Naar boven ↑

Update

Nummer 17, 2026
Uitspraken van 29 april 2026 tot 4 mei 2026
Redactie: Mr. H. Vorsselman, mr. drs. I. van der Zalm, mr. Y. Bosschaart en J. Stulp.

Geachte heer/mevrouw,

Hierbij treft u de nieuwe PS Updates aan. 

Rechtspraak
In deze nieuwsbrief hebben wij een selectie opgenomen van de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken, die te raadplegen zijn via de hyperlinks onder aan deze nieuwsbrief. 

Deze week lichten we een drietal uitspraken uit. De eerste betreft een WAM-verzekeraar die de aan het slachtoffer betaalde schadevergoeding wil verhalen op de bestuurder van een huurauto en bot vangt; volgens het hof was er geen sprake van roekeloosheid, omdat, ondanks de verkeersfouten, geen sprake was van bewust handelen. De tweede uitspraak betreft het eindvonnis in een whiplashzaak, waarbij de vertraging in de afhandeling en het niet redelijk bevoorschotten zorgden voor een verhoging van de vergoeding wegens immateriële schade. De laatste zaak die we uitlichten ziet op een zware mishandeling met toekenning van € 350.000 aan het slachtoffer.

Beroep WAM-verzekeraar op artikel 15 lid 1 WAM slaagt niet: geen roekeloos rijgedrag.
Een man heeft in 2019 een ongeval veroorzaakt als bestuurder van een huurauto. De fietser die hij heeft aangereden heeft daarbij ernstig letsel opgelopen. De WAM-verzekeraar heeft de schade van de fietser vergoed en stelt zich nu op het standpunt dat het gedrag van de bestuurder dat leidde tot het ongeval als roekeloos in de zin van de polisvoorwaarden en artikel 7:952 BW heeft te gelden. Volgens de WAM-verzekeraar kan zij op grond van artikel 15 lid 1 WAM de schadevergoeding die zij aan het slachtoffer heeft betaald verhalen op de bestuurder. De rechtbank heeft de daarop gerichte vorderingen van de WAM-verzekeraar afgewezen. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis. Om aan te nemen dat het verkeersgedrag van de bestuurder roekeloos is geweest is vereist dat hij zich, in elk geval in zeker mate, bewust was van zijn handelen. Voldoende is dat de man zich van de aanmerkelijke kans op schade bewust had behoren te zijn. Uit de omstandigheden valt af te leiden dat de man ernstige verkeersfouten heeft gemaakt, die hem ook kunnen worden verweten. Deze fouten maken echter niet dat hij roekeloos heeft gehandeld. De man betwist dat hij zich bewust was van de gedragingen die hebben geleid tot het ongeval. Hij heeft verklaard dat hij ten tijde van het ongeval mentaal afwezig was en dat hij de kruising met de rode verkeerslichten niet heeft opgemerkt. De verklaring van de man komt het hof niet onaannemelijk voor. De WAM-verzekeraar heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen die erop wijzen dat de man zich wel bewust was van zijn handelen toen hij het kruispunt naderde. De omstandigheid dat de man bij het naderen van het kruispunt accelereerde geeft eerder steun aan zijn verklaring dat hij tijdelijk mentaal afwezig was. Voor iemand die zich bewust is van zijn handelen is het onlogisch om bij het naderen van een kruispunt te versnellen in plaats van te remmen of eenzelfde snelheid aan te houden. Hoezeer het de man ook kan worden verweten dat hij niet de vereiste oplettendheid heeft betracht tijdens het rijden, is dat niet voldoende voor roekeloosheid in de zin van artikel 7:952 BW. De – door de man betwiste – omstandigheid dat uit zijn medische informatie volgt dat hij sinds zijn jeugd een bril nodig heeft, leidt niet tot een ander oordeel. De man heeft toegelicht dat hij sinds zijn jeugd een pterygium heeft, waaraan hij in 2018 is geopereerd. Hij heeft nooit een bril gedragen. Na de operatie is hem in december 2019 geadviseerd om een bril te gaan dragen met een sterkte van +2 en -0,75. Uit die medische informatie volgt niet dat bij de man een dusdanige oogafwijking is vastgesteld, dat het rijden zonder bril ten tijde van het ongeval als roekeloos kan worden aangemerkt. Ook de omstandigheid dat de man voor zijn rijgedrag strafrechtelijk is veroordeeld leidt niet tot een ander oordeel. Het strafvonnis gaat ervan uit dat de man zich schuldig heeft gemaakt aan (ernstig) verwijtbaar verkeersgedrag. Het strafvonnis bevat echter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat hij zich bewust was van zijn handelen. Het beroep van de WAM-verzekeraar op artikel 15 lid 1 WAM faalt dus. (PS 2026-0193)

