Naar boven ↑

Update

Nummer 11, 2026
Uitspraken van 17 maart 2026 tot 23 maart 2026
Redactie: Mr. H. Vorsselman, mr. drs. I. van der Zalm, mr. Y. Bosschaart en J. Stulp.

Geachte heer/mevrouw,

Hierbij treft u de nieuwe PS Updates aan. Voor u hebben wij een uitspraak uitgelicht van het hof Den Haag waarin, na verwijzing door de Hoge Raad, is beoordeeld of een bestuurder, die te veel had gedronken, te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt. Daarnaast hebben wij een uitspraak in deelgeschil uitgelicht waarin onder meer een antwoord wordt gegeven op de vraag of de bezitter van een opstal of de bedrijfsmatig gebruiker ervan aansprakelijk is voor een ongeval bij een woning.

Rechtspraak
In deze nieuwsbrief hebben wij een selectie opgenomen van de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken, die te raadplegen zijn via de hyperlinks onder aan deze nieuwsbrief. 

Verhaal op bestuurder, niet-verzekeringsnemer, die heeft gedronken slaagt.
Verwijzing na cassatie door de Hoge Raad. De bestuurder heeft in 2014 onder invloed van alcohol met de auto van zijn ouders een ongeval veroorzaakt waardoor de inzittende van de auto schade heeft geleden. De verzekeraar wil het bedrag dat zij als schadevergoeding heeft uitgekeerd aan de inzittende van de auto verhalen op de bestuurder. De verzekeraar kan de schadevergoeding op de bestuurder verhalen als hij niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt. De vraag is of dat het geval is. Het hof Den Haag is na verwijzing van oordeel dat de bestuurder gelet op de volgende feiten en omstandigheden goede reden had om te twijfelen over de vraag of zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt. Bestuurder heeft de auto zonder toestemming van zijn ouders gebruikt. Hij is schuldig aan het veroorzaken van een ongeval met letsel, terwijl hij onder invloed was van te veel alcohol. Het was niet de eerste keer dat de bestuurder voor het rijden onder invloed is bestraft. Hij besefte dat hij in de staat waarin hij verkeerde niet in de auto mocht rijden, dat dit onverstandig was, niet was toegestaan en (mogelijk) strafbaar was. Ook geeft het hof aan dat verzekeraars steeds vaker uitsluitingsclausules in geval van alcoholgebruik opnemen in verzekeringsvoorwaarden. Gelet op de overwegingen van de Hoge Raad mocht de bestuurder niet te goeder trouw aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt. Dat leidt tot het oordeel dat de verzekeraar de schadevergoeding die zij aan de inzittende heeft betaald op grond van artikel 15 lid 1 WAM in beginsel op de bestuurder kan verhalen. Wel komt de daarbij opgetreden letselschade gedeeltelijk voor eigen rekening van de inzittende, gelet op de aan hem toe rekenen omstandigheid dat hij uit eigen beweging is meegereden met de bestuurder terwijl hij, mede gelet op de waarschuwingen die hij van derden had gekregen, wist of had moeten beseffen dat de bestuurder – zwaar – onder invloed van alcohol was en dat het gevaarlijk was dat hij in die staat een auto ging besturen. Het hof acht een percentage van 35%, met inbegrip van een billijkheidscorrectie vanwege de ernst van het letsel, reëel. (PS 2026-0145

