Update
Geachte heer/mevrouw,
Hierbij treft u de nieuwe PS Updates aan.
Rechtspraak
In deze nieuwsbrief hebben wij een selectie opgenomen van de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken, die te raadplegen zijn via de hyperlinks onder aan deze nieuwsbrief.
Deze week is een drietal uitspraken voor u uitgelicht. In de eerste uitspraak oordeelt het hof over een beroep op een mondelinge exoneratie. De tweede uitspraak laat zien dat als een slachtoffer overlijdt na een onrechtmatige daad de gevolgen van het overlijden civielrechtelijk aan die onrechtmatige daad kunnen worden toegerekend; ook als er in strafrechtelijke zin geen sprake is van toerekening. In de derde uitspraak laat de rechtbank zich uit over een eigenschuldverweer door een automobilist die onder invloed, zonder rijbewijs en veel te hard rijdend een ernstig verkeersongeval heeft veroorzaakt.
Hof volgt rechtbank: beroep op mondelinge exoneratie slaagt.
In 2015 is een vrouw in een manege van een paard gevallen, waarbij zij letsel heeft opgelopen aan haar rechterknie en -been. De vrouw heeft de bezitter van het paard op grond van artikel 6:179 BW aansprakelijk gesteld voor haar schade. De aansprakelijkheidsverzekeraar van de bezitter heeft aansprakelijk afgewezen. Zij heeft daarbij een beroep gedaan op een mondeling overeengekomen exoneratie. Volgens de verzekeraar mocht de vrouw gedurende de ziekenhuisopname van de bezitter van het paard geheel voor eigen risico het paard berijden en verzorgen. In 2019 heeft op verzoek van de vrouw een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden. Bij beschikking heeft de deelgeschilrechter het verzoek van de vrouw afgewezen. Op basis van de partijgetuigenverklaring van de bezitter in het voorlopig getuigenverhoor, die wordt ondersteund door de gedetailleerde verklaringen van anderen, acht de rechtbank de bezitter geslaagd in het bewijs van haar stelling dat afgesproken is dat de vrouw het paard op eigen risico zou berijden en dat zij de bezitter niet aansprakelijk zou stellen als de vrouw door de eigen energie van het paard iets zou overkomen, ook niet als het iets ernstigs zou zijn. De conclusie van de vrouw in het principaal hoger beroep strekt ertoe dat het hof de beschikking in het deelgeschil vernietigt. Het hof komt echter tot eenzelfde bewijswaardering als de deelgeschilrechter. Het hof overweegt dat de afspraak in de gegeven omstandigheden niets aan duidelijkheid te wensen overlaat en is aan te merken als een exoneratie. Het hof volgt niet het betoog dat de vrouw door de bezitter voor het blok is gezet toen deze exoneratie werd overeengekomen. De vrouw had eenvoudig kunnen weigeren het paard te berijden en verzorgen als zij deze uitsluiting van aansprakelijkheid niet wilde aanvaarden. Het hof bespreekt dan het subsidiaire punt van de vrouw, namelijk dat de bezitter in dit concrete geval geen beroep op de exoneratie kan doen ex artikel 6:248 lid 2 BW. Volgens het hof is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar dat de bezitter een beroep doet op de exoneratie. De omstandigheid dat de vrouw zich beroept op ernstige letselschade, is in de gegeven omstandigheden niet van zodanig gewicht dat dit tot een andere uitkomst noopt. De beschikking in deelgeschil wordt dus bekrachtigd. (PS 2026-0282)
Rechtbank: overlijden strafrechtelijk niet, maar civielrechtelijk wel toe te rekenen aan overval.
