Update
Geachte heer/mevrouw,
Hierbij treft u de nieuwe PS Updates aan.
Rechtspraak
In deze nieuwsbrief hebben wij een selectie opgenomen van de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken, die te raadplegen zijn via de hyperlinks onder aan deze nieuwsbrief.
Deze week lichten we een drietal uitspraken uit. De eerste betreft een WAM-verzekeraar die de aan het slachtoffer betaalde schadevergoeding wil verhalen op de bestuurder van een huurauto en bot vangt; volgens het hof was er geen sprake van roekeloosheid, omdat, ondanks de verkeersfouten, geen sprake was van bewust handelen. De tweede uitspraak betreft het eindvonnis in een whiplashzaak, waarbij de vertraging in de afhandeling en het niet redelijk bevoorschotten zorgden voor een verhoging van de vergoeding wegens immateriële schade. De laatste zaak die we uitlichten ziet op een zware mishandeling met toekenning van € 350.000 aan het slachtoffer.
Beroep WAM-verzekeraar op artikel 15 lid 1 WAM slaagt niet: geen roekeloos rijgedrag.
Een man heeft in 2019 een ongeval veroorzaakt als bestuurder van een huurauto. De fietser die hij heeft aangereden heeft daarbij ernstig letsel opgelopen. De WAM-verzekeraar heeft de schade van de fietser vergoed en stelt zich nu op het standpunt dat het gedrag van de bestuurder dat leidde tot het ongeval als roekeloos in de zin van de polisvoorwaarden en artikel 7:952 BW heeft te gelden. Volgens de WAM-verzekeraar kan zij op grond van artikel 15 lid 1 WAM de schadevergoeding die zij aan het slachtoffer heeft betaald verhalen op de bestuurder. De rechtbank heeft de daarop gerichte vorderingen van de WAM-verzekeraar afgewezen. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis. Om aan te nemen dat het verkeersgedrag van de bestuurder roekeloos is geweest is vereist dat hij zich, in elk geval in zeker mate, bewust was van zijn handelen. Voldoende is dat de man zich van de aanmerkelijke kans op schade bewust had behoren te zijn. Uit de omstandigheden valt af te leiden dat de man ernstige verkeersfouten heeft gemaakt, die hem ook kunnen worden verweten. Deze fouten maken echter niet dat hij roekeloos heeft gehandeld. De man betwist dat hij zich bewust was van de gedragingen die hebben geleid tot het ongeval. Hij heeft verklaard dat hij ten tijde van het ongeval mentaal afwezig was en dat hij de kruising met de rode verkeerslichten niet heeft opgemerkt. De verklaring van de man komt het hof niet onaannemelijk voor. De WAM-verzekeraar heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen die erop wijzen dat de man zich wel bewust was van zijn handelen toen hij het kruispunt naderde. De omstandigheid dat de man bij het naderen van het kruispunt accelereerde geeft eerder steun aan zijn verklaring dat hij tijdelijk mentaal afwezig was. Voor iemand die zich bewust is van zijn handelen is het onlogisch om bij het naderen van een kruispunt te versnellen in plaats van te remmen of eenzelfde snelheid aan te houden. Hoezeer het de man ook kan worden verweten dat hij niet de vereiste oplettendheid heeft betracht tijdens het rijden, is dat niet voldoende voor roekeloosheid in de zin van artikel 7:952 BW. De – door de man betwiste – omstandigheid dat uit zijn medische informatie volgt dat hij sinds zijn jeugd een bril nodig heeft, leidt niet tot een ander oordeel. De man heeft toegelicht dat hij sinds zijn jeugd een pterygium heeft, waaraan hij in 2018 is geopereerd. Hij heeft nooit een bril gedragen. Na de operatie is hem in december 2019 geadviseerd om een bril te gaan dragen met een sterkte van +2 en -0,75. Uit die medische informatie volgt niet dat bij de man een dusdanige oogafwijking is vastgesteld, dat het rijden zonder bril ten tijde van het ongeval als roekeloos kan worden aangemerkt. Ook de omstandigheid dat de man voor zijn rijgedrag strafrechtelijk is veroordeeld leidt niet tot een ander oordeel. Het strafvonnis gaat ervan uit dat de man zich schuldig heeft gemaakt aan (ernstig) verwijtbaar verkeersgedrag. Het strafvonnis bevat echter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat hij zich bewust was van zijn handelen. Het beroep van de WAM-verzekeraar op artikel 15 lid 1 WAM faalt dus. (PS 2026-0193)
Eindvonnis in whiplashzaak: verhoging smartengeld wegens onrechtmatig handelen gedaagde partij tijdens procedure.
