Naar boven ↑

Update

Nummer 1, 2026
Uitspraken van 23-12-2025 tot 12 januari 2026
Redactie: Mr. H. Vorsselman, mr. drs. I. van der Zalm, mr. Y. Bosschaart en J. Stulp.

Geachte heer/mevrouw,

Bijgaand treft u de eerste PS Updates van 2026 aan. 

Rechtspraak
In deze nieuwsbrief hebben wij een selectie opgenomen van de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken, die te raadplegen zijn via de hyperlinks onder aan deze nieuwsbrief. 

Schiphol niet aansprakelijk voor schade medewerker grondafhandelingsbedrijf.
Deze zaak gaat om de vraag of Schiphol als exploitant aansprakelijk is voor de schade die een medewerker van een grondafhandelingsbedrijf als gevolg van de zware werkomstandigheden heeft geleden. De medewerker voert in hoger beroep vijftien grieven aan tegen het bestreden vonnis. In essentie bestrijden deze grieven het oordeel van de kantonrechter dat er geen grondslag bestaat voor aansprakelijkheid van de luchthavenmaatschappij jegens de medewerker en lenen zij zich (grotendeels) voor een gezamenlijke behandeling. Het hof stelt net als de kantonrechter bij zijn beoordeling voorop dat de verantwoordelijkheid voor veilige arbeidsomstandigheden en het toezicht daarop primair ligt bij respectievelijk de werkgever en de arbeidsinspectie. Het hof is verder (met de kantonrechter) van oordeel dat op de luchthavenmaatschappij geen juridische verplichting rust om de arbeidsomstandigheden van de medewerker, of naleving van de Arbo-voorschriften voor het bagage- en vrachtpersoneel in het algemeen, actief te controleren of daarop toe te zien. De medewerker bestrijdt ook het oordeel van de kantonrechter dat van het bewust onrechtmatig profiteren van een wanprestatie van de grondafhandelaren door de luchthavenmaatschappij geen sprake is. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een handelen van de luchthavenmaatschappij met een partij (een grondafhandelaar) die door dit handelen een door hem met zijn contractspartij (de medewerker) gesloten overeenkomst schendt. Het is namelijk niet de luchthavenmaatschappij die een overeenkomst aangaat met de grondafhandelaren, maar dat doen de luchtvaartmaatschappijen zelf. Dat deze overeenkomst op het luchthaventerrein wordt uitgevoerd maakt nog niet dat luchthavenmaatschappij, rechtstreeks dan wel via een tussenpersoon, handelt met de grondafhandelaren en van hun wanprestatie profiteert. Daarnaast slaagt de grief tegen de toepassing van artikel 7:658 lid 4 BW ook niet. Dit artikel mist in deze zaak toepassing en naar oordeel van het hof kan dit niet analoog worden toegepast op grond van de redelijkheid en billijkheid. Daarnaast neemt het hof ook geen aansprakelijkheid aan in verband met een gebrekkig wegdek. Tot slot slaagt de grief met betrekking tot wanprestatie niet. De medewerker was werkzaam met een pas van de luchthavenmaatschappij en stelt dat er daarom regels van toepassing waren. Het hof is van oordeel dat de medewerker onvoldoende concreet heeft gesteld welke verbintenissen uit deze regels voortvloeiden en dat de luchthavenmaatschappij hierin tekortgeschoten zou zijn. Alle grieven falen, het hoger beroep faalt (PS 2026-0006).