In 2024 is een man, nadat hij probeerde weg te vluchten uit zijn woning tijdens een woningoverval, in het ziekenhuis opgenomen met ernstig letsel aan beide knieën, waaraan hij moest worden geopereerd. Na de knieoperatie zijn complicaties opgetreden, waaraan hij in het ziekenhuis is overleden. De overvaller is strafrechtelijk veroordeeld voor (onder meer) de beroving en het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer, maar niet voor zijn dood, omdat de rechtbank van oordeel was dat de dood niet redelijkerwijs kon worden toegerekend aan het handelen van de overvaller. In deze civiele procedure vorderen de dochters vergoeding van schade die hun vader en zij door het overlijden hebben geleden. De ex-echtgenote van het slachtoffer vordert schadevergoeding voor het wegvallen van de partneralimentatie die hij haar betaalde. De rechtbank is van oordeel dat gedaagde in civielrechtelijke zin tegenover het slachtoffer aansprakelijk is voor diens overlijden, en dat gedaagde tegenover de nabestaanden van het slachtoffer gehouden is tot het vergoeden van de met het overlijden verband houdende (overlijdens)schade. Er is sprake van een causaal verband: als de overvaller de man niet had beroofd, had de man niet hoeven vluchten en als de overvaller tijdens die vlucht niet aan de man had getrokken, had hij de man niet ten val gebracht en was er geen operatie nodig geweest om het knieletsel te herstellen. Zonder de operatie zouden de complicaties niet zijn opgetreden die het – bovengemiddeld kwetsbare – slachtoffer uiteindelijk fataal zijn geworden. Iemand die een ander zwaar lichamelijk letsel toebrengt, kan weten dat er een risico is dat het slachtoffer een operatie nodig zal hebben. Het is algemeen bekend dat operaties risico’s op complicaties meebrengen. Dat het slachtoffer de opgetreden complicaties mogelijk wel had kunnen overleven als hij geen zwakke gezondheid had gehad, kan het slachtoffer en zijn nabestaanden niet worden tegengeworpen. Volgens vaste rechtspraak komt een zwakke gesteldheid van een slachtoffer in het civiele recht voor rekening van de dader. De overvaller moet elk van de dochters € 17.500 aan affectieschade betalen. Aan een van de dochters moet hij ook de gemaakte uitvaartkosten vergoeden. Zij hebben geen recht op vererfd smartengeld. De man is na de operatie nog bewust en bij zinnen geweest en heeft toen niet kenbaar gemaakt dat hij aanspraak wilde maken op de vergoeding van smartengeld. De vordering van de ex-echtgenote wijst de rechtbank af, omdat haar schade niet valt onder de schade die een dader op grond van de wet aan anderen dan het slachtoffer moet vergoeden. (PS 2026-0277)
Ook bij wetenschap ontbreken rijbewijs en alcoholgebruik: beroep op eigen schuld verworpen.
Strafrecht. De verdachte heeft veel te hard, onder invloed van alcohol en zonder rijbewijs gereden. Hij is de controle over het voertuig verloren waardoor het voertuig over de kop is geslagen. Twee inzittenden zijn hierbij overleden. De schade is volgens de raadsvrouw van de verdachte mede een gevolg van de omstandigheden dat het slachtoffer bij de verdachte in de auto is gestapt terwijl hij wist dat de verdachte geen rijbewijs had en onder invloed van alcohol was, en dat het slachtoffer de verdachte heeft aangemoedigd harder te rijden. De rechtbank verwerpt dit eigenschuldverweer. De rechtbank is van oordeel dat ook indien vastgesteld zou moeten worden dat de door het slachtoffer opgelopen schade mede het gevolg is geweest van omstandigheden die aan hem zouden kunnen worden toegerekend, de billijkheid wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten en de ernst van de gevolgen voor hem, eist dat de schade volledig voor rekening van de verdachte blijft. De grove verkeersfouten en het roekeloze rijgedrag van de verdachte die tot het ongeluk hebben geleid zijn in grote mate kwalijker dan de keuze van het slachtoffer om in te stappen in de auto bij een bestuurder die onder invloed is van alcohol en geen rijbewijs heeft. Ook het aanmoedigen van de verdachte om harder te rijden, maakt dit niet anders, omdat dit de verdachte niet van zijn eigen verantwoordelijkheid als bestuurder van de auto ontslaat om daarin niet mee te gaan. (PS 2026-0288)
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps-updates@boom.nl.
