Update
Geachte heer/mevrouw,
Bijgaand treft u de eerste PS Updates van 2026 aan.
Rechtspraak
In deze nieuwsbrief hebben wij een selectie opgenomen van de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken, die te raadplegen zijn via de hyperlinks onder aan deze nieuwsbrief.
Schiphol niet aansprakelijk voor schade medewerker grondafhandelingsbedrijf.
Deze zaak gaat om de vraag of Schiphol als exploitant aansprakelijk is voor de schade die een medewerker van een grondafhandelingsbedrijf als gevolg van de zware werkomstandigheden heeft geleden. De medewerker voert in hoger beroep vijftien grieven aan tegen het bestreden vonnis. In essentie bestrijden deze grieven het oordeel van de kantonrechter dat er geen grondslag bestaat voor aansprakelijkheid van de luchthavenmaatschappij jegens de medewerker en lenen zij zich (grotendeels) voor een gezamenlijke behandeling. Het hof stelt net als de kantonrechter bij zijn beoordeling voorop dat de verantwoordelijkheid voor veilige arbeidsomstandigheden en het toezicht daarop primair ligt bij respectievelijk de werkgever en de arbeidsinspectie. Het hof is verder (met de kantonrechter) van oordeel dat op de luchthavenmaatschappij geen juridische verplichting rust om de arbeidsomstandigheden van de medewerker, of naleving van de Arbo-voorschriften voor het bagage- en vrachtpersoneel in het algemeen, actief te controleren of daarop toe te zien. De medewerker bestrijdt ook het oordeel van de kantonrechter dat van het bewust onrechtmatig profiteren van een wanprestatie van de grondafhandelaren door de luchthavenmaatschappij geen sprake is. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een handelen van de luchthavenmaatschappij met een partij (een grondafhandelaar) die door dit handelen een door hem met zijn contractspartij (de medewerker) gesloten overeenkomst schendt. Het is namelijk niet de luchthavenmaatschappij die een overeenkomst aangaat met de grondafhandelaren, maar dat doen de luchtvaartmaatschappijen zelf. Dat deze overeenkomst op het luchthaventerrein wordt uitgevoerd maakt nog niet dat luchthavenmaatschappij, rechtstreeks dan wel via een tussenpersoon, handelt met de grondafhandelaren en van hun wanprestatie profiteert. Daarnaast slaagt de grief tegen de toepassing van artikel 7:658 lid 4 BW ook niet. Dit artikel mist in deze zaak toepassing en naar oordeel van het hof kan dit niet analoog worden toegepast op grond van de redelijkheid en billijkheid. Daarnaast neemt het hof ook geen aansprakelijkheid aan in verband met een gebrekkig wegdek. Tot slot slaagt de grief met betrekking tot wanprestatie niet. De medewerker was werkzaam met een pas van de luchthavenmaatschappij en stelt dat er daarom regels van toepassing waren. Het hof is van oordeel dat de medewerker onvoldoende concreet heeft gesteld welke verbintenissen uit deze regels voortvloeiden en dat de luchthavenmaatschappij hierin tekortgeschoten zou zijn. Alle grieven falen, het hoger beroep faalt (PS 2026-0006).
Vader handelt onrechtmatig jegens zoon, geen directe actie op AVP-verzekeraar.
Een 7-jarige zoon heeft in 2014 op jonge leeftijd ernstige brandwonden opgelopen door een ongeval met een barbecue. Zijn vader heeft namens hem geprobeerd de schade vergoed te krijgen onder de aansprakelijkheidsverzekering van de vader. Dat is niet gelukt, omdat de rechter heeft geoordeeld dat de door de vader afgelegde verklaringen onvoldoende betrouwbaar zijn om te kunnen concluderen dat hij op onrechtmatige wijze de schade van zijn zoon heeft veroorzaakt. In deze procedure stelt de curator van het zoontje dat de vader door het afleggen van tegenstrijdige en onware verklaringen (wederom) onrechtmatig heeft gehandeld, voor welke onrechtmatige daad de APV-verzekeraar van de vader dekking moet verlenen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het zoontje voldoende belang bij toewijzing van zijn vordering in het geval zijn vordering op de APV-verzekeraar niet toewijsbaar is (vergelijk artikel 3:303 BW). Maar de rechtbank oordeelt dat het zoontje geen betaling van de APV-verzekeraar kan vorderen omdat er niet is voldaan aan de vereisten van de directe actie. De geleden schade bestaan namelijk niet uit dood of letsel maar uit vermogensschade, namelijk de verzekeringsuitkering die het zoontje zou hebben ontvangen als zijn vader die tegenstrijdige en deels onware verklaringen niet zou hebben afgelegd. Het zoontje moet het hebben van een vordering op zijn vader, die vervolgens kan proberen de vordering op grond van de verzekering af te wentelen op de APV-verzekeraar. De rechtbank volgt de APV-verzekeraar in zijn betwisting dat vermogensschade niet onder de dekking valt. Het zoontje doet een beroep op het arrest De Onderlinge/NN van de Hoge Raad. Maar naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de functie van een APV-verzekeraar in het maatschappelijk verkeer meebrengt dat een verzekerde (de vader) redelijkerwijs heeft mogen verwachten dat de verzekering dekking zou bieden voor vermogensschade die het gevolg is van zijn eigen onrechtmatig handelen waarmee hij dekking onder diezelfde verzekering voor letselschade heeft gedwarsboomd. De curator beroept zich ook op de bijzondere positie van jonge kinderen in het aansprakelijkheidsrecht. Echter, de rechtbank oordeelt dat het zoontje de dupe is van het onrechtmatig handelen maar dat dit zich niet laat oplossen via de band van het verzekeringsrecht. Tot slot oordeelt de rechtbank dat het causale verband tussen het onrechtmatig handelen van de vader en de schade niet is komen vast te staan. Uit een eerdere procedure volgt dat er meerdere scenario’s denkbaar zijn waardoor de APV-verzekeraar niet verplicht is om over te gaan tot uitkering. De rechtbank concludeert dat de vader aansprakelijk is voor de schade die het zoontje heeft geleden en mogelijk nog lijdt als gevolg van het afleggen van wisselende en tegenstrijdige verklaringen over de toedracht van het incident op 14 juni 2014 (PS 2026-0010).
Verlies aan verdienvermogen: recht op zelfbeschikking prevaleert boven schadebeperkingsplicht.
Deelgeschil. De man is, rijdend op zijn bromfiets, aangereden door een auto. Hij heeft daarbij letsel opgelopen. De verzekeraar heeft de aansprakelijkheid erkend. De rechtbank oordeelt dat het verzoek zich leent voor een deelgeschil, ook al is het vrij uitgebreid. Daarnaast oordeelt de rechtbank ook dat ondanks dat de verzekeraar voorafgaand aan het deelgeschil een aantal toezeggingen heeft gedaan, het verzoek grotendeels niet prematuur is. De rechtbank gaat uitgebreid in op de verzoeken die zien op het verlies van verdienvermogen. De man verzoekt de rechtbank dat de verzekeraar in redelijkheid niet mag verlangen dat de man als werkvoorbereider (welk werk hij niet leuk vindt en zonder ongeval ook niet zou hebben verricht) inkomen genereert om verlies van arbeidsvermogen te voorkomen en verzoekt ook dat, nu hij gestart is als ondernemer, niet mag worden verwacht dat hij zich laat omscholen naar werk in een andere functie of branche, teneinde zijn verlies arbeidsvermogen te beperken. De rechtbank neemt in dit deelgeschil beslissing over diverse facetten van het verlies van verdienvermogen (de omvang schadebeperkingsplicht, recht op begeleiding, bevoorschotting) en over de buitengerechtelijke kosten (o.a. kosten voor voorbereiding verzoekschriftprocedures die niet zijn doorgegaan). De rechtbank oordeelt dat van de man in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij inkomen genereert als werkvoorbereider, ook niet als hij daartoe wel in staat zou zijn. De rechtbank acht hierbij van belang dat de keuze van de man om de (vervolg)opleiding tot werkvoorbereider te gaan doen geen volledig vrije keuze was, maar hem min of meer is opgedrongen door de omstandigheid dat het ongeval hem is overkomen. Zijn recht op zelfbeschikking dient hier te prevaleren boven zijn schadebeperkingsplicht. Het recht van de man om zelf zijn carrière te kiezen gaat naar het oordeel van de rechtbank niet zover dat van hem, ook als hij als zelfstandig ondernemer niet in zijn inkomen kan voorzien, niet kan worden verwacht dat hij zich op enig moment laat omscholen naar werk in een andere functie of een andere branche. De rechtbank wijst een voorschot op het verlies van verdienvermogen toe, evenals een voorschot op de buitengerechtelijke kosten. Een verzoek tot het toewijzen van een voorschot op het smartengeld wordt afgewezen. Dit verzoek is te prematuur omdat niet is gebleken dat partijen voorafgaand aan de deelgeschillenprocedure contact hebben gehad over het smartengeld (PS 2026-0015).
Verhuurder tapijtstripper aansprakelijk: heeft particulier onvoldoende gewaarschuwd.
De zoon heeft samen met zijn vader en zijn oom de woning van zijn oma ontruimd. Voor het verwijderen van het tapijt heeft de vader bij een professionele partij een tapijtstripper gehuurd. De oom hield zich bezig met de tapijtstripper en heeft deze gekanteld op de grond gezet, bij het monteren is de kunststof mesbeschermer doorgesneden en heeft de oom zich gesneden. De zoon is toen naar de oom toe gelopen en heeft zich daarbij in zijn rechterkuit gesneden aan het mes van de tapijtstripper. Zowel de pezen als de spieren en de zenuwen waren doorgesneden. De zoon vordert voor recht dat de oom primair aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad en subsidiair dat de oom (althans diens verzekeraar) de schade uit hoofde van zaakwaarneming moet vergoeden. Volgens de zoon heeft de oom gevaarzettend gehandeld door geen veiligheidshandschoenen te dragen omdat hij de tapijtstripper met het mes naar boven had geplaatst. De oom is volgens de zoon gehouden de schade te vergoeden uit hoofde van zaakwaarneming omdat hij zich aan de tapijtstripper heeft gesneden toen hij handdoeken wilde halen om de bloeding bij de oom, die zich ook gesneden had, te stelpen. De verhuurder is volgens de zoon aansprakelijk omdat deze een tapijtstripper heeft verhuurd zonder handleiding en bijbehorende beschermingsmiddelen. De rechtbank oordeelt dat de oom niet aansprakelijk is. Er is sprake van een ongelukkige samenloop van omstandigheden; de oom heeft niet onrechtmatig gehandeld. Aan de voorwaarden voor zaakwaarneming is bovendien niet voldaan. De rechtbank oordeelt dat de verhuurder van de tapijtstripper wel aansprakelijk is doordat deze niet heeft voldoende heeft gewaarschuwd voor de gevaren. Zo heeft de verhuurder niet gewezen op de op haar website geplaatste instructievideo. De door haar wel verstrekte schriftelijke veiligheidsinstructie was niet volledig en bevatte geen verwijzing naar de instructievideo. Tevens heeft de verhuurder alleen een smalle kunststof mesbeschermer meegeleverd en niet een lederen mesbeschermer die zichtbaar is op de instructievideo. Het beroep op het ontbreken van relativiteit en eigen schuld wijst de rechtbank af. De verhuurder is aansprakelijk (PS 2026-0016).
