Update
Geachte heer/mevrouw,
Hierbij treft u de nieuwe PS Updates aan.
Rechtspraak
In deze nieuwsbrief hebben wij een selectie opgenomen van de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken, die te raadplegen zijn via de hyperlinks onder aan deze nieuwsbrief.
Deze week is een tweetal uitspraken voor u uitgelicht. In de eerste uitspraak oordeelt de rechtbank over de vraag of de nabestaanden van een in een ziekenhuis overleden man een aantal bij het ziekenhuis werkzame personen mag horen in een getuigenverhoor. In de tweede uitspraak gaat het om de vraag of het subrogatieverbod van artikel 7:962 lid 3 BW geldt voor een intra-concern inlener.
Medische aansprakelijkheid: getuigenverhoor volgt als nabestaanden geen inzage krijgen in strafrechtelijk dossier.
Vader van de verzoeker was opgenomen in het ziekenhuis in verband met een bacteriële infectie in de rug. Hij kreeg medicatie toegediend via een infuus en zuurstof toegediend via een neusbril. Vader is in het ziekenhuis overleden door een aansluiting van de zuurstoftoevoer op het infuus, waardoor een fatale hoeveelheid lucht in het bloed van de vader terecht is gekomen. Ten tijde van de mondelinge behandeling in deze zaak was nog niet bekend of het OM strafrechtelijke vervolging in zal stellen en zo ja, tegen wie. Het strafrechtelijk dossier bevat verklaringen van betrokken zorgmedewerkers. In deze procedure wordt de rechtbank verzocht om een getuigenverhoor te bevelen. Volgens de rechtbank heeft verzoeker op dit moment (nog) geen wettelijk afdwingbaar recht op inzage en is hij afhankelijk van de welwillendheid van de officier van justitie. Wanneer de verzoeker geen inzage krijgt in de verklaringen die de betrokken zorgmedewerkers ten overstaan van de politie hebben afgelegd dan ligt zijn verzoek in beginsel voor toewijzing gereed. De rechtbank oordeelt dat de verzoeker voldoende belang heeft bij zijn verzoek en dat hij geen misbruik maakt van zijn bevoegdheid. De rechtbank zal het verzoek om leden van de onderzoekscommissie te horen afwijzen, omdat gewichtige redenen zich hiertegen verzetten. Deze personen beschikken uit hoofde van hun rol over informatie die in het incidentenregister staat. Op die informatie heeft de verzoeker geen recht. De conclusie luidt dat het verzoek van de verzoeker om een getuigenverhoor te bevelen in beginsel toewijsbaar is, in het geval dat hij geen inzage krijgt in het strafrechtelijk dossier. Wel behoeft de getuigenlijst naar het oordeel van de rechtbank herziening. De procedure wordt zes weken aangehouden. In die periode heeft de verzoeker de gelegenheid om inzage in het strafdossier te verzoeken en de rechtbank over de uitkomst daarvan te berichten. (PS 2026-0250)
Artikel 7:962 lid 3 BW: reikwijdte begrip ‘werkgever’.
