Naar boven ↑

Update

Nummer 10, 2026
Uitspraken van 10 maart 2026 tot 16 maart 2026
Redactie: Mr. H. Vorsselman, mr. drs. I. van der Zalm, mr. Y. Bosschaart en J. Stulp.

Geachte heer/mevrouw,

Hierbij treft u de nieuwe PS Updates aan. In deze editie hebben wij voor u twee uitspraken belicht. Bij de eerste uitspraak lichten we het vaststellen van de schadevergoeding conform de Rotterdamse schaal uit. Het slachtoffer heeft schade op neurologisch gebied (primair letsel) en een posttraumatische stressstoornis (secundair letsel, weegt voor 50% mee), was 28 jaar (wat conform de aanbeveling voor een verhoging van 25% zorgt) en er was sprake van een ernstig verwijt, een poging tot moord (verhoging van 15%). Daar het bedrag daarmee boven het gevorderde bedrag uitkomt, blijft het beperkt tot het gevorderde bedrag (toewijzing van € 100.000). De tweede uitspraak ziet op het recht op het nemen van afscheid van een overleden ouder, een fundamenteel onderdeel van het in artikel 8 EVRM verankerde recht op ‘family life’. Een zoon is weggestuurd bij de afscheidsdienst van zijn moeder, maar dat bleek niet onrechtmatig. In deze PS Updates is daarnaast verwezen naar twee verschenen annotaties.

Rechtspraak
In deze nieuwsbrief hebben wij een selectie opgenomen van de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken, die te raadplegen zijn via de hyperlinks onder aan deze nieuwsbrief. 

Vaststelling vergoeding conform Rotterdamse schaal overschrijdt gevorderde bedrag van € 100.000; vordering toegewezen.
Strafrecht. Verdachte heeft zich in een korte periode schuldig gemaakt aan verschillende zeer ernstige strafbare feiten. Zo heeft hij in opdracht van medeverdachte in de periode van februari 2022 tot en met april 2022 brandgesticht aan auto’s, bedrijfsbussen en panden met als doel om de medeverdachte verzekeringsgeld uitgekeerd te laten krijgen. De dag na het plegen van de laatste vier brandstichtingen, heeft verdachte zich aan een poging tot moord schuldig gemaakt. In opdracht van medeverdachte is hij op 11 april 2022 naar het vakantiepark gegaan waar het slachtoffer, de partner van de medeverdachte, verbleef. Voor het om het leven brengen van het slachtoffer werd verdachte een geldbedrag van € 50.000 in het vooruitzicht gesteld. Het slachtoffer heeft ernstig letsel overgehouden aan de poging tot moord. Zo is er sprake van blijvende schade op neurologisch gebied, waardoor het slachtoffer beperkt is in het gebruik van haar armen. Dagelijkse bezigheden zijn daardoor geen vanzelfsprekendheid meer. Ook beperkt het letsel haar in sterke mate in het kunnen zorgen voor haar twee kinderen. Daarnaast is er op psychiatrisch gebied sprake van een posttraumatische stressstoornis. Een deskundige heeft vastgesteld dat er sprake is van deels blijvende invaliditeit. Het slachtoffer heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Zij heeft een bedrag van € 100.000 aan smartengeld gevorderd. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en de aard en de ernst van het letsel is het hof van oordeel dat het letsel van het slachtoffer valt onder categorie 5.1a ‘(Zeer) ernstig nekletsel’, onder II van de Rotterdamse schaal. Het hof beschouwt dit letsel als het primaire letsel en acht een bedrag van € 75.000 voor dit letsel billijk. De door de benadeelde partij opgelopen posttraumatische stressstoornis beschouwt het hof als het secundair letsel. De posttraumatische stressstoornis zoals bij de benadeelde partij is gediagnosticeerd, valt naar het oordeel van het hof onder categorie 14.2 ‘Posttraumatische stressstoornis (PTSS)’, onder b ‘ernstig’ van de Rotterdamse schaal. Op basis daarvan is in beginsel een bedrag van € 37.500 billijk. Na toepassing van de aanbeveling om dit secundaire letsel voor 50% mee te wegen, resteert een bedrag van € 17.500. Het hof past de aanbeveling toe om de bedragen van het primaire en secundaire letsel te verhogen met 25% vanwege het ernstige verwijt dat de verdachte te maken valt met betrekking tot het toebrengen van het letsel. Tot slot past het hof de aanbeveling toe om de bedragen te verhogen met 15%, omdat het slachtoffer op 11 april 2022 een jongvolwassen vrouw was van 28 jaar oud. Gezien het voorgaande komt het hof tot een vaststelling van een bedrag aan immateriële schade die het gevorderde bedrag van € 100.000 overschrijdt. De vordering kan in hoger beroep niet worden verhoogd en het hof wijst de vordering daarom toe tot het maximale bedrag dat is gevorderd, te weten € 100.000. (PS 2026-0139)