Met vriendelijke groet,
Ilona van der Zalm & Armin Vorsselman
PS Updates
Hoge Raad
Hof
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Het hof laat het vonnis van de voorzieningenrechter in stand. Het nieuw opgerichte letselschadekantoor Constans Letselschade BV is geen voortzetting van een ander letselschadekantoor dat, net als de schadebehandelaar, is geregistreerd in het EVR voor een aantal jaren. Verzekeraar ASR is gehouden om het nieuw opgerichte letselschadekantoor en de aldaar werkzame letselschadebehandelaars te accepteren als belangenbehartiger. 09-06-2026
- Gerechtshof Amsterdam In 2015 is een vrouw in een manege van een paard gevallen, waarbij zij letsel heeft opgelopen aan haar rechterknie en -been. De vrouw heeft de bezitter van het paard op grond van artikel 6:179 BW aansprakelijk gesteld voor haar schade. De aansprakelijkheidsverzekeraar van de bezitter heeft aansprakelijk afgewezen. Zij heeft daarbij een beroep gedaan op een mondeling overeengekomen exoneratie. Volgens de verzekeraar mocht de vrouw gedurende de ziekenhuisopname van de bezitter van het paard geheel voor eigen risico het paard berijden en verzorgen. In 2019 heeft op verzoek van de vrouw een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden. Bij beschikking heeft de deelgeschilrechter het verzoek van de vrouw afgewezen. Op basis van de partijgetuigenverklaring van de bezitter in het voorlopig getuigenverhoor, die wordt ondersteund door de gedetailleerde verklaringen van anderen, acht de rechtbank de bezitter geslaagd in het bewijs van haar stelling dat afgesproken is dat de vrouw het paard op eigen risico zou berijden en dat zij de bezitter niet aansprakelijk zou stellen als de vrouw door de eigen energie van het paard iets zou overkomen, ook niet als het iets ernstigs zou zijn. De conclusie van de vrouw in het principaal hoger beroep strekt ertoe dat het hof de beschikking in het deelgeschil vernietigt. Het hof komt echter tot eenzelfde bewijswaardering als de deelgeschilrechter. Het hof overweegt dat de afspraak in de gegeven omstandigheden niets aan duidelijkheid te wensen overlaat en is aan te merken als een exoneratie. Het hof volgt niet het betoog dat de vrouw door de bezitter voor het blok is gezet toen deze exoneratie werd overeengekomen. De vrouw had eenvoudig kunnen weigeren het paard te berijden en verzorgen als zij deze uitsluiting van aansprakelijkheid niet wilde aanvaarden. Het hof bespreekt dan het subsidiaire punt van de vrouw, namelijk dat de bezitter in dit concrete geval geen beroep op de exoneratie kan doen ex artikel 6:248 lid 2 BW. Volgens het hof is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar dat de bezitter een beroep doet op de exoneratie. De omstandigheid dat de vrouw zich beroept op ernstige letselschade, is in de gegeven omstandigheden niet van zodanig gewicht dat dit tot een andere uitkomst noopt. De beschikking in deelgeschil wordt dus bekrachtigd. 02-06-2026
Rechtbank
- Rechtbank Den Haag Strafrecht. Femicide. De verdachte heeft zijn ex-partner in hun woning op gewelddadige wijze vermoord door haar te wurgen met een metalen ketting. De verdachte ensceneerde een zelfmoord, maar uit forensisch en tactisch onderzoek bleek dat de verdachte het slachtoffer om het leven heeft gebracht en dat hij deze moord in de maanden voorafgaand hieraan heeft voorbereid. Deze voorbereiding betrof niet alleen het uitvoeren van de moord maar ook de verhulling ervan. De minderjarige kinderen, moeder, vader en twee zussen van het overleden slachtoffer hebben zich als benadeelde partijen in het strafproces gevoegd. De minderjarige kinderen krijgen beiden € 25.000 toegewezen ter zake van gederfd levensonderhoud. Het overige deel van de vorderingen kunnen zij bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Daarnaast krijgen zij vergoeding van affectieschade toegekend conform het Besluit vergoeding affectieschade. Ook de moeder en vader krijgen vergoeding van affectieschade toegekend conform het Besluit vergoeding affectieschade. De moeder, vader en de zussen krijgen ieder € 7.500 aan vergoeding ter zake van shockschade. De rechtbank zal de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen tot vergoeding van de genoemde shockschade. Dit deel van de vorderingen is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partijen onvoldoende onderbouwd. 24-06-2026
