Naar boven ↑

Update

Nummer 20, 2026
Uitspraken van 19 mei 2026 tot 27 mei 2026
Redactie: Mr. H. Vorsselman, mr. drs. I. van der Zalm, mr. Y. Bosschaart en J. Stulp.

Geachte heer/mevrouw,

Hierbij treft u de nieuwe PS Updates aan. 

Rechtspraak
In deze nieuwsbrief hebben wij een selectie opgenomen van de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken, die te raadplegen zijn via de hyperlinks onder aan deze nieuwsbrief. 

Deze week lichten we twee uitspraken uit. Een uitspraak waarbij sprake is van een jong kind met ernstig hersenletsel en waarbij een vraag omtrent voordeelstoerekening aan bod komt (wegens voorzieningen op grond van de Wlz) en naar voren komt dat een bepaalde onzekere toekomstige post buiten de afrekening ineens kan worden gehouden. En een uitspraak waarbij het gaat om de aansprakelijkheid van neurologen, waarbij schadeposten langs worden gelopen en het hof bij het vaststellen van de vergoeding wegens immateriële schade meeweegt dat de vrouw jarenlang zocht naar een diagnose, maar zich niet, althans onvoldoende gesteund en erkend voelde door de neurologen. Het hof acht het aannemelijk dat dit heeft geleid tot extra stress, gemis aan levensvreugde, depressieve gevoelens, verwerkingsproblemen en een verlies aan vertrouwen in artsen of ziekenhuizen.

Hof gaat in op verlies aan arbeidsvermogen en Wlz, verhoogt het smartengeld naar € 245.000.
Een jongen heeft in 1999 op 11-jarige leeftijd ernstige hersenschade opgelopen als gevolg van een ongeval. Het slachtoffer is daardoor blijvend aangewezen op verblijf en verzorging in een gezinsvervangend tehuis zonder mogelijkheden van loonvormende arbeid. Deze zorg wordt verstrekt op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Partijen twisten over de wijze waarop de schade wegens verlies van arbeidsvermogen moet worden berekend, met name over de vraag of de schade als gevolg van verlies aan arbeidsvermogen op grond van bepalingen in de Wlz verminderd moet worden met het ‘voordeel’ dat het slachtoffer heeft van de genoemde voorzieningen vanuit de Wlz. Het hof oordeelt dat artikel 10.2.1 Wlz bedoeld is om te voorkomen dat dezelfde schade twee keer wordt vergoed. Het gaat hier echter niet om dezelfde schade. De vergoeding vanuit de Wlz is namelijk geen vergoeding voor verlies van verdienvermogen. Die ontvangt hij wel in de vorm van een Wajong-uitkering, waarmee dus bij het vaststellen van het verlies van verdienvermogen rekening moet worden gehouden. Dit betekent niet dat voor voordeelstoerekening op grond van artikel 6:100 BW geen plaats kan zijn. De vraag die met name voorligt is of de schade als gevolg van verlies aan arbeidsvermogen op grond van bepalingen in de Wlz verminderd moet worden met het ‘voordeel’ dat het slachtoffer heeft van de genoemde voorzieningen vanuit de Wlz. Het is redelijk om hiermee rekening te houden bij het vaststellen van de schade. Het is echter niet redelijk om dit ‘voordeel’ te berekenen door uit te gaan van wat een gemiddelde persoon als het slachtoffer, met het aan hem zonder verlies van verdienvermogen toegedichte inkomen, in normale omstandigheden redelijkerwijs aan huisvestiging had uitgegeven. Daar had immers in dat geval ook het voordeel van dergelijke huisvesting – het genot van het wonen in een eigen eengezinswoning – tegenover gestaan. Dit voordeel geniet het slachtoffer niet; hij woont in een gezinsvervangend tehuis met (hooguit) een eigen kamer en verder gedeelde voorzieningen. De voordeelstoerekening moet daarom redelijkerwijs worden beperkt tot de aan de huidige woonvorm van het slachtoffer toe te rekenen waarde. Het hof is van oordeel dat het door de rechtbank toegekende bedrag van € 200.000 past bij de ernst van het letsel. Het hof ziet aanleiding om het smartengeld nog verder naar boven bij te stellen vanwege de jeugdige leeftijd waarop het slachtoffer het ongeval is overkomen, en komt tot een bedrag van € 245.000. Deze beslissing sluit aan bij de Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van artikel 6:106 BW. De rechtbank oordeelde dat hetzij de schade periodiek moet worden afgewikkeld, hetzij ineens, en dat het niet mogelijk is dat de schade ineens wordt afgewikkeld met uitzondering van een bepaalde post. Het hof oordeelt anders. Het is mogelijk om de schade grotendeels ineens af te wikkelen, terwijl onzekere toekomstige schadeposten niet worden afgewikkeld. (PS 2026-0231)

