Update
Geachte heer/mevrouw,
Hierbij treft u de nieuwe PS Updates aan.
Rechtspraak
In deze nieuwsbrief hebben wij een selectie opgenomen van de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken, die te raadplegen zijn via de hyperlinks onder aan deze nieuwsbrief.
Deze week is een tweetal uitspraken over werkgeversaansprakelijkheid voor u uitgelicht. In de eerste uitspraak komt de rechtbank tot de conclusie dat de zaak niet geschikt is voor deelgeschil, maar geeft in de uitspraak ook aan dat in deze zaak op de werkgever een verzwaarde zorgplicht rust. In de tweede uitspraak oordeelt de rechtbank dat de werkgever weliswaar voldoende heeft onderbouwd dat zij in algemene zin voldoende invulling heeft gegeven aan haar zorgplicht, maar dat de werkgever ten aanzien van deze werknemer in dit specifieke geval niet aan de op haar rustende zorgplicht heeft voldaan.
Werkgeversaansprakelijkheid: verzwaarde zorgplicht.
De werkneemster is gedeeltelijk gehandicapt. Als gevolg van kinderpolio zijn haar linkerbeen en rechterbovenbeen verlamd en loopt zij sinds haar jeugd met krukken. Op 2 september 2021 is werkneemster ten val gekomen in de aula (ook wel als hal aangeduid) van de school. Werkneemster heeft haar werkzaamheden voortgezet maar, vanwege schouderklachten als gevolg van de val, met gebruikmaking van een rolstoel in plaats van krukken. Op 8 november 2021 heeft de orthopedisch chirurg van de werkneemster op basis van de op 3 november 2021 gemaakte echo de diagnose gesteld dat een pees in de rechterarm van werkneemster gescheurd was en de werkneemster binnen twee maanden geopereerd moest worden. De werkneemster heeft de werkgeefster op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk gesteld voor (de schade ten gevolge van) haar val. De aansprakelijkheidsverzekeraar heeft de aansprakelijkheid betwist. Omdat de precieze toedracht van het arbeidsongeval niet vaststaat en de werkgeefster heeft nagelaten het arbeidsongeval te melden bij de Arbeidsinspectie, geldt voor de werkgeefster een ruimere bewijslast dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de werkneemster ook terecht gesteld dat op de werkgeefster ten opzichte van de werkneemster vanwege haar handicap een verzwaarde zorgplicht geldt. De kantonrechter concludeert dat partijen elkaar tegenspreken over zowel de feitelijke toedracht als de naleving van de zorgplicht door de werkgeefster. De werkgeefster heeft weliswaar de bewijslast ten aanzien van de naleving van de zorgplicht, maar zij stelt gemotiveerd en onderbouwd dat die zorgplicht is nageleefd. De conclusie is dat deze zaak niet geschikt is voor een beoordeling in een deelgeschil. De kantonrechter zal het verzoek van de werkneemster daarom afwijzen. (PS 2026-0233)
Werkgeversaansprakelijkheid: in algemene zin voldaan aan zorgplicht maar niet in specifieke geval.
