Update
Geachte heer/mevrouw,
Hierbij treft u de nieuwe PS Updates aan.
Rechtspraak
In deze nieuwsbrief hebben wij een selectie opgenomen van de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken, die te raadplegen zijn via de hyperlinks onder aan deze nieuwsbrief.
Deze week lichten wij drie uitspraken voor u uit. Een arbeidsongeval tijdens het oogsten van jonge komkommers. Een punt van een blad kwam in het oog en de werkgever is aansprakelijk gehouden, daar deze maatregelen had kunnen treffen (veiligheidsbril of achteraf tijdig spoelen). Verder wisten we al wel dat het uitglijden op een natte vloer een alledaags risico is, maar wanneer boorresidu zorgt voor een gladde sliblaag ligt dat anders. In dat geval hadden maatregelen kunnen worden getroffen. Tot slot blijkt dat ook door de sneeuw vervoerd worden op een houten slee ervoor kan zorgen dat je kan worden aangemerkt als een door een motorvoertuig vervoerd persoon (met een bepaalde constructie kan dat blijkbaar een behoorlijke snelheid behalen). Echter ontbreekt aansprakelijkheid, daar sprake was van een sport- en spelsituatie.
Zicht oog verloren door blad van plant: werkgever aansprakelijk, had bijvoorbeeld bril kunnen verschaffen tijdens oogsten komkommers.
Deelgeschil. In deze procedure is een inleenkracht een arbeidsongeval overkomen tijdens het oogsten van jonge komkommers. De punt van een blad van een komkommerplant is in zijn rechteroog terechtgekomen. Als gevolg hiervan raakte zijn hoornvlies beschadigd. Later ontwikkelde zich een ernstige schimmelinfectie in dit oog. De inleenkracht is het zicht aan dit oog verloren. De werkgever betwist het causale verband en stelt dat een lichaamseigen schimmel de ooginfectie heeft veroorzaakt. De kantonrechter volgt de werkgever hierin niet. Uit de door de werkgever overgelegde informatie volgt namelijk dat deze schimmel meestal niet schadelijk is, maar dat deze door verwondingen (kantonrechter: zoals bijvoorbeeld een verwonding door een komkommerblad in het oog) ervoor kan zorgen dat deze in plaatsen groeit waar dat niet hoort. Niet uit te sluiten valt dat dat bij de inleenkracht is gebeurd. Dat is dan echter alsnog het gevolg van het krijgen van een komkommerblad in het oog. Daarmee is het causaal verband tussen het incident en het letsel gegeven. De kantonrechter komt tot de conclusie dat gelet de omstandigheden de werkgever haar werknemers had dienen te beschermen tegen mogelijk letsel als gevolg van het in aanraking komen van de ogen met een komkommerblad. Dat had de werkgever in dit geval ook eenvoudig kunnen doen door een veiligheidsbril beschikbaar te stellen aan de inleenkracht en hem te instrueren om deze de veiligheidsbril tijdens het oogsten te dragen. Ook had de werkgever de inleenkracht moeten wijzen op de aanwezigheid van spoelflessen, voor zover deze er waren, en hem na het ongeval moeten instrueren om van de spoelflessen gebruik te maken. Aangezien de werkgever deze veiligheidsmaatregelen, gelet op het reële veiligheidsrisico, niet heeft genomen heeft zij niet voldaan aan de op haar rustende zorgplicht. Om die reden zal voor recht worden verklaard dat de werkgever aansprakelijk is voor het ontstaan en de gevolgen van het ongeval dat de inleenkracht op 6 augustus 2021 is overkomen. Het beroep op eigen schuld slaagt niet. (PS 2026-0254)
Uitglijden op natte vloer is alledaags risico, maar boorresidu dat voor gladde sliblaag zorgt niet.
Een werknemer raakte in 2017 gewond (dubbele enkelbreuk) door uitglijden op een natte gladde betonvloer met een door boorresidu ontstane sliblaag tijdens montagewerkzaamheden aan een kantoorpand. Hij stelde het bouwbedrijf en de onderaannemer aansprakelijk op grond van werkgeversaansprakelijkheid (art. 7:658 lid 2 jo. lid 4 BW). De kantonrechter oordeelde dat het bouwbedrijf aansprakelijk is, omdat het invloed had op de werkomstandigheden en de werknemer mede afhankelijk was van het bouwbedrijf voor zijn veiligheid (o.a. door aansturing door een voorman). En dat de onderaannemer niet aansprakelijk is, omdat niet is aangetoond dat deze invloed had op de werkomstandigheden. Waar een na door regen natte vloer onder een alledaags risico valt, ligt dan anders wanneer de vloer glad was door een door boorresidu ontstane sliblaag; dat betreft geen alledaags risico. Alleen waarschuwen was onvoldoende, het bouwbedrijf had ook preventieve maatregelen moeten nemen (bijv. afzetting van de vloer). Omdat zulke eenvoudige maatregelen niet zijn genomen, heeft het bouwbedrijf zijn zorgplicht geschonden. (PS 2026-0258)
Persoon op slee met snelheid aangemerkt als door motorrijtuig vervoerd persoon, maar wel sport- en spelsituatie.
