Update
Geachte heer/mevrouw,
Hierbij treft u de nieuwe PS Updates aan.
Rechtspraak
In deze nieuwsbrief hebben wij een selectie opgenomen van de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken, die te raadplegen zijn via de hyperlinks onder aan deze nieuwsbrief.
Deze week lichten we twee uitspraken uit. Een uitspraak waarbij sprake is van een jong kind met ernstig hersenletsel en waarbij een vraag omtrent voordeelstoerekening aan bod komt (wegens voorzieningen op grond van de Wlz) en naar voren komt dat een bepaalde onzekere toekomstige post buiten de afrekening ineens kan worden gehouden. En een uitspraak waarbij het gaat om de aansprakelijkheid van neurologen, waarbij schadeposten langs worden gelopen en het hof bij het vaststellen van de vergoeding wegens immateriële schade meeweegt dat de vrouw jarenlang zocht naar een diagnose, maar zich niet, althans onvoldoende gesteund en erkend voelde door de neurologen. Het hof acht het aannemelijk dat dit heeft geleid tot extra stress, gemis aan levensvreugde, depressieve gevoelens, verwerkingsproblemen en een verlies aan vertrouwen in artsen of ziekenhuizen.
Hof gaat in op verlies aan arbeidsvermogen en Wlz, verhoogt het smartengeld naar € 245.000.
Een jongen heeft in 1999 op 11-jarige leeftijd ernstige hersenschade opgelopen als gevolg van een ongeval. Het slachtoffer is daardoor blijvend aangewezen op verblijf en verzorging in een gezinsvervangend tehuis zonder mogelijkheden van loonvormende arbeid. Deze zorg wordt verstrekt op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Partijen twisten over de wijze waarop de schade wegens verlies van arbeidsvermogen moet worden berekend, met name over de vraag of de schade als gevolg van verlies aan arbeidsvermogen op grond van bepalingen in de Wlz verminderd moet worden met het ‘voordeel’ dat het slachtoffer heeft van de genoemde voorzieningen vanuit de Wlz. Het hof oordeelt dat artikel 10.2.1 Wlz bedoeld is om te voorkomen dat dezelfde schade twee keer wordt vergoed. Het gaat hier echter niet om dezelfde schade. De vergoeding vanuit de Wlz is namelijk geen vergoeding voor verlies van verdienvermogen. Die ontvangt hij wel in de vorm van een Wajong-uitkering, waarmee dus bij het vaststellen van het verlies van verdienvermogen rekening moet worden gehouden. Dit betekent niet dat voor voordeelstoerekening op grond van artikel 6:100 BW geen plaats kan zijn. De vraag die met name voorligt is of de schade als gevolg van verlies aan arbeidsvermogen op grond van bepalingen in de Wlz verminderd moet worden met het ‘voordeel’ dat het slachtoffer heeft van de genoemde voorzieningen vanuit de Wlz. Het is redelijk om hiermee rekening te houden bij het vaststellen van de schade. Het is echter niet redelijk om dit ‘voordeel’ te berekenen door uit te gaan van wat een gemiddelde persoon als het slachtoffer, met het aan hem zonder verlies van verdienvermogen toegedichte inkomen, in normale omstandigheden redelijkerwijs aan huisvestiging had uitgegeven. Daar had immers in dat geval ook het voordeel van dergelijke huisvesting – het genot van het wonen in een eigen eengezinswoning – tegenover gestaan. Dit voordeel geniet het slachtoffer niet; hij woont in een gezinsvervangend tehuis met (hooguit) een eigen kamer en verder gedeelde voorzieningen. De voordeelstoerekening moet daarom redelijkerwijs worden beperkt tot de aan de huidige woonvorm van het slachtoffer toe te rekenen waarde. Het hof is van oordeel dat het door de rechtbank toegekende bedrag van € 200.000 past bij de ernst van het letsel. Het hof ziet aanleiding om het smartengeld nog verder naar boven bij te stellen vanwege de jeugdige leeftijd waarop het slachtoffer het ongeval is overkomen, en komt tot een bedrag van € 245.000. Deze beslissing sluit aan bij de Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van artikel 6:106 BW. De rechtbank oordeelde dat hetzij de schade periodiek moet worden afgewikkeld, hetzij ineens, en dat het niet mogelijk is dat de schade ineens wordt afgewikkeld met uitzondering van een bepaalde post. Het hof oordeelt anders. Het is mogelijk om de schade grotendeels ineens af te wikkelen, terwijl onzekere toekomstige schadeposten niet worden afgewikkeld. (PS 2026-0231)
Ziekenhuis aansprakelijk voor tekortschieten neurologen, hof beoordeelt gevorderde schadeposten.
