Naar boven ↑

Update

Nummer 19, 2026
Uitspraken van 12 mei 2026 tot 18 mei 2026
Redactie: Mr. H. Vorsselman, mr. drs. I. van der Zalm, mr. Y. Bosschaart en J. Stulp.

Geachte heer/mevrouw,

Hierbij treft u de nieuwe PS Updates aan. 

Rechtspraak
In deze nieuwsbrief hebben wij een selectie opgenomen van de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken, die te raadplegen zijn via de hyperlinks onder aan deze nieuwsbrief. 

Deze week is een drietal zaken voor u uitgelicht. In de eerste zaak wordt in deelgeschil beoordeeld of een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen. In de tweede zaak (eigenlijk twee zaken) wordt een vordering met betrekking tot buitengerechtelijke kosten beoordeeld in deelgeschil. De derde zaak betreft een strafzaak. De rechtbank maakt duidelijk dat een schokschadevordering niet kan slagen nu de benadeelde partij zich niet onder medische behandeling heeft laten stellen.

Deelgeschil tussenbeschikking: geen rechtsgeldige vaststellingsovereenkomst gesloten.
De man was op 27 januari 2024 betrokken bij een verkeersongeval en heeft sindsdien lichamelijke klachten. De verzekeraar van de veroorzaker van het ongeval heeft de aansprakelijkheid erkend. Partijen hebben onderhandeld over de afwikkeling van de schade die de man heeft geleden en lijdt door het ongeval en het daarbij opgelopen letsel. De verzekeraar stelt dat partijen daarbij een vaststellingsovereenkomst met finale kwijting hebben gesloten. De man is het daar niet mee eens. In deze procedure vraagt de man de rechtbank om te oordelen dat geen (geldige) vaststellingsovereenkomst is gesloten en hij geen finale kwijting heeft verleend. Daarnaast wil hij een oordeel over de hoogte van het uurtarief van zijn belangenbehartiger en wil hij een maandelijks voorschot op zijn letselschade. De verzekeraar verzet zich daartegen. Overeenkomstig een tussen partijen ter zitting gemaakte procesafspraak gaat de rechtbank in deze beschikking eerst en alleen in op de vraag of zij een (geldige) vaststellingsovereenkomst met finale kwijting hebben gesloten. Het voorstel van de belangenbehartiger namens de man betrof een slotbetaling exclusief buitengerechtelijke kosten. Daarop zond de verzekeraar een vaststellingsovereenkomst met het verzoek die door de man te laten ondertekenen. In de vaststellingsovereenkomst staat dat de man door de overeenkomst te tekenen verklaart geen enkele vordering meer te hebben op de verzekeraar. Deze tekst laat volgens de rechtbank geen enkele andere uitleg toe dan dat na ondertekening geen ruimte meer bestond voor vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Dit wijkt af van het aanbod van de man omdat redelijke buitengerechtelijke kosten onderdeel zijn van de (vermogens)schade die is ontstaan door het ongeval en het letsel dat de man daarbij heeft opgelopen (art. 6:96 lid 2 BW). Het aanbod van de man hield juist niet in dat hij zou afzien van een vergoeding van redelijke buitengerechtelijke kosten. Dat eerder tussen de verzekeraar en de belangenbehartiger was gecorrespondeerd over een regeling waarin de buitengerechtelijke kosten niet waren betrokken doet daaraan niet af. De tekst van de vaststellingsovereenkomst en de begeleidende brief bevat geen enkel aanknopingspunt voor de bereidheid van de verzekeraar om, in afwijking van de heldere bewoordingen als hiervoor geciteerd, toch nog een extra schadepost te vergoeden. De door de verzekeraar aangehaalde praktijk waarin na het verlenen van finale kwijting nog met de belangenbehartiger wordt onderhandeld over diens kosten van bijstandverlening, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank komt tot de conclusie dat er geen vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen en dat de man geen finale kwijting heeft verleend. Het vorenstaande betekent dat de discussie over de afwikkeling van de schade die de man lijdt en heeft geleden door het ongeval en het daarbij opgelopen letsel weer volledig openligt. Overeenkomstig de met partijen gemaakte procesafspraak zal de rechtbank bepalen dat partijen zich op na te melden datum schriftelijk dienen uit te laten over het vervolg van deze procedure en iedere verdere beslissing aanhouden. (PS 2026-0215)