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps-updates@boom.nl.
Met vriendelijke groet,
Ilona van der Zalm & Armin Vorsselman
PS Updates
Hof
- Gerechtshof Den Haag Strafrecht. In de avond van 22 mei 2022 hebben de verdachte en zijn mededader zich schuldig gemaakt aan de koelbloedige moord op het slachtoffer. In het strafproces hebben de moeder, de vriendin, de twee zonen en een familievriend zich gevoegd als benadeelde partij. De moeder vordert naast de materiële schade een bedrag van € 87.500 aan immateriële schade, bestaande uit € 17.500 aan affectieschade en € 70.000 aan shockschade. Het hof kent het bedrag aan affectieschade toe en oordeelt over de shockschade dat deze naar maatstaven zich leent voor toewijzing van een bedrag van € 35.000. De moeder is enkele minuten na het incident op het plaats delict geweest en is geconfronteerd met de schoenen van haar zoon, vervolgens wilde de moeder naar de zoon toe maar werd daarin tegengehouden. Bij haar heeft dit geleid tot een emotionele shock en na de gebeurtenis is er bij de moeder PTSS vastgesteld. De vriendin van het slachtoffer vordert € 55.000 aan immateriële schade, bestaande uit € 20.000,aan affectieschade en € 35.000 aan shockschade. De vriendin kan volgens het hof niet als levensgezel worden gezien maar er kan wel worden vastgesteld dat zij een hechte latrelatie hadden, zij droegen samen de zorg voor hun zoon en de vriendin was ten tijde van het overlijden ook in verwachting van hun tweede zoon. De vriendin kan worden aangemerkt als slachtoffer in de zin van artikel 6:108 lid 4 sub g BW en het hof acht een bedrag van € 17.500 toewijsbaar. Met betrekking tot de gevorderde shockschade overweegt het hof dat uit het dossier en de door de benadeelde partij overgelegde stukken niet blijkt dat sprake is geweest van een (directe) confrontatie met de gevolgen van het bewezen verklaarde, het hof verklaart dit deel niet-ontvankelijk. De zoon van het slachtoffer vordert € 80.000 aan immateriële schade, bestaande uit € 20.000 aan affectieschade, € 30.000 aan shockschade en € 30.000 wegens aantasting in de persoon op andere wijze. Het hof acht het gevorderde bedrag aan affectieschade toewijsbaar en verklaart de zoon niet-ontvankelijk in het deel van de vordering die ziet op de shockschade. Omtrent de aantasting in de persoon op andere wijze oordeelt het hof dat deze behandeling een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De vorderingen van de andere zoon worden op dezelfde manier afgedaan. Tot slot heeft een familievriend zich gevoegd en vordert, naast de materiële schade, een bedrag van € 25.000,- aan shockschade. Het hof verklaart de familievriend in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk. 19-12-2025
- Gerechtshof Den Haag Strafrecht. Verdachte heeft een brand aangestoken bij het huis van zijn ex-partner. Op het moment van de brand waren er vijf personen in de woning aanwezig: de ex-partner en haar vier kinderen. Twee kinderen is het gelukt om uit de woning te vluchten. Een ander kind is door de brandweer uit zijn slaapkamer aan de voorzijde van het huis gered. De ex-partner en haar jongste zoon zijn in een slaapkamer aan de achterzijde van de woning ingesloten geraakt door het vuur. Zij hebben beiden ernstige brandwonden opgelopen en zijn ternauwernood door de brandweer met een ladder uit de woning gered. De moeder en haar vier kinderen hebben zich gevoegd als benadeelde partij. De moeder heeft in hoger beroep haar vordering aan immateriële schade verlaagd naar een bedrag van € 60.000. Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten tweede- en derdegraads brandwonden op negen procent van de lichaamsoppervlakte. Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. De vordering is niet betwist tot een bedrag van € 35.000. Het hof zal de vordering toewijzen tot dat bedrag. Daarnaast voegt ook haar kind die brandwonden heeft opgelopen zich als benadeelde partij. Deze vordering bestaat uit een bedrag van € 60.420 aan immateriële schade. Naar het oordeel van het hof is hier ook komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten brandwonden met een gemengd karakter, variërend van oppervlakkig tot diep, die tien procent van de lichaamsoppervlakte beslaan. Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, als bedoeld in artikel 6:106 BW. De vordering is niet betwist tot een bedrag van € 25.000. Het hof zal de vordering toewijzen tot dat bedrag. De overige drie kinderen hebben vorderingen ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade telkens tot een bedrag van € 10.000. Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partijen als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde op andere wijze in de persoon zijn aangetast als bedoeld artikel 6:106 aanhef en onder b BW. Weliswaar hebben de benadeelde partijen dat niet met concrete gegevens onderbouwd, maar het hof is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschendingen meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelden zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Het hof acht het gevorderde billijk. 19-12-2025
- Gerechtshof Amsterdam Deze zaak gaat om de vraag of Schiphol als exploitant aansprakelijk is voor de schade die een medewerker van een grondafhandelingsbedrijf als gevolg van de zware werkomstandigheden heeft geleden. De medewerker voert in hoger beroep vijftien grieven aan tegen het bestreden vonnis. In essentie bestrijden deze grieven het oordeel van de kantonrechter dat er geen grondslag bestaat voor aansprakelijkheid van de luchthavenmaatschappij jegens de medewerker en lenen zij zich (grotendeels) voor een gezamenlijke behandeling. Het hof stelt net als de kantonrechter bij zijn beoordeling voorop dat de verantwoordelijkheid voor veilige arbeidsomstandigheden en het toezicht daarop primair ligt bij respectievelijk de werkgever en de arbeidsinspectie. Het hof is verder (met de kantonrechter) van oordeel dat op de luchthavenmaatschappij geen juridische verplichting rust om de arbeidsomstandigheden van de medewerker, of naleving van de Arbo-voorschriften voor het bagage- en vrachtpersoneel in het algemeen, actief te controleren of daarop toe te zien. De medewerker bestrijdt ook het oordeel van de kantonrechter dat van het bewust onrechtmatig profiteren van een wanprestatie van de grondafhandelaren door de luchthavenmaatschappij geen sprake is. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een handelen van de luchthavenmaatschappij met een partij (een grondafhandelaar) die door dit handelen een door hem met zijn contractspartij (de medewerker) gesloten overeenkomst schendt. Het is namelijk niet de luchthavenmaatschappij die een overeenkomst aangaat met de grondafhandelaren, maar dat doen de luchtvaartmaatschappijen zelf. Dat deze overeenkomst op het luchthaventerrein wordt uitgevoerd maakt nog niet dat luchthavenmaatschappij, rechtstreeks dan wel via een tussenpersoon, handelt met de grondafhandelaren en van hun wanprestatie profiteert. Daarnaast slaagt de grief tegen de toepassing van artikel 7:658 lid 4 BW ook niet. Dit artikel mist in deze zaak toepassing en naar oordeel van het hof kan dit niet analoog worden toegepast op grond van de redelijkheid en billijkheid. Daarnaast neemt het hof ook geen aansprakelijkheid aan in verband met een gebrekkig wegdek. Tot slot slaagt de grief met betrekking tot wanprestatie niet. De medewerker was werkzaam met een pas van de luchthavenmaatschappij en stelt dat er daarom regels van toepassing waren. Het hof is van oordeel dat de medewerker onvoldoende concreet heeft gesteld welke verbintenissen uit deze regels voortvloeiden en dat de luchthavenmaatschappij hierin tekortgeschoten zou zijn. Alle grieven falen, het hoger beroep faalt. 16-12-2025
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch Het slachtoffer is aangereden door een lijnbus en heeft daardoor hersenletsel opgelopen, waardoor hij niet meer zelfstandig voor zichzelf kan zorgen. Hij wordt op dit moment door zijn ouders, in een mantelzorgwoning gebouwd aan het ouderlijk huis, verzorgd en de overige zorg wordt door andere familie en vrienden verleend. Partijen zijn het niet eens over de omvang van de schade. De partijen hebben aktes ingediend met het oog op de benoeming van een neuroloog ten behoeve van te verrichten neurologisch onderzoek. In deze uitspraak wordt door het hof een aantal beslissingen genomen samenhangend met procesafspraken die tijdens de mondelinge behandeling na aanbrengen in de letselschadezaak zijn gemaakt. Uit de aktes blijkt dat er overeenstemming bestaat over de benoeming van de deskundigen, het hof zal deze als zodanig benoemen. Uit de aktes blijkt ook dat de partijen overeenstemming hebben bereikt over de aan de deskundigen te stellen vragen. Het hof oordeelt dat de zogenoemde IWMD-vraagstelling zal worden gehanteerd. Naar het oordeel van het hof dient aan het oordeel van de deskundigen te worden overgelaten hoe het onderzoek dient te worden ingericht gelet op het doel waarvoor het wordt verricht, waarbij het hof ervan uitgaat dat de deskundigen daarbij eveneens rekening houden met de belangen van het slachtoffer. 26-08-2025
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch In het tussenarrest van 18 maart 2025 heeft het hof overwogen een verkeerskundige te benoemen en de geformuleerde vragen voor te leggen. Hiertegen is bezwaar gemaakt. Het hof komt niet terug op zijn voornemen om een deskundige te benoemen en zal daartoe overgaan. Zoals in het tussenarrest van 14 november 2023 werd overwogen, wenst het hof door een deskundige nader te worden voorgelicht, in het bijzonder ten aanzien van de vraag hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is dat een fietser in een situatie als destijds in de desbetreffende straat in aanraking komt met een biggenrug en daardoor ten val komt en ten aanzien van de vraag naar de redenen voor de keuze voor een weginrichting met biggenruggen aldaar. Het hof benoemt een deskundigen en formuleert de vragen. 05-08-2025