Een vrouw verwijt een ziekenhuis dat haar neurologen tekort zijn geschoten in haar medische behandeling. In een eerder tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat het ziekenhuis voor bepaalde tekortkomingen op grond van artikel 7:462 BW aansprakelijk is en dat de mogelijkheid van schade als gevolg van deze tekortkomingen, zowel materieel als immaterieel, voldoende aannemelijk is. Het hof heeft vervolgens de vrouw uitgenodigd zich nader uit te laten over de vraag of er (materiële en/of immateriële) schade is en zo ja, wat de omvang daarvan is die aan de te onderscheiden tekortkomingen zijn toe te rekenen en haar schade te onderbouwen. Het ziekenhuis is in de gelegenheid gesteld daarop bij akte te reageren. De vrouw heeft verwezen naar een schadestaat die door een letselschadespecialist is opgesteld. Het ziekenhuis heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft bij haar antwoordakte na tussenarrest een rapport van de door haar ingeschakelde medisch adviseur overgelegd alsmede een artikel over medische bevindingen na een herseninfarct. De vrouw heeft nog niet op deze producties kunnen reageren. Het hof zal haar daartoe ook niet meer in de gelegenheid stellen. De vrouw wordt hierdoor niet in haar belang geschaad, omdat het hof zonder gebruikmaking van deze producties tot een eindoordeel komt. Het hof gaat de schadeposten langs. De schadepost omtrent zorgschade en kosten van huishoudelijke hulp wordt afgewezen. De vrouw heeft weliswaar wel gesteld dat bij eerder handelen sprake zou zijn geweest van een gunstiger ziekteverloop waarbij behandeling niet zou zijn uitgesloten, maar zij heeft niet gesteld en (medisch) onderbouwd hoe deze hypothetische situatie waarin de vastgestelde tekortkomingen niet hadden plaatsgevonden eruit had gezien én hoe die situatie zou verschillen voor wat betreft beperkingen en hulpbehoefte met de situatie zoals die zich in werkelijkheid heeft voorgedaan. Zonder een onderbouwde vergelijking tussen de werkelijke en hypothetische situatie ontbreekt een deugdelijke grondslag voor toerekening van deze schadepost en kan niet worden vastgesteld dat de vrouw als gevolg van een of meer van de tekortkomingen zorgschade heeft geleden en kosten voor huishoudelijke hulp heeft moeten maken. Het komt het hof, zonder nadere toelichting die ontbreekt, voor dat de geclaimde kosten ook zouden zijn gemaakt indien de zorgverleners de behandeling correct (‘lege artis’) hadden uitgevoerd. Het hof merkt verder op dat door de vrouw ook geen onderscheid is gemaakt tussen werkzaamheden die behoren tot de normale echtelijke/huishoudelijke hulp op basis van in een relatie aanwezige wederkerigheid en hulp die naar aard en omvang uitstijgt boven het gebruikelijke als gevolg van de tekortkomingen van de neurologen. De vrouw vordert een bedrag aan smartengeld van € 241.000. Onvoldoende onderbouwd is dat de fouten van de neurologen de oorzaak zijn van het lichamelijk letsel, de cognitieve problemen of een ernstiger ziekteverloop. Het hof kent de vrouw een bedrag aan smartengeld van € 10.000 toe. Hier heeft het hof onder meer meegenomen dat de vrouw jarenlang zocht naar een diagnose, maar zich niet, althans onvoldoende gesteund en erkend voelde door de neurologen. Het hof acht het aannemelijk dat dit heeft geleid tot extra stress, gemis aan levensvreugde, depressieve gevoelens, verwerkingsproblemen en een verlies aan vertrouwen in artsen of ziekenhuizen. (PS 2026-0228)
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps-updates@boom.nl.
