Naar boven ↑

Update

Nummer 15, 2026
Uitspraken van 14 april 2026 tot 20 april 2026
Redactie: Mr. H. Vorsselman, mr. drs. I. van der Zalm, mr. Y. Bosschaart en J. Stulp.

Geachte heer/mevrouw,

Hierbij treft u de nieuwe PS Updates aan. 

Rechtspraak
In deze nieuwsbrief hebben wij een selectie opgenomen van de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken, die te raadplegen zijn via de hyperlinks onder aan deze nieuwsbrief. 

Deze week is een tweetal zaken voor u uitgelicht. In de eerste zaak past de kantonrechter de arbeidsrechtelijke omkeringsregel toe, waarna aansprakelijkheid van de werkgever wordt aangenomen. In de tweede uitspraak motiveert de rechtbank (onder meer) de hoogte van het smartengeld onder verwijzing naar de Rotterdamse schaal en de LOVCK-aanbevelingen.

Werkgever na toepassing arbeidsrechtelijke omkeringsregel aansprakelijk.
De werknemer was tot 1 februari 2020 in dienst van de werkgever als monteur buitendienst. In mei 2017 heeft de werknemer zich arbeidsongeschikt gemeld vanwege hand-, pols- en elleboogklachten. De klachten zijn gediagnosticeerd als artrose, carpaletunnelsyndroom (CTS) aan beide zijden en tennisarmen. Partijen verschillen van mening over de vraag of de werknemer gezondheidsschade heeft opgelopen in de uitoefening van zijn werkzaamheden en of de werkgever daarvoor aansprakelijk is. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer is blootgesteld aan voor de gezondheid schadelijke omstandigheden. Hij moest voor zijn werk bij de werkgever golfplaten plaatsen, waarvoor hij veel knijp- en grijpkracht moest uitoefenen met zijn handen en zwaar moest tillen, hij werd blootgesteld aan trillingsbelasting voor zijn handen en armen door elektrisch aangedreven handgereedschap en hij werkte in ongunstige lichaamshoudingen. De werkgever heeft onvoldoende verweer geleverd waardoor de kantonrechter oordeelt dat aan het eerste vereiste van de (arbeidsrechtelijke) omkeringsregel is voldaan. Op basis van het rapport van Bureau Beroepsziekten FNV en de medische adviezen kan worden geconcludeerd dat de artrose, het CTS en de tennisarmen klachten zijn die kunnen zijn veroorzaakt door de werkomstandigheden van de werknemer bij de werkgever. De kantonrechter oordeelt dat voor deze klachten ook aan het tweede vereiste van de omkeringsregel is voldaan. De kantonrechter is van oordeel dat de werkgever haar zorgplicht niet heeft nageleefd en dat zij de stelling van de werknemer dat de werkgever in strijd heeft gehandeld met artikel 3 lid 1 Arbowet en artikel 5.2 en 5.3 Arbobesluit onvoldoende gemotiveerd heeft bestreden. De werkgever voert nog aan dat zij een risico-inventarisatie en evaluatie tijdig aan de werknemer heeft verstrekt maar de kantonrechter oordeelt dat de schendingen van de Arbowet en het Arbobesluit al voldoende zijn om te kunnen concluderen dat de werkgever niet, althans onvoldoende, aan haar zorgplicht heeft voldaan. De conclusie is dan ook dat de werkgever aansprakelijk is voor alle door de werknemer geleden en nog te lijden schade die het gevolg is van de bovengenoemde werkgerelateerde klachten. De psychische klachten en de gehoorschade kunnen daar niet onder gerekend worden omdat deze klachten niet (voldoende) onderbouwd worden door de rapporten. (PS 2026-0173)