Verzekerde van de eisende zorgverzekeraar (ASR) is een ernstig ongeval overkomen tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden. De zorgverzekeraar tracht in deze procedure de door haar in het kader van de door de verzekerde bij haar gesloten zorgverzekering gedane uitkeringen te verhalen op Equans Refrigiration B.V. In de arbeidsovereenkomst tussen de verzekerde en Equans Nederland N.V. (destijds anders geheten) stond dat de formele werkgever Equans Nederland N.V. (destijds anders geheten) is en dat de verzekerde feitelijk werkzaam is bij Equans Refrigeration B.V. (destijds anders geheten). De zorgverzekeraar heeft Equans Refrigeration B.V. in deze procedure gedagvaard. Equans Refrigeration B.V. beroept zich in deze procedure op het subrogatieverbod uit artikel 7:962 lid 3 BW. Tussen partijen is niet in geschil dat de werknemer een arbeidsovereenkomst sloot met de nv en niet met de bv. Equans Refrigeration B.V. betoogt dat zij niettemin heeft te gelden als werkgever in de zin van artikel 7:962 lid 3 BW omdat de werkgever feitelijk permanent en exclusief bij haar was tewerkgesteld. Volgens de verzekeraar kan alleen de formeel juridische werkgever zich beroepen op het subrogatieverbod en gaat het verweer van de bv niet op. De rechtbank volgt Equans niet in haar betoog. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 7:962 lid 3 BW komt, zoals door de Hoge Raad in het Anderzorg-arrest is beschreven, naar voren dat de wetgever de voorkeur heeft gegeven aan een limitatieve opsomming van duidelijk afgebakende uitzonderingscategorieën boven een meer open geformuleerde maatstaf aan de hand waarvan moet worden beoordeeld of het aan de orde zijnde concrete geval beantwoordt aan de motieven voor het opnemen van de regeling in de wet. Er is dus geen ruimte om aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval – in dit geval de aard en duur van de tewerkstelling van de verzekerde bij de bv – te beoordelen of sprake is van een arbeidsrelatie waarvoor het subrogatieverbod geldt. De rechtbank ziet geen aanleiding om de door Equans Refrigeration B.V. voorgestelde prejudiciële vragen te stellen over de reikwijdte van het subrogatieverbod. De conclusie is dan ook dat Equans kan worden aangesproken door ASR tot betaling van de door haar vergoede en door het ongeval veroorzaakte medische kosten van de verzekerde. (PS 2026-0251)
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps-updates@boom.nl.
Met vriendelijke groet,
Ilona van der Zalm & Armin Vorsselman
PS Updates
Hof
Rechtbank
- Rechtbank Amsterdam Werknemer is in dienst getreden bij de werkgever onder andere als arts in opleiding. De werknemer en collega-artsen hebben meerdere meldingen gemaakt over de werkdruk. De werknemer is meerdere malen uitgevallen. De bedrijfsarts heeft geconstateerd dat de reden voor uitval werkgerelateerd is en gelegen in knelpunten in de arbeidsrelatie. De werknemer is een aantal maanden vrijwillig opgenomen op de crisisdienst van het ziekenhuis. De psychiater heeft op 27 november 2015 geconstateerd dat overbelasting in de werksfeer in etiologische zin een rol speelt, dat de mediationafspraak hem onder de huidige omstandigheden niet geschikt lijkt en een afspraak met de leidinggevende/werkgever door de werknemer alleen te ontraden is. Het UWV heeft in het deskundigenoordeel geoordeeld dat de re-integratie-inspanningen van de werkgever onvoldoende waren. De partijen zijn in mediation gegaan waarna de werknemer bij een andere zorginstelling werkzaamheden heeft verricht in verband met de re-intergratieverplichtingen. De werkgever heeft bij het UWV een ontslagvergunning aangevraagd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, deze is verleend. De werknemer ontvangt sinds 25 januari 2017 een WIA-uitkering en sinds 17 augustus 2018 een IVA-uitkering op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid. De werknemer vordert in deze procedure dat de werkgever aansprakelijk is voor de schade die zij als gevolg van de arbeidsomstandigheden heeft geleden en nog lijdt. De werknemer legt hieraan ten grondslag dat bij de werkgever sprake was van een