Kosten rechtsbijstand gevorderd in deelgeschil.
Op 25 augustus 2020 zijn de twee gedupeerden betrokken geraakt bij een kettingbotsing. Zij bevonden zich samen in een personenauto die van achteren werd aangereden. Na het ongeval kregen beide verzoekers diverse gezondheidsklachten, zoals (ernstige) hoofdpijn, nek-, schouder- en rugpijn, duizeligheid, misselijkheid en psychische problemen. De rechtbank overweegt dat, hoewel de verzekeraar de aansprakelijkheid heeft erkend en een voorschot op de schadevergoeding heeft betaald, er op dit moment nog geen vaststellingsovereenkomst is bereikt en de onderhandelingen feitelijk stil zijn komen te liggen. De verzekeraar heeft aangegeven niet verder te willen onderhandelen over de schadevergoeding, omdat volgens haar het causale verband tussen de klachten van de gedupeerden en het ongeval ontbreekt en dat daarmee de schadeafwikkeling is afgerond. Vanwege de weigerachtige houding van de verzekeraar om de reeds gemaakte buitengerechtelijke kosten te vergoeden en de gedupeerden, zoals zij stellen, mede daardoor de financiële middelen niet hebben om verdere stappen te nemen, is de schadeafhandeling in een impasse geraakt. Het komt er daarom op neer dat een beslissing over betaling van de buitengerechtelijke kosten deze impasse kan doorbreken en kan bijdragen aan het herstel van de onderhandelingen. Daarom leent dit verzoek zich voor behandeling als deelgeschil. De rechtbank oordeelt dat het redelijk is dat er buitenrechtelijke kosten zijn gemaakt. De verzekeraar voert aan dat zij al voldoende buitengerechtelijke kosten heeft betaald en dat de gevorderde kosten niet in verhouding staan tot de omvang van de schade, verdere buitengerechtelijke kosten zijn volgens haar buitenproportioneel. De rechtbank stelt in deze zaak het aantal voor vergoeding in aanmerking komende uren en het uurtarief vast. (PS 2026-0218)

Wel confrontatie maar geen medische behandeling. Dan geen shockschade.
Strafrecht. De verdachte heeft het slachtoffer in zijn gezicht geschoten. Hij heeft verklaard dat het slachtoffer zijn zoon aanviel, waarna de verdachte naar buiten is gerend en één schot heeft gelost. Het slachtoffer is aan zijn opgelopen letsel overleden. De rechtbank acht op grond van het vorenstaande bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de doodslag. De twee zoons, de weduwe, de moeder en de vader hebben zich gevoegd in het strafproces. De gevorderde affectieschade door deze partijen wordt toegewezen. Voor het verweer van de verdediging dat sprake zou zijn van eigen schuld door het slachtoffer bestaat geen grondslag. Dit verweer wordt verworpen. De rechtbank wijst de gevorderde shockschade van de broer af. Ondanks dat hij is geconfronteerd met de gevolgen van het delict, namelijk doordat hij zijn broer heeft vastgehouden nadat deze was neergeschoten en hij geconfronteerd is geweest met het overlijden, heeft hij zich niet onder medische behandeling laten stellen. Dat is uiteraard een persoonlijke keuze, maar de vraag of bij hem geestelijk letsel is ontstaan in de zin van shockschade, is daarom niet onderbouwd met stukken van een deskundige. De rechtbank acht dit deel van de vordering onvoldoende onderbouwd. Daarnaast slaagt het beroep van de broer op de hardheidsclausule niet. De broer wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. Omtrent de partner van het slachtoffer stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij op 21 oktober 2025 bij het café aanwezig was en dat zij heeft gezien hoe het slachtoffer na een ruzie met een vuurwapen van dichtbij in zijn gezicht is geschoten. Zij heeft het slachtoffer daarna met de wond in zijn gezicht ondersteund en ze zijn samen weggelopen. Later is zij geconfronteerd met zijn overlijden in het ziekenhuis. Het verweer dat de benadeelde partij vanwege de aard en hechtheid niet tot de kring van gerechtigden zou behoren, verwerpt de rechtbank. De rechtbank is van oordeel dat de confrontatie met het delict bij haar een emotionele schok teweeg heeft gebracht waardoor geestelijk letsel is ontstaan en stelt de shockschade naar de maatstaven van billijkheid vast op een bedrag van € 15.000. (PS 2026-0224)

Literatuur
R. Stijnen en K. de Meulder, ‘Het roer om of bijsturen?’, VR 2026/63.

J.F. Roth, ‘Vergoeding BGK voor het deskundigenbericht in de voorlopige bewijsverrichtingenprocedure’, VR 2026/64. 

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps-updates@boom.nl.

Met vriendelijke groet,

Ilona van der Zalm & Armin Vorsselman 
PS Updates

Hof

Rechtbank