Naar boven ↑

Update

Nummer 16, 2026
Uitspraken van 21 april 2026 tot 28 april 2026
Redactie: Mr. H. Vorsselman, mr. drs. I. van der Zalm, mr. Y. Bosschaart en J. Stulp.

Geachte heer/mevrouw,

Hierbij treft u de nieuwe PS Updates aan. 

Rechtspraak
In deze nieuwsbrief hebben wij een selectie opgenomen van de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken, die te raadplegen zijn via de hyperlinks onder aan deze nieuwsbrief. 

Deze week is een tweetal zaken voor u uitgelicht. In de eerste zaak heeft A-G Hartlief geconcludeerd. Volgens de A-G heeft het hof terecht geoordeeld dat de werkgever aansprakelijk is voor de RSI-klachten van een werknemer, maar betekent dat niet dat in andere RSI-zaken voor werknemers nu ‘de vlag uit kan’. De tweede zaak betreft een kort geding waarin een slachtoffer een aanvullend voorschot vordert. Deze vordering wordt door de voorzieningenrechter afgewezen, maar de voorzieningenrechter compenseert de proceskosten vanwege de (trage) houding van de verzekeraar.

A-G: werkgeversaansprakelijkheid, multicausale beroepsziekten en RSI-klachten.
 Conclusie A-G Hartlief. Werkgeversaansprakelijkheid. De kantonrechter en het hof hebben geoordeeld dat de werknemer aan RSI-klachten lijdt, dat deze klachten het gevolg zijn van de arbeidsomstandigheden, en dat de werkgever niet aan haar zorgplicht heeft voldaan. In cassatie klaagt de werkgever hierover. Volgens de werkgever zou het hof de betekenis van de persoonlijke omstandigheden van de werkgever in het kader van de causaliteit verkeerd hebben gewaardeerd, ten onrechte de arbeidsrechtelijke omkeringsregel hebben toegepast en geen eigen oordeel hebben geveld maar slechts het door de kantonrechter gelaste deskundigenbericht hebben overgenomen. Volgens de A-G treffen alle klachten geen doel. Het hof heeft wel zelfstandig beoordeeld dat er een causaal verband was, waarbij het hof zwaar mocht leunen op het deskundigenbericht na bespreking van de bezwaren. Daarbij is de arbeidsrechtelijke omkeringsregel in de gereedschapskist van de feitenrechter gebleven. De A-G merkt in zijn slotopmerking op dat het vereiste causaal verband tussen de werkomstandigheden en de klachten van de werknemer weliswaar in dit specifieke geval uit het door de kantonrechter gelaste deskundigenbericht is opgemaakt en dat het hof dit mocht doen, maar dat dit niet betekent dat bij andere werknemers met RSI-klachten die hun pijlen willen richten op hun werkgever nu de vlag uit kan. (PS 2026-0183)