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Het geschil gaat over de afwikkeling van schade van een verkeersongeval dat de man in 2008 is overkomen met zijn auto in Polen. De oplegger van een trekker-opleggercombinatie is op (onder andere) de auto van de man terechtgekomen waardoor hij tegen een andere auto is aangebotst. De man woonde ten tijde van het ongeval in Tsjechië. De WAM-verzekeraar van de bestuurder van de trekker-opleggercombinatie, die het ongeval heeft veroorzaakt, heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. De rechtbank heeft geoordeeld dat zij bevoegd is om van het geschil kennis te nemen en dat het Pools recht van toepassing is op de vorderingen van de man. De rechtbank heeft de vorderingen van de man vervolgens afgewezen omdat de vorderingen naar Pools recht zijn verjaard. De man gaat hiertegen in hoger beroep. Net als de rechtbank oordeelt het hof dat in dit geval een verjaringstermijn van drie jaar geldt vanaf het moment waarop de man bekend was met de aansprakelijke persoon en de schade. De conclusie luidt dat niet is gebleken van eerdere stuitingshandelingen dan de telefonische mededeling van de man aan de verzekeraar op 2 januari 2012 dat hij een claim zal indienen. De vraag of de man de verjaring daarmee heeft gestuit voor het verstrijken van de termijn van drie jaar, hangt af van het aanvangsmoment van de verjaring waarover het hof na uitlating van partijen verder zal oordelen. Het hof stelt vast dat, uitgaande van het door de verzekeraar gestelde aanvangsmoment, in welk geval de stuiting op 2 januari 2012 ongeveer een half jaar na het verstrijken van de verjaringstermijn heeft plaatsgevonden, er sprake is van een geringe overschrijding van de verjaringstermijn. De man heeft het standpunt ingenomen dat het beroep op verjaring van de verzekeraar in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dan wel dat de verzekeraar haar recht heeft verwerkt om een beroep op verjaring te mogen doen. In de door beide partijen overgelegde legal opinions is niet ingegaan op de vraag of er naar Pools recht een wettelijke grondslag is om het beroep op verjaring te passeren. Het hof verzoekt partijen om met legal opinions hun standpunt hierover te onderbouwen en daarbij uitdrukkelijk de geschetste omstandigheden te (laten) betrekken. De zaak wordt verwezen naar de rol voor akte uitlating aan de zijde van de verzekeraar, gevolgd door een antwoordakte aan de zijde van de man. 01-04-2025
Rechtbank
- Rechtbank Midden-Nederland Eiseres en gedaagde zijn als fietsers met elkaar in botsing gekomen. Eiseres is daarbij gevallen en gewond geraakt. Zij vindt dat gedaagde aansprakelijk is voor het ongeval en haar schade moet vergoeden. Omdat partijen daar met elkaar niet uitkwamen is eiseres bij deze rechtbank een deelgeschilprocedure begonnen om duidelijkheid te krijgen over de aansprakelijkheid. De deelgeschilrechter heeft beslist dat gedaagde niet aansprakelijk is voor het ongeval, kort gezegd omdat eiseres geen voorrang had. In deze zaak volgt er een bodemprocedure na het deelgeschil. Eiseres is het niet eens met de uitspraak van 9 april 2025 die deze rechtbank heeft gedaan in de deelgeschilprocedure. Zij wil daarvan in hoger beroep. Gedaagde heeft daar geen bezwaar tegen. De rechtbank geeft in dit vonnis geen toestemming voor het instellen van tussentijds hoger beroep. De rechtbank is van oordeel dat met deze vordering geen ‘procedure ten principale’ is ingesteld zoals bedoeld in artikel 1019cc lid 3 Rv. Gevorderd wordt verlof te verlenen voor het instellen van tussentijds hoger beroep. Dat is geen vordering die normaal gesproken in een bodemprocedure wordt (kan worden) ingesteld. Het verzoek wordt afgewezen. 24-12-2025
- Rechtbank Midden-Nederland Deelgeschil. Er heeft een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een scooterrijder en een automobilist. De scooterrijder heeft daarbij letsel aan zijn duim, been, enkel en voet opgelopen. Volgens de scooterrijder is de automobilist aansprakelijk voor het ongeval. Hij reed met een snelheid van ongeveer 15 km per uur rechtdoor op zijn scooter en was voornemens om linksaf het fietspad op te rijden. Voordat hij dit kon doen belandde de automobilist – die vanuit de scooterrijder gezien van rechts kwam – met haar auto op zijn weghelft doordat zij de bocht naar links afsneed. Volgens de automobilist zag de scooterrijder haar niet en is de scooterrijder daarom, met hoge snelheid, tegen haar auto aangereden. De verzekeraar van de automobilist heeft de aansprakelijkheid afgewezen. De rechtbank stelt vast dat niet is aangetoond dat de automobilist tijdens het nemen van de bocht op de weghelft van de scooterrijder terecht is gekomen. Er was volgens de rechtbank voldoende ruimte voor de scooterrijder om de automobilist te laten passeren en vervolgens zijn eigen weg te vervolgen. Daarnaast acht de rechtbank het scenario dat de scooterrijder te hard heeft gereden en daarom de automobilist niet heeft gezien aannemelijk. Indien de scooterrijder– zoals hij op het aanrijdingsformulier en ter zitting heeft verklaard – maximaal 15 km per uur reed, dan had hij er ongeveer 10 seconden over gedaan om de plek van de aanrijding te bereiken. De rechtbank overweegt dat de automobilist de bocht in dat scenario dan al ruim door zou zijn voordat de scooterrijder daar aan zou zijn gekomen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat hij een stuk harder moet hebben gereden dan 15 km per uur. De rechtbank wijst het verzoek van de scooterrijder af en neemt geen aansprakelijkheid van de automobilist aan. 24-12-2025
- Rechtbank Overijssel Een werknemer is in 2018 een bedrijfsongeval overkomen. De werkgever heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. In deze procedure vordert de werknemer vergoeding van zijn schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van het ongeval. De werknemer stelt dat hij door het bedrijfsongeval niet meer kan werken. Hij ontvangt een WIA-uitkering en stelt dat de werkgever aansprakelijk is voor het verlies aan verdienvermogen. Daarnaast stelt hij dat hij intensief verzorgd moet worden door familie en daarvoor kosten moet maken. De kantonrechter wijst de vordering af. De kantonrechter overweegt dat de vraag of de na het ongeval opgetreden medische klachten het gevolg zijn van het ongeval alleen kan worden beantwoord na onderzoek door een of meer medische deskundigen. In het licht van het gemotiveerde verweer van de werkgever had het op de weg gelegen van de man om zijn stellingen gemotiveerd te onderbouwen. Dit heeft hij onvoldoende gedaan. De werknemer was als sinds het medisch advies van 21 mei 2021 op de hoogte van de vragen die de werkgever had over de oorzaak van de medische klachten. Tot op heden heeft hij nagelaten de gevraagde informatie te overleggen, terwijl hij daartoe ruimschoots de gelegenheid heeft gehad. Dat betekent dat hij niet zal worden toegelaten om de gevraagde stukken alsnog te overleggen. Nu de gevraagde stukken ontbreken kan niet worden beoordeeld of de gestelde medische klachten zijn veroorzaakt door het ongeval. Een causaal verband tussen de gestelde schade en het ongeval komt daarom niet vast te staan. 23-12-2025
- Rechtbank Noord-Holland Strafrecht. Op 12 februari 2024 omstreeks 20.04 uur ontving de politie een melding dat bij het treinstation Purmerend een schietpartij had plaatsgevonden. De politie is ter plaatse gegaan en trof net voorbij de spoortunnel op het trottoir twee ernstig gewonde personen aan. Het eerste slachtoffer had een schotwond in de linkerzij en geen ademhaling meer. Na vergeefse pogingen tot levensreddend handelen overleed hij diezelfde avond in het ziekenhuis. Het tweede slachtoffer werd met een schotwond en twee steekverwondingen in kritieke toestand naar het ziekenhuis gebracht. Dankzij medisch ingrijpen heeft hij het overleefd. De nabestaanden van het overleden slachtoffer (de moeder, de vader, de zus, het zusje en het broertje) hebben zich gevoegd als benadeelde partij in het strafproces. De moeder vordert € 20.000 aan affectieschade en € 20.000 aan shockschade. De gevorderde affectieschade wordt toegewezen maar de shockschade wordt afgewezen. De vader van het slachtoffer vordert dezelfde bedragen en de rechtbank oordeelt hetzelfde omtrent de affectieschade en de shockschade. De zus van het slachtoffer vordert € 20.000 aan shockschade en € 2.000 aan toekomstige (medische) kosten. Door de zus is echter onvoldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van een confrontatie waarbij zij direct geconfronteerd werd met de (gevolgen van de) onrechtmatige daad en er is onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van geestelijk letsel, dus de shockschade wordt afgewezen. Om deze reden worden ook de toekomstige medische kosten afgewezen. Over de vorderingen van het broertje en het zusje van het slachtoffer oordeelt de rechtbank dat deze op dit moment onvoldoende onderbouwd zijn en daarom worden zij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Naast de nabestaanden heeft het tweede slachtoffer zich ook gevoegd als benadeelde partij. Naast de materiële schade vordert het slachtoffer € 50.000 aan immateriële schade. Het slachtoffer is levensgevaarlijk gewond geraakt en heeft door het incident lichamelijk maar ook geestelijk letsel in de vorm van PTSS opgelopen. De rechtbank acht het gevorderde bedrag billijk. 19-12-2025
- Rechtbank Noord-Holland Strafrecht. Op 12 februari 2024 omstreeks 20.04 uur ontving de politie een melding dat bij het treinstation Purmerend een schietpartij had plaatsgevonden. De politie is ter plaatse gegaan en trof net voorbij de spoortunnel op het trottoir twee ernstig gewonde personen aan. Het eerste slachtoffer had een schotwond in de linkerzij en geen ademhaling meer. Na vergeefse pogingen tot levensreddend handelen overleed hij diezelfde avond in het ziekenhuis. Het tweede slachtoffer werd met een schotwond en twee steekverwondingen in kritieke toestand naar het ziekenhuis gebracht. Dankzij medisch ingrijpen heeft hij het overleefd. De nabestaanden van het overleden slachtoffer (de moeder, de vader, de zus, het zusje en het broertje) hebben zich gevoegd als benadeelde partij in het strafproces. De moeder vordert € 20.000 aan affectieschade en € 20.000 aan shockschade. De gevorderde affectieschade wordt toegewezen maar de shockschade wordt afgewezen. De vader van het slachtoffer vordert dezelfde bedragen en de rechtbank oordeelt hetzelfde omtrent de affectieschade en de shockschade. De zus van het slachtoffer vordert € 20.000 aan shockschade en € 2.000 aan toekomstige (medische) kosten. Door de zus is echter onvoldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van een confrontatie waarbij zij direct geconfronteerd werd met de (gevolgen van de) onrechtmatige daad en er is onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van geestelijk letsel, dus de shockschade wordt afgewezen. Om deze reden worden ook de toekomstige medische kosten afgewezen. Over de vorderingen van het broertje en het zusje van het slachtoffer oordeelt de rechtbank dat deze op dit moment onvoldoende onderbouwd zijn en daarom worden zij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Naast de nabestaanden heeft het tweede slachtoffer zich ook gevoegd als benadeelde partij. Naast de materiële schade vordert het slachtoffer € 50.000 aan immateriële schade. Het slachtoffer is levensgevaarlijk gewond geraakt en heeft door het incident lichamelijk maar ook geestelijk letsel in de vorm van PTSS opgelopen. De rechtbank acht het gevorderde bedrag billijk. 19-12-2025