verhoogde psychosociale arbeidsbelasting. De werkgever stelt primair dat de vordering van de werknemer is verjaard. Subsidiair betwist de werkgever dat sprake was van schadelijke werkomstandigheden of schending van de zorgplicht. De kantonrechter is van oordeel dat de vordering op verjaring niet slaagt. De kantonrechter oordeelt voorts dat de werknemer onvoldoende heeft onderbouwd dat het beleid van de werkgever heeft gezorgd voor schadelijke werkomstandigheden. Hetzelfde geldt voor de door de werknemer ervaren problemen rondom verlofaanvragen, declaraties en salaris. Verder kan de kantonrechter het zich voorstellen dat de werknemer veel stress heeft ervaren vanwege de herregistratie, maar onvoldoende is gebleken dat het niet kunnen herregistreren te wijten is aan de werkgever. Verder is niet gebleken dat de werkgever haar re-integratie-inspanningen heeft veronachtzaamd. Weliswaar heeft het UWV op 8 december 2015 geoordeeld dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende waren, maar het UWV heeft de werkgever verder nooit maatregelen of sancties opgelegd. De werkgever heeft steeds de adviezen van de bedrijfsarts opgevolgd. Op grond van het voorgaande concludeert de kantonrechter dat de werkdruk van de werknemer weliswaar hoog was, maar dat de werkgever daarvoor voldoende oog heeft gehad en maatregelen heeft genomen. Van gevaarlijke of schadelijke werkomstandigheden in de zin van artikel 7:658 BW is daarom binnen de gegeven omstandigheden geen sprake geweest. De vorderingen van de werknemer worden daarom afgewezen. 28-05-2026
- Rechtbank Den Haag Vader van de verzoeker was opgenomen in het ziekenhuis in verband met een bacteriële infectie in de rug. Hij kreeg medicatie toegediend via een infuus en zuurstof toegediend via een neusbril. Vader is in het ziekenhuis overleden door een aansluiting van de zuurstoftoevoer op het infuus, waardoor een fatale hoeveelheid lucht in het bloed van de vader terecht is gekomen. Ten tijde van de mondelinge behandeling in deze zaak was nog niet bekend of het OM strafrechtelijke vervolging in zal stellen en zo ja, tegen wie. Het strafrechtelijk dossier bevat verklaringen van betrokken zorgmedewerkers. In deze procedure wordt de rechtbank verzocht om een getuigenverhoor te bevelen. Volgens de rechtbank heeft verzoeker op dit moment (nog) geen wettelijk afdwingbaar recht op inzage en is hij afhankelijk van de welwillendheid van de officier van justitie. Wanneer de verzoeker geen inzage krijgt in de verklaringen die de betrokken zorgmedewerkers ten overstaan van de politie hebben afgelegd dan ligt zijn verzoek in beginsel voor toewijzing gereed. De rechtbank oordeelt dat de verzoeker voldoende belang heeft bij zijn verzoek en dat hij geen misbruik maakt van zijn bevoegdheid. De rechtbank zal het verzoek om leden van de onderzoekscommissie te horen afwijzen, omdat gewichtige redenen zich hiertegen verzetten. Deze personen beschikken uit hoofde van hun rol over informatie die in het incidentenregister staat. Op die informatie heeft de verzoeker geen recht. De conclusie luidt dat het verzoek van de verzoeker om een getuigenverhoor te bevelen in beginsel toewijsbaar is, in het geval dat hij geen inzage krijgt in het strafrechtelijk dossier. Wel behoeft de getuigenlijst naar het oordeel van de rechtbank herziening. De procedure wordt zes weken aangehouden. In die periode heeft de verzoeker de gelegenheid om inzage in het strafdossier te verzoeken en de rechtbank over de uitkomst daarvan te berichten. 28-05-2026
