Update
Geachte heer/mevrouw,
Hierbij treft u de nieuwe PS Updates aan.
Rechtspraak
In deze nieuwsbrief hebben wij een selectie opgenomen van de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken, die te raadplegen zijn via de hyperlinks onder aan deze nieuwsbrief.
Deze week is een drietal zaken voor u uitgelicht. In de eerste zaak wordt in deelgeschil beoordeeld of een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen. In de tweede zaak (eigenlijk twee zaken) wordt een vordering met betrekking tot buitengerechtelijke kosten beoordeeld in deelgeschil. De derde zaak betreft een strafzaak. De rechtbank maakt duidelijk dat een schokschadevordering niet kan slagen nu de benadeelde partij zich niet onder medische behandeling heeft laten stellen.
Deelgeschil tussenbeschikking: geen rechtsgeldige vaststellingsovereenkomst gesloten.
De man was op 27 januari 2024 betrokken bij een verkeersongeval en heeft sindsdien lichamelijke klachten. De verzekeraar van de veroorzaker van het ongeval heeft de aansprakelijkheid erkend. Partijen hebben onderhandeld over de afwikkeling van de schade die de man heeft geleden en lijdt door het ongeval en het daarbij opgelopen letsel. De verzekeraar stelt dat partijen daarbij een vaststellingsovereenkomst met finale kwijting hebben gesloten. De man is het daar niet mee eens. In deze procedure vraagt de man de rechtbank om te oordelen dat geen (geldige) vaststellingsovereenkomst is gesloten en hij geen finale kwijting heeft verleend. Daarnaast wil hij een oordeel over de hoogte van het uurtarief van zijn belangenbehartiger en wil hij een maandelijks voorschot op zijn letselschade. De verzekeraar verzet zich daartegen. Overeenkomstig een tussen partijen ter zitting gemaakte procesafspraak gaat de rechtbank in deze beschikking eerst en alleen in op de vraag of zij een (geldige) vaststellingsovereenkomst met finale kwijting hebben gesloten. Het voorstel van de belangenbehartiger namens de man betrof een slotbetaling exclusief buitengerechtelijke kosten. Daarop zond de verzekeraar een vaststellingsovereenkomst met het verzoek die door de man te laten ondertekenen. In de vaststellingsovereenkomst staat dat de man door de overeenkomst te tekenen verklaart geen enkele vordering meer te hebben op de verzekeraar. Deze tekst laat volgens de rechtbank geen enkele andere uitleg toe dan dat na ondertekening geen ruimte meer bestond voor vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Dit wijkt af van het aanbod van de man omdat redelijke buitengerechtelijke kosten onderdeel zijn van de (vermogens)schade die is ontstaan door het ongeval en het letsel dat de man daarbij heeft opgelopen (art. 6:96 lid 2 BW). Het aanbod van de man hield juist niet in dat hij zou afzien van een vergoeding van redelijke buitengerechtelijke kosten. Dat eerder tussen de verzekeraar en de belangenbehartiger was gecorrespondeerd over een regeling waarin de buitengerechtelijke kosten niet waren betrokken doet daaraan niet af. De tekst van de vaststellingsovereenkomst en de begeleidende brief bevat geen enkel aanknopingspunt voor de bereidheid van de verzekeraar om, in afwijking van de heldere bewoordingen als hiervoor geciteerd, toch nog een extra schadepost te vergoeden. De door de verzekeraar aangehaalde praktijk waarin na het verlenen van finale kwijting nog met de belangenbehartiger wordt onderhandeld over diens kosten van bijstandverlening, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank komt tot de conclusie dat er geen vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen en dat de man geen finale kwijting heeft verleend. Het vorenstaande betekent dat de discussie over de afwikkeling van de schade die de man lijdt en heeft geleden door het ongeval en het daarbij opgelopen letsel weer volledig openligt. Overeenkomstig de met partijen gemaakte procesafspraak zal de rechtbank bepalen dat partijen zich op na te melden datum schriftelijk dienen uit te laten over het vervolg van deze procedure en iedere verdere beslissing aanhouden. (PS 2026-0215)
Kosten rechtsbijstand gevorderd in deelgeschil.