Eindvonnis. Whiplash. De rechtbank blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in haar eerdere tussenvonnissen. Bij tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat de vervoersorganisatie onrechtmatig heeft gehandeld omdat de buschauffeur onvoldoende afstand van de eisende partij heeft gehouden. Hierdoor was de buschauffeur niet in staat de bus tijdig tot stilstand te brengen op het moment dat de eisende partij afremde. In datzelfde vonnis is ook overwogen dat een schuldverdeling bij helfte gerechtvaardigd is. In een ander tussenvonnis is overwogen dat een beslissing op het beroep van de vervoersorganisatie omtrent schending van de schadebeperkingsplicht zal worden aangehouden totdat bij eindvonnis zal worden beslist. De vervoersorganisatie heeft in dat kader aangevoerd dat de eisende partij onvoldoende behandelingen heeft ondergaan. De eisende partij stelt dat hij er alles aan heeft gedaan om zijn klachten te beperken en betwist dat sprake is van een schending van de schadebeperkingsplicht. Naar het oordeel van de rechtbank leidt het gestelde niet tot een vermindering van de vergoedingsplicht en slaagt het verweer van de vervoersorganisatie dus niet. Voor whiplashgerelateerde klachten bestaat geen vaststaand of uniform behandeltraject, zoals dat bij een duidelijk objectiveerbare aandoening zoals bijvoorbeeld een botbreuk, wel het geval is. De behandeling wordt doorgaans afgestemd op het individuele klachtenpatroon en het beloop van de klachten. De eisende partij is vrij in de keuze van zijn therapeuten en heeft door de jaren heen diverse (para)medische behandelingen ondergaan, waaronder bij de fysiotherapeut, acupuncturist en chiropractor. Het enkele feit dat de eisende partij enkele jaren niet onder behandeling is geweest, lijdt er niet toe dat hij zijn schadebeperkingsplicht heeft geschonden. De rechtbank zal dus voor recht verklaren dat de vervoersorganisatie aansprakelijk is voor de schade, met dien verstande dat de vervoersorganisatie voor 50% aansprakelijk is. De rechtbank gaat dan de verschillende schadeposten langs. Omtrent de hoogte van het smartengeld slaat de rechtbank acht op de ANWB Smartengeldgids en de Rotterdamse schaal in samenhang met de Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld. Een bedrag van € 12.500 (na correctie) zou redelijk zijn, maar in dit geval ziet de rechtbank aanleiding om dit bedrag te verhogen tot € 20.000. De vervoersorganisatie heeft pas na ruim 19 maanden aansprakelijkheid erkend en heeft lange tijd het bestaan van de dashboardcamerabeelden ontkend. Deze beelden waren voor de beslechting van de discussie over de toedracht zeer relevant. Voor het achterhouden van deze beelden heeft de vervoersorganisatie geen deugdelijke reden gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft deze opstelling van de vervoersorganisatie geleid tot een vertraging in de afhandeling van de schade van de eisende partij. Ook is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest van redelijke bevoorschotting. Gelet op de inhoud van diverse tussenvonnissen had de vervoersorganisatie naar het oordeel van de rechtbank duidelijk moeten zijn dat het bedrag dat zij aan schade zal moeten vergoeden het door haar aan voorschotten uitgekeerde bedrag ruimschoots zou overschrijden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de wijze van behandeling van de vervoersorganisatie van dit dossier onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig is jegens de eisende partij. Op deze aanvullende schade wordt geen correctie wegens eigen schuld toegepast. (PS 2026-0191)
Rechtbank kent immateriële schadevergoeding van € 350.000 toe aan slachtoffer.
Strafrecht. Zware mishandeling met voorbedachte raad (art. 303 Sr) en diefstal van twee horloges (art. 310 Sr). De verdachte heeft het slachtoffer zo hard geslagen dat dit heeft geleid tot blijvende hersenschade. Het slachtoffer zal nooit meer een normaal leven kunnen leiden. Hij is de rest van zijn leven verlamd aan de rechterzijde van zijn lichaam. Daarnaast is hij blind geworden aan een oog. Hij is levenslang afhankelijk van intensieve verzorging en begeleiding. Het slachtoffer heeft zich als benadeelde partij gevoegd. Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde zeer ernstig lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten blijvend, ernstig hersenletsel, een halfzijdige verlamming, blindheid aan één oog, ernstige cognitieve stoornissen (geheugen, taal, gedrag, informatieverwerking), verminderde alertheid en extreme vermoeidheid en incontinentie. De benadeelde partij is door deze letsels volledig afhankelijk van een rolstoel en 24 uurszorg. Tevens heeft de benadeelde partij last van nierfalen, longproblemen en hartritmestoornissen. Verder staat de benadeelde partij onder controle bij de oogarts en is sprake van veelvuldige ziekenhuisopnames en/of -bezoeken. Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid en mede gelet op de bedragen die in de zogeheten Rotterdamse schaal worden genoemd bij de hiervoor genoemde letsels – voor toewijzing tot een bedrag van € 350.000. Ook de vader, moeder en broer van het slachtoffer hebben zich gevoegd als benadeelde partij. De vader heeft zijn zoon aangetroffen in comateuze toestand en heeft hierdoor PTSS ontwikkeld. Hoewel sprake is van samenloop van shock- en affectieschade dient die samenloop in casu niet te leiden tot matiging van het gevorderde. De vader krijgt een bedrag van € 42.500. De moeder, die haar zoon op de spoedeisende hulp heeft gezien, en ook PTSS heeft ontwikkeld, krijgt € 32.500. De broer van het slachtoffer, die hem ook in het ziekenhuis heeft gezien, krijgt € 15.000 aan vergoeding wegens shockschade. Zijn beroep op de hardheidsclausule omtrent affectieschade slaagt niet. (PS 2026-0203)
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps-updates@boom.nl.