- Rechtbank Noord-Holland Strafrecht. Op 12 februari 2024 omstreeks 20.04 uur ontving de politie een melding dat bij het treinstation Purmerend een schietpartij had plaatsgevonden. De politie is ter plaatse gegaan en trof net voorbij de spoortunnel op het trottoir twee ernstig gewonde personen aan. Het eerste slachtoffer had een schotwond in de linkerzij en geen ademhaling meer. Na vergeefse pogingen tot levensreddend handelen overleed hij diezelfde avond in het ziekenhuis. Het tweede slachtoffer werd met een schotwond en twee steekverwondingen in kritieke toestand naar het ziekenhuis gebracht. Dankzij medisch ingrijpen heeft hij het overleefd. De nabestaanden van het overleden slachtoffer (de moeder, de vader, de zus, het zusje en het broertje) hebben zich gevoegd als benadeelde partij in het strafproces. De moeder vordert € 20.000 aan affectieschade en € 20.000 aan shockschade. De gevorderde affectieschade wordt toegewezen maar de shockschade wordt afgewezen. De vader van het slachtoffer vordert dezelfde bedragen en de rechtbank oordeelt hetzelfde omtrent de affectieschade en de shockschade. De zus van het slachtoffer vordert € 20.000 aan shockschade en € 2.000 aan toekomstige (medische) kosten. Door de zus is echter onvoldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van een confrontatie waarbij zij direct geconfronteerd werd met de (gevolgen van de) onrechtmatige daad en er is onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van geestelijk letsel, dus de shockschade wordt afgewezen. Om deze reden worden ook de toekomstige medische kosten afgewezen. Over de vorderingen van het broertje en het zusje van het slachtoffer oordeelt de rechtbank dat deze op dit moment onvoldoende onderbouwd zijn en daarom worden zij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Naast de nabestaanden heeft het tweede slachtoffer zich ook gevoegd als benadeelde partij. Naast de materiële schade vordert het slachtoffer € 50.000 aan immateriële schade. Het slachtoffer is levensgevaarlijk gewond geraakt en heeft door het incident lichamelijk maar ook geestelijk letsel in de vorm van PTSS opgelopen. De rechtbank acht het gevorderde bedrag billijk. 19-12-2025
- Rechtbank Noord-Holland Strafrecht. Op 12 februari 2024 omstreeks 20.04 uur ontving de politie een melding dat bij het treinstation Purmerend een schietpartij had plaatsgevonden. De politie is ter plaatse gegaan en trof net voorbij de spoortunnel op het trottoir twee ernstig gewonde personen aan. Het eerste slachtoffer had een schotwond in de linkerzij en geen ademhaling meer. Na vergeefse pogingen tot levensreddend handelen overleed hij diezelfde avond in het ziekenhuis. Het tweede slachtoffer werd met een schotwond en twee steekverwondingen in kritieke toestand naar het ziekenhuis gebracht. Dankzij medisch ingrijpen heeft hij het overleefd. De nabestaanden van het overleden slachtoffer (de moeder, de vader, de zus, het zusje en het broertje) hebben zich gevoegd als benadeelde partij in het strafproces. De moeder vordert € 20.000 aan affectieschade en € 20.000 aan shockschade. De gevorderde affectieschade wordt toegewezen maar de shockschade wordt afgewezen. De vader van het slachtoffer vordert dezelfde bedragen en de rechtbank oordeelt hetzelfde omtrent de affectieschade en de shockschade. De zus van het slachtoffer vordert € 20.000 aan shockschade en € 2.000 aan toekomstige (medische) kosten. Door de zus is echter onvoldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van een confrontatie waarbij zij direct geconfronteerd werd met de (gevolgen van de) onrechtmatige daad en er is onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van geestelijk letsel, dus de shockschade wordt afgewezen. Om deze reden worden ook de toekomstige medische kosten afgewezen. Over de vorderingen van het broertje en het zusje van het slachtoffer oordeelt de rechtbank dat deze op dit moment onvoldoende onderbouwd zijn en daarom worden zij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Naast de nabestaanden heeft het tweede slachtoffer zich ook gevoegd als benadeelde partij. Naast de materiële schade vordert het slachtoffer € 50.000 aan immateriële schade. Het slachtoffer is levensgevaarlijk gewond geraakt en heeft door het incident lichamelijk maar ook geestelijk letsel in de vorm van PTSS opgelopen. De rechtbank acht het gevorderde bedrag billijk. 19-12-2025
- Rechtbank Den Haag Kort geding. In augustus 2019 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een motorfiets en een personenauto. De motorrijder heeft als gevolg van de aanrijding letsel aan zijn rechterarm opgelopen. Hij is meer dan twintig keer geopereerd, maar zijn rechterarm/hand functioneert tot op heden niet volledig. Voor het ongeval was hij APK-keurmeester en eigenaar van een garage. Sinds 3 augustus 2015 had hij een eenmanszaak. Hij handelde in tweedehands (schade)voertuigen, waarbij zijn verdienmodel erop was gericht om schadevoertuigen in te kopen om die na reparatie (die hij zelf uitvoerde) met winst te verkopen. Na het ongeval heeft hij niet meer voor zijn eigen onderneming kunnen werken. In november 2019 is de onderneming opgeheven. De man heeft de WAM-verzekeraar van de personenauto aansprakelijk gesteld voor de geleden en nog te lijden schade. In 2023 heeft de rechtbank een beschikking gewezen in de deelgeschilprocedure. Hierin is geoordeeld dat de motorrijder voor 75% aansprakelijk is voor het ongeval en dat de WAM-verzekeraar op haar beurt 25% aansprakelijk is voor het ongeval. Na de beschikking hebben partijen geprobeerd om de kwestie in der minne te regelen. In februari 2024 is door de WAM-verzekeraar een voorschot van € 10.000 aan de motorrijder ter beschikking gesteld. Er is daarna nog gecorrespondeerd over aanvullende voorschotten, een huisbezoek en een minnelijke regeling. Een nader voorschot en/of een toezegging over het betalen van het volledige bedrag voor een nadere expertise van de WAM-verzekeraar bleven uit, waardoor de motorrijder een kort geding is gestart. Voor de zitting heeft de WAM-verzekeraar vervolgens alsnog een voorschot van € 20.000 aan de motorrijder toegekend. In de periode daarna hebben partijen wederom getracht een schikking te bereiken en is ook een concreet voorstel besproken, maar de WAM-verzekeraar is uiteindelijk niet akkoord gegaan. De motorrijder heeft een bodemprocedure tegen de WAM-verzekeraar aanhangig gemaakt. Daarin heeft hij onder andere gevorderd dat aan hem verlof wordt verleend om in hoger beroep te gaan tegen de deelgeschilbeschikking. Dit is toegestaan en de bodemprocedure in afwachting daarvan is verwezen naar de parkeerrol. In de tussentijd heeft de motorrijder bij verzoekschrift aan de rechtbank Den Haag verzocht om een voorlopig deskundigenbericht te gelasten. In die zaak vond in december 2025 een mondelinge behandeling plaats. Verder is de motorrijder dit kort geding gestart waarin hij een aanvullend voorschot vordert. Om de zaak uit de impasse waarin deze zich bevindt te halen, zal de voorzieningenrechter een voorschot van € 20.000 aan de motorrijder toewijzen waarbij de motorrijder geacht wordt vooralsnog (minimaal) € 10.000 beschikbaar te houden om zo nodig bij te dragen aan de kosten van een nadere (medische) expertise, waar hij in de verzoekschriftprocedure bij deze rechtbank zelf ook om verzoekt, om zijn schade nader in kaart te brengen en ter bevordering van afwikkeling van de letselschadezaak. De voorzieningenrechter kan dit uiteraard niet bindend aan de motorrijder opleggen maar geeft het mee als een klemmend advies teneinde eraan bij te dragen dat de schaderegeling nu op afzienbare termijn gestalte kan krijgen. De voorzieningenrechter acht, op basis van het vooralsnog geldende uitgangspunt dat de WAM-verzekeraar voor 25% aansprakelijk is, in dit kader voldoende aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel komt dat de totale schade meer beloopt dan het straks in totaal door de WAM-verzekeraar betaalde bedrag aan voorschotten. Het door de WAM-verzekeraar aangevoerde restitutierisico acht de voorzieningenrechter – bij deze stand van zaken – dan ook verwaarloosbaar. 19-12-2025