- Rechtbank Rotterdam Strafrecht. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag met drie slachtoffers en het voorhanden hebben van een geladen vuurwapen en munitie. Na een conflict met een van de slachtoffers heeft de verdachte in een drukbezocht café met een vuurwapen richting dit slachtoffer geschoten. Hierbij werden twee andere slachtoffers, die geen enkele betrokkenheid hadden bij het conflict, geraakt. De slachtoffers hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd. Het eerste slachtoffer heeft naast materiële schade € 30.500 als vergoeding voor immateriële schade gevorderd. De rechtbank oordeelt dat het eerste slachtoffer als gevolg van het strafbare feit eveneens rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen. Die schade wordt naar billijkheid begroot op het gevorderde bedrag van € 30.500. Het derde slachtoffer heeft naast materiële schade € 12.500 als vergoeding voor immateriële schade en € 2.500 als vergoeding voor toekomstige schade gevorderd. De rechtbank oordeelt dat het slachtoffer immateriële schade heeft geleden, namelijk lichamelijk en psychisch letsel. De schade wordt naar billijkheid begroot op het gevorderde bedrag van € 12.500. De rechtbank verklaart het slachtoffer niet-ontvankelijk voor het resterende deel, te weten de nader te onderbouwen schade van € 2.500. 22-05-2026
- Rechtbank Overijssel Eindvonnis in letselschadezaak. In eerdere tussenvonnissen is al geoordeeld dat de gedaagde aansprakelijk is voor de schade die de eiser heeft geleden door het incident dat op 5 mei 2019 heeft plaatsgevonden. Daarbij is geoordeeld dat sprake is van een percentage eigen schuld van 50%. Na toepassing van de billijkheidscorrectie heeft de rechtbank geoordeeld dat de gedaagde gehouden is 60% van de schade aan de eiser te vergoeden. Uit het rapport blijkt dat de eiser niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, dat hij niet in staat is om loonvormende arbeid te verrichten in een andere passende functie en dat hij niet in staat is om in een beschutte werkomgeving te werken. Naar de inschatting van de deskundige is hij aangewezen op een niet loonvormende arbeidsmatige daginvulling. In dit eindvonnis wordt het deskundigenbericht van de arbeidsdeskundige besproken en een oordeel gegeven over de schadeposten verlies van verdienvermogen, pensioenschade en huurtoeslag. 20-05-2026
- Rechtbank Midden-Nederland Deelgeschil. De vrouw is in het restaurant van een afstapje gevallen en heeft toen haar rechterarm gebroken. Zij heeft het restaurant aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van haar val. De aansprakelijkheidsverzekeraar van het restaurant heeft de aansprakelijkheid afgewezen. De vrouw vraagt in dit deelgeschil om te beslissen dat het restaurant aansprakelijk is voor de gevolgen van haar val en dat het restaurant hoofdelijk gehouden is haar materiële en immateriële schade te vergoeden. De vrouw beroept zich primair op artikel 6:174 BW in samenhang met artikel 6:181 BW. Subsidiair beroept zij zich op artikel 6:162 BW. Het gaat in de procedure om een Rijksmonument met binnen meerdere niveauverschillen. Dat is ook niet in geschil. Naar het oordeel van de rechtbank zijn niveauverschillen in een pand als dit ook te verwachten. Van een bezoeker mag daarom de nodige oplettendheid worden verwacht en worden verwacht dat deze met niveauverschillen rekening houdt. De kans om bij de ingang over het afstapje te vallen, is naar het oordeel van de rechtbank klein. Het gaat om een afstapje van 11 centimeter dat duidelijk zichtbaar is, ook omdat het om verschillende materialen gaat. Het hogere gedeelte is van hout en het lagere van beton en daar tussenin zit een ijzeren strip. De vrouw is ongelukkig ten val gekomen met naar letsel en ook nog een vervelende nasleep na (complicaties bij) de tweede operatie, maar de kans dat het opstapje ernstig letsel kan veroorzaken, acht de rechtbank klein. Naar het oordeel van de rechtbank had het restaurant de door de vrouw genoemde veiligheidsmaatregelen niet hoeven te treffen omdat het afstapje duidelijk genoeg te zien is, onder meer door de verschillende materialen (beton, ijzer, hout). De conclusie is dat het restaurant niet aansprakelijk is voor de gevolgen van de val van de vrouw, niet op grond van artikel 6:174 BW (gebrekkige opstal) en niet op grond van artikel 6:162 BW (gevaarzetting). 19-05-2026