De werknemer is tijdens zijn werkzaamheden als installatiemonteur voor de werkgever onder stroom komen te staan, waardoor hij letsel heeft opgelopen. Tussen partijen is niet in geschil dat het ongeval heeft plaatsgevonden in de uitoefening van de werkzaamheden. Verder heeft de werknemer tijdens de zitting voldoende nader onderbouwd dat hij (ten minste enige) schade heeft geleden als gevolg van het ongeval, en heeft de werkgever dit niet (verder) weersproken. Gelet hierop draait deze zaak (alleen) om de vraag of de werkgever aan haar zorgplicht heeft voldaan. De werkgever heeft naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd dat zij in dit specifieke geval aan haar zorgplicht heeft voldaan. In november 2022 kwamen er signalen vanuit het werkveld dat de werknemer onveilig te werk ging en onzorgvuldig met bedrijfseigendommen omging. Gelet op de omstandigheden, bestaande uit de signalen over het onveilig werken door de werknemer, de gesprekken die zijn gevoerd, de waarschuwingen die zijn gegeven en het ontbreken van een adequate opvolging daarvan, kunnen vraagtekens worden gezet bij het afgeven van de aanwijzing. Dit had immers tot gevolg dat de werknemer alleen op pad kon gaan (zie het verslag van 11 november 2022 en de verklaringen ter zitting van partijen) en dat er dus sprake zou zijn van geen of minder toezicht door collega’s. In dat licht heeft de werkgever onvoldoende onderbouwd dat de aanwijzing zorgvuldig en op goede gronden is afgegeven. Daarnaast heeft de werkgever onvoldoende onderbouwd dat zij na het verstrekken van de aanwijzing op andere wijze voldoende toezicht heeft gehouden op het functioneren van de werknemer. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat in dit specifieke geval niet is komen vast te staan dat de werkgever aan haar zorgplicht heeft voldaan als bedoeld in artikel 6:758 BW. Dat de werknemer tijdens zijn werkzaamheden op 19 juni 2023 zelf een fout heeft gemaakt door een kabel vast te pakken zonder dat hij zijn veiligheidshandschoenen aan had, leidt niet tot een ander oordeel. De werknemer heeft verklaard dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de situatie veilig was en de kabel die hij vastpakte niet onder stroom stond. De werkgever heeft een andere toedracht niet voldoende aannemelijk gemaakt zodat de kantonrechter het door de werknemer geschetste scenario tot uitgangspunt zal nemen. Maar ook als zou komen vast te staan dat de werknemer een andere fout heeft gemaakt, volgt daaruit nog niet dat de werkgever wel aan haar zorgplicht heeft voldaan. Een werkgever mag er immers niet zonder meer op vertrouwen dat de werknemer zelf goed oppast, maar moet rekening houden met een zekere mate van onoplettendheid, hetgeen ook geldt voor ervaren medewerkers. De gevorderde verklaring voor recht zal dan ook worden toegewezen. (PS 2026-0237)
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps-updates@boom.nl.
Met vriendelijke groet,
Ilona van der Zalm & Armin Vorsselman
PS Updates
Rechtbank
- Rechtbank Limburg De dochter van de vrouw is in verband met psychische problematiek in behandeling geweest bij een ggz-instelling. Op 22 september 2022 is zij door suïcide om het leven gekomen. De vrouw heeft de ggz-instelling op grond van artikel 7:453 BW aansprakelijk gesteld. De ggz-instelling heeft deze aansprakelijkheid van de hand gewezen. De vrouw heeft de rechtbank verzocht om een onderzoek door een psychiatrisch deskundige te bevelen. Daarnaast verzoekt de vrouw op grond van artikel 843a (oud) Rv (thans artikel 194 en 195 Rv) een afschrift van het integrale medische dossier van de dochter. De rechtbank concludeert dat de ggz-instelling niet gehouden is een afschrift van het medisch dossier te verstrekken aan de vrouw, haar advocaat of diens medisch adviseur. Wel is de ggz-instelling gehouden het medische dossier, inclusief het dossier van de crisisdienst, af te geven aan de (nog) te benoemen gerechtelijk deskundige. Er is namelijk geen sprake van een zwaarwegend belang als bedoeld in artikel 7:458a onder c BW. Het verzoek tot benoeming van een gerechtelijk deskundige wordt toegewezen. Omdat partijen nog geen overeenstemming hebben bereikt over de persoon van de te benoemen deskundige zullen zij eerst in de gelegenheid worden gesteld zich daarover nader uit te laten. 13-05-2026