Met vriendelijke groet,
Ilona van der Zalm & Armin Vorsselman
PS Updates
Hof
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Een vrouw verwijt een ziekenhuis dat haar neurologen tekort zijn geschoten in haar medische behandeling. In een eerder tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat het ziekenhuis voor bepaalde tekortkomingen op grond van artikel 7:462 BW aansprakelijk is en dat de mogelijkheid van schade als gevolg van deze tekortkomingen, zowel materieel als immaterieel, voldoende aannemelijk is. Het hof heeft vervolgens de vrouw uitgenodigd zich nader uit te laten over de vraag of er (materiële en/of immateriële) schade is en zo ja, wat de omvang daarvan is die aan de te onderscheiden tekortkomingen zijn toe te rekenen en haar schade te onderbouwen. Het ziekenhuis is in de gelegenheid gesteld daarop bij akte te reageren. De vrouw heeft verwezen naar een schadestaat die door een letselschadespecialist is opgesteld. Het ziekenhuis heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft bij haar antwoordakte na tussenarrest een rapport van de door haar ingeschakelde medisch adviseur overgelegd alsmede een artikel over medische bevindingen na een herseninfarct. De vrouw heeft nog niet op deze producties kunnen reageren. Het hof zal haar daartoe ook niet meer in de gelegenheid stellen. De vrouw wordt hierdoor niet in haar belang geschaad, omdat het hof zonder gebruikmaking van deze producties tot een eindoordeel komt. Het hof gaat de schadeposten langs. De schadepost omtrent zorgschade en kosten van huishoudelijke hulp wordt afgewezen. De vrouw heeft weliswaar wel gesteld dat bij eerder handelen sprake zou zijn geweest van een gunstiger ziekteverloop waarbij behandeling niet zou zijn uitgesloten, maar zij heeft niet gesteld en (medisch) onderbouwd hoe deze hypothetische situatie waarin de vastgestelde tekortkomingen niet hadden plaatsgevonden eruit had gezien én hoe die situatie zou verschillen voor wat betreft beperkingen en hulpbehoefte met de situatie zoals die zich in werkelijkheid heeft voorgedaan. Zonder een onderbouwde vergelijking tussen de werkelijke en hypothetische situatie ontbreekt een deugdelijke grondslag voor toerekening van deze schadepost en kan niet worden vastgesteld dat de vrouw als gevolg van een of meer van de tekortkomingen zorgschade heeft geleden en kosten voor huishoudelijke hulp heeft moeten maken. Het komt het hof, zonder nadere toelichting die ontbreekt, voor dat de geclaimde kosten ook zouden zijn gemaakt indien de zorgverleners de behandeling correct (‘lege artis’) hadden uitgevoerd. Het hof merkt verder op dat door de vrouw ook geen onderscheid is gemaakt tussen werkzaamheden die behoren tot de normale echtelijke/huishoudelijke hulp op basis van in een relatie aanwezige wederkerigheid en hulp die naar aard en omvang uitstijgt boven het gebruikelijke als gevolg van de tekortkomingen van de neurologen. De vrouw vordert een bedrag aan smartengeld van € 241.000. Onvoldoende onderbouwd is dat de fouten van de neurologen de oorzaak zijn van het lichamelijk letsel, de cognitieve problemen of een ernstiger ziekteverloop. Het hof kent de vrouw een bedrag aan smartengeld van € 10.000 toe. Hier heeft het hof onder meer meegenomen dat de vrouw jarenlang zocht naar een diagnose, maar zich niet, althans onvoldoende gesteund en erkend voelde door de neurologen. Het hof acht het aannemelijk dat dit heeft geleid tot extra stress, gemis aan levensvreugde, depressieve gevoelens, verwerkingsproblemen en een verlies aan vertrouwen in artsen of ziekenhuizen. 19-05-2026