Ziekenhuis aansprakelijk voor tekortschieten neurologen, hof beoordeelt gevorderde schadeposten.
Een vrouw verwijt een ziekenhuis dat haar neurologen tekort zijn geschoten in haar medische behandeling. In een eerder tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat het ziekenhuis voor bepaalde tekortkomingen op grond van artikel 7:462 BW aansprakelijk is en dat de mogelijkheid van schade als gevolg van deze tekortkomingen, zowel materieel als immaterieel, voldoende aannemelijk is. Het hof heeft vervolgens de vrouw uitgenodigd zich nader uit te laten over de vraag of er (materiële en/of immateriële) schade is en zo ja, wat de omvang daarvan is die aan de te onderscheiden tekortkomingen zijn toe te rekenen en haar schade te onderbouwen. Het ziekenhuis is in de gelegenheid gesteld daarop bij akte te reageren. De vrouw heeft verwezen naar een schadestaat die door een letselschadespecialist is opgesteld. Het ziekenhuis heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft bij haar antwoordakte na tussenarrest een rapport van de door haar ingeschakelde medisch adviseur overgelegd alsmede een artikel over medische bevindingen na een herseninfarct. De vrouw heeft nog niet op deze producties kunnen reageren. Het hof zal haar daartoe ook niet meer in de gelegenheid stellen. De vrouw wordt hierdoor niet in haar belang geschaad, omdat het hof zonder gebruikmaking van deze producties tot een eindoordeel komt. Het hof gaat de schadeposten langs. De schadepost omtrent zorgschade en kosten van huishoudelijke hulp wordt afgewezen. De vrouw heeft weliswaar wel gesteld dat bij eerder handelen sprake zou zijn geweest van een gunstiger ziekteverloop waarbij behandeling niet zou zijn uitgesloten, maar zij heeft niet gesteld en (medisch) onderbouwd hoe deze hypothetische situatie waarin de vastgestelde tekortkomingen niet hadden plaatsgevonden eruit had gezien én hoe die situatie zou verschillen voor wat betreft beperkingen en hulpbehoefte met de situatie zoals die zich in werkelijkheid heeft voorgedaan. Zonder een onderbouwde vergelijking tussen de werkelijke en hypothetische situatie ontbreekt een deugdelijke grondslag voor toerekening van deze schadepost en kan niet worden vastgesteld dat de vrouw als gevolg van een of meer van de tekortkomingen zorgschade heeft geleden en kosten voor huishoudelijke hulp heeft moeten maken. Het komt het hof, zonder nadere toelichting die ontbreekt, voor dat de geclaimde kosten ook zouden zijn gemaakt indien de zorgverleners de behandeling correct (‘lege artis’) hadden uitgevoerd. Het hof merkt verder op dat door de vrouw ook geen onderscheid is gemaakt tussen werkzaamheden die behoren tot de normale echtelijke/huishoudelijke hulp op basis van in een relatie aanwezige wederkerigheid en hulp die naar aard en omvang uitstijgt boven het gebruikelijke als gevolg van de tekortkomingen van de neurologen. De vrouw vordert een bedrag aan smartengeld van € 241.000. Onvoldoende onderbouwd is dat de fouten van de neurologen de oorzaak zijn van het lichamelijk letsel, de cognitieve problemen of een ernstiger ziekteverloop. Het hof kent de vrouw een bedrag aan smartengeld van € 10.000 toe. Hier heeft het hof onder meer meegenomen dat de vrouw jarenlang zocht naar een diagnose, maar zich niet, althans onvoldoende gesteund en erkend voelde door de neurologen. Het hof acht het aannemelijk dat dit heeft geleid tot extra stress, gemis aan levensvreugde, depressieve gevoelens, verwerkingsproblemen en een verlies aan vertrouwen in artsen of ziekenhuizen. (PS 2026-0228)

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps-updates@boom.nl.

Met vriendelijke groet,

Ilona van der Zalm & Armin Vorsselman 
PS Updates

Hof

Rechtbank