Naar boven ↑

Update

Nummer 45, 2025
Uitspraken van 16-12-2025 tot 22-12-2025
Redactie: Mr. H. Vorsselman, mr. drs. I. van der Zalm, mr. Y. Bosschaart en J. Stulp.

Geachte heer/mevrouw,

Bijgaand treft u de nieuwe PS Updates aan. 

Deze nieuwsbrief is de laatste van 2025. Op maandag 12 januari 2026 zal de volgende nieuwsbrief verschijnen. Het team van PS Updates wenst u fijne feestdagen en een gezond, voorspoedig en succesvol 2026 toe! 

Rechtspraak
In deze nieuwsbrief hebben wij een selectie opgenomen van de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken, die te raadplegen zijn via de hyperlinks onder aan deze nieuwsbrief. 

Collectieve actie borstimplantaten: rechtbank wijst alle vorderingen af.
Vervolg op massaschadezaak tegen een Amerikaanse farmaceut die als producent bepaalde getextureerde borstimplantaten heeft geproduceerd. Deze implantaten zijn in 2018 van de markt gehaald. De zaak is aangespannen door de stichting, die een groep van 60.000 personen vertegenwoordigt. Een aantal van hen ondervindt (ernstige) klachten, die bekend staan onder de naam ASIA, een auto-immuunsyndroom, en een aantal van hen heeft BIA-ALCL, een zeldzame vorm van lymfeklierkanker gekregen. De vragen die in deze procedure voorliggen, zijn of de implantaten van de farmaceut deze ASIA-klachten en/of BIA-ALCL kunnen veroorzaken en, als dat zo is, of de farmaceut daarvoor als producent van de implantaten aansprakelijk is. De rechtbank komt tot de volgende conclusies. Ten aanzien van ASIA bestaat onvoldoende grond om aan te nemen dat de klachten die de vrouwen hebben ervaren (en soms nog ervaren) worden veroorzaakt door de implantaten. Ten aanzien van BIA-ALCL luidt de conclusie dat de implantaten, na afweging van alle relevante omstandigheden, niet als gebrekkig kunnen worden beoordeeld en dat de farmaceut voldoende heeft gewaarschuwd voor de mogelijke risico’s van de implantaten, vanaf het moment dat die risico’s kenbaar waren. Bovendien heeft zij de implantaten in 2018 van de markt gehaald, op het moment dat het statistisch relevante risico tussen de implantaten en BIA-ALCL voldoende wetenschappelijk onderbouwd kon worden. De farmaceut is dus niet aansprakelijk op grond van productaansprakelijkheid, maar ook op andere juridische gronden is zij dat niet. Dit betekent dat de vorderingen in de hoofdzaak van de stichting worden afgewezen. Ook het verzoek van de stichting tot inzage in bepaalde stukken van de farmaceut, wijst de rechtbank af, met name omdat die stukken niet van invloed kunnen zijn op de beoordeling in de hoofdzaak (PS 2025-0646).

Aantasting in de persoon: een zeer ernstige schending van een fundamenteel recht kan een aantasting in de persoon vormen.
Strafrecht. Doodslag echtgenote door haar met messteken om het leven te brengen. De zes kinderen van de verdachte en het overleden slachtoffer hebben zich als benadeelde partijen in het strafproces gevoegd. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de minderjarige dochter niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering voor zover die ziet op vergoeding van immateriële schade op grond van schade door de aantasting in de persoon op andere wijze. Het hof is van oordeel dat de verdachte met zijn handelen een inbreuk heeft gemaakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van zijn minderjarige dochter. Het handelen van de verdachte – bestaande in het opzettelijk doden van de moeder van zijn dochter – heeft tot gevolg dat zij het gezinsleven met haar moeder niet meer kan uitoefenen. Een inbreuk op een fundamenteel recht maakt echter nog niet dat reeds daarom sprake is van een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW (zie HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376). Een zeer ernstige schending van een fundamenteel recht kan wél een aantasting in de persoon vormen (vgl. HR 1 november 1991, NJ 1992/58). Daarvoor is niet nodig dat ook geestelijk letsel is vastgesteld (vgl. HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7721). Hiervan is volgens het hof in deze zaak evenwel geen sprake. De dochter woont namelijk nu bij haar oudste broer en zus, die haar pleegouders zijn geworden. Er is dus geen sprake van een gezin dat uiteen is gevallen waarbij de kinderen moeten opgroeien zonder elkaar. De gevorderde affectieschade zal, anders dan de rechtbank heeft beslist, aan elke benadeelde partij worden toegewezen. Die vorderingen voldoen aan de daarvoor geldende uitgangspunten en zijn qua hoogte overeenkomstig het daarvoor bestaande forfaitaire stelsel. Het enkele gegeven dat een zoon een verstandelijke beperking heeft en niet thuis woont maar in een instelling verblijft staat niet aan de veronderstelde affectieve band in de weg (PS 2025-0651).