- Gerechtshof Den Haag Een jongen heeft in 1999 op 11-jarige leeftijd ernstige hersenschade opgelopen als gevolg van een ongeval. Het slachtoffer is daardoor blijvend aangewezen op verblijf en verzorging in een gezinsvervangend tehuis zonder mogelijkheden van loonvormende arbeid. Deze zorg wordt verstrekt op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Partijen twisten over de wijze waarop de schade wegens verlies van arbeidsvermogen moet worden berekend, met name over de vraag of de schade als gevolg van verlies aan arbeidsvermogen op grond van bepalingen in de Wlz verminderd moet worden met het ‘voordeel’ dat het slachtoffer heeft van de genoemde voorzieningen vanuit de Wlz. Het hof oordeelt dat artikel 10.2.1 Wlz bedoeld is om te voorkomen dat dezelfde schade twee keer wordt vergoed. Het gaat hier echter niet om dezelfde schade. De vergoeding vanuit de Wlz is namelijk geen vergoeding voor verlies van verdienvermogen. Die ontvangt hij wel in de vorm van een Wajong-uitkering, waarmee dus bij het vaststellen van het verlies van verdienvermogen rekening moet worden gehouden. Dit betekent niet dat voor voordeelstoerekening op grond van artikel 6:100 BW geen plaats kan zijn. De vraag die met name voorligt is of de schade als gevolg van verlies aan arbeidsvermogen op grond van bepalingen in de Wlz verminderd moet worden met het ‘voordeel’ dat het slachtoffer heeft van de genoemde voorzieningen vanuit de Wlz. Het is redelijk om hiermee rekening te houden bij het vaststellen van de schade. Het is echter niet redelijk om dit ‘voordeel’ te berekenen door uit te gaan van wat een gemiddelde persoon als het slachtoffer, met het aan hem zonder verlies van verdienvermogen toegedichte inkomen, in normale omstandigheden redelijkerwijs aan huisvestiging had uitgegeven. Daar had immers in dat geval ook het voordeel van dergelijke huisvesting – het genot van het wonen in een eigen eengezinswoning – tegenover gestaan. Dit voordeel geniet het slachtoffer niet; hij woont in een gezinsvervangend tehuis met (hooguit) een eigen kamer en verder gedeelde voorzieningen. De voordeelstoerekening moet daarom redelijkerwijs worden beperkt tot de aan de huidige woonvorm van het slachtoffer toe te rekenen waarde. Het hof is van oordeel dat het door de rechtbank toegekende bedrag van € 200.000 past bij de ernst van het letsel. Het hof ziet aanleiding om het smartengeld nog verder naar boven bij te stellen vanwege de jeugdige leeftijd waarop het slachtoffer het ongeval is overkomen, en komt tot een bedrag van € 245.000. Deze beslissing sluit aan bij de Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van artikel 6:106 BW. De rechtbank oordeelde dat hetzij de schade periodiek moet worden afgewikkeld, hetzij ineens, en dat het niet mogelijk is dat de schade ineens wordt afgewikkeld met uitzondering van een bepaalde post. Het hof oordeelt anders. Het is mogelijk om de schade grotendeels ineens af te wikkelen, terwijl onzekere toekomstige schadeposten niet worden afgewikkeld. 24-03-2026
Rechtbank
- Rechtbank Midden-Nederland Deelgeschil. Een werknemer is in 2020 bij het inladen van een bestelbus ten val gekomen. Hierdoor heeft de man een verbrijzelde radiuskop en een scheur in zijn linkerelleboogbot opgelopen. Daarvan ervaart hij nog steeds klachten. De kantonrechter komt tot de conclusie dat de werkgever niet aansprakelijk is ex artikel 7:658 BW omdat zij haar zorgplicht niet heeft geschonden. Het ongeval kenmerkt zich door het alledaagse karakter van de handeling van het in- en uitstappen in de bestelbus tijdens het laden van de meubelen via de tredeplank van de bestelbus. De werknemer was gewend om deze handeling tientallen keren per dag uit te voeren en deed dit werk al zo’n twee jaar bij de werkgever. Hij was dus bekend met de hoogte van de bestelbus en de tredeplank. Het betreft weliswaar een relatief hoge opstap, namelijk van ongeveer 45 cm tot aan de tredeplank en van ongeveer 45 cm van de tredeplank tot aan de vloer van de bestelbus, maar dit was voor hem een bekende hoogte. Daarnaast heeft de werkgever veiligheidsschoenen aan de werknemer ter beschikking gesteld, die hij op het moment van het ongeval ook droeg. Ook heeft de werkgever ervoor zorg gedragen dat zowel de vloer van de bestelbus als de tredeplank waren voorzien van een antislipvloer. Dat blijkt uit het deskundigenrapport. Er rustte geen verdergaande zorgplicht op de werkgever dan het ter beschikking stellen van een antislipvloer en -traptrede en veiligheidsschoenen. Het verzoek van de werknemer wordt afgewezen. 06-05-2026