- Rechtbank Gelderland De werkneemster is gedeeltelijk gehandicapt. Als gevolg van kinderpolio zijn haar linkerbeen en rechterbovenbeen verlamd en loopt zij sinds haar jeugd met krukken. Op 2 september 2021 is werkneemster ten val gekomen in de aula (ook wel als hal aangeduid) van de school. Werkneemster heeft haar werkzaamheden voortgezet maar, vanwege schouderklachten als gevolg van de val, met gebruikmaking van een rolstoel in plaats van krukken. Op 8 november 2021 heeft de orthopedisch chirurg van de werkneemster op basis van de op 3 november 2021 gemaakte echo de diagnose gesteld dat een pees in de rechterarm van werkneemster gescheurd was en de werkneemster binnen twee maanden geopereerd moest worden. De werkneemster heeft de werkgeefster op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk gesteld voor (de schade ten gevolge van) haar val. De aansprakelijkheidsverzekeraar heeft de aansprakelijkheid betwist. Omdat de precieze toedracht van het arbeidsongeval niet vaststaat en de werkgeefster heeft nagelaten het arbeidsongeval te melden bij de Arbeidsinspectie, geldt voor de werkgeefster een ruimere bewijslast dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de werkneemster ook terecht gesteld dat op de werkgeefster ten opzichte van de werkneemster vanwege haar handicap een verzwaarde zorgplicht geldt. De kantonrechter concludeert dat partijen elkaar tegenspreken over zowel de feitelijke toedracht als de naleving van de zorgplicht door de werkgeefster. De werkgeefster heeft weliswaar de bewijslast ten aanzien van de naleving van de zorgplicht, maar zij stelt gemotiveerd en onderbouwd dat die zorgplicht is nageleefd. De conclusie is dat deze zaak niet geschikt is voor een beoordeling in een deelgeschil. De kantonrechter zal het verzoek van de werkneemster daarom afwijzen. 12-05-2026
- Rechtbank Overijssel De werknemer is tijdens zijn werkzaamheden als installatiemonteur voor de werkgever onder stroom komen te staan, waardoor hij letsel heeft opgelopen. Tussen partijen is niet in geschil dat het ongeval heeft plaatsgevonden in de uitoefening van de werkzaamheden. Verder heeft de werknemer tijdens de zitting voldoende nader onderbouwd dat hij (ten minste enige) schade heeft geleden als gevolg van het ongeval, en heeft de werkgever dit niet (verder) weersproken. Gelet hierop draait deze zaak (alleen) om de vraag of de werkgever aan haar zorgplicht heeft voldaan. De werkgever heeft naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd dat zij in dit specifieke geval aan haar zorgplicht heeft voldaan. In november 2022 kwamen er signalen vanuit het werkveld dat de werknemer onveilig te werk ging en onzorgvuldig met bedrijfseigendommen omging. Gelet op de omstandigheden, bestaande uit de signalen over het onveilig werken door de werknemer, de gesprekken die zijn gevoerd, de waarschuwingen die zijn gegeven en het ontbreken van een adequate opvolging daarvan, kunnen vraagtekens worden gezet bij het afgeven van de aanwijzing. Dit had immers tot gevolg dat de werknemer alleen op pad kon gaan (zie het verslag van 11 november 2022 en de verklaringen ter zitting van partijen) en dat er dus sprake zou zijn van geen of minder toezicht door collega’s. In dat licht heeft de werkgever onvoldoende onderbouwd dat de aanwijzing zorgvuldig en op goede gronden is afgegeven. Daarnaast heeft de werkgever onvoldoende onderbouwd dat zij na het verstrekken van de aanwijzing op andere wijze voldoende toezicht heeft gehouden op het functioneren van de werknemer. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat in dit specifieke geval niet is komen vast te staan dat de werkgever aan haar zorgplicht heeft voldaan als bedoeld in artikel 6:758 BW. Dat de werknemer tijdens zijn werkzaamheden op 19 juni 2023 zelf een fout heeft gemaakt door een kabel vast te pakken zonder dat hij zijn veiligheidshandschoenen aan had, leidt niet tot een ander oordeel. De werknemer heeft verklaard dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de situatie veilig was en de kabel die hij vastpakte niet onder stroom stond. De werkgever heeft een andere toedracht niet voldoende aannemelijk gemaakt zodat de kantonrechter het door de werknemer geschetste scenario tot uitgangspunt zal nemen. Maar ook als zou komen vast te staan dat de werknemer een andere fout heeft gemaakt, volgt daaruit nog niet dat de werkgever wel aan haar zorgplicht heeft voldaan. Een werkgever mag er immers niet zonder meer op vertrouwen dat de werknemer zelf goed oppast, maar moet rekening houden met een zekere mate van onoplettendheid, hetgeen ook geldt voor ervaren medewerkers. De gevorderde verklaring voor recht zal dan ook worden toegewezen. 12-05-2026
