Naar boven ↑

Update

Nummer 25, 2026
Uitspraken van 23 juni 2026 tot 29 juni 2026
Redactie: Mr. H. Vorsselman, mr. drs. I. van der Zalm, mr. Y. Bosschaart en J. Stulp.

Geachte heer/mevrouw,

Hierbij treft u de nieuwe PS Updates aan. 

Rechtspraak
In deze nieuwsbrief hebben wij een selectie opgenomen van de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken, die te raadplegen zijn via de hyperlinks onder aan deze nieuwsbrief. 

Deze week is een drietal uitspraken voor u uitgelicht. In de eerste uitspraak oordeelt het hof over een beroep op een mondelinge exoneratie. De tweede uitspraak laat zien dat als een slachtoffer overlijdt na een onrechtmatige daad de gevolgen van het overlijden civielrechtelijk aan die onrechtmatige daad kunnen worden toegerekend; ook als er in strafrechtelijke zin geen sprake is van toerekening. In de derde uitspraak laat de rechtbank zich uit over een eigenschuldverweer door een automobilist die onder invloed, zonder rijbewijs en veel te hard rijdend een ernstig verkeersongeval heeft veroorzaakt.

Hof volgt rechtbank: beroep op mondelinge exoneratie slaagt.
In 2015 is een vrouw in een manege van een paard gevallen, waarbij zij letsel heeft opgelopen aan haar rechterknie en -been. De vrouw heeft de bezitter van het paard op grond van artikel 6:179 BW aansprakelijk gesteld voor haar schade. De aansprakelijkheidsverzekeraar van de bezitter heeft aansprakelijk afgewezen. Zij heeft daarbij een beroep gedaan op een mondeling overeengekomen exoneratie. Volgens de verzekeraar mocht de vrouw gedurende de ziekenhuisopname van de bezitter van het paard geheel voor eigen risico het paard berijden en verzorgen. In 2019 heeft op verzoek van de vrouw een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden. Bij beschikking heeft de deelgeschilrechter het verzoek van de vrouw afgewezen. Op basis van de partijgetuigenverklaring van de bezitter in het voorlopig getuigenverhoor, die wordt ondersteund door de gedetailleerde verklaringen van anderen, acht de rechtbank de bezitter geslaagd in het bewijs van haar stelling dat afgesproken is dat de vrouw het paard op eigen risico zou berijden en dat zij de bezitter niet aansprakelijk zou stellen als de vrouw door de eigen energie van het paard iets zou overkomen, ook niet als het iets ernstigs zou zijn. De conclusie van de vrouw in het principaal hoger beroep strekt ertoe dat het hof de beschikking in het deelgeschil vernietigt. Het hof komt echter tot eenzelfde bewijswaardering als de deelgeschilrechter. Het hof overweegt dat de afspraak in de gegeven omstandigheden niets aan duidelijkheid te wensen overlaat en is aan te merken als een exoneratie. Het hof volgt niet het betoog dat de vrouw door de bezitter voor het blok is gezet toen deze exoneratie werd overeengekomen. De vrouw had eenvoudig kunnen weigeren het paard te berijden en verzorgen als zij deze uitsluiting van aansprakelijkheid niet wilde aanvaarden. Het hof bespreekt dan het subsidiaire punt van de vrouw, namelijk dat de bezitter in dit concrete geval geen beroep op de exoneratie kan doen ex artikel 6:248 lid 2 BW. Volgens het hof is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar dat de bezitter een beroep doet op de exoneratie. De omstandigheid dat de vrouw zich beroept op ernstige letselschade, is in de gegeven omstandigheden niet van zodanig gewicht dat dit tot een andere uitkomst noopt. De beschikking in deelgeschil wordt dus bekrachtigd. (PS 2026-0282)