Rotterdamse schaal en LOVCK-aanbevelingen: cumulatie letsel.
Op 1 oktober 2010 is de vrouw (toentertijd 8 jaar oud) een zeer ernstig verkeersongeval overkomen. Zij heeft bij dit ongeval zeer ernstig letsel opgelopen. In de jaren na het ongeval is de vrouw intensief en langdurig behandeld voor het letsel. De WAM-verzekeraar heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. Inmiddels zijn er diverse medische expertises uitgevoerd waaruit blijkt dat de vrouw als gevolg van dit ongeluk blijvende gezondheidsklachten heeft, waaronder traumatisch schedel/hersenletsel, cognitieve klachten en visusklachten. In deze procedure wordt beoordeeld of door de verzekeraar een nader voorschot aan de vrouw moet worden verstrekt van € 83.295,73. Daarbij komen meerdere schadeposten aan de orde, waaronder het verlies van verdienvermogen, zorgschade, immateriële schade en overige schade. Ondanks haar gezondheidsklachten heeft de vrouw in 2022 een mbo-(dans)opleiding weten af te ronden. Zij heeft daarna geen betalend werk kunnen verrichten. De rechtbank oordeelt dat sprake is van verlies van verdienvermogen tot een bedrag van minimaal € 25.765. De rechtbank merkt op dat het hier gaat om een minimale, terughoudende benadering die zoveel mogelijk zonder voorbehoud is vastgesteld. Niet is uitgesloten dat de vrouw, gelet op haar opleiding en persoonlijke omstandigheden, in de hypothetische situatie een hoger inkomen had kunnen verwerven. Met gebruikelijke loonontwikkeling, carrièregroei of andere inkomensverhogende factoren is in deze berekening geen rekening gehouden. Een arbeidsdeskundige zou tot een hogere hypothetische verdiencapaciteit kunnen komen en daarmee vaststellen dat de schade wegens verlies van verdienvermogen over deze periode hoger is dan in deze beschikking wordt aangenomen. De rechtbank oordeelt dat over de periode van 13 september 2022 tot 13 december 2025 de schade wegens mantelzorg en begeleiding uitkomt op € 20.280. Het beroep op de schadebeperkingsplicht door het niet aanvragen van een pgb wordt afgewezen. Voor de vraag in hoeverre er ruimte is voor nadere bevoorschotting van smartengeld beoordeelt de rechtbank aan de hand van de Rotterdamse schaal voor hoeveel smartengeld de vrouw op dit moment minimaal in aanmerking zal komen. Naar het oordeel van de rechtbank kan worden aangenomen dat de vrouw, zelfs indien wordt uitgegaan van een indeling in de categorie middelzwaar hersenletsel subcategorie II, dus de lagere categorie waarvan de verzekeraar uitgaat, ook dan in aanmerking zal komen voor een bedrag dat de € 50.000 (het thans uitgekeerde voorschot op deze schade) ruimschoots zal overstijgen. Ook slaat de rechtbank acht op de cumulatie van letsels. Naast het primaire hersenletsel heeft de vrouw haar zicht aan een oog verloren. Dat weegt de rechtbank mee onder verwijzing naar de LOVCK-, LOVCH- en LOVS-aanbevelingen. De rechtbank acht het door de vrouw gestelde totaalbedrag van € 100.000 (bepaald) niet onredelijk. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat het uiteindelijke smartengeld ruimschoots hoger zal zijn dan het reeds betaalde bedrag, zodat het verzochte aanvullende voorschot van € 50.000 niet bovenmatig voorkomt. De vervoerskosten en de opgenomen kosten vakantiedagen en overige kosten zijn onvoldoende gespecificeerd en onderbouwd, de rechtbank zal deze niet meenemen in de optelsom ter bepaling van het voorschot. De totale schade van de vrouw tot en met 2025 bedraagt minimaal € 319.263,90. Op dit bedrag strekt in mindering het reeds door de verzekeraar betaalde voorschot van € 256.000. Het nog openstaande bedrag aan schade komt daarmee uit op € 63.263,90. Dat bedrag wijst de rechtbank toe. (PS 2026-0175)

Literatuur
J.A.A. van Beek, ‘Wat is een onrechtmatige daad? – Een vraag ter afbakening van de reikwijdte van het schokschadeleerstuk’, Maandblad voor Vermogensrecht 2026, afl. 3. 

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps-updates@boom.nl.

Met vriendelijke groet,

Ilona van der Zalm & Armin Vorsselman 
PS Updates

Hof

Rechtbank