Voorzieningenrechter wijst vordering aanvullend voorschot af maar compenseert proceskosten vanwege opstelling verzekeraar.
Kort geding. In 2024 is een man betrokken geraakt bij een verkeersongeval. De verzekeraar heeft aansprakelijkheid voor dit ongeval erkend en ongeveer € 14.000 aan voorschotten op schadevergoeding uitgekeerd. Volgens de man is zijn schade substantieel hoger dan deze voorschotten. Hij vordert daarom € 30.000 als aanvullend voorschot op de schadevergoeding. De verzekeraar betwist dit. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de man inderdaad een spoedeisend belang bij zijn vorderingen. Hij heeft voldoende onderbouwd dat hij, als hij geen aanvullend voorschot ontvangt, verder in de financiële problemen zal komen en daardoor mogelijk zijn huurwoning zal moeten verlaten en medische behandelingen zal moeten staken. Echter is in de procedure niet gebleken dat de schade die de man als gevolg van het ongeval lijdt de betaalde voorschotten substantieel overschrijdt. De voorzieningenrechter heeft onvoldoende informatie: er bestaat onzekerheid over het verdienvermogen van de man voorafgaand aan het ongeval en over zijn te verwachten verdienvermogen als het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden. Ook is niet voldoende aannemelijk dat zijn klachten uitsluitend zijn te herleiden tot het ongeval. Een belangenafweging maakt dit oordeel niet anders. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen het eens zijn over nader medisch onderzoek. Van de verzekeraar mag verwacht worden dat zij hier een initiatief toe neemt en daar voortvarend werk van maakt, om te voorkomen dat de afwikkeling van de schade lang duurt en zoals thans het geval lijkt helemaal stil komt te liggen. De verzekeraar kan zich – anders dan zij doet – niet beroepen op het ontbreken van onafhankelijk deskundigenonderzoek omdat het vanwege de door haar erkende aansprakelijkheid ook aan haar is om dat de faciliteren. Hoewel zij heeft aangevoerd dat zij nog medische informatie mist, lijkt dat op het eerste gezicht slechts in beperkte mate het geval te zijn. En voor zover zij meent onvoldoende informatie van de man te hebben, is het aan haar om hem daar duidelijk om te verzoeken. Het is niet gebleken dat zij dat heeft gedaan. Tegelijkertijd is niet gebleken dat de verzekeraar de man volledig heeft geïnformeerd over de door haar ingewonnen medische adviezen. Uit het dossier blijkt dat de manier waarop de man en zijn medisch adviseur zich in deze zaak opstellen constructief is en dat hij zich inspant om de verzekeraar in voldoende mate te informeren. Aldus bezien meent de voorzieningenrechter dat de lange duur van de afwikkeling van deze letselschadezaak en de gevolgen die dat voor de man heeft, in overwegende mate ook te wijten zijn aan de verzekeraar. Dit leidt ertoe dat de man ondanks de afwijzing van de vordering de proceskosten van de verzekeraar niet hoeft te betalen, maar partijen hun eigen kosten dragen. (PS 2026-0190)

Literatuur
P. Ongenae en C. de Koning, ‘Na de finale kwijting – Over autonomie, voorzieningen en de civielrechtelijke belofte van restitutio ad integrum’, Letsel&Schade 2026/2, p. 6-10.

S. Gevers e.a., ‘Evaluatie tuchtrecht – Ingrijpende herziening van medisch tuchtrecht is noodzakelijk’, Letsel&Schade 2026/3, p. 11-17.

R. Rijnhout en M. Overheul, ‘Case study – Standaardisering van schadevergoeding in beroepsziektezaken’, Letsel&Schade 2026/4, p. 18-26. 

P. klein Gunnewiek en L. Homan, ‘Het voorlopig deskundigenbericht. De actualiteiten in de rechtspraak en de praktijk’, PPS-Bulletin 2026, p. 4-9. 

A.J.J.G. Schijns, ‘Complexe claims in het strafproces. Kritische beschouwing van de ontwikkeling waarbinnen complexe schadevergoedingsvorderingen uit het strafproces worden geweerd’, TVP 2026, afl. 1/2, p. 2-15. 

P.P.J. van der Meij en F.H. van der Pol, ‘Efficiënte genoegdoening of obstakel? Kritische kanttekeningen bij de vordering benadeelde partij vanuit het perspectief van de verdediging in strafzaken’, TVP 2026, afl. 1/2, p. 16-27. 

R. Rijnhout en A.L.M. Schaap, ‘Civielrechtelijke groepsaansprakelijkheid en strafrechtelijke aansprakelijkheid voor bijdragen aan collectieven: een appel en een peer naast elkaar gelegd’, TVP 2026, afl. 1/2, p. 32-43. 

T.M.C. Arons, ‘Collectieve actie voor personenschade van benadeelde partijen in het strafproces? Mogelijkheden en inspiratie die de civiele collectieve schadevergoedingsvordering biedt in de strafprocedure’, TVP 2026, afl. 1/2, p. 44-53. 

C.V. Dunk, G.J.B. Geessink en W.J. Veraart ‘Schadevergoeding als publieke genoegdoening. Naar een nieuwe benadering van de schadevergoedingsmaatregel’, TVP 2026, afl. 1/2, p. 54-63. 

M.J.J. Kunst en J. de Keijser, ‘Vergoeding van misdrijfschade: naar een trauma-geïnformeerde aanpak’, TVP 2026, afl. 1/2, p. 64-72. 

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps-updates@boom.nl.

Met vriendelijke groet,

Ilona van der Zalm & Armin Vorsselman 
PS Updates

Hoge Raad

Rechtbank