Op 25 augustus 2020 zijn de twee gedupeerden betrokken geraakt bij een kettingbotsing. Zij bevonden zich samen in een personenauto die van achteren werd aangereden. Na het ongeval kregen beide verzoekers diverse gezondheidsklachten, zoals (ernstige) hoofdpijn, nek-, schouder- en rugpijn, duizeligheid, misselijkheid en psychische problemen. De rechtbank overweegt dat, hoewel de verzekeraar de aansprakelijkheid heeft erkend en een voorschot op de schadevergoeding heeft betaald, er op dit moment nog geen vaststellingsovereenkomst is bereikt en de onderhandelingen feitelijk stil zijn komen te liggen. De verzekeraar heeft aangegeven niet verder te willen onderhandelen over de schadevergoeding, omdat volgens haar het causale verband tussen de klachten van de gedupeerden en het ongeval ontbreekt en dat daarmee de schadeafwikkeling is afgerond. Vanwege de weigerachtige houding van de verzekeraar om de reeds gemaakte buitengerechtelijke kosten te vergoeden en de gedupeerden, zoals zij stellen, mede daardoor de financiële middelen niet hebben om verdere stappen te nemen, is de schadeafhandeling in een impasse geraakt. Het komt er daarom op neer dat een beslissing over betaling van de buitengerechtelijke kosten deze impasse kan doorbreken en kan bijdragen aan het herstel van de onderhandelingen. Daarom leent dit verzoek zich voor behandeling als deelgeschil. De rechtbank oordeelt dat het redelijk is dat er buitenrechtelijke kosten zijn gemaakt. De verzekeraar voert aan dat zij al voldoende buitengerechtelijke kosten heeft betaald en dat de gevorderde kosten niet in verhouding staan tot de omvang van de schade, verdere buitengerechtelijke kosten zijn volgens haar buitenproportioneel. De rechtbank stelt in deze zaak het aantal voor vergoeding in aanmerking komende uren en het uurtarief vast. (PS 2026-0218)
Wel confrontatie maar geen medische behandeling. Dan geen shockschade.
Strafrecht. De verdachte heeft het slachtoffer in zijn gezicht geschoten. Hij heeft verklaard dat het slachtoffer zijn zoon aanviel, waarna de verdachte naar buiten is gerend en één schot heeft gelost. Het slachtoffer is aan zijn opgelopen letsel overleden. De rechtbank acht op grond van het vorenstaande bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de doodslag. De twee zoons, de weduwe, de moeder en de vader hebben zich gevoegd in het strafproces. De gevorderde affectieschade door deze partijen wordt toegewezen. Voor het verweer van de verdediging dat sprake zou zijn van eigen schuld door het slachtoffer bestaat geen grondslag. Dit verweer wordt verworpen. De rechtbank wijst de gevorderde shockschade van de broer af. Ondanks dat hij is geconfronteerd met de gevolgen van het delict, namelijk doordat hij zijn broer heeft vastgehouden nadat deze was neergeschoten en hij geconfronteerd is geweest met het overlijden, heeft hij zich niet onder medische behandeling laten stellen. Dat is uiteraard een persoonlijke keuze, maar de vraag of bij hem geestelijk letsel is ontstaan in de zin van shockschade, is daarom niet onderbouwd met stukken van een deskundige. De rechtbank acht dit deel van de vordering onvoldoende onderbouwd. Daarnaast slaagt het beroep van de broer op de hardheidsclausule niet. De broer wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. Omtrent de partner van het slachtoffer stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij op 21 oktober 2025 bij het café aanwezig was en dat zij heeft gezien hoe het slachtoffer na een ruzie met een vuurwapen van dichtbij in zijn gezicht is geschoten. Zij heeft het slachtoffer daarna met de wond in zijn gezicht ondersteund en ze zijn samen weggelopen. Later is zij geconfronteerd met zijn overlijden in het ziekenhuis. Het verweer dat de benadeelde partij vanwege de aard en hechtheid niet tot de kring van gerechtigden zou behoren, verwerpt de rechtbank. De rechtbank is van oordeel dat de confrontatie met het delict bij haar een emotionele schok teweeg heeft gebracht waardoor geestelijk letsel is ontstaan en stelt de shockschade naar de maatstaven van billijkheid vast op een bedrag van € 15.000. (PS 2026-0224)