Recht om afscheid te nemen van een overleden ouder is een fundamenteel onderdeel van het in artikel 8 EVRM verankerde recht op ‘family life’.
 In deze zaak vordert de man dat zijn zus wordt veroordeeld tot betaling van smartengeld, omdat zijn zus hem de mogelijkheid zou hebben ontnomen afscheid te nemen van hun overleden moeder. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen. De man legt, in de kern, het volgende aan zijn grieven ten grondslag. Hij heeft ernstige immateriële schade geleden doordat hij de kerk vóór afloop van de afscheidsdienst heeft moeten verlaten op verzoek van de uitvaartverzorger, welk verzoek is gedaan namens de zus. Dit verzoek was in strijd met artikel 6:162 BW en met artikel 8 EVRM, dat recht geeft op het uitoefenen van ‘family life’, en daarom onrechtmatig jegens hem. De man is door de publiekelijke weigering ernstig geschaad, psychisch getekend en blijvend geraakt in zijn rouwproces. Ter onderbouwing van zijn emotionele schade wijst de man er (onder meer) op dat hij een hernia heeft. Het hof bevestigt dat het recht om afscheid te nemen van een overleden ouder een fundamenteel onderdeel is van het in artikel 8 EVRM verankerde recht op ‘family life’. Dit mensenrecht kan doorwerken in de verhouding tussen broer en zus via de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 BW. Of de zus heeft gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt als bedoeld in artikel 6:162 BW, moet worden vastgesteld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Volgens het hof kon de man er niet op vertrouwen dat hij was uitgenodigd voor de afscheidsdienst. Gegeven de verstoorde familieverhoudingen en in het bijzonder het conflict dat tussen de twee kinderen bestond, had de man dat kunnen navragen bij zijn zus. De man heeft dat niet gedaan en is zonder vooraankondiging in de kerk verschenen. Het hof gaat ervan uit dat tussen de man en de zus een pijnlijk misverstand is ontstaan over het al dan niet welkom zijn van de man bij de afscheidsdienst. Dit maakt het handelen van de zus echter nog niet onrechtmatig. Niet is gebleken dat het handelen van de zus in strijd was met de ongeschreven maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 BW. Het voorgaande betekent dat de zus niet gehouden is tot betaling van schadevergoeding aan de man. Daarbij is het van belang dat er een alternatieve mogelijkheid tot het nemen van afscheid had kunnen zijn, maar de wens om persoonlijk afscheid te nemen was niet kenbaar gemaakt. (PS 2026-0135)

Literatuur 
C.J. van Weering, annotatie JA bij: ‘Hoge Raad 16 januari 2026, nr. 24/03157, ECLI:NL:HR:2026:53’, JA 2026/36 (Onzorgvuldig handelen advocaat. Trial within a trial. Kansschade. Bewijslevering. Devolutieve werking. Mededelingsplicht. Grondslag vordering.) 

R.V. Montulet, annotatie JA bij: ‘Rechtbank Amsterdam 17 december 2025, nr. C/13/726782 / HA ZA 23-2, ECLI:NL:RBAMS:2025:9951’, JA 2026/39 (Massaschade. Productaansprakelijkheid. Causaal verband. Inzageverzoek.) 

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps-updates@boom.nl.

Met vriendelijke groet,

Ilona van der Zalm & Armin Vorsselman 
PS Updates

Hoge Raad

Hof

Rechtbank