- Rechtbank Oost-Brabant Deelgeschil. De man is, rijdend op zijn bromfiets, aangereden door een auto. Hij heeft daarbij letsel opgelopen. De verzekeraar heeft de aansprakelijkheid erkend. De rechtbank oordeelt dat het verzoek zich leent voor een deelgeschil, ook al is het vrij uitgebreid. Daarnaast oordeelt de rechtbank ook dat ondanks dat de verzekeraar voorafgaand aan het deelgeschil een aantal toezeggingen heeft gedaan, het verzoek grotendeels niet prematuur is. De rechtbank gaat uitgebreid in op de verzoeken die zien op het verlies van verdienvermogen. De man verzoekt de rechtbank dat de verzekeraar in redelijkheid niet mag verlangen dat de man als werkvoorbereider (welk werk hij niet leuk vindt en zonder ongeval ook niet zou hebben verricht) inkomen genereert om verlies van arbeidsvermogen te voorkomen en verzoekt ook dat, nu hij gestart is als ondernemer, niet mag worden verwacht dat hij zich laat omscholen naar werk in een andere functie of branche, teneinde zijn verlies arbeidsvermogen te beperken. De rechtbank neemt in dit deelgeschil beslissing over diverse facetten van het verlies van verdienvermogen (de omvang schadebeperkingsplicht, recht op begeleiding, bevoorschotting) en over de buitengerechtelijke kosten (o.a. kosten voor voorbereiding verzoekschriftprocedures die niet zijn doorgegaan). De rechtbank oordeelt dat van de man in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij inkomen genereert als werkvoorbereider, ook niet als hij daartoe wel in staat zou zijn. De rechtbank acht hierbij van belang dat de keuze van de man om de (vervolg)opleiding tot werkvoorbereider te gaan doen geen volledig vrije keuze was, maar hem min of meer is opgedrongen door de omstandigheid dat het ongeval hem is overkomen. Zijn recht op zelfbeschikking dient hier te prevaleren boven zijn schadebeperkingsplicht. Het recht van de man om zelf zijn carrière te kiezen gaat naar het oordeel van de rechtbank niet zover dat van hem, ook als hij als zelfstandig ondernemer niet in zijn inkomen kan voorzien, niet kan worden verwacht dat hij zich op enig moment laat omscholen naar werk in een andere functie of een andere branche. De rechtbank wijst een voorschot op het verlies van verdienvermogen toe, evenals een voorschot op de buitengerechtelijke kosten. Een verzoek tot het toewijzen van een voorschot op het smartengeld wordt afgewezen. Dit verzoek is te prematuur omdat niet is gebleken dat partijen voorafgaand aan de deelgeschillenprocedure contact hebben gehad over het smartengeld. 18-12-2025
- Rechtbank Rotterdam Een moeder, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, heeft samen met haar broer (voormalige toeslagpartner) en haar dochter de Staat aansprakelijk gesteld voor de schade die zij zouden hebben geleden. De moeder heeft al op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen een forfaitaire compensatie toegekend gekregen van € 55.319. Bij brief heeft de Staat aansprakelijkheid erkend voor de besluiten met betrekking tot de jaren waarvoor door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) compensatie is toegekend in de integrale beoordeling. Aansprakelijkheid jegens het kind wordt nog betwist. De moeder, broer en dochter stellen dat zij als gevolg van de kinderopvangtoeslagaffaire schade hebben geleden die hoger is dan de compensatie die zij toegekend hebben gekregen. Die schade willen zij verhalen op de Staat. Om vast te stellen hoe hoog die schade is, verzoeken zij om een voorlopig deskundigenbericht te bevelen en daarbij een psychiater en een arbeidsdeskundige te benoemen, met als opdracht de in het verzoekschrift opgenomen vragen te beantwoorden en te bepalen dat de Staat de kosten van de onderzoeken moet betalen. De Staat heeft geen verweer gevoerd tegen het psychiatrisch onderzoek. De rechtbank wijst een psychiatrisch onderzoek toe. Gelet op de vaststaande aansprakelijkheid jegens de moeder en hetgeen is toegelicht over de samenhang van de verzoeken ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat het voorschot op de kosten van het onderzoek door de Staat dient te worden betaald. Met voornoemde kanttekening heeft de Staat echter wel terecht gewezen op het risico voor verzoekers dat een deel van deze (aanzienlijke) kosten later alsnog voor hun rekening kan komen. De beslissing op het verzoek een onderzoek door een arbeidsdeskundige te gelasten wordt aangehouden. De bevindingen van de psychiater kunnen namelijk relevant zijn bij de beoordeling van de vraag of onderzoek door een arbeidsdeskundige doelmatig is. Nadat de psychiater zijn onderzoek heeft afgerond en partijen zijn rapport hebben ontvangen, mogen zij zich hierover uitlaten. 18-12-2025
- Rechtbank Rotterdam Een moeder, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, heeft op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen een forfaitaire compensatie toegekend gekregen van € 93.891. De vrouw stelt dat zij en haar kinderen als gevolg van de kinderopvangtoeslagaffaire schade hebben geleden die hoger is dan de compensatie die zij toegekend heeft gekregen. Die schade willen zij verhalen op de Staat. Om vast te stellen hoe hoog die schade is, verzoeken zij om een voorlopig deskundigenbericht te bevelen en daarbij een psychiater en een arbeidsdeskundige te benoemen, met als opdracht de in het verzoekschrift opgenomen vragen te beantwoorden en te bepalen dat de Staat de kosten van de onderzoeken moet betalen. De Staat erkent aansprakelijkheid voor de besluiten met betrekking tot de jaren waarvoor door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) compensatie is toegekend maar betwist de aansprakelijkheid jegens de kinderen. De Staat heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek een psychiater te benoemen voor het verrichten van een onderzoek. De rechtbank beveelt een psychiatrisch onderzoek. Gelet op de vaststaande aansprakelijkheid jegens de moeder en hetgeen is toegelicht over de samenhang van de verzoeken van de moeder en de kinderen ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat het voorschot op de kosten van het onderzoek door de Staat dient te worden betaald. Met voornoemde kanttekening heeft de Staat echter wel terecht gewezen op het risico voor verzoekers dat een deel van deze (aanzienlijke) kosten later alsnog voor hun rekening kan komen. De beslissing op het verzoek een onderzoek door een arbeidsdeskundige te gelasten wordt aangehouden. De bevindingen van de psychiater kunnen namelijk relevant zijn bij de beoordeling van de vraag of onderzoek door een arbeidsdeskundige doelmatig is. Nadat de psychiater zijn onderzoek heeft afgerond en partijen zijn rapport hebben ontvangen, mogen zij zich hierover uitlaten. 18-12-2025
- Rechtbank Rotterdam Een stel ouders zijn gedupeerden van de kinderopvangtoeslagaffaire. Bij vonnis heeft de rechtbank eerder voor recht verklaard dat de Staat jegens de ouders aansprakelijk is voor het onrechtmatig handelen met betrekking tot de toeslagjaren 2009, 2010 en 2011, bestaande uit het op nihil stellen van het recht op kinderopvangtoeslag, het terugvorderen van uitbetaalde voorschotten en de op grond daarvan genomen invorderingsmaatregelen. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen hebben de ouders een forfaitaire compensatie toegekend gekregen van € 113.076. In 2024 heeft de advocaat van de ouders de Staat ook namens de kinderen van de ouders aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden schade als gevolg van door de Staat genomen besluiten. De ouders stellen zich op het standpunt dat zij en hun kinderen als gevolg van de kinderopvangtoeslagaffaire schade hebben geleden die hoger is dan de compensatie die zij toegekend hebben gekregen. Die schade willen zij verhalen op de Staat. Om vast te stellen hoe hoog die schade is, verzoeken zij om een voorlopig deskundigenbericht te bevelen en daarbij een psychiater en een arbeidsdeskundige te benoemen, met als opdracht de in het verzoekschrift opgenomen vragen te beantwoorden en te bepalen dat de Staat de kosten van de onderzoeken moet betalen. De Staat heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek een psychiater te benoemen voor het verrichten van een onderzoek. De rechtbank beveelt een psychiatrisch onderzoek. Gelet op de vaststaande aansprakelijkheid jegens de ouders en hetgeen is toegelicht over de samenhang van de verzoeken van de ouders en de kinderen ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat het voorschot op de kosten van het onderzoek door de Staat dient te worden betaald. Met voornoemde kanttekening heeft de Staat echter wel terecht gewezen op het risico voor verzoekers dat een deel van deze (aanzienlijke) kosten later alsnog voor hun rekening kan komen. De beslissing op het verzoek een onderzoek door een arbeidsdeskundige te gelasten wordt aangehouden. De bevindingen van de psychiater kunnen namelijk relevant zijn bij de beoordeling van de vraag of onderzoek door een arbeidsdeskundige doelmatig is. Nadat de psychiater zijn onderzoek heeft afgerond en partijen zijn rapport hebben ontvangen, mogen zij zich hierover uitlaten. 18-12-2025
- Rechtbank Rotterdam Een 7-jarige zoon heeft in 2014 op jonge leeftijd ernstige brandwonden opgelopen door een ongeval met een barbecue. Zijn vader heeft namens hem geprobeerd de schade vergoed te krijgen onder de aansprakelijkheidsverzekering van de vader. Dat is niet gelukt, omdat de rechter heeft geoordeeld dat de door de vader afgelegde verklaringen onvoldoende betrouwbaar zijn om te kunnen concluderen dat hij op onrechtmatige wijze de schade van zijn zoon heeft veroorzaakt. In deze procedure stelt de curator van het zoontje dat de vader door het afleggen van tegenstrijdige en onware verklaringen (wederom) onrechtmatig heeft gehandeld, voor welke onrechtmatige daad de APV-verzekeraar van de vader dekking moet verlenen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het zoontje voldoende belang bij toewijzing van zijn vordering in het geval zijn vordering op de APV-verzekeraar niet toewijsbaar is (vergelijk artikel 3:303 BW). Maar de rechtbank oordeelt dat het zoontje geen betaling van de APV-verzekeraar kan vorderen omdat er niet is voldaan aan de vereisten van de directe actie. De geleden schade bestaan namelijk niet uit dood of letsel maar uit vermogensschade, namelijk de verzekeringsuitkering die het zoontje zou hebben ontvangen als zijn vader die tegenstrijdige en deels onware verklaringen niet zou hebben afgelegd. Het zoontje moet het hebben van een vordering op zijn vader, die vervolgens kan proberen de vordering op grond van de verzekering af te wentelen op de APV-verzekeraar. De rechtbank volgt de APV-verzekeraar in zijn betwisting dat vermogensschade niet onder de dekking valt. Het zoontje doet een beroep op het arrest De Onderlinge/NN van de Hoge Raad. Maar naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de functie van een APV-verzekeraar in het maatschappelijk verkeer meebrengt dat een verzekerde (de vader) redelijkerwijs heeft mogen verwachten dat de verzekering dekking zou bieden voor vermogensschade die het gevolg is van zijn eigen onrechtmatig handelen waarmee hij dekking onder diezelfde verzekering voor letselschade heeft gedwarsboomd. De curator beroept zich ook op de bijzondere positie van jonge kinderen in het aansprakelijkheidsrecht. Echter, de rechtbank oordeelt dat het zoontje de dupe is van het onrechtmatig handelen maar dat dit zich niet laat oplossen via de band van het verzekeringsrecht. Tot slot oordeelt de rechtbank dat het causale verband tussen het onrechtmatig handelen van de vader en de schade niet is komen vast te staan. Uit een eerdere procedure volgt dat er meerdere scenario’s denkbaar zijn waardoor de APV-verzekeraar niet verplicht is om over te gaan tot uitkering. De rechtbank concludeert dat de vader aansprakelijk is voor de schade die het zoontje heeft geleden en mogelijk nog lijdt als gevolg van het afleggen van wisselende en tegenstrijdige verklaringen over de toedracht van het incident op 14 juni 2014. 17-12-2025