Literatuur
R. Stijnen en K. de Meulder, ‘Het roer om of bijsturen?’, VR 2026/63.
J.F. Roth, ‘Vergoeding BGK voor het deskundigenbericht in de voorlopige bewijsverrichtingenprocedure’, VR 2026/64.
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps-updates@boom.nl.
Met vriendelijke groet,
Ilona van der Zalm & Armin Vorsselman
PS Updates
Hof
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch Strafrecht. De verdachte is samen met de medeverdachte naar de woning van het slachtoffer gegaan met het idee om geld te stelen. Het idee was afkomstig van medeverdachte, omdat hij eerder in de Bed & Breakfast van het slachtoffer heeft verbleven. Uit een op grond van camerabeelden gemaakte reconstructie blijkt dat de verdachten bijna een uur lang in de woning van het slachtoffer zijn geweest. Gedurende dat uur is zodanig veel hevig geweld op het slachtoffer toegepast, dat hij aan de gevolgen daarvan is komen te overlijden. De rechtbank acht de verdachten schuldig aan medeplegen van gekwalificeerde doodslag. De nicht van het slachtoffer heeft haar oom in de woning aangetroffen. Zij vordert € 7.500 aan shockschade. Het hof overweegt hiertoe dat de benadeelde partij is geconfronteerd met het misdrijf waarbij haar oom op gruwelijke wijze om het leven is gebracht en dat als gevolg daarvan sprake is van een ziektebeeld dat in de psychiatrie erkend is. Voor het aannemen van het bestaan van een dergelijk ziektebeeld is geen verklaring van een psychiater vereist, maar kan ook worden volstaan met de verklaring van een GZ- of klinisch psycholoog. In dit geval is een verklaring van een GZ-psycholoog waarin de diagnose acute stressstoornis is gesteld, overgelegd. Het hof acht het gevorderde bedrag billijk. 13-05-2026
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch Strafrecht. De verdachte is samen met de medeverdachte naar de woning van het slachtoffer gegaan met het idee om geld te stelen. Het idee was afkomstig van medeverdachte, omdat hij eerder in de Bed & Breakfast van het slachtoffer heeft verbleven. Uit een op grond van camerabeelden gemaakte reconstructie blijkt dat de verdachten bijna een uur lang in de woning van het slachtoffer zijn geweest. Gedurende dat uur is zodanig veel hevig geweld op het slachtoffer toegepast, dat hij aan de gevolgen daarvan is komen te overlijden. De rechtbank acht de verdachten schuldig aan medeplegen van gekwalificeerde doodslag. De nicht van het slachtoffer heeft haar oom in de woning aangetroffen. Zij vordert € 7.500 aan shockschade. Het hof overweegt hiertoe dat de benadeelde partij is geconfronteerd met het misdrijf waarbij haar oom op gruwelijke wijze om het leven is gebracht en dat als gevolg daarvan sprake is van een ziektebeeld dat in de psychiatrie erkend is. Voor het aannemen van het bestaan van een dergelijk ziektebeeld is geen verklaring van een psychiater vereist, maar kan ook worden volstaan met de verklaring van een GZ- of klinisch psycholoog. In dit geval is een verklaring van een GZ-psycholoog waarin de diagnose acute stressstoornis is gesteld, overgelegd. Het hof acht het gevorderde bedrag billijk. 13-05-2026
Rechtbank