Vader handelt onrechtmatig jegens zoon, geen directe actie op AVP-verzekeraar.
Een 7-jarige zoon heeft in 2014 op jonge leeftijd ernstige brandwonden opgelopen door een ongeval met een barbecue. Zijn vader heeft namens hem geprobeerd de schade vergoed te krijgen onder de aansprakelijkheidsverzekering van de vader. Dat is niet gelukt, omdat de rechter heeft geoordeeld dat de door de vader afgelegde verklaringen onvoldoende betrouwbaar zijn om te kunnen concluderen dat hij op onrechtmatige wijze de schade van zijn zoon heeft veroorzaakt. In deze procedure stelt de curator van het zoontje dat de vader door het afleggen van tegenstrijdige en onware verklaringen (wederom) onrechtmatig heeft gehandeld, voor welke onrechtmatige daad de APV-verzekeraar van de vader dekking moet verlenen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het zoontje voldoende belang bij toewijzing van zijn vordering in het geval zijn vordering op de APV-verzekeraar niet toewijsbaar is (vergelijk artikel 3:303 BW). Maar de rechtbank oordeelt dat het zoontje geen betaling van de APV-verzekeraar kan vorderen omdat er niet is voldaan aan de vereisten van de directe actie. De geleden schade bestaan namelijk niet uit dood of letsel maar uit vermogensschade, namelijk de verzekeringsuitkering die het zoontje zou hebben ontvangen als zijn vader die tegenstrijdige en deels onware verklaringen niet zou hebben afgelegd. Het zoontje moet het hebben van een vordering op zijn vader, die vervolgens kan proberen de vordering op grond van de verzekering af te wentelen op de APV-verzekeraar. De rechtbank volgt de APV-verzekeraar in zijn betwisting dat vermogensschade niet onder de dekking valt. Het zoontje doet een beroep op het arrest De Onderlinge/NN van de Hoge Raad. Maar naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de functie van een APV-verzekeraar in het maatschappelijk verkeer meebrengt dat een verzekerde (de vader) redelijkerwijs heeft mogen verwachten dat de verzekering dekking zou bieden voor vermogensschade die het gevolg is van zijn eigen onrechtmatig handelen waarmee hij dekking onder diezelfde verzekering voor letselschade heeft gedwarsboomd. De curator beroept zich ook op de bijzondere positie van jonge kinderen in het aansprakelijkheidsrecht. Echter, de rechtbank oordeelt dat het zoontje de dupe is van het onrechtmatig handelen maar dat dit zich niet laat oplossen via de band van het verzekeringsrecht. Tot slot oordeelt de rechtbank dat het causale verband tussen het onrechtmatig handelen van de vader en de schade niet is komen vast te staan. Uit een eerdere procedure volgt dat er meerdere scenario’s denkbaar zijn waardoor de APV-verzekeraar niet verplicht is om over te gaan tot uitkering. De rechtbank concludeert dat de vader aansprakelijk is voor de schade die het zoontje heeft geleden en mogelijk nog lijdt als gevolg van het afleggen van wisselende en tegenstrijdige verklaringen over de toedracht van het incident op 14 juni 2014 (PS 2026-0010).

Verlies aan verdienvermogen: recht op zelfbeschikking prevaleert boven schadebeperkingsplicht.
Deelgeschil. De man is, rijdend op zijn bromfiets, aangereden door een auto. Hij heeft daarbij letsel opgelopen. De verzekeraar heeft de aansprakelijkheid erkend. De rechtbank oordeelt dat het verzoek zich leent voor een deelgeschil, ook al is het vrij uitgebreid. Daarnaast oordeelt de rechtbank ook dat ondanks dat de verzekeraar voorafgaand aan het deelgeschil een aantal toezeggingen heeft gedaan, het verzoek grotendeels niet prematuur is. De rechtbank gaat uitgebreid in op de verzoeken die zien op het verlies van verdienvermogen. De man verzoekt de rechtbank dat de verzekeraar in redelijkheid niet mag verlangen dat de man als werkvoorbereider (welk werk hij niet leuk vindt en zonder ongeval ook niet zou hebben verricht) inkomen genereert om verlies van arbeidsvermogen te voorkomen en verzoekt ook dat, nu hij gestart is als ondernemer, niet mag worden verwacht dat hij zich laat omscholen naar werk in een andere functie of branche, teneinde zijn verlies arbeidsvermogen te beperken. De rechtbank neemt in dit deelgeschil beslissing over diverse facetten van het verlies van verdienvermogen (de omvang schadebeperkingsplicht, recht op begeleiding, bevoorschotting) en over de buitengerechtelijke kosten (o.a. kosten voor voorbereiding verzoekschriftprocedures die niet zijn doorgegaan). De rechtbank oordeelt dat van de man in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij inkomen genereert als werkvoorbereider, ook niet als hij daartoe wel in staat zou zijn. De rechtbank acht hierbij van belang dat de keuze van de man om de (vervolg)opleiding tot werkvoorbereider te gaan doen geen volledig vrije keuze was, maar hem min of meer is opgedrongen door de omstandigheid dat het ongeval hem is overkomen. Zijn recht op zelfbeschikking dient hier te prevaleren boven zijn schadebeperkingsplicht. Het recht van de man om zelf zijn carrière te kiezen gaat naar het oordeel van de rechtbank niet zover dat van hem, ook als hij als zelfstandig ondernemer niet in zijn inkomen kan voorzien, niet kan worden verwacht dat hij zich op enig moment laat omscholen naar werk in een andere functie of een andere branche. De rechtbank wijst een voorschot op het verlies van verdienvermogen toe, evenals een voorschot op de buitengerechtelijke kosten. Een verzoek tot het toewijzen van een voorschot op het smartengeld wordt afgewezen. Dit verzoek is te prematuur omdat niet is gebleken dat partijen voorafgaand aan de deelgeschillenprocedure contact hebben gehad over het smartengeld (PS 2026-0015).