- Rechtbank Midden-Nederland Strafrecht. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de stelselmatige verkrachting van zijn minderjarige stiefdochter. De eerste seksuele handelingen hebben plaatsgevonden toen het slachtoffer slechts 5 jaar oud was en het misbruik is pas geëindigd toen zij 17 was. Het slachtoffer heeft zich als benadeelde partij gevoegd en stelt een vordering van € 35.000 aan immateriële schade in. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending, namelijk het door de verdachte jarenlang plegen van ontuchtige handelingen met zijn minderjarige stiefdochter, mee dat de daaruit voor de benadeelde partij voortvloeiende nadelige gevolgen, zozeer voor de hand liggen, dat aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen. De benadeelde partij heeft daarnaast ook voldoende concrete gegevens overgelegd waaruit blijkt dat zij psychisch letsel heeft geleden. De rechtbank acht de gevorderde immateriële schadevergoeding billijk. 12-05-2026
- Rechtbank Den Haag Verzekerde van de eisende zorgverzekeraar (ASR) is een ernstig ongeval overkomen tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden. De zorgverzekeraar tracht in deze procedure de door haar in het kader van de door de verzekerde bij haar gesloten zorgverzekering gedane uitkeringen te verhalen op Equans Refrigiration B.V. In de arbeidsovereenkomst tussen de verzekerde en Equans Nederland N.V. (destijds anders geheten) stond dat de formele werkgever Equans Nederland N.V. (destijds anders geheten) is en dat de verzekerde feitelijk werkzaam is bij Equans Refrigeration B.V. (destijds anders geheten). De zorgverzekeraar heeft Equans Refrigeration B.V. in deze procedure gedagvaard. Equans Refrigeration B.V. beroept zich in deze procedure op het subrogatieverbod uit artikel 7:962 lid 3 BW. Tussen partijen is niet in geschil dat de werknemer een arbeidsovereenkomst sloot met de nv en niet met de bv. Equans Refrigeration B.V. betoogt dat zij niettemin heeft te gelden als werkgever in de zin van artikel 7:962 lid 3 BW omdat de werkgever feitelijk permanent en exclusief bij haar was tewerkgesteld. Volgens de verzekeraar kan alleen de formeel juridische werkgever zich beroepen op het subrogatieverbod en gaat het verweer van de bv niet op. De rechtbank volgt Equans niet in haar betoog. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 7:962 lid 3 BW komt, zoals door de Hoge Raad in het Anderzorg-arrest is beschreven, naar voren dat de wetgever de voorkeur heeft gegeven aan een limitatieve opsomming van duidelijk afgebakende uitzonderingscategorieën boven een meer open geformuleerde maatstaf aan de hand waarvan moet worden beoordeeld of het aan de orde zijnde concrete geval beantwoordt aan de motieven voor het opnemen van de regeling in de wet. Er is dus geen ruimte om aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval – in dit geval de aard en duur van de tewerkstelling van de verzekerde bij de bv – te beoordelen of sprake is van een arbeidsrelatie waarvoor het subrogatieverbod geldt. De rechtbank ziet geen aanleiding om de door Equans Refrigeration B.V. voorgestelde prejudiciële vragen te stellen over de reikwijdte van het subrogatieverbod. De conclusie is dan ook dat Equans kan worden aangesproken door ASR tot betaling van de door haar vergoede en door het ongeval veroorzaakte medische kosten van de verzekerde. 29-04-2026
- Rechtbank Den Haag Gedupeerden van de toeslagaffaire leggen aan hun verzoek ten grondslag dat zij als gevolg van de kinderopvangtoeslagaffaire schade hebben geleden die hoger is dan de toegekende compensatie. Om vast te stellen hoe hoog die schade is en teneinde hun rechtspositie nader te kunnen bepalen, willen verzoekers hun schade laten beoordelen door onafhankelijke deskundigen. Nu de Staat zich niet (formeel) verzet tegen het verzoek om als deskundige een psychiater te benoemen voor het verrichten van een deskundigenonderzoek per persoon, zal de rechtbank dat verzoek toewijzen. De rechtbank gaat over tot benoeming van een deskundige en legt de IWMD-vraagstelling voor. Ter zitting is met partijen besproken dat de beslissing op het verzoek voor een arbeidsdeskundig onderzoek in dit geval prematuur is. De bevindingen van de psychiater kunnen relevant zijn bij de beoordeling van de vraag of onderzoek door een arbeidsdeskundige doelmatig is, maar dat zal pas veel later kunnen blijken. Om die reden zal het huidige verzoek voor een arbeidsdeskundig onderzoek worden afgewezen. 24-04-2026