- Rechtbank Oost-Brabant Deelgeschil. In 2020 is een wielrenner een ongeval overkomen op een fietspad. De wielrenner en zijn fietspartner hebben een noodstop gemaakt nadat zij een tegemoetlopende wandelaar en zijn hond zagen. De wielrenner is hierdoor gevallen en heeft daarbij een dwarslaesie opgelopen. De wielrenner verzoekt de rechtbank te bepalen dat de wandelaar aansprakelijk is voor het ontstaan en de gevolgen van het hem overkomen ongeval. Primair stelt hij dat de man onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, onder andere omdat de man zijn hond niet voldoende kort had aangelijnd, maar hem aan de andere kant van het fietspad in de berm liet lopen. Subsidiair doet de wielrenner een beroep op risicoaansprakelijkheid ex artikel 6:179 BW, meer subsidiair een beroep op zaakwaarneming. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de wandelaar een gevaarlijke situatie in het leven geroepen. Het lopen op een fietspad is op zichzelf niet gevaarzettend (een voetpad is daar immers niet aanwezig en het is niet verboden daar te lopen), maar het brengt logischerwijs wel met zich, dat de wandelaar rekening moest houden met tegemoetkomende fietsers. Daar komt bij dat de waarschijnlijkheid van onoplettend en onvoorzichtig gedrag van het tegemoetkomend fietsverkeer op een fietspad als dit niet gering is. De wandelaar had zijn hond zodanig kort aangelijnd moeten hebben dat hij bij onverwachte, plotselinge situaties (zoals hem tegemoetkomende fietsers) zijn hond meteen dicht naar zich toe kon trekken. Hoewel partijen verschillen van mening over de precieze plek op/bij het fietspad waar de hond ten tijde van het ongeval liep, heeft de wandelaar wel erkend dat zijn hond voorafgaand aan het ongeval 2 meter van hem vandaan liep, dat de hond vóór hem liep en dat de hond óp het fietspad liep. De hond liep dus niet in de berm in zijn directe nabijheid. De wandelaar moest er ook rekening mee houden dat hijzelf en – des te meer – zijn (kleine) hond voor tegemoetkomende fietsers pas op een laat moment zichtbaar zouden zijn, gelet op de weersomstandigheden, de schemering, de flauwe bocht in het fietspad ter hoogte van de ongevalslocatie en de hoge begroeiing in de berm aldaar. Hoewel hij daartoe niet verplicht was, was het verstandig geweest als hij verlichting had gevoerd (bij zichzelf en/of bij zijn hond en/of aan de riem). Dat is in deze tijd ook in financiële zin niet een veiligheidsmaatregel die bezwaarlijk van hem kon worden gevraagd. Het feit dat de wielrenner uiteindelijk noch de hond, noch de hondenlijn heeft geraakt, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het causaal verband tussen de aanwezigheid van (de lijn van) de hond op het fietspad en het ontstaan van het ongeval. De rechtbank geeft geen oordeel over een mogelijk eigen schuld aan de zijde van de wielrenner. Uit het verzoekschrift leidt de rechtbank namelijk af dat hij in dit deelgeschil géén beslissing van de rechtbank vraagt over de vraag of sprake was van eigen schuld. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij ook uitdrukkelijk verklaard dat zijn verzoek niet inhoudt dat ook (eventuele) eigen schuld wordt meegenomen. De wielrenner wil dit onderwerp aan de orde stellen tijdens het nadere overleg van partijen buiten rechte. Bij het begroten van de kosten van de deelgeschilprocedure gaat de rechtbank voorbij aan het bezwaar van de wandelaar dat onduidelijk is of de wielrenner de kosten voor dit deelgeschil uiteindelijk zelf zal moeten betalen. In reactie daarop heeft de wielrenner namelijk aangevoerd dat zijn rechtsbijstandsverzekeraar de kosten van de advocaat alleen dekt voor zover die niet kunnen worden verhaald of door derden worden vergoed en dat geïncasseerde proceskostenveroordelingen en buitengerechtelijke kosten toekomen aan de rechtsbijstandsverzekeraar. De verzekeraar heeft de advocaat van de wielrenner ook te kennen gegeven dat de gemaakte en te maken (buitengerechtelijke) kosten ‘dienen’ te worden verhaald. Het aantal uren voor het opstellen van een verzoekschrift worden niet beperkt. De opgegeven 18 uur voor het opstellen van het verzoekschrift acht de rechtbank in de deze zaak redelijk. 21-04-2026