- Rechtbank Midden-Nederland Strafrecht. Veroordeling voor moord en poging tot doodslag. De ouders van het overleden slachtoffer krijgen hun affectieschade vergoed conform het Besluit vergoeding affectieschade. De zus van het overleden slachtoffer doet een beroep op de hardheidsclausule, maar deze slaagt niet. De vriendin van het overleden slachtoffer, die in de auto zat waar de verdachte met een vuurwapen op schoot, is het slachtoffer van poging tot doodslag. Zij heeft zich ook gevoegd als benadeelde partij in het strafproces. De rechtbank overweegt dat zij voldoende gegevens verstrekt heeft waaruit blijkt dat zij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. De benadeelde partij komt dus in aanmerking voor een vergoeding van smartengeld. De benadeelde partij heeft echter ook shockschade gevorderd, wegens de rechtstreekse confrontatie met de gevolgen van de schietpartij waarbij haar partner is overleden. Zij heeft PTSS opgelopen als gevolg van de schietpartij. Zij kan in zoverre aanspraak maken op vergoeding van shockschade, omdat het geestelijk letsel (mede) in verband staat met de confrontatie met het neerschieten van het overleden slachtoffer. De rechtbank overweegt dat de bewezenverklaarde strafbare feiten voortvloeien uit één feitelijke gebeurtenis. Deze gebeurtenis biedt weliswaar grondslag voor twee afzonderlijke juridische aanspraken op schadevergoeding, te weten vergoeding van smartengeld en vergoeding van shockschade, maar de rechtbank stelt vast dat beide schadeposten hun oorsprong vinden in dezelfde feitelijke handeling. Naar het oordeel van de rechtbank kan in dit geval niet op voldoende wijze worden onderscheiden welk deel van de door de benadeelde partij geleden schade aan smartengeld dan wel aan shockschade dient te worden toegerekend. De gevolgen die de gebeurtenis voor het leven van de benadeelde partij heeft gehad, laten zich niet scherp van elkaar afbakenen. De rechtbank ziet hierin aanleiding de gevorderde schade naar redelijkheid te matigen en te verdelen over beide schadecategorieën. Alles afwegende acht de rechtbank een totale vergoeding van € 20.000 aan immateriële schade passend en billijk. 24-06-2026
- Rechtbank Noord-Holland Strafrecht. De verdachte heeft veel te hard, onder invloed van alcohol en zonder rijbewijs gereden. Hij is de controle over het voertuig verloren waardoor het voertuig over de kop is geslagen. Twee inzittenden zijn hierbij overleden. De moeder, vader en stiefvader van een van de overleden inzittenden hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte een geslaagd beroep kan doen op eigen schuld van het overleden slachtoffer. De schade is volgens de raadsvrouw mede een gevolg van de omstandigheden dat het slachtoffer bij de verdachte in de auto is gestapt terwijl hij wist dat de verdachte geen rijbewijs had en onder invloed van alcohol was, en dat het slachtoffer de verdachte heeft aangemoedigd harder te rijden. De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank is van oordeel dat ook indien vastgesteld zou moeten worden dat de door het slachtoffer opgelopen schade mede het gevolg is geweest van omstandigheden die aan hem zouden kunnen worden toegerekend, de billijkheid wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten en de ernst van de gevolgen voor hem, eist dat de schade volledig voor rekening van de verdachte blijft. De grove verkeersfouten en het roekeloze rijgedrag van de verdachte die tot het ongeluk hebben geleid zijn in grote mate kwalijker dan de keuze van het slachtoffer om in te stappen in de auto bij een bestuurder die onder invloed is van alcohol en geen rijbewijs heeft. Ook het aanmoedigen van de verdachte om harder te rijden, maakt dit niet anders, omdat dit de verdachte niet van zijn eigen verantwoordelijkheid als bestuurder van de auto ontslaat om daarin niet mee te gaan. De moeder, vader en stiefvader krijgen een vergoeding van affectieschade conform het Besluit vergoeding affectieschade toegekend. Zowel de moeder als de vader krijgen € 10.000 aan vergoeding van shockschade toegekend. Beiden hebben onverwacht te horen gekregen dat hun zoon door een verkeersongeval om het leven is gekomen en hebben via televisiebeelden van vlak na het ongeluk gezien dat hun zoon ter plaatse werd gereanimeerd. Later zijn zij met de ernstige verwondingen geconfronteerd toen het lichaam van het overleden slachtoffer thuis werd gebracht. 18-06-2026