- Rechtbank Gelderland De zoon heeft samen met zijn vader en zijn oom de woning van zijn oma ontruimd. Voor het verwijderen van het tapijt heeft de vader bij een professionele partij een tapijtstripper gehuurd. De oom hield zich bezig met de tapijtstripper en heeft deze gekanteld op de grond gezet, bij het monteren is de kunststof mesbeschermer doorgesneden en heeft de oom zich gesneden. De zoon is toen naar de oom toe gelopen en heeft zich daarbij in zijn rechterkuit gesneden aan het mes van de tapijtstripper. Zowel de pezen als de spieren en de zenuwen waren doorgesneden. De zoon vordert voor recht dat de oom primair aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad en subsidiair dat de oom (althans diens verzekeraar) de schade uit hoofde van zaakwaarneming moet vergoeden. Volgens de zoon heeft de oom gevaarzettend gehandeld door geen veiligheidshandschoenen te dragen omdat hij de tapijtstripper met het mes naar boven had geplaatst. De oom is volgens de zoon gehouden de schade te vergoeden uit hoofde van zaakwaarneming omdat hij zich aan de tapijtstripper heeft gesneden toen hij handdoeken wilde halen om de bloeding bij de oom, die zich ook gesneden had, te stelpen. De verhuurder is volgens de zoon aansprakelijk omdat deze een tapijtstripper heeft verhuurd zonder handleiding en bijbehorende beschermingsmiddelen. De rechtbank oordeelt dat de oom niet aansprakelijk is. Er is sprake van een ongelukkige samenloop van omstandigheden; de oom heeft niet onrechtmatig gehandeld. Aan de voorwaarden voor zaakwaarneming is bovendien niet voldaan. De rechtbank oordeelt dat de verhuurder van de tapijtstripper wel aansprakelijk is doordat deze niet heeft voldoende heeft gewaarschuwd voor de gevaren. Zo heeft de verhuurder niet gewezen op de op haar website geplaatste instructievideo. De door haar wel verstrekte schriftelijke veiligheidsinstructie was niet volledig en bevatte geen verwijzing naar de instructievideo. Tevens heeft de verhuurder alleen een smalle kunststof mesbeschermer meegeleverd en niet een lederen mesbeschermer die zichtbaar is op de instructievideo. Het beroep op het ontbreken van relativiteit en eigen schuld wijst de rechtbank af. De verhuurder is aansprakelijk. 17-12-2025
- Rechtbank Midden-Nederland Tijdens een bedrijfsuitje van zijn werkgever, waarbij met een elektrische step een toer werd gemaakt, is de werknemer gevallen. Hij heeft daar blijvend letsel aan overgehouden. De werknemer heeft de werkgever aansprakelijk gesteld voor de gevolgen die het ongeval voor hem hebben. De werkgever en haar bedrijfsaansprakelijkheidsverzekeraar hebben geen aansprakelijkheid erkend. Om duidelijkheid te krijgen over de aansprakelijkheid van zijn werkgever is de werknemer bij deze rechtbank een deelgeschilprocedure gestart. De deelgeschilrechter heeft geoordeeld dat het bedrijfsuitje onder de reikwijdte van artikel 7:658 BW valt omdat het uitje in voldoende nauw verband stond met de werkzaamheden. Vervolgens heeft de deelgeschilrechter geoordeeld dat de werkgever niet aan haar zorgplicht uit dat artikel heeft voldaan, waarna is beslist dat zij aansprakelijk is voor (de gevolgen van) het ongeluk van de werknemer. De werkgever is het niet eens met deze uitspraak en wenst daarvan in hoger beroep te gaan. De werkgever verzoekt verlof tussentijds hoger beroep. Wel wil de werknemer, als het verlof wordt verleend, zelf ook (incidenteel) hoger beroep instellen over de kosten van het deelgeschil. De kantonrechter staat hoger beroep tegen de deelgeschilbeschikking toe. 17-12-2025
- Rechtbank Gelderland Verzoek van de vrouw tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht. Het verzoek betreft de vraag om psychiatrisch en arbeidsdeskundig onderzoek te doen naar de gevolgen van de toeslagenaffaire. Het feit dat er ook een bestuursrechtelijk traject loopt is op zichzelf geen reden voor afwijzing van dit verzoek. Het verzoek wordt toegewezen. Ter zitting is besproken dat, ter voorkoming van onnodige kosten en tijdrovende onderzoeken, het arbeidsdeskundig onderzoek alleen aan de orde is als het psychiatrisch onderzoek daartoe aanleiding geeft. Mede gelet op het bestuursrechtelijke traject komt het voorschot op de kosten voor het deskundigenbericht conform de hoofdregel voor rekening van de vrouw. 11-12-2025
- Rechtbank Den Haag In 2023 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden als gevolg waarvan een man is overleden. De dochter van de overleden man heeft een aansprakelijkstelling gezonden aan de verzekeraars van de bij het verkeersongeval betrokken twee voertuigen. De regelende verzekeraar heeft laten weten dat zij bereid is om de affectieschade aan de nabestaanden te betalen. Hierbij heeft de regelende verzekeraar verzocht om de complete bankgegevens en een kopie van de bankpassen van de rekeningen van de nabestaanden. Het schadebureau heeft laten weten dat de regelende verzekeraar conform de Gedragscode de uitkeringen kan overboeken naar de derdenrekening van het schadebureau. Het schadebureau vordert nu op grond van artikel 7:954 lid 1 BW betaling door de verzekeraar. De verzekeraar heeft erkend dat de dochter aanspraak heeft op een vergoeding wegens affectieschade van € 15.000. De dochter heeft haar aanspraak gecedeerd aan het schadebureau. De verzekeraar voert aan dat zij het bedrag niet wil betalen aan het schadebureau omdat zij zich afvraagt of het bedrag dan ook echt bij de dochter terechtkomt. Zij wijst erop dat zij het recht van de dochter al geruime tijd geleden (al voor de ontvangst van de akte van cessie) heeft erkend. Als de verzekeraar de door haar gevraagde gegevens omtrent de bankrekening van de dochter had ontvangen, dan had zij de vergoeding al aan de dochter betaald. Omdat de verzekeraar steeds heeft willen betalen, is er geen goede reden voor de cessie. De verzekeraar heeft ook twijfels over de akte van cessie; zij wijst erop dat deze geen titel of koopprijs bevat en dat de handtekening van de dochter op die akte er anders uitziet dan haar handtekening op haar identiteitsbewijs. Ook vraagt het schadebureau de verzekeraar te betalen op een rekening die geen derdengeldenrekening is. De kantonrechter overweegt dat het schadebureau voldoende heeft onderbouwd dat de dochter haar rechten aan het bureau heeft gecedeerd. De overige door de verzekeraar genoemde omstandigheden, kunnen wellicht leiden tot vragen over nut en noodzaak van deze cessie maar staan er niet aan in de weg dat sprake is van een rechtsgeldige akte van cessie en is voldaan aan het eerste vereiste van artikel 3:94 BW. Met de door het bureau voorafgaand aan de mondelinge behandeling in het geding gebrachte stukken is vast komen te staan dat aan beide vereisten van artikel 3:94 BW is voldaan (akte van cessie en mededeling) en er een rechtsgeldige overdracht van de vordering van dochter op de verzekeraar heeft plaatsgevonden aan het schadebureau. Het gevolg daarvan is dat de verzekeraar aan het schadebureau een bedrag van € 15.000 dient te betalen zijnde de aan de dochter toekomende vergoeding wegens affectieschade. 11-12-2025
- Rechtbank Gelderland Deze zaak gaat over de vraag welke schade de man heeft geleden als gevolg van een medische fout van het ziekenhuis. In 2006 heeft de man zich met een mes gesneden in de tweede en derde vinger van zijn linkerhand. Bij de behandeling op de spoedeisende hulp van het ziekenhuis is diep buigpeesletsel aan deze vingers over het hoofd gezien. Het ziekenhuis heeft aansprakelijkheid voor deze medische fout erkend en de verzekeraar van het ziekenhuis heeft een bedrag van in totaal € 20.000 aan de man uitgekeerd. Volgens de man is daarmee niet zijn volledige schade vergoed. Hij stelt zich op het standpunt dat hij door het medisch onzorgvuldig handelen van het ziekenhuis zodanige fysieke beperkingen heeft dat hij geen betaalde baan heeft kunnen krijgen. Daarnaast stelt de man zich op het standpunt dat hij psychische klachten heeft opgelopen als gevolg van de moeizame schadeafwikkeling. Volgens de man belemmeren ook deze klachten hem in zijn herstel en het bekleden van een betaalde functie. Hij vordert kort gezegd dat de rechtbank voor recht verklaart dat een causaal verband bestaat tussen de medische fout van het ziekenhuis en de schade. De rechtbank oordeelt dat niet is komen vast te staan dat door de medische fout de man geen werkzaamheden kan verrichten. De reden waarom de man niet kan werken is volgens de rechtbank gebaseerd op andere omstandigheden die losstaan van de medische fout. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat de psychische klachten ontstaan zijn door de medische fout. Tot slot oordeelt de rechtbank ook dat er geen sprake is van secundaire victimisatie. De vorderingen van de man worden afgewezen. 10-12-2025