Eindvonnis in whiplashzaak: verhoging smartengeld wegens onrechtmatig handelen gedaagde partij tijdens procedure.
Eindvonnis. Whiplash. De rechtbank blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in haar eerdere tussenvonnissen. Bij tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat de vervoersorganisatie onrechtmatig heeft gehandeld omdat de buschauffeur onvoldoende afstand van de eisende partij heeft gehouden. Hierdoor was de buschauffeur niet in staat de bus tijdig tot stilstand te brengen op het moment dat de eisende partij afremde. In datzelfde vonnis is ook overwogen dat een schuldverdeling bij helfte gerechtvaardigd is. In een ander tussenvonnis is overwogen dat een beslissing op het beroep van de vervoersorganisatie omtrent schending van de schadebeperkingsplicht zal worden aangehouden totdat bij eindvonnis zal worden beslist. De vervoersorganisatie heeft in dat kader aangevoerd dat de eisende partij onvoldoende behandelingen heeft ondergaan. De eisende partij stelt dat hij er alles aan heeft gedaan om zijn klachten te beperken en betwist dat sprake is van een schending van de schadebeperkingsplicht. Naar het oordeel van de rechtbank leidt het gestelde niet tot een vermindering van de vergoedingsplicht en slaagt het verweer van de vervoersorganisatie dus niet. Voor whiplashgerelateerde klachten bestaat geen vaststaand of uniform behandeltraject, zoals dat bij een duidelijk objectiveerbare aandoening zoals bijvoorbeeld een botbreuk, wel het geval is. De behandeling wordt doorgaans afgestemd op het individuele klachtenpatroon en het beloop van de klachten. De eisende partij is vrij in de keuze van zijn therapeuten en heeft door de jaren heen diverse (para)medische behandelingen ondergaan, waaronder bij de fysiotherapeut, acupuncturist en chiropractor. Het enkele feit dat de eisende partij enkele jaren niet onder behandeling is geweest, lijdt er niet toe dat hij zijn schadebeperkingsplicht heeft geschonden. De rechtbank zal dus voor recht verklaren dat de vervoersorganisatie aansprakelijk is voor de schade, met dien verstande dat de vervoersorganisatie voor 50% aansprakelijk is. De rechtbank gaat dan de verschillende schadeposten langs. Omtrent de hoogte van het smartengeld slaat de rechtbank acht op de ANWB Smartengeldgids en de Rotterdamse schaal in samenhang met de Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld. Een bedrag van € 12.500 (na correctie) zou redelijk zijn, maar in dit geval ziet de rechtbank aanleiding om dit bedrag te verhogen tot € 20.000. De vervoersorganisatie heeft pas na ruim 19 maanden aansprakelijkheid erkend en heeft lange tijd het bestaan van de dashboardcamerabeelden ontkend. Deze beelden waren voor de beslechting van de discussie over de toedracht zeer relevant. Voor het achterhouden van deze beelden heeft de vervoersorganisatie geen deugdelijke reden gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft deze opstelling van de vervoersorganisatie geleid tot een vertraging in de afhandeling van de schade van de eisende partij. Ook is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest van redelijke bevoorschotting. Gelet op de inhoud van diverse tussenvonnissen had de vervoersorganisatie naar het oordeel van de rechtbank duidelijk moeten zijn dat het bedrag dat zij aan schade zal moeten vergoeden het door haar aan voorschotten uitgekeerde bedrag ruimschoots zou overschrijden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de wijze van behandeling van de vervoersorganisatie van dit dossier onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig is jegens de eisende partij. Op deze aanvullende schade wordt geen correctie wegens eigen schuld toegepast. (PS 2026-0191)

Rechtbank kent immateriële schadevergoeding van € 350.000 toe aan slachtoffer.
Strafrecht. Zware mishandeling met voorbedachte raad (art. 303 Sr) en diefstal van twee horloges (art. 310 Sr). De verdachte heeft het slachtoffer zo hard geslagen dat dit heeft geleid tot blijvende hersenschade. Het slachtoffer zal nooit meer een normaal leven kunnen leiden. Hij is de rest van zijn leven verlamd aan de rechterzijde van zijn lichaam. Daarnaast is hij blind geworden aan een oog. Hij is levenslang afhankelijk van intensieve verzorging en begeleiding. Het slachtoffer heeft zich als benadeelde partij gevoegd. Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde zeer ernstig lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten blijvend, ernstig hersenletsel, een halfzijdige verlamming, blindheid aan één oog, ernstige cognitieve stoornissen (geheugen, taal, gedrag, informatieverwerking), verminderde alertheid en extreme vermoeidheid en incontinentie. De benadeelde partij is door deze letsels volledig afhankelijk van een rolstoel en 24 uurszorg. Tevens heeft de benadeelde partij last van nierfalen, longproblemen en hartritmestoornissen. Verder staat de benadeelde partij onder controle bij de oogarts en is sprake van veelvuldige ziekenhuisopnames en/of -bezoeken. Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid en mede gelet op de bedragen die in de zogeheten Rotterdamse schaal worden genoemd bij de hiervoor genoemde letsels – voor toewijzing tot een bedrag van € 350.000. Ook de vader, moeder en broer van het slachtoffer hebben zich gevoegd als benadeelde partij. De vader heeft zijn zoon aangetroffen in comateuze toestand en heeft hierdoor PTSS ontwikkeld. Hoewel sprake is van samenloop van shock- en affectieschade dient die samenloop in casu niet te leiden tot matiging van het gevorderde. De vader krijgt een bedrag van € 42.500. De moeder, die haar zoon op de spoedeisende hulp heeft gezien, en ook PTSS heeft ontwikkeld, krijgt € 32.500. De broer van het slachtoffer, die hem ook in het ziekenhuis heeft gezien, krijgt € 15.000 aan vergoeding wegens shockschade. Zijn beroep op de hardheidsclausule omtrent affectieschade slaagt niet. (PS 2026-0203)

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps-updates@boom.nl.

Met vriendelijke groet,

Ilona van der Zalm & Armin Vorsselman 
PS Updates

Hoge Raad

Hof

Rechtbank