Een 20-jarige man raakte ernstig gewond toen hij tijdens het sleeën achter een buggy tegen een boom botste. De slee was aan de buggy vastgemaakt en hij lag erop terwijl hij werd voortgetrokken. Hij stelde de WAM-verzekeraar aansprakelijk. De man kan worden gezien als een door een motorrijtuig vervoerd persoon, waardoor artikel 185 WVW niet van toepassing is. De conclusie is dat sprake is van een sport- en spelsituatie, waarbij deelnemers over en weer meer risico accepteren. Het rijden, inclusief het maken van bochten en het rijden op gladde wegen, hoorde bij het spel. Hoewel mogelijk sprake was van (te) hoge snelheid en gladheid, leidt dit niet tot aansprakelijkheid, omdat het risico inherent is aan het spel. Er is geen sprake van grovelijk onvoorzichtig of abnormaal gevaarlijk gedrag van de bestuurder; het gedrag was binnen de grenzen van het spel. Het ongeval was een ongelukkige samenloop van omstandigheden binnen een risicovol spel; de bestuurder is niet aansprakelijk. (PS 2026-0262)
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps-updates@boom.nl.
Met vriendelijke groet,
Ilona van der Zalm & Armin Vorsselman
PS Updates
Hoge Raad
- Hoge Raad Werkgeversaansprakelijkheid. De kantonrechter en het hof hebben geoordeeld dat de werknemer aan RSI-klachten lijdt, dat deze klachten het gevolg zijn van de arbeidsomstandigheden, en dat de werkgever niet aan haar zorgplicht heeft voldaan. In cassatie klaagt de werkgever hierover. Volgens de werkgever zou het hof de betekenis van de persoonlijke omstandigheden van de werkgever in het kader van de causaliteit verkeerd hebben gewaardeerd, ten onrechte de arbeidsrechtelijke omkeringsregel hebben toegepast en geen eigen oordeel hebben geveld maar slechts het door de kantonrechter gelaste deskundigenbericht hebben overgenomen. De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. 12-06-2026
- Parket bij de Hoge Raad Conclusie advocaat-generaal M.E. van Wees. De verdachte heeft met de vrachtwagen die hij bestuurde, met een te hoge snelheid gereden op de afrit van de snelweg en is met die snelheid door een rood licht de kruising opgereden die zich aan het einde van die afrit bevond. Op de kruising heeft hij een auto aangereden die werd bestuurd door het slachtoffer. Als gevolg daarvan is het slachtoffer overleden. Het tweede middel van de cassatie richt zich tegen de toewijzing van schokschade aan de broer en de ouders van het slachtoffer. De moeder, vader en broer van het slachtoffer hebben ieder een vergoeding van immateriële schade van € 15.000 gevorderd op de grondslag van schokschade. Het middel valt uiteen in twee deelklachten. Als eerst wordt geklaagd dat het hof, ondanks een daartoe gevoerd verweer, de gezichtspunten onvoldoende in zijn oordeel heeft betrokken. De tweede deelklacht richt zich tegen de vaststelling van de hoogte van schokschade. Daarbij zou het hof geen acht hebben geslagen op beslissingen van rechters in vergelijkbare zaken en geen rekening hebben gehouden met de aanspraak die de ouders al hebben gemaakt op de vergoeding van affectieschade. De eerste deelklacht is een motiveringsklacht. Het hof zou de hiervoor beschreven drie gezichtspunten niet of onvoldoende hebben betrokken bij zijn oordeel, terwijl de verdediging wel had betoogd dat rekening moest worden gehouden met het feit dat het ging om een ongewild ongeval en de verdachte geen opzet had. Verder was aangevoerd dat geen van de benadeelde partijen getuige is geweest van het ongeval en dat niet blijkt op welke wijze de ouders zijn geconfronteerd met de gevolgen van het ongeval, maar dat die confrontatie in ieder geval niet onverhoeds is geweest. Op grond van het juridisch kader is het zeer wel mogelijk om op basis van voldoende zwaarwegende omstandigheden op twee gezichtspunten tot het oordeel te komen dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld jegens degene die een hevige emotionele schok heeft ondergaan. Anders dan de steller van het middel tot uitgangspunt lijkt te nemen, is de verminderde aanwezigheid van een gezichtspunt niet in alle gevallen ook een contra-indicatie voor de aanwezigheid van een onrechtmatige daad. Wat betreft de broer heeft het hof over de confrontatie met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan vastgesteld, dat de broer geen getuige is geweest van het ongeval. Het hof heeft over de confrontatie verder vastgesteld dat hij kort na het ongeval op de plaats delict is geweest, dat hij het slachtoffer heeft moeten identificeren en dat hij videobeelden heeft bekeken waarop duidelijk te zien is hoe het ongeval heeft plaatsgevonden en hoe de omstandigheden ter plaatse waren. Over het moment van deze identificatie en de wijze waarop deze plaatsvond, vermeldt