Met vriendelijke groet,
Ilona van der Zalm & Armin Vorsselman
PS Updates
Hoge Raad
Hof
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Strafrecht. Net als de rechtbank veroordeelt het hof verdachte voor doodslag op zijn 7 weken oude zoontje. Niet aannemelijk is geworden dat het zeer ernstige hersenletsel waaraan de baby is overleden een andere oorzaak kan hebben dan dat dit door verdachte aan hem is toegebracht. De moeder van het overleden slachtoffer heeft zich gevoegd als benadeelde partij. Zij vordert onder andere € 20.000 aan affectieschade en € 35.000 aan shockschade. Het hof stelt dat uit het dossier en de onderbouwing van de vordering volgt dat de vrouw direct is geconfronteerd met het bewezenverklaarde en de gevolgen daarvan. In 2020 werd zij namelijk gewekt door de verdachte die haar vertelde dat hun zoontje niet meer reageerde. Voordat de hulpdiensten arriveerden heeft de vrouw haar zoon op instructie van de meldkamer gereanimeerd en een hartmassage gegeven. De hulpdiensten namen de reanimatie van haar over. Zij heeft toen toegekeken. Later is in het ziekenhuis de behandeling gestaakt. Het jongetje lag op bij zijn moeder op de borst toen de slangetjes eruit gingen. Hij begon vreselijk te gieren, een geluid waar ze heel erg van is geschrokken. Toen kwam hij te overlijden. De vrouw heeft haar zoontje nog ongeveer 2 uur op haar borst gehouden. Later heeft zij haar zoontje ook nog gewassen in het mortuarium, waarbij zij heeft gezien dat zijn lichaam overal is opengesneden. Dit alles is voor de vrouw zeer ingrijpend geweest en heeft geleid tot geestelijk letsel, te weten PTSS, zoals blijkt uit de overgelegde verklaring van een psychiater. De benadeelde partij heeft flashbacks en herbelevingen. Ze ondergaat hiervoor traumabehandelingen. De psychiater verklaart dat psychotherapie hoogstwaarschijnlijk jaren nodig zal zijn. Naar het oordeel van het hof is op basis van het voorgaande sprake van grond voor toekenning van een schadevergoeding wegens shockschade. Dat de stukken van de psychiater dateren uit 2021 maakt dat niet anders. Het hof zal de vordering integraal toewijzen en ziet geen reden de vordering te matigen, zoals verzocht door de verdediging. 24-04-2026
- Gerechtshof Amsterdam Een man heeft in 2019 een ongeval veroorzaakt als bestuurder van een huurauto. De fietser die hij heeft aangereden heeft daarbij ernstig letsel opgelopen. De WAM-verzekeraar heeft de schade van de fietser vergoed en stelt zich nu op het standpunt dat het gedrag van de bestuurder dat leidde tot het ongeval als roekeloos in de zin van de polisvoorwaarden en artikel 7:952 BW heeft te gelden. Volgens de WAM-verzekeraar kan zij op grond van artikel 15 lid 1 WAM de schadevergoeding die zij aan het slachtoffer heeft betaald verhalen op de bestuurder. De rechtbank heeft de daarop gerichte vorderingen van de WAM-verzekeraar afgewezen. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis. Om aan te nemen dat het verkeersgedrag van de bestuurder roekeloos is geweest is vereist dat hij zich, in elk geval in zeker mate, bewust was van zijn handelen. Voldoende is dat de man zich van de aanmerkelijke kans op schade bewust had behoren te zijn. Uit de omstandigheden valt af te leiden dat de man ernstige verkeersfouten heeft gemaakt, die hem ook kunnen worden verweten. Deze fouten maken echter niet dat hij roekeloos heeft gehandeld. De man betwist dat hij zich bewust was van de gedragingen die hebben geleid tot het ongeval. Hij heeft verklaard dat hij ten tijde van het ongeval mentaal afwezig was en dat hij de kruising met de rode verkeerslichten niet heeft opgemerkt. De verklaring van de man komt het hof niet onaannemelijk voor. De WAM-verzekeraar heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen die erop wijzen dat de man zich wel bewust was van zijn handelen toen hij het kruispunt naderde. De omstandigheid dat de man bij het naderen van het kruispunt accelereerde geeft eerder steun aan zijn verklaring dat hij tijdelijk mentaal afwezig was. Voor iemand die zich bewust is van zijn handelen is het onlogisch om bij het naderen van een kruispunt te versnellen in plaats van te remmen of eenzelfde snelheid aan te houden. Hoezeer het de man ook kan worden verweten dat hij niet de vereiste oplettendheid heeft betracht tijdens het rijden, is dat niet voldoende voor roekeloosheid in de zin van artikel 7:952 BW. De – door de man betwiste – omstandigheid dat uit