheid wat betreft affectieschade tussen Europees Nederland en Caribisch Nederland is onwenselijk.
Strafrecht. Moord op Saba op een brandweerman. De nabestaanden van het overleden slachtoffer vorderen schadevergoeding. Op de zitting heeft de advocaat van de familie de vordering tot schadevergoeding toegelicht, en aangevoerd dat de nabestaanden van het slachtoffer door het verlies immateriële schade hebben geleden. Voor het Gerecht staat buiten twijfel dat de moord op het slachtoffer de nabestaanden veel leed heeft berokkend. Het gewelddadige overlijden van een familielid brengt een diep verdriet en een groot gemis met zich mee. De vordering van de familie van het slachtoffer stuit echter op twee formeel strafrechtelijke bezwaren. Ten eerste is de vordering namens de familie als geheel ingediend. De wet biedt echter geen grondslag voor een dergelijke collectieve vordering. Ten tweede ziet de vordering feitelijk op vergoeding van affectieschade. Affectieschade is kort gezegd immateriële schade die bestaat uit het verdriet dat wordt veroorzaakt door het overlijden van een naaste als gevolg van een gebeurtenis waarvoor iemand anders aansprakelijk is. Juist in verband met situaties als deze is in Europees Nederland de mogelijkheid ingevoerd om affectieschade te vorderen. Die mogelijkheid bestaat op de BES echter (nog) niet. Waarom deze ongelijkheid tussen Europees Nederland en Caribisch Nederland bestaat, is het Gerecht niet duidelijk, en is in de ogen van het Gerecht ook onwenselijk. Het Gerecht is bekend met de omstandigheid dat de wetgever bezig is ook op de BES toekenning van affectieschade mogelijk te maken, en het Gerecht hoopt dat de wetgever hiermee haast maakt. Maar het gaat de rechtsvormende taak van het Gerecht te buiten om in deze zaak, zonder wettelijke basis, affectieschade toe te kennen. Hoe zuur dit voor de nabestaanden ook is. Het Gerecht zal daarom de familie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding. Ook de partner van het slachtoffer, die aanwezig is geweest bij de moord op haar partner, kan geen affectieschade worden toegekend, op dezelfde grond als hiervoor overwogen. Wel krijgt zij USD 5.000 toegekend omdat de verdachte van een korte afstand op haar heeft geschoten, hetgeen naar zijn aard een zodanig ernstige normschending betreft dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen zonder dat hoeft vastgesteld te worden welke concrete gevolgen zij daarvan heeft ondervonden. (PS 2026-0304)

Schokschade na het kijken van televisiebeelden.
Strafrecht. De verdachte wordt veroordeeld voor doodslag. Het slachtoffer heeft de verdachte, na telefonische bedreigingen over en weer, bij zijn woning opgezocht en heeft al schreeuwend op de voordeur van de verdachte staan bonken. De verdachte heeft vervolgens twee grote keukenmessen gepakt en is hiermee bewapend de confrontatie met het slachtoffer aangegaan. Tijdens het daaropvolgende gevecht heeft de verdachte het ongewapende slachtoffer meermalen gestoken, onder meer in zijn nek en bovenarm. De partner, moeder en de twee kinderen van het overleden slachtoffer hebben zich gevoegd als benadeelde partijen. De benadeelden partijen krijgen hun affectieschade vergoed conform het Besluit vergoeding affectieschade. Daarnaast krijgt de partner van het overleden slachtoffer € 15.000 aan shockschade vergoed. Bij haar is een hevige emotionele schok teweeggebracht door de directe visuele confrontatie met de directe gevolgen van de doodslag op haar partner, toen zij de televisiebeelden bekeek die voor het televisieprogramma Bureau Utrecht zijn gemaakt. Deze televisiebeelden bekeek zij, omdat zij wilde voorkomen dat het dode lichaam van haar partner herkenbaar op televisie te zien zou zijn. De rechtbank is, anders dan de advocaat, van oordeel dat onder deze omstandigheden niet van de benadeelde partij kon worden gevergd eventuele schokschade te voorkomen, door niet naar deze beelden te kijken. Uit de onderbouwing blijkt verder dat de benadeelde partij inmiddels geestelijke klachten heeft die passen bij een posttraumatische stressstoornis. De rechtbank realiseert zich dat niet vastgesteld kan worden in hoeverre dit geestelijk letsel bij de benadeelde partij is veroorzaakt door de doodslag zelf en het/de daardoor veroorzaakte leed, verdriet en angst (affectieschade), en in hoeverre dit geestelijk letsel is veroorzaakt door het bekijken van de televisiebeelden (schokschade). Dit staat er echter niet aan in de weg dat de rechtbank de door de benadeelde partij geleden schokschade schattenderwijs kan vaststellen. (PS 2026-0305)

Literatuur
J.M. Keizer, ‘De verzekeraar als poortwachter tegen malafide belangenbehartigers’, Letsel&Schade 2025/2, p. 3-5. 

C. Ploem & R. Simons, ‘De juridische betekenis van medische richtlijnen’, Letsel&Schade 2025/2, p. 6-15.

E.M.J. Foncke & M. Vermeulen, ‘Functionele Neurologische Stoornissen en medische expertise’, Letsel&Schade 2025/2, p. 16-20. 

N.A.C. van den Boom, ‘Lisfranc-letsels. Diagnostiek, behandeling en juridische implicaties volgens de recente richtlijn’, Letsel&Schade 2025/2, p. 21-25.

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps-updates@boom.nl.

Met vriendelijke groet,

Ilona van der Zalm & Armin Vorsselman
PS Updates

Hof

Rechtbank

Antillen