- Rechtbank Rotterdam Een fietser heeft in 2019 een aanrijding gehad met een automobilist, toen de automobilist het fietspad waar de fietser op fietste overstak. Daarbij is schade ontstaan aan de auto van de automobilist. De verzekeraar van de auto heeft deze schade aan de automobilist vergoed. Volgens de verzekeraar was de fietser verantwoordelijk voor de aanrijding en de verzekeraar eist daarom dat de fietser de helft van het betaalde bedrag vergoedt. De fietser voert verweer: hij betwist dat hij op het moment van de aanrijding tegen het verkeer in fietste. De kantonrechter kan op dit moment nog geen eindoordeel geven en geeft de verzekeraar een bewijsopdracht. 17-04-2026
- Rechtbank Noord-Holland In 2017 is een werknemer gewond geraakt tijdens zijn werkzaamheden toen een vallend dakpaneel hem raakte. Als gevolg hiervan heeft hij letsel opgelopen, waaronder breuken in zijn middenvoetsbeentjes en een scheur in zijn bekken. De werknemer vordert nu dat de kantonrechter onder andere voor recht verklaart dat zijn werkgever aansprakelijk is voor alle geleden en nog te lijden schade. Volgens hem heeft de werkgever niet aan de zorgplicht ex artikel 7:658 BW voldaan. Partijen twisten over de toedracht van het ongeval. Naar het oordeel van de kantonrechter is het voldoende dat vaststaat dat er tijdens het verrichten van werkzaamheden een dakpaneel naar beneden is gevallen en dat de man daar onder terechtgekomen is. De precieze toedracht kan daarom in het midden blijven. De werknemer heeft in de uitoefening van zijn werkzaamheden letsel opgelopen en dit betekent dat de werkgever op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade, tenzij zij aannemelijk kan maken dat zij alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die in redelijkheid van haar mochten worden verwacht. Het ging om gevaarlijk werk. De verantwoordelijkheid van de werkgever voor de veiligheid van de man werd die dag uitgevoerd door een andere werknemer, die zich ervan had moeten vergewissen dat het slachtoffer zich aan de veiligheidsinstructies hield. Uit de verklaring van deze toezichthouder in het EMN-rapport blijkt dat hij tijdens het hijsen van het dakpaneel geen zicht had op de werknemer. De kantonrechter leidt hieruit af dat de man zijn toezichthoudende taak daarmee heeft verzaakt. Juist bij een werknemer als deze, waarvan bij zowel bij de werkgever als de toezichthouder bekend was dat extra toezicht en instructie noodzakelijk was, had de werkgever meer moeten doen om zich ervan te vergewissen dat de werknemer zich aan de veiligheidsinstructies hield door voldoende afstand te nemen en te houden. De werkgever heeft dus niet aan haar zorgplicht voldaan. Van bewuste roekeloosheid is geen sprake. Het feit dat de werknemer na de geschreeuwde waarschuwing niet op tijd voldoende afstand heeft genomen of heeft kunnen nemen is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is geweest van bewust roekeloos gedrag. Het verzoek van de werkgever om de zaak te verwijzen naar de schadestaat wordt afgewezen. Het ongeval heeft ruim acht jaar geleden plaatsgevonden en er is sprake van een medische eindtoestand. Dit betekent dat de werknemer in staat moet zijn om zijn schade inzichtelijk te maken. De kantonrechter zal hem de gelegenheid geven een akte te nemen om zijn schade te onderbouwen. Voor het nemen van deze akte krijgt hij een termijn van vier weken. De werknemer krijgt in afwachting van de verdere procedure een voorschot van € 5.000 toegewezen. 14-01-2026