zijn medische informatie volgt dat hij sinds zijn jeugd een bril nodig heeft, leidt niet tot een ander oordeel. De man heeft toegelicht dat hij sinds zijn jeugd een pterygium heeft, waaraan hij in 2018 is geopereerd. Hij heeft nooit een bril gedragen. Na de operatie is hem in december 2019 geadviseerd om een bril te gaan dragen met een sterkte van +2 en -0,75. Uit die medische informatie volgt niet dat bij de man een dusdanige oogafwijking is vastgesteld, dat het rijden zonder bril ten tijde van het ongeval als roekeloos kan worden aangemerkt. Ook de omstandigheid dat de man voor zijn rijgedrag strafrechtelijk is veroordeeld leidt niet tot een ander oordeel. Het strafvonnis gaat ervan uit dat de man zich schuldig heeft gemaakt aan (ernstig) verwijtbaar verkeersgedrag. Het strafvonnis bevat echter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat hij zich bewust was van zijn handelen. Het beroep van de WAM-verzekeraar op artikel 15 lid 1 WAM faalt dus. 21-04-2026
- Gerechtshof Den Haag Hoger beroep kort geding. Verzekeraar weigert samenwerking met de belangenbehartiger van letselschadeslachtoffers. Het hof oordeelt dat de belangenbehartiger geen opvolger is van Columbus Groningen in vennootschapsrechtelijke zin. Zij is een andere vennootschap en niet de verkrijger van de aandelen of de vermogensbestanddelen van Columbus Groningen. Ook is er volgens het hof geen sprake van een zodanige verwevenheid dat de belangenbehartiger feitelijk dezelfde is als Columbus Groningen. Het feit dat de vier schadebehandelaars allen eerder bij Columbus Groningen werkten is daarvoor niet voldoende. Dat zou mogelijk anders zijn wanneer ook ten aanzien van deze vier medewerkers in hun Columbus-tijd sprake zou zijn geweest van duidelijke malversaties, maar daarvan is niet gebleken. Het hof voegt verder toe dat ook de filosofie en bedrijfsvoering aantoonbaar anders is dan die van Columbus Groningen. Het hof gaat dan in op de vraag of de verzekeraar de belangenbehartiger mag weigeren. De verzekeraar maakt verschillende verwijten op basis waarvan zij de conclusie trekt dat de belangenbehartiger niet deskundig en integer is. Het hof komt tot de conclusie dat er geen gronden aanwezig zijn waarop de verzekeraar gerechtvaardigd samenwerking met de belangenbehartiger mag weigeren. Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd. 21-04-2026
- Gerechtshof Den Haag Strafrecht. Zware mishandeling met voorbedachte raad (art. 303 Sr) en diefstal van twee horloges (art. 310 Sr). De verdachte heeft het slachtoffer zo hard geslagen dat dit heeft geleid tot blijvende hersenschade. Het slachtoffer zal nooit meer een normaal leven kunnen leiden. Hij is de rest van zijn leven verlamd aan de rechterzijde van zijn lichaam. Daarnaast is hij blind geworden aan een oog. Hij is levenslang afhankelijk van intensieve verzorging en begeleiding. Het slachtoffer heeft zich als benadeelde partij gevoegd. Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde zeer ernstig lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten blijvend, ernstig hersenletsel, een halfzijdige verlamming, blindheid aan één oog, ernstige cognitieve stoornissen (geheugen, taal, gedrag, informatieverwerking), verminderde alertheid en extreme vermoeidheid en incontinentie. De benadeelde partij is door deze letsels volledig afhankelijk van een rolstoel en 24 uurszorg. Tevens heeft de benadeelde partij last van nierfalen, longproblemen en hartritmestoornissen. Verder staat de benadeelde partij onder controle bij de oogarts en is sprake van veelvuldige ziekenhuisopnames en/of -bezoeken. Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid en mede gelet op de bedragen die in de zogeheten Rotterdamse schaal worden genoemd bij de hiervoor genoemde letsels – voor toewijzing tot een bedrag van € 350.000. Ook de vader, moeder en broer van het slachtoffer hebben zich gevoegd als benadeelde partij. De vader heeft zijn zoon aangetroffen in comateuze toestand en heeft hierdoor PTSS ontwikkeld. Hoewel sprake is van samenloop van shock- en affectieschade dient die samenloop in casu niet te leiden tot matiging van het gevorderde. De vader krijgt een bedrag van € 42.500. De moeder, die haar zoon op de spoedeisende hulp heeft gezien, en ook PTSS heeft ontwikkeld, krijgt € 32.500. De broer van het slachtoffer, die hem ook in het ziekenhuis heeft gezien, krijgt € 15.000 aan vergoeding wegens shockschade. Zijn beroep op de hardheidsclausule omtrent affectieschade slaagt niet. 10-04-2026