- Rechtbank Overijssel Deelgeschil. In 2023 is een werkneemster van een trap gevallen. Daarbij heeft zij haar linkerarm op drie plaatsen gebroken. Zij heeft de werkgever aansprakelijk gesteld voor de door haar in verband met de val geleden en nog te lijden schade. De kantonrechter overweegt dat de werkgever aan de arbeidsomstandighedenregelgeving heeft voldaan. Naar het oordeel van de kantonrechter was de werkgever ook niet gehouden tot het waarschuwen voor het risico dat de werkneemster zich bij het afdalen van de trap zou vergissen in het aantal treden dan wel dat hij haar op dat punt instructies had moeten geven. Het afdalen van een huishoudtrap is een alledaagse handeling die naar mag worden aangenomen ook vele malen in de huiselijke sfeer plaatsvindt. Ook voor niet gewaarschuwde mensen is het duidelijk dat je van een trap kan vallen. Een (nadere) instructie van de werkgever hoe een dergelijke trap af te dalen is dan ook redelijkerwijs niet noodzakelijk te achten. Dat de werkneemster deze trap bij herhaling heeft moeten afdalen, maakt het voorgaande niet anders. De werkgever heeft dus aan zijn zorgplicht voldaan. De door de vrouw verzochte verklaring voor recht kan niet worden toegewezen. 17-06-2026
- Rechtbank Rotterdam Een man is in 2016 als bestuurder van een personenauto betrokken geweest bij een ongeval toen hij tegen een langs de weg geparkeerde personenauto aanreed. Hij kreeg onderweg last van hartkloppingen als gevolg van een paniekaanval, waardoor hij de controle over het stuur verloor. De man ervaart diverse klachten en beperkingen en is volledig arbeidsongeschikt. De rechtbank komt tot de conclusie dat het juridisch causaal verband tussen de door de man ondervonden klachten en het ongeval niet kan worden aangenomen. De man verklaart inconsistent en uiteenlopend over de toedracht van het ongeval. Het ongevalsmechanisme is niet verklarend voor de klachten: de man leed reeds voor het ongeval aan de (ook) daarna ervaren problematiek en er is sprake van een alternatieve oorzaak voor de klachten. De rechtbank volgt daarbij het oordeel van de door de rechtbank eerder benoemde neuroloog en neuropsycholoog en de door partijen aangezochte psychiater. Er is dan ook geen aanspraak op uitkering onder de SVI-polis en de vorderingen worden afgewezen. Daarmee wordt niet een mogelijke predispositie van de man miskend: er is hier niet sprake van door de gesteldheid van het slachtoffer extra ernstige gevolgen van een relatief lichte gebeurtenis, maar op grond van de uitgebrachte deskundigenrapporten moet worden aangenomen dat de problematiek van de man andere oorzaken heeft dan het ongeval, en dat het ongeval slechts ‘als kapstok’ is gaan fungeren waaraan de door de man (deels reeds voor het ongeval) ervaren klachten (en beperkingen) zijn opgehangen. 27-05-2026
- Rechtbank Den Haag In 2024 is een man, nadat hij probeerde weg te vluchten uit zijn woning tijdens een woningoverval, in het ziekenhuis opgenomen met ernstig letsel aan beide knieën, waaraan hij moest worden geopereerd. Na de knieoperatie zijn complicaties opgetreden, waaraan hij in het ziekenhuis is overleden. De overvaller is strafrechtelijk veroordeeld voor (onder meer) de beroving en het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer, maar niet voor zijn dood, omdat de rechtbank van oordeel was dat de dood niet redelijkerwijs kon worden toegerekend aan het handelen van de overvaller. In deze civiele procedure vorderen de dochters vergoeding van schade die hun vader en zij door het overlijden hebben geleden. De ex-echtgenote van het slachtoffer vordert schadevergoeding voor het wegvallen van de partneralimentatie die hij haar betaalde. De rechtbank is van oordeel dat gedaagde in civielrechtelijke zin tegenover het slachtoffer aansprakelijk