Eigenaar woning aansprakelijk, niet bedrijfsmatig gebruiker.
Een man was werkzaam als uitzendkracht. Hij verbleef in een vakantiewoning, die hij huurde van zijn werkgever, een uitzendorganisatie. De woning was door de eigenaar verhuurd aan een verhuurbedrijf die op haar beurt de woning had onderverhuurd aan de uitzendorganisatie. Als gevolg van een val van de trap bij die woning heeft de werknemer letsel opgelopen. De werknemer heeft de uitzendorganisatie aansprakelijk gesteld. De uitzendorganisatie heeft de aansprakelijkstelling doorgestuurd naar de aansprakelijkheidsverzekeraar van de eigenaar en de verhuurder. Deze aansprakelijkheidsverzekeraar heeft aansprakelijkheid afgewezen omdat volgens de verzekeraar niet vaststaat dat er ten tijde van het ongeval sprake was van een losliggende steen en niet is aangetoond dat de werknemer ten val is gekomen als gevolg van een losliggende steen c.q. gebrekkige opstal. De rechtbank neemt als vaststaand aan dat de werknemer is gevallen van de trap nabij de toegangsdeur van de woning. De rechtbank is van oordeel dat de trap kwalificeert als gebrekkige opstal. Het gaat volgens de rechtbank om een oude, stenen trap met scheuren tussen de stenen en ongelijke en deels afgebroken traptreden. In het midden kan blijven of de werknemer is gestruikeld over de losliggende steen of anderszins ten val is gekomen, nu de staat van de trap als geheel dusdanig ondeugdelijk was dat het risico op vallen groter was dan normaal gesproken verwacht mag worden. Inherent hieraan is dat de woning en trap werden gebruikt door mensen die daar maar kort verbleven en dus niet bekend waren met specifieke gebreken, zoals ongelijke traptreden. Daarnaast acht de rechtbank het plegen van onderhoud aan de trap voor de eigenaar niet bezwaarlijk, terwijl het risico dat iemand valt zoals hiervoor overwogen aanmerkelijk is. Als verweer tegen de vordering op grond van artikel 6:174 BW heeft de eigenaar van de woning een beroep gedaan op artikel 6:181 BW. Volgens de eigenaar is het verhuurbedrijf waaraan hij de woning verhuurde aan te merken als kwalitatief aansprakelijke partij, zodat de eigenaar niet aansprakelijk is uit hoofde van artikel 6:174 BW. Het ontstaan of bestaan van het gebrek aan de trap heeft naar het oordeel van de rechtbank niets te maken met de bedrijfsuitoefening van het verhuurbedrijf of de uitzendorganisatie. Zo is niet gebleken van een specifieke eigenschap die de trap gezien het bedrijfsmatige gebruik ervan gebrekkig of onveilig heeft gemaakt; de trap is bijvoorbeeld niet aangepast naar de bedrijfsmatige behoeftes van het verhuurbedrijf of de uitzendkracht. De eigenaar hield daarnaast zeggenschap over de (trap bij) de woning. Zij heeft de woning immers kort voor verhuur aan het verhuurbedrijf gerenoveerd. Uit het onderzoeksrapport blijkt daarnaast dat de eigenaar ‘eindverantwoordelijk [is] voor de algehele staat en veiligheid van het pand’ en ‘zorgdraagt voor het herstellen c.q. oplossen van de vastgestelde gebreken c.q. beschadigingen’. De eigenaar heeft dit met zoveel woorden tijdens de mondelinge behandeling herhaald en daaraan toegevoegd dat de opstalverzekering op haar naam is afgesloten. Hieruit volgt dat de eigenaar zeggenschap had over het schadeveroorzakende gebrek in de opstal. Gelet op het voorgaande is de slotsom dat de aansprakelijkheid van de eigenaar niet kan worden verlegd naar het verhuurbedrijf of de uitzendorganisatie als bedrijfsmatige gebruikers en dat de eigenaar aansprakelijk is uit hoofde van artikel 6:174 BW voor het ongeval. (PS 2026-0142)

Literatuur 
F.J. de Vries, ‘Procesrechtelijke aspecten van schadebegroting’, Nederlands Tijdschrift voor Burgerlijk Recht 2026/5, afl. 2.

T. Hartlief, ‘Doen wat kan en de Rotterdamse schaal: gaan straffe oplossingen meer brengen dan enkel vooruitgang aan het civielrechtelijke front?’, Nederlands Tijdschrift voor Burgerlijk Recht 2026/6, afl. 2. 

J.A.M.A. Sluysmans & N. van Triet, ‘Schadevaststelling door de civiele rechter en de bestuursrechter, een interne rechtsvergelijking’, Nederlands Tijdschrift voor Burgerlijk Recht 2026/7, afl. 2. 

D.F.H. Stein, ’Rechterlijke vrijheid bij causaliteitsonzekerheid’, Nederlands Tijdschrift voor Burgerlijk Recht 2026/9, afl. 2. 

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps-updates@boom.nl.

Met vriendelijke groet,

Ilona van der Zalm & Armin Vorsselman 
PS Updates

Hof

Rechtbank