Rechtbank
- Rechtbank Amsterdam Strafrecht. De verdachte wordt veroordeeld voor doodslag op zijn moeder en het wegmaken van haar onderbenen door deze af te zagen. Verschillende personen hebben zich gevoegd als benadeelde partij. Sommigen hebben shockschade gevorderd. De rechtbank stelt vast dat alle benadeelde partijen psychische klachten hebben, waarvoor een behandeling aangewezen is. Op grond van de door de benadeelde partijen overgelegde stukken kan echter niet worden vastgesteld wat de precieze ernst en het beloop van het geestelijk letsel is. Zo is onduidelijk hoelang de behandelingen zullen duren en wat de verwachte prognose is met betrekking tot het (eventuele) herstel van het opgelopen geestelijk letsel. Los van de vraag of het geestelijk letsel het gevolg is geweest van een hevige emotionele schok zoals bedoeld in de wet, hebben benadeelde partijen op dit moment niet duidelijk gemaakt wat de grondslag van de hoogte van het schadebedrag is. Daarvoor is nader onderzoek vereist. Reeds om deze reden moeten de benadeelde partijen in hun vordering tot vergoeding van schokschade niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat dit strafproces zich niet leent voor dit nadere onderzoek. De benadeelde partijen kunnen dit deel van hun vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Een stiefkind van het overleden slachtoffer vordert affectieschade. De rechtbank merkt op dat de omstandigheden (de benadeelde partij leefde van zijn 16e tot zijn 24e in gezinsverband met het overleden slachtoffer) aantonen dat de benadeelde partij in een bijzondere relatie tot het slachtoffer stond, maar dat ze onvoldoende zijn om te concluderen dat sprake is van een zodanig nauwe persoonlijke relatie ex artikel 6:108 lid 4 sub g BW. Ook een vriend van het overleden slachtoffer doet een beroep op de hardheidsclausule. Dit slaagt ook niet. 28-04-2026
- Rechtbank Noord-Holland Strafrecht. Veroordeling voor doodslag. De verdachte heeft zijn moeder met geweld om het leven gebracht en daarna haar lichaam achtergelaten in de sloot achter haar woning. De zoon en dochter van het overleden slachtoffer krijgen affectieschade vergoed conform het Besluit vergoeding affectieschade. De kleindochter van het slachtoffer vordert vergoeding van shockschade. Zij heeft het levenloze lichaam van haar oma aangetroffen in de sloot. Op basis van de aangeleverde stukken stelt de rechtbank vast dat dit bij haar een hevige schok teweeg heeft gebracht als gevolg waarvan zij een posttraumatische stressstoornis (PTSS) heeft opgelopen. Gelet op de omstandigheden en de aard van de relatie met het slachtoffer, vindt de rechtbank het gevorderde bedrag van € 20.000 een passende vergoeding. De partner van de kleindochter die samen met haar het overleden slachtoffer heeft aangetroffen krijgt € 10.000 aan vergoeding voor shockschade toegekend. 23-04-2026
- Rechtbank Limburg Eindvonnis. Whiplash. De rechtbank blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in haar eerdere tussenvonnissen. Bij tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat de vervoersorganisatie onrechtmatig heeft gehandeld omdat de buschauffeur onvoldoende afstand van de eisende partij heeft gehouden. Hierdoor was de buschauffeur niet in staat de bus tijdig tot stilstand te brengen op het moment dat de eisende partij afremde. In datzelfde vonnis is ook overwogen dat een schuldverdeling bij helfte gerechtvaardigd is. In een ander tussenvonnis is overwogen dat een beslissing op het beroep van de vervoersorganisatie omtrent schending van de schadebeperkingsplicht zal worden aangehouden totdat bij eindvonnis zal worden beslist. De vervoersorganisatie heeft in dat kader aangevoerd dat de eisende partij onvoldoende behandelingen heeft ondergaan. De eisende partij stelt dat hij er alles aan heeft gedaan om zijn klachten te beperken en betwist dat sprake is van een schending van de schadebeperkingsplicht. Naar het oordeel van de rechtbank leidt het gestelde niet tot een vermindering van de vergoedingsplicht en slaagt het verweer van de vervoersorganisatie dus niet. Voor whiplashgerelateerde klachten bestaat geen vaststaand of uniform behandeltraject, zoals dat bij een duidelijk objectiveerbare aandoening zoals bijvoorbeeld een botbreuk, wel het geval is. De behandeling wordt doorgaans afgestemd op het individuele klachtenpatroon en het beloop