het hof niets. Met enige aarzeling meent de advocaat-generaal dat deze feiten en omstandigheden voldoende zijn om tot het oordeel te komen dat de verdachte jegens de broer van het slachtoffer onrechtmatig heeft gehandeld. Dat betekent dat het oordeel van het hof, dat uit deze confrontatie met de ernstige gevolgen van het ongeval waarbij de broer van de benadeelde partij om het leven is gekomen volgt dat de verdachte jegens de broer onrechtmatig heeft gehandeld, niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd. Dat ligt naar zijn mening anders ten aanzien van het oordeel van het hof dat de verdachte ook jegens de ouders van het primaire slachtoffer onrechtmatig heeft gehandeld. Anders dan bij de broer van het primaire slachtoffer, houden de vaststellingen van het hof niet in dat zij op de plaats delict zijn geweest of dat zij de videobeelden hebben bekeken die zijn gemaakt van het ongeval. Het hof heeft vastgesteld dat de confrontatie met de gevolgen van het verkeersongeval, waaronder de identificatie van hun zoon, een hevige emotionele shock teweeg heeft gebracht. Over het moment van deze identificatie en de wijze waarop deze plaatsvond vermeldt het hof niets. Met name wordt niets vastgesteld over eventuele verwondingen die de ouders hebben moeten waarnemen op het lichaam van hun zoon. Dat klemt in dit geval temeer, omdat door de verdediging in hoger beroep is aangevoerd dat niet blijkt op welke wijze de ouders van het slachtoffer zijn geconfronteerd met de gevolgen van het ongeval. Het hof verwijst in zijn motivering wel nog naar de schriftelijke onderbouwing van de vordering benadeelde partij. Waar het hof dan precies op doelt, wordt echter niet duidelijk. De vaststelling van het hof dat zij hun zoon hebben geïdentificeerd kan het oordeel dat de verdachte onrechtmatig jegens de ouders van het primaire slachtoffer heeft gehandeld niet zelfstandig dragen. Om die reden acht de A-G het oordeel van het hof dan ook niet toereikend gemotiveerd. De tweede deelklacht behoeft dan geen bespreking voor zover die ziet op de ouders. Als daarover anders zou worden geoordeeld, meent de advocaat-generaal dat de tweede deelklacht ook hier slaagt wat de ouders betreft, voor zover deze klacht inhoudt dat bij het bepalen van de hoogte van de vordering niet is ingegaan op de aanspraak die de ouders al hebben gemaakt op de vergoeding van affectieschade. Voor zover de deelklacht zich richt tegen de motivering van de hoogte van de aan de broer toegekende vergoeding voor schokschade, faalt deze. De advocaat-generaal wijst erop dat aan de broer geen affectieschade is toegekend en dat de verdachte bij het hof geen verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van de vordering. Het middel slaagt deels. 09-06-2026
Hof
Rechtbank
- Rechtbank Noord-Holland Strafrecht. De verdachte heeft zich samen met de minderjarige medeverdachte, in opdracht, schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van een explosie door een vuurwerkbrandstofcombinatie, bestaande uit zes cobra’s en zes flessen wasbenzine, aan te steken bij de voordeur van een woning. De explosie heeft een hevige brand veroorzaakt. Daarnaast is bij de brand het minderjarige slachtoffer levensgevaarlijk gewond geraakt. Zijn broer heeft hem uit de brandende woning gered. Door de explosie is zijn lichaam voor 55% verbrand. Op de directe buren, een gezin bestaande uit een moeder en twee (puber)kinderen, heeft de explosie ook grote impact gehad. Ook hun woning is verwoest geraakt en zij zijn getuige geweest van het feit dat het minderjarige slachtoffer door zijn broer brandend uit de woning werd getrokken. De moeder van het minderjarige slachtoffer heeft een vordering tot schadevergoeding van € 303.480,55 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade. Daarnaast heeft zij een vordering tot schadevergoeding van € 140.527,77 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden. De broer van het minderjarige slachtoffer heeft een vordering tot schadevergoeding van € 60.010 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade. De immateriële schade van de moeder en de broer bestaan uit geestelijk letsel, shockschade en affectieschade. De rechtbank oordeelt dat de immateriële schade van het minderjarige slachtoffer naar billijkheid vaststaat op € 100.000. Voor de overige immateriële schade wordt het slachtoffer niet-ontvankelijk verklaard. Uit de onderbouwing bij de vordering van de moeder volgt dat zij geestelijk letsel heeft opgelopen. Er bestaat een sterk vermoeden van PTSS-achtige klachten, maar deze diagnose is nog niet officieel gesteld. De aard en ernst van de normschending brengen in dit geval echter mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvoor voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank legt een schadevergoeding wegens opgelopen geestelijk letsel op tot het gevorderde bedrag van € 20.000. Vaststelling van de omvang van het smartengeld na confrontatie met een schokkende gebeurtenis zal in beginsel moeten plaatsvinden aan de hand van de rapportage van een deskundige die het geestelijk letsel heeft vastgesteld. Echter, hier geldt dat algemene ervaringsregels kunnen leren dat de ‘shockgevolgen’ van de confrontatie met het primaire slachtoffer zodanig voor de hand liggen dat ze zonder onderbouwing met een deskundigenbericht kunnen worden aangenomen. Gelet op de omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat shockschade kan worden toegewezen, zij acht het gevorderde bedrag van € 20.000 passend. De rechtbank verklaart de moeder in haar vordering tot affectieschade niet-ontvankelijk. Vast staat dat de jongste zoon van de benadeelde ernstig en deels blijvend letsel heeft opgelopen als gevolg van brandwonden. Echter, dat sprake is van dermate grote, ingrijpende en blijvende beperkingen in het leven van de jongste zoon die maken dat aanspraak gemaakt kan worden op affectieschade, volgt niet zonder meer uit de onderbouwing van de vordering en wordt door de verdediging betwist. De rechtbank acht een bedrag van € 20.000 aan immateriële schade in de vorm van geestelijk letsel van de broer ook billijk. Daarnaast heeft de broer als gevolg van het incident PTSS-klachten opgelopen. De rechtbank acht het gevorderde bedrag van € 20.000 aan shockschade daarom passend. De rechtbank acht om dezelfde redenen de broer niet-ontvankelijk in zijn vordering tot affectieschade. Naast deze familieleden hebben zich nog vier andere benadeelde gevoegd in het strafproces. Benadeelde 9 wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot materiële en immateriële schade. De vordering van benadeelde 5 wordt in zijn geheel toegewezen. Tot slot worden de immateriële schadevergoedingen van benadeelde 4 en 6 in zijn geheel toegewezen. 04-06-2026
- Rechtbank Noord-Holland Strafrecht. De verdachte heeft zich samen met de minderjarige medeverdachte, in opdracht, schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van een explosie door een vuurwerkbrandstofcombinatie, bestaande uit zes cobra’s en zes flessen wasbenzine, aan te steken bij de voordeur van een woning. De explosie heeft een hevige brand veroorzaakt. Daarnaast is bij de brand het minderjarige slachtoffer levensgevaarlijk gewond geraakt. Zijn broer heeft hem uit de brandende woning gered. Door de explosie is zijn lichaam voor 55% verbrand. Op de directe buren, een gezin bestaande uit een moeder en twee (puber)kinderen, heeft de explosie ook grote impact gehad. Ook hun woning is verwoest geraakt en zij zijn getuige geweest van het feit dat het minderjarige slachtoffer door zijn broer brandend uit de woning werd getrokken. De moeder van het minderjarige slachtoffer heeft een vordering tot schadevergoeding van € 303.480,55 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade. Daarnaast heeft zij een vordering tot schadevergoeding van € 140.527,77 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden. De broer van het minderjarige slachtoffer heeft een vordering tot schadevergoeding van € 60.010 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade. De immateriële schade van de moeder en de broer bestaan uit geestelijk letsel, shockschade en affectieschade. De rechtbank oordeelt dat de immateriële schade van het minderjarige slachtoffer naar billijkheid vaststaat op € 100.000. Voor de overige immateriële schade wordt het slachtoffer niet-ontvankelijk verklaard. Uit de onderbouwing bij de vordering van de moeder volgt dat zij geestelijk letsel heeft opgelopen. Er bestaat een sterk vermoeden van PTSS-achtige klachten, maar deze diagnose is nog niet officieel gesteld. De aard en ernst van de normschending brengen in dit geval echter mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvoor voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank legt een schadevergoeding wegens opgelopen geestelijk letsel op tot het gevorderde bedrag van € 20.000. Vaststelling van de omvang van het smartengeld na confrontatie met een schokkende gebeurtenis zal in beginsel moeten plaatsvinden aan de hand van de rapportage van een deskundige die het geestelijk letsel heeft vastgesteld. Echter, hier geldt dat algemene ervaringsregels kunnen leren dat de ‘shockgevolgen’ van de confrontatie met het primaire slachtoffer zodanig voor de hand liggen dat ze zonder onderbouwing met een deskundigenbericht kunnen worden aangenomen. Gelet op de omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat shockschade kan worden