- Rechtbank Den Haag Strafrecht. De verdachte heeft het slachtoffer in zijn gezicht geschoten. Hij heeft verklaard dat het slachtoffer zijn zoon aanviel, waarna de verdachte naar buiten is gerend en één schot heeft gelost. Het slachtoffer is aan zijn opgelopen letsel overleden. De rechtbank acht op grond van het vorenstaande bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de doodslag. De twee zoons, de weduwe, de moeder en de vader hebben zich gevoegd in het strafproces. De gevorderde affectieschade door deze partijen wordt toegewezen. Voor het verweer van de verdediging dat sprake zou zijn van eigen schuld door het slachtoffer bestaat geen grondslag. Dit verweer wordt verworpen. De rechtbank wijst de gevorderde shockschade van de broer af. Ondanks dat hij is geconfronteerd met de gevolgen van het delict, namelijk doordat hij zijn broer heeft vastgehouden nadat deze was neergeschoten en hij geconfronteerd is geweest met het overlijden, heeft hij zich niet onder medische behandeling laten stellen. Dat is uiteraard een persoonlijke keuze, maar de vraag of bij hem geestelijk letsel is ontstaan in de zin van shockschade, is daarom niet onderbouwd met stukken van een deskundige. De rechtbank acht dit deel van de vordering onvoldoende onderbouwd. Daarnaast slaagt het beroep van de broer op de hardheidsclausule niet. De broer wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. Omtrent de partner van het slachtoffer stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij op 21 oktober 2025 bij het café aanwezig was en dat zij heeft gezien hoe het slachtoffer na een ruzie met een vuurwapen van dichtbij in zijn gezicht is geschoten. Zij heeft het slachtoffer daarna met de wond in zijn gezicht ondersteund en ze zijn samen weggelopen. Later is zij geconfronteerd met zijn overlijden in het ziekenhuis. Het verweer dat de benadeelde partij vanwege de aard en hechtheid niet tot de kring van gerechtigden zou behoren, verwerpt de rechtbank. De rechtbank is van oordeel dat de confrontatie met het delict bij haar een emotionele schok teweeg heeft gebracht waardoor geestelijk letsel is ontstaan en stelt de shockschade naar de maatstaven van billijkheid vast op een bedrag van € 15.000. 13-05-2026
- Rechtbank Amsterdam Op 25 augustus 2020 zijn de twee gedupeerden betrokken geraakt bij een kettingbotsing. Zij bevonden zich samen in een personenauto die van achteren werd aangereden. Na het ongeval kregen beide verzoekers diverse gezondheidsklachten, zoals (ernstige) hoofdpijn, nek-, schouder- en rugpijn, duizeligheid, misselijkheid en psychische problemen. De rechtbank overweegt dat, hoewel de verzekeraar de aansprakelijkheid heeft erkend en een voorschot op de schadevergoeding heeft betaald, er op dit moment nog geen vaststellingsovereenkomst is bereikt en de onderhandelingen feitelijk stil zijn komen te liggen. De verzekeraar heeft aangegeven niet verder te willen onderhandelen over de schadevergoeding, omdat volgens haar het causale verband tussen de klachten van de gedupeerden en het ongeval ontbreekt en dat daarmee de schadeafwikkeling is afgerond. Vanwege de weigerachtige houding van de verzekeraar om de reeds gemaakte buitengerechtelijke kosten te vergoeden en de gedupeerden, zoals zij stellen, mede daardoor de financiële middelen niet hebben om verdere stappen te nemen, is de schadeafhandeling in een impasse geraakt. Het komt er daarom op neer dat een beslissing over betaling van de buitengerechtelijke kosten deze impasse kan doorbreken en kan bijdragen aan het herstel van de onderhandelingen. Daarom leent dit verzoek zich voor behandeling als deelgeschil. De rechtbank oordeelt dat het redelijk is dat er buitenrechtelijke kosten zijn gemaakt. De verzekeraar voert aan dat zij al voldoende buitengerechtelijke kosten heeft betaald en dat de gevorderde kosten niet in verhouding staan tot de omvang van de schade, verdere buitengerechtelijke kosten zijn volgens haar buitenproportioneel. De rechtbank stelt in deze zaak het aantal voor vergoeding in aanmerking komende uren en het uurtarief vast. 07-05-2026