is voor diens overlijden, en dat gedaagde tegenover de nabestaanden van het slachtoffer gehouden is tot het vergoeden van de met het overlijden verband houdende (overlijdens)schade. Er is sprake van een causaal verband: als de overvaller de man niet had beroofd, had de man niet hoeven vluchten en als de overvaller tijdens die vlucht niet aan de man had getrokken, had hij de man niet ten val gebracht en was er geen operatie nodig geweest om het knieletsel te herstellen. Zonder de operatie zouden de complicaties niet zijn opgetreden die het – bovengemiddeld kwetsbare – slachtoffer uiteindelijk fataal zijn geworden. Iemand die een ander zwaar lichamelijk letsel toebrengt, kan weten dat er een risico is dat het slachtoffer een operatie nodig zal hebben. Het is algemeen bekend dat operaties risico’s op complicaties meebrengen. Dat het slachtoffer de opgetreden complicaties mogelijk wel had kunnen overleven als hij geen zwakke gezondheid had gehad, kan het slachtoffer en zijn nabestaanden niet worden tegengeworpen. Volgens vaste rechtspraak komt een zwakke gesteldheid van een slachtoffer in het civiele recht voor rekening van de dader. De overvaller moet elk van de dochters € 17.500 aan affectieschade betalen. Aan een van de dochters moet hij ook de gemaakte uitvaartkosten vergoeden. Zij hebben geen recht op vererfd smartengeld. De man is na de operatie nog bewust en bij zinnen geweest en heeft toen niet kenbaar gemaakt dat hij aanspraak wilde maken op de vergoeding van smartengeld. De vordering van de ex-echtgenote wijst de rechtbank af, omdat haar schade niet valt onder de schade die een dader op grond van de wet aan anderen dan het slachtoffer moet vergoeden. 20-05-2026
- Rechtbank Rotterdam Een vrouw heeft een laparoscopie (kijkoperatie in de buikholte) ondergaan in een ziekenhuis. Hierna is bij haar een darmperforatie geconstateerd. Eerder heeft de rechtbank een deskundigenbericht van een gynaecoloog bevolen om haar voor te lichten over de vraag of bij de operatie en in het natraject de nodige zorg in acht is genomen en zo nee, wat de situatie zou zijn geweest wanneer wel de nodige zorg zou zijn betracht. Dit deskundigenbericht is inmiddels uitgebracht. De rechtbank wijst opnieuw een tussenvonnis. Op basis van het deskundigenbericht van de gynaecoloog oordeelt de rechtbank namelijk dat het ziekenhuis onzorgvuldig heeft gehandeld in de nazorg en aansprakelijk is voor de schade die de vrouw daardoor lijdt. Om die schade te kunnen begroten is een deskundigenbericht nodig van (een) medisch deskundige(n) met een ander specialisme. Voordat dit deskundigenbericht wordt bevolen, krijgen partijen de gelegenheid zich uit te laten over het specialisme en de persoon van de te benoemen deskundige(n), de door de deskundige(n) te beantwoorden vragen en de te verstrekken informatie over de medische voorgeschiedenis van de vrouw. 20-05-2026
- Rechtbank Amsterdam Deelgeschil. In 2016 is een bestuurder aangereden door een bestuurder van een andere auto. De WAM-verzekeraar van de andere automobilist heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval voor de bestuurder erkend. Om de gevolgen van het ongeval (beter) te kunnen beoordelen hebben partijen afgesproken om deskundigen onderzoek te laten verrichten. Het is partijen niet gelukt om tot een minnelijke regeling te komen. De WAM-verzekeraar heeft tot nu toe € 31.000 aan de bestuurder betaald als voorschot op de vast te stellen schade en € 12.500 als voorschot op de buitengerechtelijke kosten. De rechtbank bepaalt niet, zoals verzocht, dat er een juridisch causaal verband bestaat tussen het ongeval en de cognitieve klachten en/of stoornissen van de man. De man heeft namelijk het causaal verband onvoldoende onderbouwd. Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen besproken dat zij samen verder stappen zullen zetten voor het laten uitvoeren van een onderzoek door een verzekeringsgeneeskundige. Tussen partijen staat in ieder geval vast dat het chronisch pijnsyndroom van de bestuurder in (juridisch) causaal verband staat tot het ongeval. De rechtbank geeft partijen in dit kader in overweging om het verdere debat over de vraag of er sprake is van cognitieve klachten (en zo ja, welke) als gevolg van het chronisch pijnsyndroom en of deze daarmee als ongevalsgerelateerd zijn aan te merken niet uit de weg te gaan, om met elkaar daadwerkelijk te komen tot een finale beslechting van het geschil. Gerichte vragen hierover zijn (nog) niet aan de deskundigen gesteld. 02-04-2026