van de klachten. De eisende partij is vrij in de keuze van zijn therapeuten en heeft door de jaren heen diverse (para)medische behandelingen ondergaan, waaronder bij de fysiotherapeut, acupuncturist en chiropractor. Het enkele feit dat de eisende partij enkele jaren niet onder behandeling is geweest, lijdt er niet toe dat hij zijn schadebeperkingsplicht heeft geschonden. De rechtbank zal dus voor recht verklaren dat de vervoersorganisatie aansprakelijk is voor de schade, met dien verstande dat de vervoersorganisatie voor 50% aansprakelijk is. De rechtbank gaat dan de verschillende schadeposten langs. Omtrent de hoogte van het smartengeld slaat de rechtbank acht op de ANWB Smartengeldgids en de Rotterdamse schaal in samenhang met de Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld. Een bedrag van € 12.500 (na correctie) zou redelijk zijn, maar in dit geval ziet de rechtbank aanleiding om dit bedrag te verhogen tot € 20.000. De vervoersorganisatie heeft pas na ruim 19 maanden aansprakelijkheid erkend en heeft lange tijd het bestaan van de dashboardcamerabeelden ontkend. Deze beelden waren voor de beslechting van de discussie over de toedracht zeer relevant. Voor het achterhouden van deze beelden heeft de vervoersorganisatie geen deugdelijke reden gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft deze opstelling van de vervoersorganisatie geleid tot een vertraging in de afhandeling van de schade van de eisende partij. Ook is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest van redelijke bevoorschotting. Gelet op de inhoud van diverse tussenvonnissen had de vervoersorganisatie naar het oordeel van de rechtbank duidelijk moeten zijn dat het bedrag dat zij aan schade zal moeten vergoeden het door haar aan voorschotten uitgekeerde bedrag ruimschoots zou overschrijden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de wijze van behandeling van de vervoersorganisatie van dit dossier onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig is jegens de eisende partij. Op deze aanvullende schade wordt geen correctie wegens eigen schuld toegepast. 15-04-2026
- Rechtbank Limburg Vonnis in incident. Verkeersongeval tussen twee voertuigen. De gedaagde partij vordert in het incident een verzekeraar in vrijwaring te mogen oproepen. De rechtbank wijst de vordering af. De gedaagde partij heeft niet toereikend toegelicht dat de auto ten tijde van de aanrijding verzekerd was bij die verzekeraar. De enkele verwijzing naar het schadeformulier is onvoldoende, omdat de rechtbank de juistheid van de ingevulde informatie wat betreft de verzekeraar bij gebrek aan stukken niet heeft kunnen controleren. 15-04-2026
- Rechtbank Midden-Nederland De gedaagde partij heeft de eisende partij een kopstoot gegeven. De eisende partij heeft daardoor schade geleden: zijn neus is gebroken. In deze procedure vordert hij vergoeding daarvan. Ten aanzien van een aantal schadeposten voert de gedaagde partij verweer. De kantonrechter wijst de meeste schadeposten toe. Een deel van het gemiste voordeel wordt niet toegewezen: de eisende partij heeft zijn schadebeperkingsplicht geschonden door zijn sportschoolabonnement niet te pauzeren. Omtrent de gederfde inkomsten merkt de kantonrechter op dat van de eisende partij verwacht mag worden dat hij, in reactie op de betwisting van de gedaagde partij, nader onderbouwt hoelang hij daadwerkelijk niet in staat was te werken. Dat heeft hij niet gedaan. De vordering omtrent de gederfde inkomsten wordt dan ook slechts gedeeltelijk toegewezen. 15-04-2026
- Rechtbank Midden-Nederland Een man vordert dat de gedaagde partijen hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een aanvullend bedrag aan schadevergoeding met rente. De gedaagde partijen zijn veroordeeld voor het openlijk in vereniging geweld plegen tegen de man. In die strafzaak heeft de politierechter de gedaagde partijen hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een vergoeding van € 2.346,31, waarvan € 1.596,31 voor materiële schade en € 750 voor immateriële schade, aan de man. De man stelt dat hij € 10.000 aan immateriële schade heeft geleden. De gedaagde partijen betogen dat de gang naar de burgerlijke rechter niet meer openstaat voor de man. Het vonnis van de politierechter is namelijk onherroepelijk geworden. De kantonrechter volgt de man in zijn standpunt dat de huidige vordering nog niet door de politierechter is beoordeeld. Uit de door hem overgelegde stukken volgt dat hij in de strafprocedure een vergoeding van € 750 voor immateriële schade heeft gevorderd voor een ‘breuk in de vinger’ en ‘herbelevingen’. Tijdens de strafprocedure was nog niet bekend dat zijn hand niet volledig zal herstellen. De man is dus ontvankelijk in zijn vordering. De kantonrechter beveelt een mondelinge behandeling om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. 15-04-2026