- Rechtbank Overijssel De werknemer was via een uitzendbureau werkzaam bij de werkgever. Zijn werkzaamheden bestonden onder meer uit het in elkaar zetten van pallets met behulp van een nietpistool. Tijdens het werk is de werkgever een bedrijfsongeval overkomen. De werkgever is met zijn rug tegen een nietpistool gebotst, waardoor een kram van 45 mm zijn long heeft geperforeerd. Als gevolg daarvan heeft de werkgever een klaplong opgelopen. De verzekeraar van de werkgever heeft een deskundige ingeschakeld om onderzoek te doen naar het bedrijfsongeval. De werkgever is niet verschenen. Nu de werkgever niet is verschenen gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de stellingen van de werknemer. De werknemer stelt dat het nietpistool gemodificeerd is door een collega als gevolg waarvan de kans op het ontstaan van letsel aanzienlijk is vergroot. De werkgever had erop moeten toezien dat het nietpistool niet gemodificeerd werd en collega’s moeten waarschuwen. Niet is gebleken dat de werkgever deze of andere maatregelen heeft getroffen. Daarom oordeelt de kantonrechter dat de werkgever niet aan haar zorgplicht heeft voldaan. De kantonrechter komt tot de conclusie dat de werkgever aansprakelijk is. 30-04-2026
- Rechtbank Midden-Nederland De vader van de dochters is op 52-jarige leeftijd in het ziekenhuis overleden aan multi-orgaanfalen door een scepsis. Hij had colitis en bij hem was darmkanker ontstaan. In het ziekenhuis is hij daarvoor behandeld en hij is vier keer geopereerd. De dochters stellen zich op het standpunt dat het ziekenhuis bij de medische behandeling verwijtbaar onzorgvuldig heeft gehandeld en zij hebben het ziekenhuis aansprakelijk gesteld. De aansprakelijkheidsverzekeraar van het ziekenhuis heeft de aansprakelijkheid afgewezen. De dochters willen meer duidelijkheid over hun procespositie. Daarom willen zij een deskundige naar deze zaak laten kijken. Ook vragen zij om een afschrift van het medisch advies van de aansprakelijkheidsverzekeraar. De rechtbank wijst het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht toe. Het verzoek van de dochters om een afschrift van het medisch advies van de aansprakelijkheidsverzekeraar wordt afgewezen. 29-04-2026
- Rechtbank Oost-Brabant De werkneemster heeft op 28 mei 2021 tijdens haar werk letsel opgelopen doordat een metalen buis op haar hoofd viel. De werkgever heeft aansprakelijkheid voor dit bedrijfsongeval erkend. Sinds het ongeval kampt de werkneemster met diverse klachten en beperkingen. In dit deelgeschil beslist de kantonrechter dat die klachten en beperkingen zoals die tot nu toe voortduren als ongevalsgevolg zijn aan te merken en bepaalt de kantonrechter dat de werkgever aanvullende voorschotten aan schadevergoeding zal moeten betalen. De kantonrechter bepaalt ook dat de werkgever aanvullende betalingen zal moeten doen ter dekking van de buitengerechtelijke kosten van de werkneemster, en dat de werkgever de kosten van dit deelgeschil zal moeten vergoeden. De kantonrechter kent voor deze kosten een lagere vergoeding toe dan is verzocht. 28-04-2026
- Rechtbank Midden-Nederland De man vordert schadevergoeding van de vrouw. De man heeft letsel opgelopen doordat hij in een werkkuil is gevallen. Hij stelt de vrouw, de aannemer die de werkzaamheden verrichtte, aansprakelijk voor zijn schade. Volgens de man is sprake van een onrechtmatige daad, omdat de vrouw een gevaarlijke situatie heeft veroorzaakt. De vrouw betwist aansprakelijkheid en stelt dat het werkterrein voldoende duidelijk was afgebakend. Dit vonnis betreft een tussenvonnis. De kantonrechter kan nog geen definitief oordeel geven, omdat partijen het oneens zijn over de feitelijke toedracht van het ongeval. Het is aan de man om te bewijzen dat hij het terrein vanaf de oostzijde heeft betreden en dat de toegang vrij toegankelijk was, dus zonder wegversperring. De man zal daartoe in de gelegenheid worden gesteld. 22-04-2026