Verhuurder tapijtstripper aansprakelijk: heeft particulier onvoldoende gewaarschuwd.
De zoon heeft samen met zijn vader en zijn oom de woning van zijn oma ontruimd. Voor het verwijderen van het tapijt heeft de vader bij een professionele partij een tapijtstripper gehuurd. De oom hield zich bezig met de tapijtstripper en heeft deze gekanteld op de grond gezet, bij het monteren is de kunststof mesbeschermer doorgesneden en heeft de oom zich gesneden. De zoon is toen naar de oom toe gelopen en heeft zich daarbij in zijn rechterkuit gesneden aan het mes van de tapijtstripper. Zowel de pezen als de spieren en de zenuwen waren doorgesneden. De zoon vordert voor recht dat de oom primair aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad en subsidiair dat de oom (althans diens verzekeraar) de schade uit hoofde van zaakwaarneming moet vergoeden. Volgens de zoon heeft de oom gevaarzettend gehandeld door geen veiligheidshandschoenen te dragen omdat hij de tapijtstripper met het mes naar boven had geplaatst. De oom is volgens de zoon gehouden de schade te vergoeden uit hoofde van zaakwaarneming omdat hij zich aan de tapijtstripper heeft gesneden toen hij handdoeken wilde halen om de bloeding bij de oom, die zich ook gesneden had, te stelpen. De verhuurder is volgens de zoon aansprakelijk omdat deze een tapijtstripper heeft verhuurd zonder handleiding en bijbehorende beschermingsmiddelen. De rechtbank oordeelt dat de oom niet aansprakelijk is. Er is sprake van een ongelukkige samenloop van omstandigheden; de oom heeft niet onrechtmatig gehandeld. Aan de voorwaarden voor zaakwaarneming is bovendien niet voldaan. De rechtbank oordeelt dat de verhuurder van de tapijtstripper wel aansprakelijk is doordat deze niet heeft voldoende heeft gewaarschuwd voor de gevaren. Zo heeft de verhuurder niet gewezen op de op haar website geplaatste instructievideo. De door haar wel verstrekte schriftelijke veiligheidsinstructie was niet volledig en bevatte geen verwijzing naar de instructievideo. Tevens heeft de verhuurder alleen een smalle kunststof mesbeschermer meegeleverd en niet een lederen mesbeschermer die zichtbaar is op de instructievideo. Het beroep op het ontbreken van relativiteit en eigen schuld wijst de rechtbank af. De verhuurder is aansprakelijk (PS 2026-0016).

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps-updates@boom.nl.

Met vriendelijke groet,

Ilona van der Zalm & Armin Vorsselman 
PS Updates

Hof

Rechtbank

Antillen