- Rechtbank Rotterdam Een werkneemster heeft in 2018 op het toilet een plafondplaat met een lamparmatuur op haar hoofd en nek gekregen. Zij stelt dat zij daar nog steeds klachten en beperkingen door ervaart. Haar werkgever heeft erkend dat zij aansprakelijk is voor de schade van de vrouw die het gevolg is van het bedrijfsongeval. Partijen hebben discussie over de klachten die de vrouw heeft en in hoeverre die het gevolg zijn van het ongeval. De vrouw vraagt de kantonrechter om een voorlopig deskundigenonderzoek te bevelen, om duidelijkheid te krijgen over de vraag welke schade er is en of die het gevolg is van het ongeval. De werkgever heeft hier geen bezwaar tegen. De partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vragen welke deskundigen moeten worden benoemd, welke vragen moeten worden gesteld en welke stukken de deskundigen moeten betrekken in het onderzoek. De kantonrechter benoemt een neuroloog als deskundige en bepaalt dat de oude IWMD-vraagstelling zal worden voorgelegd aan deze deskundige. Ook benoemt de kantonrechter alvast een neuropsycholoog tot deskundige. De werkgever heeft namelijk niet betwist dat de klachten van de vrouw zich deels bevinden op het gebied van een neuropsycholoog. Zij heeft ook niet aangevoerd dat het onaannemelijk is dat een neuropsychologisch onderzoek nodig is. Mocht achteraf toch blijken dat het onderzoek overbodig was, dan is dit hoogstens mogelijk een aanleiding om die kosten niet voor rekening van de werkgever te laten komen. 10-04-2026
- Rechtbank Midden-Nederland Een man stelt dat hij van een keukentrap is geduwd door een vrouw toen hij snoeiwerkzaamheden in de tuin van de vrouw aan het uitvoeren was. De vrouw heeft dit gemotiveerd betwist. Zij heeft toegelicht dat de man zonder haar toestemming snoeiwerkzaamheden in haar tuin uitvoerde en dat zij hem daarop heeft aangesproken en heeft verzocht te stoppen. Omdat hij niet stopte met snoeien, heeft zij de politie gebeld. Ook daarna ging de man door. Volgens de vrouw heeft zij de trap wel kort vastgepakt, maar niet op het moment dat de man opnieuw de trap opklom en ook niet op het moment dat hij zou zijn gevallen. De man heeft vervolgens zijn stellingen niet nader onderbouwd terwijl dat wel op zijn weg had gelegen. Weliswaar zijn er door hem beelden in het geding gebracht, maar daarop is de vermeende duw (en val) juist niet te zien. Wel is te zien en te horen dat er een vervelende sfeer en discussie ontstond over de snoeiwerkzaamheden, zoals de vrouw ook beschrijft. De man heeft dus niet voldaan aan zijn stelplicht, waardoor niet kan worden vastgesteld dat sprake is van onrechtmatig handelen door de vrouw. Daar komt bij dat de man ook zijn gestelde schade en het causaal verband onvoldoende heeft onderbouwd. De man stelt dat hij een handfractuur heeft opgelopen en € 385 aan eigen risico moest betalen, maar uit de stukken blijkt niet dat sprake is van een handfractuur. Uit het verslag van het ziekenhuis blijkt juist dat is vastgesteld dat er géén sprake van een handfractuur was. Een betalingsbewijs van het eigen risico ontbreekt bovendien ook. Het gestelde loonverlies van € 2.060 is ook niet onderbouwd. Uit de overgelegde stukken volgt niet dat de man op het moment van het voorval nog werkzaam was, integendeel: de plaatsingsbevestiging van het uitzendbureau heeft een einddatum van 15 juni 2025, terwijl het voorval op 16 juni 2025 heeft plaatsgevonden. Ook ten aanzien van de gestelde schade aan de broek is niet aangetoond dat deze als gevolg van de val is beschadigd. Op de videobeelden is geen kapotte broek zichtbaar. Verder is de gestelde immateriële schade van € 2.500 op geen enkele wijze onderbouwd. 08-04-2026