toegewezen, zij acht het gevorderde bedrag van € 20.000 passend. De rechtbank verklaart de moeder in haar vordering tot affectieschade niet-ontvankelijk. Vast staat dat de jongste zoon van de benadeelde ernstig en deels blijvend letsel heeft opgelopen als gevolg van brandwonden. Echter, dat sprake is van dermate grote, ingrijpende en blijvende beperkingen in het leven van de jongste zoon die maken dat aanspraak gemaakt kan worden op affectieschade, volgt niet zonder meer uit de onderbouwing van de vordering en wordt door de verdediging betwist. De rechtbank acht een bedrag van € 20.000 aan immateriële schade in de vorm van geestelijk letsel van de broer ook billijk. Daarnaast heeft de broer als gevolg van het incident PTSS-klachten opgelopen. De rechtbank acht het gevorderde bedrag van € 20.000 aan shockschade daarom passend. De rechtbank acht om dezelfde redenen de broer niet-ontvankelijk in zijn vordering tot affectieschade. Naast deze familieleden hebben zich nog vier andere benadeelde gevoegd in het strafproces. Benadeelde 9 wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot materiële en immateriële schade. De vordering van benadeelde 5 wordt in zijn geheel toegewezen. Tot slot worden de immateriële schadevergoedingen van benadeelde 4 en 6 in zijn geheel toegewezen. 04-06-2026
- Rechtbank Den Haag Bij verkeersongeval betrokken persoon geeft verkeerde voorstelling van haar voorafgaande medische situatie aan verzekeraar, opname van haar persoonsgegevens in diverse registers door verzekeraar zijn terecht, geen grond voor (verdere) uitbetaling van geclaimde kosten. 03-06-2026
- Rechtbank Noord-Holland Deze zaak gaat over de vraag of de werkgever op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de door de werkneemster geleden en nog te lijden schade. Werkneemster stelt dat zij een werkgerelateerde depressie, burn-out en PTSS heeft gekregen doordat zij heeft moeten werken in een structureel onveilige werksituatie, waarbij de grenzen van de psychosociale werkbelasting zijn geschonden. De kantonrechter oordeelt dat bij gebrek aan onderbouwing van de stellingen van werkneemster niet vast is komen te staan dat sprake was van voor de gezondheid schadelijke werkomstandigheden. Ook is er onvoldoende bewijs voor het oorzakelijk verband tussen de aanwezige psychische klachten en de werkomstandigheden. De werkgever is daarom niet aansprakelijk op grond van artikel 7:658 BW. 27-05-2026
- Rechtbank Midden-Nederland De werknemer voerde montagewerkzaamheden uit aan de staalconstructie van een kantoorpand. De hoofdaannemer van dit project verstrekte voor het leveren en aanbrengen van de staalconstructie van het pand opdracht aan de onderaannemer. De onderaannemer schakelde vervolgens het bouwbedrijf in om montagewerkzaamheden aan de staalconstructie uit te voeren. Het bouwbedrijf schakelde op haar beurt weer de werknemer in. Op 11 oktober 2017 gleed de werknemer tijdens zijn werkzaamheden uit op een gladde betonvloer waar een sliblaag was ontstaan. Hij liep daarbij een dubbele enkelbreuk op. De werknemer stelt dat het bouwbedrijf en de onderaannemer op grond van artikel 7:658 lid 2 jo. lid 4 BW aansprakelijk zijn voor de schade die hij hierdoor heeft geleden. Uit de omstandigheden volgt dat de werknemer voor de zorg voor zijn veiligheid (mede) afhankelijk was van het bouwbedrijf. Zoals de werknemer onbetwist heeft gesteld, was het bouwbedrijf de opdrachtgever van de werknemer en vervulde zij deze rol ook actief (ter plaatse). Namens het bouwbedrijf was hun voorman aanwezig op de werkvloer. De voorman stuurde de montageteams aan en was verantwoordelijk voor de concrete werkverdeling. Hij bepaalde waar en wanneer, welke werkzaamheden dienden te worden uitgevoerd. Hieruit leidt de kantonrechter af dat het bouwbedrijf invloed had op de werkomstandigheden en de daarmee verband houdende veiligheidsrisico’s. Het standpunt van het bouwbedrijf dat de hoofdaannemer ging over het schoonmaken en vrijgeven van de verdiepingsvloer doet hier niet aan af, omdat voldoende is dat de werknemer voor de zorg voor zijn veiligheid mede afhankelijk was van het bouwbedrijf. Verder staat niet ter discussie dat de werkzaamheden plaatsvonden in de uitoefening van het beroep en bedrijf van het bouwbedrijf. Niet is komen vast te staan dat de onderaannemer invloed had op de werkomstandigheden en de daarmee verband houdende veiligheidsrisico’s. De onderaannemer valt naar het oordeel van de kantonrechter dan ook niet onder het bereik van artikel 7:658 lid 4 BW. Het bouwbedrijf stelt dat het uitglijden over een natte of glad geworden vloer een alledaags gevaar is waar iedereen in het normale leven – en zeker op een bouwplaats – rekening mee moet houden. Er is hier – anders dan in het Perez/Grande-arrest– niet alleen regen gevallen, maar ook boorresidu achtergebleven waardoor een gladde sliblaag is ontstaan. Dit is naar het oordeel van de kantonrechter geen alledaags risico. Bovendien heeft de voorman – naar eigen zeggen – voor dit risico gewaarschuwd. Deze waarschuwing bevestigt dat de sliblaag geen alledaags risico is. De kantonrechter is van oordeel dat ook als zou komen vast te staan dat de voorman de werknemer heeft gewaarschuwd voor het valrisico en de instructie heeft gegeven de vloer niet te betreden, dat onvoldoende is om aan de zorgplicht te voldoen. Het bouwbedrijf heeft geen preventieve maatregelen genomen, hoewel deze prevaleren boven het geven van instructies en waarschuwingen. Het bouwbedrijf had de toegang naar de verdieping met de gladde vloer bijvoorbeeld kunnen afzetten met een lint. Een dergelijke veiligheidsmaatregel is eenvoudig en betaalbaar en dus niet bezwaarlijk om te nemen. Deze maatregel had dan ook van het bouwbedrijf mogen worden verwacht. De kantonrechter is daarom van oordeel dat het bouwbedrijf haar zorgplicht niet is nagekomen. 27-05-2026
- Rechtbank Amsterdam Er heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen de automobilist en de scooterrijder. De scooterrijder heeft als gevolg van het ongeval letsel opgelopen. De WAM-verzekeraar erkent geen aansprakelijkheid. Tussen partijen is in geschil wat de toedracht van het ongeval is geweest. De scooterrijder heeft over de toedracht – kort samengevat – naar voren gebracht dat hij nadat hij op de rijbaan optrok na te zijn gestopt voor een stoplicht van achteren werd aangereden door de automobilist en daardoor op de grond is beland. De automobilist betwist deze toedracht en voert aan dat de aanrijding plaatsvond doordat de scooterrijder vanaf het fietspad plotseling de rijbaan opreed en tegen de zijkant van de auto van de automobilist aanreed. Naar het oordeel van de rechtbank vindt de door de scooterrijder gestelde toedracht steun in de afgelegde verklaringen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de foto’s de door de scooterrijder gestelde toedracht niet weerleggen. Uit het vorenstaande volgt dat de door de scooterrijder bij het verzoekschrift overgelegde producties voldoende bewijs bieden voor de door hem gestelde toedracht van het ongeval. Uit de door de scooterrijder bewezen toedracht van het ongeval volgt dat de automobilist tegen de scooterrijder is aangereden. De automobilist heeft daarmee onrechtmatig jegens de scooterrijder gehandeld. De rechtbank zal beslissen dat de betrokken WAM-verzekeraar van de auto en de automobilist aansprakelijk zijn voor de schade van de scooterrijder als gevolg van het ongeval. Het beroep op eigen schuld slaagt niet. 21-05-2026
- Rechtbank Noord-Holland In deze deelgeschilprocedure moet de kantonrechter de vraag beantwoorden of de vordering van de werknemer tegen de werkgever is verjaard. De kantonrechter is van oordeel dat van verjaring geen sprake is. Dit heeft te maken met het feit dat pas in 2021 door een arts (de bedrijfsarts) het verband is gelegd tussen de klachten van verzoeker en zijn werkomstandigheden. Bij brief van 22 maart 2024 heeft de werknemer de werkgever aansprakelijk gesteld voor al zijn materiële en immateriële schade voor het letsel dat hij heeft opgelopen in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Hoewel de werknemer in 2018 zelf het vermoeden had dat zijn klachten veroorzaakt werden door zijn werkomstandigheden betekent dat niet dat er daarom van uit mag worden gegaan dat er sprake is van daadwerkelijke bekendheid met zijn schade. De werknemer is immers zelf geen medisch deskundige. Uit de overgelegde stukken en dat wat de werknemer (onbetwist) heeft gesteld, blijkt dat de bedrijfsarts (pas) in mei 2021 een verband heeft gelegd tussen de klachten van de werknemer en zijn werk. Uitgaande van die datum is er tot aan de aansprakelijkstelling van de werkgever op 22 maart 2024 geen vijf jaren verstreken. Op basis van deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat de werkgever niet is geslaagd in haar bewijslast dat de vordering van de werknemer was verjaard op het moment dat hij de werkgever aansprakelijk stelde voor zijn schade. 22-04-2026