- Rechtbank Gelderland Op een gelijkwaardige kruising zijn de automobilist en de bromfietser met elkaar in botsing gekomen. De bromfietser kwam voor de automobilist van rechts. De bromfietser had daar echter niet in die richting mogen rijden op zijn bromfiets. De straat is een eenrichtingsweg. Daarop mag niet in zuidelijke richting worden gereden, behalve door fietsers. De automobilist heeft pijnklachten in de nek aan het ongeval overgehouden. De WAM-verzekeraar van de bromfietser heeft aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. Buiten rechte hebben partijen onderhandeld over de vraag of de automobilist eigen schuld heeft aan het ontstaan van het ongeval. Daarover kon geen overeenstemming worden bereikt, de automobilist eist daarom in deze zaak volledige aansprakelijkheid aan de kant van de bromfietser. Van de uitzonderingen uit artikel 15 lid 2 RVV 1990 is in deze zaak geen sprake. Omdat de bromfietser van rechts kwam had de automobilist hem de ruimte moeten laten om voorlangs te rijden. Uit de bewegende beelden van de aanrijding volgt dat de automobilist dat niet heeft gedaan. Hij is te ver de kruising opgereden. Dat de bromfietser niet uit die richting mocht komen doet er niet aan af dat de automobilist hem voorrang had moeten verlenen. Dit volgt uit het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 19 mei 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1384, waarin eigen schuld werd aangenomen van een bestuurder die geen voorrang verleende aan een bestelbus die in de verboden rijrichting reed. De schade van de automobilist is het gevolg van drie verkeersfouten, waarvan er twee aan de bromfietser zijn toe te rekenen en een aan de automobilist. Evenredige vermindering van de vergoedingsplicht brengt dan mee dat deze tot twee derde wordt verminderd, echter acht de kantonrechter door de ernst van de fouten van de bromfietser een vergoedingsplicht van drie vierde billijk. De kantonrechter oordeelt dat de bromfietser en zijn WAM-verzekeraar aansprakelijk zijn en dat zij 75% van de schade moeten vergoeden. 03-12-2025
- Rechtbank Rotterdam Deelgeschil. De verzoekende partij stelt dat zij schade heeft geleden door het handelen van de verwerende partij. De verwerende partij is door de strafrechter in 2021 veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur omdat hij met de verzoekende partij handelingen heeft gepleegd die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl hij wist dat zij in staat van verminderd bewustzijn verkeerde. Aan materiële schadevergoeding heeft de verzoekende partij in de strafzaak € 66.715 gevorderd, bestaande uit verlies nettoresultaat als zelfstandig schilder en eigen risico ziektekosten. Aan immateriële schadevergoeding heeft de verzoekende partij € 7.000 gevorderd in de strafzaak. De strafrechter heeft een schadevergoedingsmaatregel opgelegd aan de verwerende partij. De rechtbank heeft de immateriële schadevergoeding daarbij begroot op € 5.000 en de materiële schadevergoeding op € 6.722. Voor het overige is de verzoekende partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering omdat een nadere berekening van de als gevolg van het strafbare feit gederfde inkomsten een onevenredige belasting van het strafgeding vormde. Daarbij heeft de strafrechter overwogen dat de verzoekende partij dat deel van haar vordering kan aanbrengen bij de burgerlijke rechter. De verwerende partij heeft geen hoger beroep aangetekend. Naar het oordeel van de rechtbank kan het geschilpunt tussen partijen over de aansprakelijkheid in dit deelgeschil worden beslecht. Een oordeel hierover kan bijdragen aan het vlot trekken van de onderhandelingen die uiteindelijk zouden kunnen leiden tot een vaststellingsovereenkomst. De zaak is daarmee geschikt voor behandeling als deelgeschil. De rechtbank overweegt dat met het strafvonnis dwingend bewijs is geleverd dat de verwerende partij zich aan de seksuele handelingen schuldig heeft gemaakt. Met de seksuele handelingen heeft hij inbreuk gemaakt op een recht van de verzoekende partij als bedoeld in artikel 6:162 lid 2 BW en hij heeft daarom jegens haar onrechtmatig gehandeld. Hij is daarmee aansprakelijk voor de schade als gevolg van die handelingen. De verwerende partij heeft aansprakelijkheid betwist voor wat betreft de gestelde (medische) gevolgen en gestelde (psychische) schade van de verzoekende partij, met name het door haar gestelde verlies aan verdienvermogen. Dit verweer ziet niet op de onrechtmatigheid van de door hem verrichte handelingen, maar op het ontbreken van causaal verband tussen zijn onrechtmatig handelen en de klachten van de verzoekende partij, haar schade en de gestelde hoogte van haar schade. De rechtbank acht voorshands voldoende aannemelijk dat de verzoekende partij schade heeft geleden als gevolg van de seksuele handelingen, waarvoor de verwerende partij door de strafrechter is veroordeeld. In welke mate de verzoekende partij schade heeft geleden, kan in dit deelgeschil niet worden vastgesteld. 27-11-2025
- Rechtbank Noord-Holland Gelaedeerde was op 18 maart 2023 betrokken bij een vechtpartij in Oostenrijk. Hij heeft daarbij aangezichtsletsel opgelopen. De twee betrokkenen hebben een schikkingsvoorstel van het Landesgericht Innsbruck geaccepteerd. De gelaedeerde heeft daarna een schadebedrag van € 1.500 ontvangen. De gelaedeerde wil nu aanvullende schadevergoeding van de twee betrokkenen krijgen. In deze deelgeschilprocedure verzoekt de gelaedeerde de kantonrechter te bepalen dat de twee betrokkenen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door hem geleden en nog te lijden schade als gevolg van het voorval op 18 maart 2023. Allereerst constateert de kantonrechter dat ingevolge artikel 4 lid 2 Rome II-verordening Nederlands recht van toepassing is. De kantonrechter wijst het verzoek van de gelaedeerde toe. De twee betrokkenen betwisten namelijk niet dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan mishandeling. De vraag of en zo ja, in welke mate, zij voor de aanvullende schadeposten van de gelaedeerde aansprakelijk zijn behoeft echter nader onderzoek. De precieze toedracht van het geweldsdelict is namelijk niet duidelijk. Daarom kan er voor nu ook niet ingegaan worden op het beroep van de twee betrokkenen op eigen schuld aan de kant van de gelaedeerde. Daarvoor leent een deelgeschilprocedure zich niet. De kantonrechter wijst daarom het tegenverzoek van de twee betrokkenen, dat in rechte wordt vastgesteld dat zij niet aansprakelijk zijn voor een schadebedrag dat uitstijgt boven de al betaalde schadevergoeding, af. 25-11-2025
- Rechtbank Midden-Nederland Deelgeschil. De motorrijder is betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Hij heeft sindsdien lichamelijke en psychische klachten. De verzekeraar heeft namens haar verzekerde de aansprakelijkheid erkend, maar partijen komen niet tot een definitieve schadeafwikkeling. Zij twisten met name over de omvang van de arbeidsongeschiktheid en (de uitgangspunten bij de berekening aan) het verlies aan verdienvermogen van de motorrijder. De motorrijder heeft de rechtbank in dit deelgeschil gevraagd om onder andere hierover te beslissen. Een beslissing hierover kan de impasse tussen partijen doorbreken, maar om daarover duidelijkheid te krijgen is een onderzoek door een verzekeringsgeneeskundige en een arbeidsdeskundige nodig. Het verzoek in deelgeschil over zijn arbeidsongeschiktheid kan daarom niet worden toegewezen. Zijn verzoek om een voorlopig deskundigenbericht met benoeming van een verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige (dat gelijktijdig met het deelgeschil is behandeld) wordt toegewezen. De motorrijder heeft verder in het deelgeschil vrijwel het gehele geschil voorgelegd en dat is niet de bedoeling van een deelgeschil. Toch verklaart de rechtbank de motorrijder niet niet-ontvankelijk in al zijn verzoeken. Onder andere omdat de afwikkeling van de schade al bijna tien jaar loopt en de motorrijder begrijpelijkerwijs de noodklok heeft geluid met zijn (te uitgebreide) verzoekschrift, moet er schot in de zaak komen. De rechtbank beslist daarom op drie van zijn verzoeken en wijst zijn andere verzoeken, die onder andere zien op smartengeld, rekenrente en openstaande kosten van rechtsbijstand (van vooral eerdere belangenbehartigers), zonder inhoudelijke beoordeling af omdat deze zich niet lenen voor de deelgeschilprocedure. 25-11-2025
- Rechtbank Midden-Nederland Deelgeschil. Een vrouw is in 2023 op een industrieterrein rijdend op haar fiets in botsing gekomen met een vrachtwagen. De vrouw heeft als gevolg van het ongeval zwaar letsel aan haar linkerbeen opgelopen, namelijk drie complexe beenbeuken, die gepaard gingen met grote wonden. De vrouw vraagt in dit deelgeschil onder andere om voor recht te verklaren dat de WAM-verzekeraar van de vrachtwagen aansprakelijk is voor haar schade als gevolg van het ongeval. De WAM-verzekeraar doet een beroep op overmacht. De rechtbank overweegt dat het heel verdrietig is dat het ongeval de vrouw is overkomen. Zij stond samen met haar echtgenoot en kinderen aan de vooravond van een nieuwe toekomst. Ze waren op weg naar de Gamma om vloerbedekking uit te zoeken voor hun nieuwe woning. Het ongeval had nog slechter kunnen aflopen en is dat gelukkig niet gebeurd maar door het ongeval moeten zij hun toekomst nu heel anders tegemoetzien. De verzoeken van de vrouw moeten echter worden afgewezen. De vrachtwagenchauffeur kan namelijk geen enkel verwijt van het ongeval worden gemaakt. De rechtbank volgt de verkeersongevallendeskundige dat de chauffeur ervan uit mocht gaan dat hij in principe voorrang zou gaan krijgen van de naderende fietsers en dat er op ongeveer 2,9 seconden vóór het botsmoment geen ongevalsdreiging was. In die situatie was het zo onwaarschijnlijk dat de vrouw niet op tijd zou remmen dat de chauffeur bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid geen rekening hoefde te houden. Hij hoefde er daarom niet op te anticiperen dat de vrouw niet (op tijd) kon remmen, of met de mogelijkheid rekening te houden dat zij niet tijdig zou remmen. Bovendien kon de chauffeur, zoals uit de ongevallenanalyse blijkt, toen al niet meer met het front van de trekker tot stilstand komen vóór de botsplaats. Immers, als hij eerder was gaan remmen dan zou zij tegen een ander deel van de vrachtwagenflank zijn gebotst. De rechtbank laat in het midden of de vrouw niet adequaat heeft geremd doordat de rem van de fiets van de vrouw kapot was. Dit kan de rechtbank niet vaststellen. De politie heeft dat weliswaar vastgesteld, maar heeft niet onderzocht of de rem al vóór het ongeval kapot was. De rechtbank laat ook in het midden of de zwaailichten van de vrachtwagencombinatie in werking waren. De deskundige heeft dat ook niet kunnen vaststellen. Het doet er ook niet toe, omdat dit niet aan het ontstaan van het ongeval heeft bijgedragen. De rechtbank beseft dat deze beslissing voor de vrouw een hard gelag is. Haar letsel is immers zeer ernstig en het is niet voorspelbaar of zij hiervan volledig zal herstellen. Dit gegeven kan echter op zichzelf niet bijdragen aan de eventuele aansprakelijkheid van de WAM-verzekeraar, omdat uit de beslissing volgt dat haar verzekerde een terecht beroep op overmacht toekomt. Aan de vrachtwagenchauffeur kan naar het oordeel van de rechtbank immers niet het kleinste verwijt worden gemaakt, ook al is het letsel van de vrouw ernstig. 21-11-2025