- Rechtbank Rotterdam Een vrouw is in 2022 bij haar huisarts geweest met klachten over haar linkeroog (pijn en roodheid). De huisarts heeft haar niet doorverwezen naar het ziekenhuis. De dag erna verergerde de situatie en heeft haar moeder meermaals contact opgenomen met de huisartsenpraktijk. Na raadpleging van een andere huisarts is de vrouw onmiddellijk verwezen naar een oogziekenhuis. Bij latere controle in dat ziekenhuis zijn vertroebelingen en littekenvorming aan het hoornvlies vastgesteld. Het zicht van het linkeroog van de vrouw is nog maar 15%. De vrouw heeft haar huisarts en diens verzekeraar aansprakelijk gesteld. De rechtbank overweegt dat de huisarts geen actieve navraag heeft gedaan naar de gemelde toegenomen pijnbeleving, niet gevraagd heeft naar eventuele andere alarmsymptomen en geen vervolgonderzoek heeft gedaan. Hiermee heeft de huisarts niet de zorg verleend die van een goed hulpverlener mag worden verlangd. Uit het feit dat het zicht in het linkeroog nog maar 15% is en dat in elk geval in de toekomst een of meerdere malen operatief moet worden ingegrepen blijkt in voldoende mate van door de vrouw geleden en nog te lijden concrete schade. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de vrouw niet in dezelfde mate oogletsel en/of andere schade zou hebben geleden indien de huisarts de moeder of vrouw zelf naar aanleiding van de meldingen van de moeder naar het bestaan van verdere mogelijke alarmsymptomen zou hebben uitgevraagd. Het beroep op eigen schuld gaat niet op. Het is onduidelijk of voldoende duidelijk is gemaakt dat de vrouw nog wel bij de huisarts in consult kon komen. Bovendien kan dit de vrouw niet worden toegerekend. De huisarts heeft haar immers niet op de noodzaak van een consult gewezen, maar haar, integendeel, te verstaan gegeven dat een bezoek aan het spreekuur waarschijnlijk toch niet veel zou opleveren en het advies gegeven het medicijn zijn werk te laten doen en te koelen met kompressen. De vordering tot schadevergoeding tegen de verzekeraar is toewijsbaar. 01-04-2026
- Rechtbank Den Haag In 2025 waren twee zelfstandige ondernemers en enkele anderen gezamenlijk bezig met de aanleg van glasvezelkabels. Tijdens deze werkzaamheden is de verzoekende partij gewond geraakt aan zijn voet. De man verzoekt nu de rechtbank om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. Hij stelt dat hij arbeidsongeschikt is geraakt. Omdat de lezingen over wat er is gebeurd uiteenlopen erkent de verzekeraar van de gedaagde partij geen aansprakelijkheid. Daarom is hij voornemens om een bodemzaak tegen de gedaagde partij aan te spannen. Voorafgaand aan de bodemprocedure wil hij dat er getuigen worden gehoord om de toedracht van het ongeval duidelijk te krijgen. De rechtbank wijst dit verzoek toe. 13-03-2026
- Rechtbank Noord-Holland Eindvonnis. Cosmetische behandeling. Een vrouw heeft een cosmetische behandeling ondergaan bestaande uit lipofilling en liposuctie. Na de ingreep is geconstateerd dat de achterkant van het rechterbovenbeen van de vrouw een inkeping vertoont. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis geoordeeld dat zij het voorlopig bewezen acht dat liposuctie op de plek waar de inkeping is ontstaan niet tussen partijen is overeengekomen. De rechtbank heeft de kliniek in de gelegenheid gesteld om daarvan tegenbewijs te leveren. De rechtbank oordeelt dat kliniek niet is geslaagd in het leveren van dat tegenbewijs. De kliniek heeft onrechtmatig gehandeld jegens de vrouw door de eis van ‘informed consent’ te schenden. Uit de verklaringen kan namelijk niet worden afgeleid dat de vrouw bij het aftekenen of daarvoor toestemming heeft gegeven om liposuctie uit te voeren van de onderrand van de billen. De kliniek moet een (beperkt) aantal schadeposten vergoeden. Bij het vaststellen van het smartengeld zoekt de rechtbank aansluiting bij de Rotterdamse schaal. De rechtbank vindt in dit geval een bedrag bovenaan de bandbreedte passend. Het gaat om een duidelijk zichtbaar litteken dat het uiterlijk in enige mate aantast. De vrouw heeft aannemelijk gemaakt dat het letsel een weerslag heeft op haar (werkzame) leven en dat zij er psychisch onder gebukt gaat, te meer nu het gaat om een gevolg van een medische behandeling waarvoor zij geen toestemming heeft gegeven en deze dus voorkomen had kunnen worden. Door het blijvende litteken wordt zij nog dagelijks met de gevolgen geconfronteerd. Ook door de reacties daarop van anderen wordt zij aan het feit herinnerd. Zij voelde zich genoodzaakt om zich door een plastisch chirurg in het buitenland te laten opereren, wat tot haar verdriet geen volledig herstel heeft opgeleverd. De rechtbank begroot de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op € 5.000. 25-02-2026