- Rechtbank Den Haag De motorrijder is op 22 juni 2019 aangereden door de bestuurder van een personenauto. De motorrijder is hierbij ten val gekomen en heeft hierdoor ernstig letsel opgelopen. Eerder is de motorrijder al een verkeersongeval overkomen op 30 september 2011. Ten aanzien van dit ongeval heeft de WAM-verzekeraar van de aansprakelijke partij, in 2018 een (slot)uitkering aan de motorrijder betaald van € 300.000. Op 15 oktober 2020 is de motorrijder, als inzittende van een auto, opnieuw een verkeersongeval overkomen. Tussen de motorrijder en de WAM-verzekeraar van de personenauto is een procedure gevoerd over de aansprakelijkheidsvraag met betrekking tot het ongeval. Het hof Den Haag heeft bij arrest van 2 mei 2023 voor recht verklaard dat de bestuurder voor 50% aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval en dat de WAM-verzekeraar gehouden is tot vergoeding van 50% van de geleden en nog te lijden schade. Partijen hebben na de uitspraak van het hof afgesproken een neurologische expertise te laten verrichten op basis van de IWMD-vraagstelling. Bij brief heeft de WAM-verzekeraar aan de motorrijder gemeld dat er zwaarwegende bezwaren bestaan tegen het rapport en dat, op basis van de (alsnog aan te leveren) volledige gegevens, de neurologische expertise opnieuw zal moeten worden verricht. Verder neemt de WAM-verzekeraar in deze brief het standpunt in dat zij niet gehouden kan worden tot vergoeding van enig verlies aan verdienvermogen van de motorrijder. Op basis van de wel aan de deskundige voorgelegde informatie is de rechtbank van oordeel dat hij onvoldoende op de situatie vóór het ongeval (wat betreft het al dan niet aanwezig zijn van klachten) is ingegaan. Het voorgaande betekent, anders dan de WAM-verzekeraar stelt, niet dat het rapport van de deskundige tussen partijen niet als bindend kan worden beschouwd. Wel moeten partijen dit nader laten onderzoeken, waarbij dan de eventueel nog ontbrekende stukken moeten worden meegenomen. Of bij de bepaling van het (eventuele) verlies aan verdienvermogen van de motorrijder acht moet worden geslagen op de schadevergoeding die de motorrijder in 2018 van de toenmalige WAM-verzekeraar heeft ontvangen, is afhankelijk van de uitkomst van het nadere onderzoek door partijen. Als uit dat nadere onderzoek blijkt dat de motorrijder voor het ongeval al klachten (en beperkingen) had en dat er toen geen, of verminderd, reëel arbeidsvermogen was, dan is aannemelijk dat de motorrijder dit (in zoverre) ook niet is kwijtgeraakt als gevolg van het ongeval (en heeft hij in dat geval ook geen (extra) schade wegens verlies aan verdienvermogen geleden) of dat er sprake is van mengschade (waarbij de thans aanwezige schade zijn oorzaak heeft in beide ongevallen). Als geen sprake meer was van klachten (en beperkingen) en er wel een (gedeeltelijk) reëel arbeidsvermogen was, dan is het mogelijk dat hij dit door het ongeval is kwijtgeraakt. Dat in de in 2018 betaalde schadevergoeding mogelijk al een verlies aan verdienvermogen was verdisconteerd doet hier niet zonder meer aan af. Een eventueel herstel nadien (in die zin dat motorrijder weer kon werken) maakt dat er, als hij door het ongeval van 2019 niet meer kan werken, een nieuwe schade is ontstaan die voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen. Het voorgaande leidt tot het volgende ten aanzien van de voorliggende verzoeken. De rechtbank ziet geen aanleiding om het rapport terzijde te schuiven voor zover dat rapport betrekking heeft op de situatie van verzoeker na het ongeval, deze heeft te gelden als basis voor de verdere schaderegeling tussen partijen. Dat geldt niet voor zover het rapport ziet op de situatie van verzoeker vóór het ongeval. 07-05-2026