- Rechtbank Noord-Holland De man heeft het slachtoffer op 27 februari 2020 eerst in zijn gezicht geslagen en vervolgens met een mes in zijn borst gestoken. Het slachtoffer heeft daar letsel aan overgehouden. De man is door de strafrechter veroordeeld voor poging tot doodslag en mishandeling van het slachtoffer. In deze procedure vordert het slachtoffer immateriële (smartengeld) en materiële schadevergoeding. De rechtbank wijst de gevorderde immateriële schadevergoeding af. De strafrechter heeft al een immateriële schadevergoeding van € 15.000 vastgesteld. Het slachtoffer meent dat hij als gevolg van het incident inkomensschade heeft geleden. Immateriële schadevergoeding ziet niet op inkomensschade, daarom dient het slachtoffer de schade niet als immateriële schade te vorderen. Daarnaast komt de door het slachtoffer gebruikte benaderingswijze niet overeen met het in Nederland gangbare systeem waarbij voor het vaststellen van de hoogte van schadevergoedingsbedragen wordt gekeken wat in vergelijkbare zaken aan bedragen wordt vastgesteld. De gevorderde materiële schadevergoeding wijst de rechtbank deels toe. 25-03-2026
- Rechtbank Limburg De patiënt heeft de tandartspraktijk aansprakelijk gesteld nu zij van mening is schade te hebben geleden door toedoen van de tandartspraktijk. De tandartspraktijk heeft de aansprakelijkheidsstelling gemeld bij haar verzekeraar, deze heeft de behandeling daarvan ter hand genomen. De verzekeraar wenst eerst duidelijkheid te verkrijgen over het verband tussen de behandeling door de mondhygiëniste en de door patiënt gestelde schade. Om deze reden verzoekt zij een voorlopig deskundigenonderzoek. Ondanks vele pogingen is geen deskundige bereid gevonden de opdracht te aanvaarden. De rechtbank heeft in deze omstandigheden geconcludeerd dat aan het verzoek geen uitvoering kan worden gegeven en verstaat daarmee dat aan deze verzoekschriftprocedure een einde is gekomen. 18-12-2025
- Rechtbank Den Haag Deelgeschil. In deze procedure is een inleenkracht een arbeidsongeval overkomen tijdens het oogsten van jonge komkommers. De punt van een blad van een komkommerplant is in zijn rechteroog terechtgekomen. Als gevolg hiervan raakte zijn hoornvlies beschadigd. Later ontwikkelde zich een ernstige schimmelinfectie in dit oog. De inleenkracht is het zicht aan dit oog verloren. De werkgever betwist het causale verband en stelt dat een lichaamseigen schimmel de ooginfectie heeft veroorzaakt. De kantonrechter volgt de werkgever hierin niet. Uit de door de werkgever overgelegde informatie volgt namelijk dat deze schimmel meestal niet schadelijk is, maar dat deze door verwondingen (kantonrechter: zoals bijvoorbeeld een verwonding door een komkommerblad in het oog) ervoor kan zorgen dat deze in plaatsen groeit waar dat niet hoort. Niet uit te sluiten valt dat dat bij de inleenkracht is gebeurd. Dat is dan echter alsnog het gevolg van het krijgen van een komkommerblad in het oog. Daarmee is het causaal verband tussen het incident en het letsel gegeven. De kantonrechter komt tot de conclusie dat gelet de omstandigheden de werkgever haar werknemers had dienen te beschermen tegen mogelijk letsel als gevolg van het in aanraking komen van de ogen met een komkommerblad. Dat had de werkgever in dit geval ook eenvoudig kunnen doen door een veiligheidsbril beschikbaar te stellen aan de inleenkracht en hem te instrueren om deze de veiligheidsbril tijdens het oogsten te dragen. Ook had de werkgever de inleenkracht moeten wijzen op de aanwezigheid van spoelflessen, voor zover deze er waren, en hem na het ongeval moeten instrueren om van de spoelflessen gebruik te maken. Aangezien de werkgever deze veiligheidsmaatregelen, gelet op het reële veiligheidsrisico, niet heeft genomen heeft zij niet voldaan aan de op haar rustende zorgplicht. Om die reden zal voor recht worden verklaard dat de werkgever aansprakelijk is voor het ontstaan en de gevolgen van het ongeval dat de inleenkracht op 6 augustus 2021 is overkomen. Het beroep op eigen schuld slaagt niet. 26-08-2025
- Rechtbank Overijssel Op 31 oktober 2022 heeft een kop-staartaanrijding plaatsgevonden tussen de auto (van de echtgenote) van de bestuurder en een bestelbus, gehuurd door de vrouw. De verzekeraar is de WAM1-verzekeraar van de verhuurder van de bus. Tussen partijen is niet in geschil dat de aansprakelijkheid voor het ontstaan van de aanrijding door de WAM1- verzekeraar in november 2022 volledig en zonder voorbehoud is erkend. Ook is niet in geschil dat de WAM1-verzekeraar is teruggekomen op haar erkenning van aansprakelijkheid. Partijen verschillen van mening over de vraag of de WAM1-verzekeraar dat mocht doen. De WAM1-verzekeraar stelt (primair) dat zij door bedrog dan wel dwaling tot haar erkenning van aansprakelijkheid is gekomen, althans (subsidiair) dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de man haar aan die erkenning houdt. Volgens de WAM1-verzekeraar is er sprake van een geënsceneerde aanrijding dan wel is er serieuze twijfel ontstaan over de authenticiteit van de toedracht die niet is weggenomen door de man. De rechtbank is van oordeel dat de WAM1-verzekeraar in dit geval niet kan worden gehouden aan haar aansprakelijkheidserkenning. Nu de WAM1-verzekeraar mocht terugkomen op haar aansprakelijkheidserkenning rust op de man de stelplicht en bewijslast dat er een authentieke aanrijding heeft plaatsgevonden. Bij de huidige stand van zaken heeft de man niet bewezen dat sprake is van een authentieke aanrijding. Het gevolg hiervan is dat er ook geen reden is om te bepalen dat de WAM1-verzekeraar een (aanvullend) voorschot aan de man moet verstrekken, zodat dat verzoek ook wordt afgewezen. 25-08-2025