Rechtbank: overlijden strafrechtelijk niet, maar civielrechtelijk wel toe te rekenen aan overval.
In 2024 is een man, nadat hij probeerde weg te vluchten uit zijn woning tijdens een woningoverval, in het ziekenhuis opgenomen met ernstig letsel aan beide knieën, waaraan hij moest worden geopereerd. Na de knieoperatie zijn complicaties opgetreden, waaraan hij in het ziekenhuis is overleden. De overvaller is strafrechtelijk veroordeeld voor (onder meer) de beroving en het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer, maar niet voor zijn dood, omdat de rechtbank van oordeel was dat de dood niet redelijkerwijs kon worden toegerekend aan het handelen van de overvaller. In deze civiele procedure vorderen de dochters vergoeding van schade die hun vader en zij door het overlijden hebben geleden. De ex-echtgenote van het slachtoffer vordert schadevergoeding voor het wegvallen van de partneralimentatie die hij haar betaalde. De rechtbank is van oordeel dat gedaagde in civielrechtelijke zin tegenover het slachtoffer aansprakelijk is voor diens overlijden, en dat gedaagde tegenover de nabestaanden van het slachtoffer gehouden is tot het vergoeden van de met het overlijden verband houdende (overlijdens)schade. Er is sprake van een causaal verband: als de overvaller de man niet had beroofd, had de man niet hoeven vluchten en als de overvaller tijdens die vlucht niet aan de man had getrokken, had hij de man niet ten val gebracht en was er geen operatie nodig geweest om het knieletsel te herstellen. Zonder de operatie zouden de complicaties niet zijn opgetreden die het – bovengemiddeld kwetsbare – slachtoffer uiteindelijk fataal zijn geworden. Iemand die een ander zwaar lichamelijk letsel toebrengt, kan weten dat er een risico is dat het slachtoffer een operatie nodig zal hebben. Het is algemeen bekend dat operaties risico’s op complicaties meebrengen. Dat het slachtoffer de opgetreden complicaties mogelijk wel had kunnen overleven als hij geen zwakke gezondheid had gehad, kan het slachtoffer en zijn nabestaanden niet worden tegengeworpen. Volgens vaste rechtspraak komt een zwakke gesteldheid van een slachtoffer in het civiele recht voor rekening van de dader. De overvaller moet elk van de dochters € 17.500 aan affectieschade betalen. Aan een van de dochters moet hij ook de gemaakte uitvaartkosten vergoeden. Zij hebben geen recht op vererfd smartengeld. De man is na de operatie nog bewust en bij zinnen geweest en heeft toen niet kenbaar gemaakt dat hij aanspraak wilde maken op de vergoeding van smartengeld. De vordering van de ex-echtgenote wijst de rechtbank af, omdat haar schade niet valt onder de schade die een dader op grond van de wet aan anderen dan het slachtoffer moet vergoeden. (PS 2026-0277)

Ook bij wetenschap ontbreken rijbewijs en alcoholgebruik: beroep op eigen schuld verworpen.
Strafrecht. De verdachte heeft veel te hard, onder invloed van alcohol en zonder rijbewijs gereden. Hij is de controle over het voertuig verloren waardoor het voertuig over de kop is geslagen. Twee inzittenden zijn hierbij overleden. De schade is volgens de raadsvrouw van de verdachte mede een gevolg van de omstandigheden dat het slachtoffer bij de verdachte in de auto is gestapt terwijl hij wist dat de verdachte geen rijbewijs had en onder invloed van alcohol was, en dat het slachtoffer de verdachte heeft aangemoedigd harder te rijden. De rechtbank verwerpt dit eigenschuldverweer. De rechtbank is van oordeel dat ook indien vastgesteld zou moeten worden dat de door het slachtoffer opgelopen schade mede het gevolg is geweest van omstandigheden die aan hem zouden kunnen worden toegerekend, de billijkheid wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten en de ernst van de gevolgen voor hem, eist dat de schade volledig voor rekening van de verdachte blijft. De grove verkeersfouten en het roekeloze rijgedrag van de verdachte die tot het ongeluk hebben geleid zijn in grote mate kwalijker dan de keuze van het slachtoffer om in te stappen in de auto bij een bestuurder die onder invloed is van alcohol en geen rijbewijs heeft. Ook het aanmoedigen van de verdachte om harder te rijden, maakt dit niet anders, omdat dit de verdachte niet van zijn eigen verantwoordelijkheid als bestuurder van de auto ontslaat om daarin niet mee te gaan. (PS 2026-0288)

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps-updates@boom.nl.

Met vriendelijke groet,

Ilona van der Zalm & Armin Vorsselman
PS Updates

Hoge Raad

Hof

Rechtbank