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant Dit geschil heeft betrekking op een verkeersongeval van de motorrijder in de nacht van 29 mei 2022. Hij is in een bocht tegen een geparkeerd staande auto gebotst en ten val gekomen. Aan de val ging een achtervolging door een (bestuurder van een) politievoertuig vooraf. De motorrijder heeft bij de val ernstig letsel opgelopen. Volgens hem was de politie betrokken bij het ongeval en zijn de politie en de WAM-verzekeraar van het voertuig aansprakelijk voor de gevolgen daarvan. De WAM-verzekeraar heeft namens de politie aansprakelijkheid afgewezen. Er heeft een onderzoek door de Rijksrecherche plaatsgevonden naar het ongeval. Op grond van de conclusie van dit onderzoek heeft het openbaar ministerie vastgesteld dat de motorrijder door eigen toedoen met zijn motor ten val is gekomen en dat de politie daarbij geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De motorrijder heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van 12 november 2024 heeft het gerechtshof het beklag van de motorrijder in al zijn onderdelen afgewezen. Volgens de motorrijder heeft de politie gehandeld in strijd met artikel 5 en 6 WVW. De Politie c.s. heeft dit gemotiveerd betwist. Het ongeval is ontstaan doordat motorrijder met te hoge snelheid een bocht naderde en bij het remmen voor die bocht onderuit is gegaan. Er is geen sprake geweest van een aanrijding. Ook was er geen sprake van dat de motorrijder een manoeuvre heeft moeten maken om een aanrijding te voorkomen. Hij had op ieder moment van de relatief korte achtervolging zijn gas kunnen terugnemen. Er is niet voldaan aan de vereisten van artikel 5 of 6 WVW. Subsidiair doet de motorrijder een beroep op onrechtmatig handelen van de politie in verband met strijd met (onder meer) de Brancherichtlijn Politie 2021. De rechtbank komt tot de conclusie dat niet in strijd met de richtlijn is gehandeld, ook niet door een geringe overschrijding van de toegestane snelheidsbegrenzing, die immers was ingegeven om het kenteken te kunnen lezen. Ter zitting heeft de motorrijder nog verklaard dat hij het stopteken niet heeft gezien en evenmin de optische en geluidssignalen heeft gezien/gehoord tot vlak voor de bocht waarin hij ten val is gekomen. Toen merkte hij de signalen op en is door een schrikreactie ten val gekomen. De rechtbank kan niet zonder meer uitgaan van de juistheid van hetgeen de motorrijder heeft verklaard omdat hij de enige is die dit heeft verklaard en er eerder bij de motorrijder geen herinneringen bestonden direct voorafgaand aan het ongeval. De motorrijder heeft ook aangevoerd dat er sprake was van opjagen ook nadat het kenteken bekend was. De rechtbank stelt vast op grond van de verklaringen en de bevindingen op grond van de bodycambeelden dat sprake was van een relatief korte achtervolging en dat nadat door de politie geconstateerd was wat het kenteken van de motor was, de snelheid van de politieauto is afgenomen en de motor uitliep op de politie. Nu kort daarop het ongeval plaatsvond is naar het oordeel van de rechtbank van opjagen geen sprake. Er zijn geen steekhoudende redenen aangevoerd die leiden tot de slotsom dat van de kant van de bestuurder of de bijrijder van de politieauto onrechtmatig is gehandeld en dat door dit onrechtmatig handelen het ongeval is ontstaan. Slotsom is dat de Politie c.s. niet aansprakelijk zijn voor het ontstaan van het ongeval en het ernstige letsel van de motorrijder. 23-04-2026
- Rechtbank Den Haag De vrouw is aangereden door een onverzekerde crossmotor. Zij heeft daarbij ernstig letsel opgelopen. Het ongeluk vond plaats tijdens een zogenoemde ‘meeting’ van (jonge) mensen met (cross)motoren en bromfietsen, waarmee sommige aanwezigen hard reden en stunts deden. Een van de deelnemers reed daar op een crossmotor die hij had geleend. Deze crossmotor had geen kenteken en was niet tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd. Hij is tegen de vrouw aangereden. Zij heeft als gevolg van het ongeval (onder meer) een gebroken linkerkuit- en scheenbeen opgelopen. In deze zaak gaat het om de vraag of de schade die zij daardoor leed geheel of gedeeltelijk voor haar eigen risico komt. De schade die de vrouw leed moet door het Waarborgfonds worden vergoed indien en voor zover de crossmotorrijder vanwege zijn rijgedrag aansprakelijk is voor die schade (art. 25 lid 1 WAM). De rechtbank oordeelt dat de bestuurder van de crossmotor, gelet op zijn strafrechtelijke veroordeling, aansprakelijk is op grond van artikel 6:162 BW in verband met gevaarlijk rijgedrag. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden aangenomen dat de omstandigheid dat de vrouw naar de meeting is gegaan en daaraan deelnam heeft bijgedragen aan het ontstaan van haar schade. Het mag zo zijn dat als zij daar niet was geweest, zij niet zou zijn aangereden door de motorcrossrijder, maar dat is niet voldoende om een voor ‘eigen schuld’ relevant causaal verband aan te nemen. Wel kan worden aangenomen dat de vrouw op dezelfde weg reed als de motorcrossrijder, zij besloot aan het eind van het verharde deel naar links te gaan (en al of niet te stoppen). De vrouw had de motorcrossrijder voor moeten laten gaan. Daarbij is van belang dat niet in geschil is dat hoewel het ging om een stuk weg dat nog niet klaar was, wel sprake was van openbare weg waarop verkeersregels gelden. Omdat beide partijen een verwijt valt te maken over het ontstaan van het ongeval en dus van de schade, moet de vergoedingsplicht van de motorcrossrijder verminderd worden met het deel van de schade dat het gevolg is van de aan de vrouw toe te rekenen omstandigheid dat zij de motorcrossrijder niet liet voorgaan. De rechtbank is van oordeel dat het ongeval in overwegende mate is veroorzaakt door de motorcrossrijder. Dat leidt ertoe dat de rechtbank aanneemt dat de aan hem toe te rekenen omstandigheden voor 75% hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade en de aan de vrouw toe te rekenen omstandigheden voor 25%. Echter is de rechtbank het met de vrouw eens dat de billijkheidscorrectie moet worden toegepast. In dit geval moet dat leiden tot een andere verdeling dan die op basis van causaliteit. De rechtbank komt tot een billijkheidscorrectie van 85%. De rechtbank komt tot de slotsom dat het Waarborgfonds gehouden is om 85% van de schade van de vrouw als gevolg van het ongeval te vergoeden. 23-04-2026
- Rechtbank Amsterdam Tijdens de jaarwisseling, op 1 januari 2025, vond een aanrijding plaats tussen een motorfiets, bestuurd door een motoragent, en een voetganger. De voetganger stelt door het ongeval letsel te hebben opgelopen. De voetganger heeft de verzekeraar per brief van 23 januari 2025 aansprakelijk gesteld voor de schade die hij als gevolg van het ongeval lijdt. De verzekeraar heeft de aansprakelijkheid afgewezen. De verzekeraar voert aan dat de voetganger met gespreide armen voor de motoragent is gesprongen/gaan staan om hem de doorgang naar de wegvluchtende bestuurder van de scooter te beletten en daarbij is aangereden. Dat wordt door de voetganger betwist. Volgens de rechtbank faalt het beroep op overmacht. Er was geen sprake van een situatie met een evidente hoge urgentie of direct gevaar. Dat maakt dat van de motoragent mocht worden verwacht dat hij zich rekenschap gaf van de risico’s van een achtervolging onder deze omstandigheden in relatie tot het doel dat daarmee gediend werd. Door desondanks toch een achtervolging in te zetten en over een aanzienlijke afstand uit te voeren en dus met sterk verhoogde snelheid aan het verkeer deel te nemen, heeft de motoragent onvoldoende rekening gehouden met de niet onwaarschijnlijke aanwezigheid van voetgangers op de rijbaan vanwege de Oudejaarsnacht. Het ongeval dat vervolgens heeft plaatsgevonden, is een direct gevolg daarvan. Omdat het beroep van de verzekeraar op overmacht faalt, is zij op grond van artikel 185 WVW aansprakelijk voor de schade die de voetganger als gevolg van het ongeval lijdt. De rechtbank ziet aanleiding om de vergoedingsplicht van de verzekeraar te beperken tot 60% op grond van eigen schuld aan de zijde van de voetganger (art. 6:101 BW). Vast staat dat de voetganger zich ten tijde van het ongeval op de rijbaan bevond, terwijl op dat moment (oudejaarsnacht) een achtervolging plaatsvond door een politiemotor die optische en geluidssignalen voerde. Het beroep op de billijkheidscorrectie faalt. 09-04-2026