- Rechtbank Limburg In het tussenvonnis van 25 juni 2025 heeft de rechtbank een rekenkundig expert benoemd tot deskundige en hem gevraagd een rekenkundige opstelling te maken van het verlies van verdienvermogen van de man, rekening houdende met de uitgangspunten zoals geformuleerd door de arbeidsdeskundige in zijn rapport en de vonnissen van 26 maart 2025 en 25 juni 2025, en de hoogte van het verlies van verdienvermogen vast te stellen. Dat heeft de deskundige gedaan. De rechtbank stelt het verlies van verdienvermogen op basis van het rapport van de deskundigen vast en loopt alle vorderingen van de man langs. De vorderingen worden deels toegewezen en deels afgewezen. Tot slot handhaaft de rechtbank eerder genomen bindende eindbeslissingen. 22-04-2026
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant Het gaat in deze zaak om de vraag of het uitzendbureau en/of de inlener aansprakelijk is/zijn op grond van een incident dat heeft plaatsgevonden, waarbij de werknemer schade heeft opgelopen. Terwijl de werknemer haar werkzaamheden op 31 mei 2024 uitvoerde, is een collega van haar, die aan het werk was als bestuurder van een zogenoemd ‘man-up’-voertuig, in botsing gekomen met het door de werknemer geparkeerde voertuig, een zogenoemde ‘reachtruck’. De werknemer was op dat moment werkzaam op de werkvloer van het magazijn van inlener, terwijl zij in loondienst van het uitzendbureau was en werd uitgeleend. De kantonrechter komt tot de conclusie dat het uitzendbureau aan haar zorgplicht heeft voldaan in de zin van artikel 7:658 BW. De kantonrechter oordeelt dat voldoende is komen vast te staan dat de werknemer schade heeft opgelopen als gevolg van het ongeval. De kantonrechter oordeelt daarnaast dat de inlener aansprakelijk is op grond van artikel 6:170 BW. Daarbij slaagt het beroep op eigen schuld niet. De collega van de werknemer heeft de fout kunnen maken juist doordat hij op het werk is tewerkgesteld en de inlener had bovendien zeggenschap over het gedrag van de collega op het werk. Voorgaande leidt tot de conclusie dat aansprakelijkheid van de inlener voor het incident op grond van artikel 6:170 BW kan worden aangenomen. Of de inlener (ook) aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 lid 4 BW kan daarmee in het midden blijven. 15-04-2026
- Rechtbank Rotterdam De man was op 27 januari 2024 betrokken bij een verkeersongeval en heeft sindsdien lichamelijke klachten. De verzekeraar van de veroorzaker van het ongeval heeft de aansprakelijkheid erkend. Partijen hebben onderhandeld over de afwikkeling van de schade die de man heeft geleden en lijdt door het ongeval en het daarbij opgelopen letsel. De verzekeraar stelt dat partijen daarbij een vaststellingsovereenkomst met finale kwijting hebben gesloten. De man is het daar niet mee eens. In deze procedure vraagt de man de rechtbank om te oordelen dat geen (geldige) vaststellingsovereenkomst is gesloten en hij geen finale kwijting heeft verleend. Daarnaast wil hij een oordeel over de hoogte van het uurtarief van zijn belangenbehartiger en wil hij een maandelijks voorschot op zijn letselschade. De verzekeraar verzet zich daartegen. Overeenkomstig een tussen partijen ter zitting gemaakte procesafspraak gaat de rechtbank in deze beschikking eerst en alleen in op de vraag of zij een (geldige) vaststellingsovereenkomst met finale kwijting