- Rechtbank Midden-Nederland In het tussenvonnis van 30 juli 2025 heeft de rechtbank bepaald dat de in het verleden bij deze zaak betrokken deskundige gehoord diende te worden. Dit heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2025. In dit vonnis draait het om de duiding van de gevolgen van het medisch onzorgvuldig handelen van de huisarts na de polsbreuk van de man. De deskundige heeft verklaard dat de kans dat er bij de man minder klachten zouden resteren indien er anders zou zijn gehandeld aanzienlijk is. Op basis van de verdere toelichting van de deskundige komt de rechtbank tot een redelijke toerekening van 66,6% (2/3e deel) van de (pijn)klachten en beperkingen van de man aan het onzorgvuldig handelen van de huisarts. De partijen hebben berekeningen laten maken maar zijn hierbij uitgegaan van verschillende uitgangspunten waardoor de uitkomst van de schadeberekeningen ver uiteenliggen. De rechtbank schetst daarom de partijen de uitgangspunten voor een herberekening van de letselschade van de man. 19-11-2025
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant Een fietser en een berijder van een fatbike zijn met elkaar in botsing gekomen op het moment dat de fietser linksaf sloeg. Partijen discussiëren over de vraag wie het ongeval heeft veroorzaakt. Beiden vorderen van de ander een schadevergoeding. De kantonrechter draagt aan beide partijen bewijs op met als doel de toedracht van het ongeval en de daaruit voortvloeiende schade vast te stellen. 19-11-2025
- Rechtbank Rotterdam De vrouw is op 28 juni 2019 betrokken geweest bij een aanrijding. Haar geparkeerde auto, waar zij op dat moment naast stond, werd aan de achterzijde geraakt door een losgeschoten aanhanger van een voertuig van de gemeente, als gevolg waarvan zij is gevallen. De vrouw stelt dat zij door het ongeval arm-, schouder-, rug- en psychische klachten heeft opgelopen en beperkingen ondervindt. De gemeente heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. Tussen partijen bestaat echter discussie over of er een medisch causaal verband bestaat tussen de gestelde (pijn)klachten en ervaren beperkingen enerzijds en het ongeval anderzijds. In deze zaak verzoekt de vrouw een voorlopig deskundigenbericht. De gemeente voert hiertegen verweer. Volgens haar is het verzoek prematuur, omdat er onvoldoende medische informatie voorhanden zou zijn om een adequaat deskundigenonderzoek te kunnen (laten) verrichten. De rechtbank oordeelt dat het verzoek niet prematuur is en wijst het verzoek toe. Het onderzoek zal worden uitgevoerd door de verzochte verzekeringsarts en de vrouw moet de door haar toegezegde medische stukken aan de deskundige verstrekken. 05-11-2025
- Rechtbank Amsterdam Deelgeschil. Er heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen een fietser en een scooter. De verzekeraar van de scooterrijder heeft laten weten 50% aansprakelijk te zijn voor de schade die is geleden als gevolg van de aanrijding. De fietser verzoekt de rechtbank om te verklaren dat de verzekeraar 100% van de schade dient te vergoeden. De fietser stelt dat hij geen voorrang behoefde te verlenen aan de scooter, ondanks de haaientanden en het voorrangsbord. Dit omdat er geen verkeer aan kwam. De scooterrijder zou volgens de fietser (dus) veel te hard hebben gereden. De verzekeraar van de scooterrijder is in beginsel op grond van artikel 165 WVW aansprakelijk, maar gekeken moet worden of deze aansprakelijkheid kan worden verminderd wegens eigen schuld aan de kant van de fietser. De rechtbank is van oordeel dat de fietser voorrang had moeten verlenen en dat dit moet worden aangemerkt als een ernstige verkeersfout. De rechtbank oordeelt tevens dat er geen objectieve aanknopingspunten zijn gesteld om aan te nemen dat de scooterbestuurder te hard zou hebben gereden, dat de scooterbestuurder uit een zijstraat zou zijn gekomen waardoor hij niet zichtbaar was voor fietser of dat de remmen van de scooter van de scooterbestuurder niet goed zouden hebben gewerkt. De scooterbestuurder kan hoogstens worden verweten dat hij onvoldoende rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat de fietser een verkeersfout zou maken. De verplichting van de fietser om voorrang te verlenen, weegt in de causale verdeling echter zwaarder dan hetgeen de scooterbestuurder verweten kan worden. De bijdrage van de fietser aan het ongeval is daarom aanzienlijk groter, zodat de schadevergoedingsplicht van de verzekeraar niet hoger is dan 50%. 30-10-2025
- Rechtbank Amsterdam De ouders zijn gedupeerden van de kinderopvangtoeslagaffaire. De Staat heeft aansprakelijkheid erkend en een compensatiebedrag uitgekeerd. De Staat is later ook door de drie kinderen aansprakelijk gesteld. De Staat heeft deze aansprakelijkheid betwist. De ouders verzoeken een deskundigenbericht door een psychiater en een arbeidsdeskundige. De rechtbank wijst de verzoeken tot de benoeming van een psychiater voor het verrichten van een deskundigenonderzoek naar de ouders en de kinderen toe. Onder meer gelet op de bezwaren van de Staat tegen een arbeidsdeskundig onderzoek zal de rechtbank op dit moment alleen een onderzoek gelasten door een psychiater, deze beslissing zal worden aangehouden. 30-10-2025
- Rechtbank Noord-Nederland De jongen heeft letsel opgelopen aan zijn linkeroog als gevolg van het afgaan van een zogenoemde ‘party popper’. De klasgenoot had een party popper meegenomen naar het klaslokaal. Na fanatiek geprobeerd de party popper te openen heeft de docent gevraagd deze naast hem neer te leggen. Nadat de klasgenoot de party popper op de tafel heeft neergelegd is deze afgegaan, waarna de jongen is geraakt in zijn linkeroog. Op de party popper staat vermeld deze niet te richten op onder andere mensen. De jongen heeft de klasgenoot aansprakelijk gesteld. De vraag of de klasgenoot in strijd heeft gehandeld met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, dient te worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Het opendraaien van een party popper is op zichzelf niet onrechtmatig. Uit het toedrachtonderzoek kan worden afgeleid dat de docent op enig moment aan de klasgenoot heeft gevraagd om de party popper weg te leggen en gebleken is dat de klasgenoot hier gehoor aan heeft gegeven. Uit de weergave van de getuigenverklaring van de docent kan worden opgemaakt dat de party popper bij of tijdens het wegleggen onverwacht alsnog is afgegaan. Daargelaten het antwoord op de vraag of klasgenoot de party popper nog een beetje schuin in de hand had of al links voor hem op tafel had weggelegd, kan uit geen van de verklaringen worden afgeleid dat de klasgenoot de party popper op de jongen had gericht. De rechtbank is van oordeel dat de klasgenoot er geen rekening mee hoefde te houden dat de party popper tijdens het wegleggen alsnog zou afgaan. Ook hoefde hij er bij dat wegleggen niet op bedacht te zijn dat de jongen daardoor oogletsel zou oplopen. De papieren snippers confetti komen weliswaar met kracht uit de party popper, maar de mate van waarschijnlijkheid van ernstig oogletsel was niet dermate groot, dat de klasgenoot zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van die gedraging had moeten onthouden. Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank niet tot het oordeel kan komen dat de klasgenoot met zijn gedragingen onrechtmatig heeft gehandeld. 04-09-2025
- Rechtbank Limburg Tussenvonnis. Tijdens het Preuvenemint in 2013 in Maastricht heeft de man een glas in het gezicht van eiser gegooid, als gevolg waarvan hij ernstig letsel aan zijn rechteroog heeft opgelopen. In de strafzaak tegen de man heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in 2018 aan de gelaedeerde als benadeelde partij een schadevergoeding toegekend. In aanvulling op die vergoeding vordert de gelaedeerde in deze civiele procedure dat de man wordt veroordeeld tot betaling van diverse schadeposten. De rechtbank beoordeelt in dit vonnis eerst diverse formele verweren van de man, daarna gaat de rechtbank in op diverse inhoudelijke verweren van de man. De rechtbank oordeelt dat de man onrechtmatig heeft gehandeld jegens de gelaedeerde. Het verjaringsverweer en het beroep op eigen schuld en de billijkheidscorrectie worden door de rechtbank verworpen. Vanwege de onrechtmatige gedraging dient de man de gelaedeerde de schade die hij heeft geleden uit te keren. De rechtbank beoordeelt diverse schadeposten. 30-04-2025
- Rechtbank Noord-Nederland De man is in 2020 betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Door het ongeval heeft hij lichamelijke en psychische klachten. De psychische klachten hebben zich op enig moment ontwikkeld tot ernstige depressies. Door de klachten lijdt hij schade. Hij was ten tijde van het ongeval werkzaam als vrachtwagenchauffeur en studerend. Het verzoekschrift van de man strekt ertoe dat de rechtbank een voorlopig deskundigenbericht zal bevelen waarin de verzochte deskundigen tot deskundigen worden benoemd. De verzekeraar verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe het volgende aan. Het verzoek is prematuur gedaan en daarmee in strijd met de goede procesorde. De verzekeraar heeft een informatieachterstand waardoor niet kan worden beoordeeld of het verzoek ter zake dienend en voldoende concreet is en of het feiten betreft die met het deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden. Het gaat dan om het huisartsenjournaal over de afgelopen vijf jaar, recente stukken van het UWV, het klachtenbeloop na het ongeval en informatie over alternatieve oorzaken van de klachten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeraar terecht aangevoerd dat de man niet afdoende feitelijke en medische informatie over het klachtenbeloop na mei 2022 aan haar beschikbaar heeft gesteld. Tegen deze achtergrond acht de rechtbank een voorlopig deskundigenbericht met benoeming van meerdere (kostbare) deskundigen in dit stadium te prematuur en daarmee in strijd met de goede procesorde. Het ligt naar het oordeel van de rechtbank in de rede dat eerst de van belang zijnde medische stukken aan de verzekeraar worden verstrekt. Het verzoek zal daarom worden afgewezen. 18-04-2025