- Rechtbank Noord-Nederland Kort geding. De man is betrokken geraakt bij een verkeersongeval, ten gevolge waarvan hij letsel heeft opgelopen. Ten tijde van het verkeersongeval beschikte de man over een Schadeverzekering Inzittenden (SVI) bij de verzekeraar. De man heeft de verzekeraar verzocht een aanvullend voorschot van € 5.000 over te maken. De kantonrechter oordeelt dat het geschil zich leent voor een kort geding. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat, op basis van de stukken die zijn overgelegd en wat ter zitting is toegelicht, in dit kort geding niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat er een causaal verband bestaat tussen de huidige (psychische) klachten van de man en het ongeval. Niet alleen met betrekking tot de causaliteit, maar ook met betrekking tot de omvang van de schade rusten de stelplicht en de bewijslast bij de man. Ten aanzien van die schade stelt de man dat hij ondanks zijn diverse aandoeningen jaarlijks ongeveer € 80.000 per jaar aan omzet genereerde met zijn eenmanszaak. De man stelt dat hij door het ongeval arbeidsongeschikt is geraakt. De verzekeraar betwist dit en voert aan dat het heel goed mogelijk is dat de contracten van de man zijn beëindigd door andere oorzaken, gelet op zijn maandenlange afwezigheid voor het ongeval. Het had naar het oordeel van de kantonrechter dan ook op de weg van de man gelegen om stukken te overleggen waaruit ten eerste de causaliteit tussen het ongeval en het beëindigen van zijn contracten blijkt en waaruit ten tweede de omvang van zijn schade blijkt. In deze kortgedingprocedure kan niet worden vastgesteld dat de verzekeringsovereenkomst niet wordt nagekomen of dat de Gedragscode Behandeling Letselschade niet wordt nageleefd. Daar heeft de man onvoldoende voor gesteld. Het verzoek van de man wordt afgewezen. 31-03-2026
- Rechtbank Den Haag De vrouw heeft tijdens een vakantie met haar gezin in Frankrijk vanwege een ernstige infectie aan haar hand de huisartsenpost bezocht op 31 juli 2023. De vrouw vordert in deze procedure een vergoeding voor de door haar geleden immateriële schade. Aan de vordering ligt (samengevat) ten grondslag dat de verzekeraar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de met de vrouw gesloten verzekeringsovereenkomst door niet de hulp en zorg te bieden die mocht worden verwacht bij ziekte in het buitenland. Niet kan worden vastgesteld dat het trauma (in psychische zin) het gevolg is van het handelen van de verzekeraar. De vrouw maakt aanspraak op immateriële schadevergoeding in verband met de door haar geleden pijn, stress, angst en ongemak en heeft gesteld en onderbouwd dat zij met PTSS is gediagnosticeerd. Zeker niet valt uit te sluiten dat zij ook met PTSS zou zijn gediagnosticeerd wanneer zij de hulp van de verzekeraar als voldoende had beoordeeld en ervaren, en het in een levensbedreigende situatie terechtkomen vanwege een ernstige ontsteking zou resteren. Bovendien is voor het slagen van deze vordering nodig dat komt vast te staan dat sprake is van wanprestatie. De rechtbank is van oordeel dat daarvan geen sprake is. De vordering van de vrouw wordt afgewezen. 30-04-2025
- Rechtbank Amsterdam Op 13 mei 2021 heeft op de kruising een ongeval plaatsgevonden. Daarbij waren de bestuurder van een motor en de bestuurder van een auto betrokken. De motorrijder is daarbij ten val gekomen. Hij heeft als gevolg van het ongeval letsel opgelopen. De verzekeraar van de automobilist heeft medegedeeld dat niet is gebleken dat de automobilist aansprakelijk is. De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige zaak zich niet leent voor een beoordeling in het deelgeschil. De lezingen van partijen over de toedracht wijken van elkaar af. De rechtbank kan op dit moment niet vaststellen dat de automobilist aan de motorrijder ten onrechte geen voorrang heeft verleend, zoals de motorrijder stelt. Het enkele gegeven dat de automobilist linksaf is geslagen terwijl de motorrijder rechtdoor wilde rijden is weliswaar belangrijk maar onvoldoende voor het oordeel dat hij aansprakelijk is. Het proces-verbaal is in dit geval niet van doorslaggevende betekenis. De rechtbank kan zonder nadere bewijslevering niet vaststellen of de door motorrijder gestelde toedracht als vaststaand kan worden aangenomen. Het verzoek wordt afgewezen. 04-07-2024