- Rechtbank Limburg Een werknemer is een bedrijfsongeval overkomen. In een eerdere procedure heeft het gerechtshof geoordeeld dat de werkgever aansprakelijk is voor de schade die de werknemer als gevolg van dit bedrijfsongeval lijdt en heeft geleden. In deze schadestaatprocedure vordert de werknemer vergoeding van zijn schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van het ongeval. De kantonrechter wijst de vorderingen af, omdat niet is komen vast te staan dat er een causaal verband is tussen het ongeval en de gestelde schade. Uit de door de man overgelegde stukken blijkt namelijk alleen dat hij klachten heeft aan zijn linkerschoudergewricht, maar niet of deze klachten het gevolg zijn van het ongeval. In het licht van het gemotiveerde verweer van de werkgever had het op de weg van de werknemer gelegen om zijn stellingen nader gemotiveerd te onderbouwen. Dat heeft hij onvoldoende gedaan. De vorderingen worden afgewezen. 11-03-2026
- Rechtbank Limburg Een werknemer stelt dat hij ischias heeft gekregen ten gevolge van de uitoefening van zijn werkzaamheden, meer in het bijzonder door het tillen van een serveerkar. De man heeft na het vermeende tilincident nog twee weken doorgewerkt, voordat hij zich wegens rugklachten heeft ziekgemeld bij zijn leidinggevende. De werkgever herkent de door de werknemer geschetste toedracht niet. De kantonrechter stelt allereerst voorop dat het rapport van het toedrachtonderzoek, ondanks dat de werknemer niet betrokken is geweest bij de opstelling daarvan, bruikbaar is in deze procedure. Het had op de weg van de werknemer gelegen om deugdelijk te stellen op welke punten het rapport niet zou stroken met de werkelijkheid. Dit heeft hij nagelaten. Wat betreft het tilincident stelt de kantonrechter vast dat dit door niemand is waargenomen. Onduidelijk blijft bovendien wanneer, waar en op welke wijze het incident zou hebben plaatsgevonden. Al met al kan de kantonrechter dan ook niet anders dan vaststellen dat de werknemer er niet in is geslaagd om te onderbouwen dát of op welke wijze zich een ongeval heeft voorgedaan, waaruit hij schade zou leiden. De kantonrechter is met de werkgever van oordeel dat op geen enkele wijze is komen vast te staan, laat staan aannemelijk gemaakt, dat de werknemer zijn ischias heeft gekregen door zijn werkzaamheden bij de werkgever. 04-03-2026
- Rechtbank Limburg Tussenvonnis. In een eerder tussenvonnis heeft de rechtbank beslissingen genomen over diverse geschilpunten tussen partijen. Voor wat betreft de grootste schadepost, de schade als gevolg van het verlies aan verdienvermogen, heeft de rechtbank aangegeven het wenselijk te achten een arbeidsdeskundige te raadplegen. Dat is inmiddels gebeurd. Partijen hebben gereageerd op het deskundigenrapport. In dit vonnis bespreekt de rechtbank het rapport en de kritiek van partijen daarop. De rechtbank komt tot de conclusie dat bij de berekening van het verlies aan verdienvermogen moet worden uitgegaan van de uitgangspunten zoals door de deskundige geformuleerd. Voor de berekening van het verlies aan verdienvermogen ziet de rechtbank aanleiding om een rekenkundige in te schakelen. Voor een rekenkundige is het essentieel dat uit de uitspraak volgt welk percentage voor rendement en welk percentage voor inflatie moet worden gehanteerd. Als het gaat om de toekomstige rente- en inflatieontwikkeling komt het aan op de redelijke verwachting van de rechter op dit moment. De rechtbank is voornemens voor de rekenrente aan te sluiten bij de Aanbevelingen rekenrente in personenschadezaken van 1 augustus 2024. Voordat de rechtbank overgaat tot benoeming van een rekenkundige zal zij partijen in de gelegenheid stellen zich bij akte uit te laten over de rekenrente die de rechtbank voornemens is te hanteren en over de te benoemen rekenkundige en de hiervoor genoemde onderzoeksvragen. 26-03-2025