hebben gesloten. Het voorstel van de belangenbehartiger namens de man betrof een slotbetaling exclusief buitengerechtelijke kosten. Daarop zond de verzekeraar een vaststellingsovereenkomst met het verzoek die door de man te laten ondertekenen. In de vaststellingsovereenkomst staat dat de man door de overeenkomst te tekenen verklaart geen enkele vordering meer te hebben op de verzekeraar. Deze tekst laat volgens de rechtbank geen enkele andere uitleg toe dan dat na ondertekening geen ruimte meer bestond voor vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Dit wijkt af van het aanbod van de man omdat redelijke buitengerechtelijke kosten onderdeel zijn van de (vermogens)schade die is ontstaan door het ongeval en het letsel dat de man daarbij heeft opgelopen (art. 6:96 lid 2 BW). Het aanbod van de man hield juist niet in dat hij zou afzien van een vergoeding van redelijke buitengerechtelijke kosten. Dat eerder tussen de verzekeraar en de belangenbehartiger was gecorrespondeerd over een regeling waarin de buitengerechtelijke kosten niet waren betrokken doet daaraan niet af. De tekst van de vaststellingsovereenkomst en de begeleidende brief bevat geen enkel aanknopingspunt voor de bereidheid van de verzekeraar om, in afwijking van de heldere bewoordingen als hiervoor geciteerd, toch nog een extra schadepost te vergoeden. De door de verzekeraar aangehaalde praktijk waarin na het verlenen van finale kwijting nog met de belangenbehartiger wordt onderhandeld over diens kosten van bijstandverlening, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank komt tot de conclusie dat er geen vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen en dat de man geen finale kwijting heeft verleend. Het vorenstaande betekent dat de discussie over de afwikkeling van de schade die de man lijdt en heeft geleden door het ongeval en het daarbij opgelopen letsel weer volledig openligt. Overeenkomstig de met partijen gemaakte procesafspraak zal de rechtbank bepalen dat partijen zich op na te melden datum schriftelijk dienen uit te laten over het vervolg van deze procedure en iedere verdere beslissing aanhouden. 08-04-2026
- Rechtbank Limburg De werknemer was werkzaam bij een zorgcentrum. Ten tijde van de COVID-19-pandemie is het zorgcentrum, tegen het advies van de overheid in, niet overgegaan tot thuiswerken uit solidariteit naar personeel in de zorg. De werknemer is besmet geraakt met COVID en heeft hier aanhoudende klachten van extreme vermoeidheid en futloosheid aan overgehouden. Het UWV heeft vastgesteld dat de man arbeidsongeschikt is. De man ontvangt per 10 januari 2023 een WIA-uitkering. De man heeft het zorgcentrum aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van een op het werk opgelopen coronabesmetting. De aansprakelijkheidsverzekeraar heeft de aansprakelijkheid van de hand gewezen. De werknemer stelt het zorgcentrum aansprakelijk op grond van artikel 7:658 lid 4 BW. De conclusie van de rechtbank is dat de arbeidsrechtelijke omkeringsregel toepassing mist. De man heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij de coronabesmetting heeft opgelopen op het werk. De vordering op grond van artikel 7:658 BW wordt daarom afgewezen. Gelet op dit oordeel kan het zorgcentrum niet aansprakelijk worden geacht voor de door de man geleden schade. Het zorgcentrum is ook niet aansprakelijk op grond van artikel 6:170 BW. Er kan immers niet worden geoordeeld dat aan de collega en/of het zorgcentrum een verwijt kan worden gemaakt. Nu het zorgcentrum niet aansprakelijk is, wordt ook de vordering jegens de aansprakelijkheidsverzekeraar afgewezen. 19-11-2025