Antillen
- Gerecht in eerste aanleg van Curaçao Er heeft een verkeersongeval plaatsgevonden tussen de voertuigen van de eiser en de gedaagde. Het voertuig van de gedaagde is ingevolge de LAM verzekerd. De WA-verzekeraar heeft de aansprakelijk voor het ongeval erkend. Zij heeft aan de eiser in 2020 een bedrag van Cg 3.247 voor de schade aan zijn voertuig en een bedrag van Cg 6.000 aan gederfde inkomsten, bestaande uit vier maanden minimumloon van Cg 1.500 per maand, uitbetaald. De eiser heeft de LAM-verzekeraar bij brief van 20 maart 2024 aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden materiële en immateriële schade en gesommeerd om tot betaling daarvan over te gaan. De WA-verzekeraar heeft daar niet aan voldaan. Het meest verstrekkende verweer van de WA-verzekeraar is dat de vordering van de eiser is verjaard. In het onderhavige geschil heeft de WA-verzekeraar zich niet op het standpunt gesteld dat zij niet tot (verdere) schadevergoeding is gehouden én dat zij dit op de in artikel 9 lid 3 LAM voorgeschreven wijze aan de eiser kenbaar heeft gemaakt. Er is slechts sprake geweest van een langdurig stilzitten aan de zijde van de eiser. Het enkele feit dat het wellicht langer dan drie jaren heeft geduurd voordat de eiser (opnieuw) in actie is gekomen is echter onvoldoende om te kunnen concluderen tot verjaring. Indien een verzekeraar de verjaringstermijn een aanvang wil doen nemen, dient zij dit te doen door de onderhandelingen af te breken en zulks expliciet op de voorgeschreven wijze mee te delen. Nu zij dit niet heeft gedaan, is de vordering van de eiser niet verjaard. Nu de aansprakelijkheid door de WA-verzekeraar is erkend, spitst het geschil zich toe op de afwikkeling van de schade die de eiser stelt te hebben als gevolg van het ongeval. Het gerecht ziet in dit geval aanleiding om de gederfde inkomsten van de eiser op grond van artikel 6:97 BW te schatten. Het gerecht schat de gederfde inkomsten als gevolg van het verkeersongeval op een bedrag van Cg 25.000. Daarnaast acht het gerecht, anders dan de WA-verzekeraar stelt, voldoende aannemelijk dat de eiser immateriële heeft geleden. Het gerecht begroot, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval en de bedragen die in vergelijkbare zaken zijn toegekend, de naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade dan ook op een bedrag van Cg 3.000. Het gerecht zal de buitengerechtelijke advocatenkosten afwijzen omdat deze geacht worden te zijn inbegrepen bij de proceskostenveroordeling. Voor toewijzing van buitengerechtelijke kosten daarnaast (conform art. 6:69 lid 2 BW) heeft de eiser onvoldoende aangevoerd. 28-04-2025
- Gerecht in eerste aanleg van Curaçao In deze procedure is sprake van twee ongevallen, waarvan het ongeval in 2015 onderwerp van deze procedure is. De vrouw stelt door de ongevallen whiplashklachten te hebben. De kern van het geschil betreft de vraag of de vrouw rechtens vast te stellen gezondheidsklachten heeft en, indien dat het geval is, of er een causaal verband bestaat tussen deze klachten en ongeval. Tussen de verzekeraar en de vrouw staat niet ter discussie dat er bij de vrouw sprake is van aanhoudende pijnklachten, maar de partijen twisten over de oorzaak van de lichamelijke klachten. Het gerecht stelt vast dat partijen, onder verwijzing naar de bevindingen van hun medisch adviseur, een tegenovergesteld standpunt innemen ten aanzien van het causaal verband tussen de klachten en ongeval 2. Daar komt bij dat de medisch adviseurs (de eventuele gevolgen van) ongeval 1 kennelijk niet in hun bevindingen hebben betrokken. Het gerecht acht het bij deze stand van zaken noodzakelijk om, teneinde duidelijkheid te krijgen over het bestaan, de aard en de omvang van de klachten van de vrouw en het causaal verband tussen de klachten en ongevallen 1 en 2, een medisch deskundige te benoemen. Verder dient de vrouw alle medische stukken ten aanzien van de ongevallen 1 en 2 en voor zover nog niet ingebracht in de procedure, en op basis waarvan de rapporten van de medisch adviseurs tot stand zijn gekomen, bij akte in het geding te brengen. Ook dient de vrouw een medische machtiging af te geven zodat de deskundige indien nodig nadere gegevens kan opvragen. 24-04-2023