Ouders mogen schadevergoeding minderjarige zoon niet gebruiken als lening voor de financiering van twee winkels en drie woningen.
Een minderjarige jongen heeft een bedrag van € 56.250 ontvangen als schadevergoeding van het Erasmus MC met een BEM-clausule. De ouders van de minderjarige vragen de kantonrechter om een machtiging te verlenen om het volledige saldo van de bankrekening van betrokkene te mogen lenen en dit geld te gebruiken als lening voor de financiering van twee winkels en drie woningen. De ouders stellen dat zij succesvolle ondernemers zijn en dat de aankoop van de panden – die is inmiddels is gedaan – hun volgende project is. Zij menen dat het investeren van het vermogen van de minderjarige in deze panden een veel hoger rendement gaat opleveren dan het geld op de bank, vanwege de huurinkomsten enerzijds en de te verwachten waardestijging van de panden anderzijds. De kantonrechter is van oordeel dat het risico dat de minderjarige zijn investering kwijtraakt als het financieel niet goed gaat met de ouders, onvoldoende is afgedekt. Er is te weinig informatie verstrekt om voldoende inzicht te krijgen in de verplichtingen en inkomsten van de holding, maar uit wat vader heeft verklaard blijkt dat de holding het geld van de minderjarige nodig heeft om haar financiële verplichtingen na te komen in verband met de financiering van de panden. De ouders hebben het geld van de minderjarige nodig om een deel van de lening die zij hebben afgesloten om de panden aan te kopen te kunnen aflossen. Hieruit leidt de kantonrechter af dat de holding een liquiditeitstekort heeft, aangezien de holding de verplichtingen kennelijk niet kan nakomen met haar eigen kasstromen. Er is dus een risico op default (wanprestatie) door de holding jegens de financier van de panden. Na default dreigt opeising van de financiering en vervolgens uitwinning (gedwongen verkoop). Bij gedwongen verkoop verhalen de (eerste) hypotheekhouders zich als eerste op de opbrengst. Hiernaast is er ook een risico dat als de (ondernemingen van de) ouders zouden failleren, hun inkomsten kunnen opdrogen, in welke situatie wederom sprake zou kunnen zijn van default. Ook in deze situatie zal naar verwachting sprake zijn van uitwinning door de financiers. De minderjarige heeft geen hypotheek, maar een simpel ‘leencontract’, waardoor voornoemde risico’s voor de minderjarige naar het oordeel van de kantonrechter te groot zijn. Dit maakt dat het niet in zijn belang is om de machtiging te verlenen. Een en ander zou mogelijk anders kunnen liggen als de minderjarige een recht van eerste hypotheek op de panden zou verkrijgen, maar dat is nu niet aan de orde. Daarmee zouden overigens de andere financiers ook akkoord moeten gaan (PS 2025-0653).

De Rechtspraak stelt aanbevelingen vast voor begroting van smartengeld
De Rechtspraak gaat vanaf 1 januari 2026 werken met aanbevelingen voor het toepassen van de ‘Rotterdamse Schaal’ bij de begroting van smartengeld op basis van artikel 6:106 BW. Deze schaal, ontwikkeld door onderzoekers van de Erasmus Universiteit Rotterdam, biedt een model om smartengeld eenduidiger vast te stellen. Het model is gebaseerd op Engelse richtlijnen en groepeert smartengeldbedragen per aard en ernst van het letsel of de normschending. De aanbeveling is te raadplegen via de website van de Rechtspraak.

Literatuur
J.H.G. Verweij-Hoogendijk, ‘Aansprakelijkheid en verzekering in de ouder-kindrelatie: over de wenselijkheid van het hanteren van een vorm van immuniteit en de beperking van de verhaalsmogelijkheid’, AV&S 2025/31. 

K.J.O. Jansen, ‘Kroniek Europees aansprakelijkheidsrecht’, AV&S 2025/32.

K. Aantjes, ‘Het gezag van gewijsde in een letselschadezaak. Annotatie bij HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:667’, TVP 2025, afl. 4, p. 142-144.

A.J.J.G. Schijns, ‘Van Betekenis: De betekenis van financiële compensatie voor het verkrijgen van rechtsherstel: verslag van een interviewstudie’, TVP 2025, afl. 4, p. 105-114. 

L.K. de Haan, ‘De verzekeringsrechtelijke gevolgen van verzwijging van een strafrechtelijk verleden en de impact van (on)duidelijkheid van de vraagstelling van de verzekeraar. Annotatie bij HR 7 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:186’, TVP 2025, afl. 4, p. 137-141. 

A.J. Wingelaar, ‘De Kamer voor Langlopende Letselschadezaken: grote stappen, snel thuis’, TVP 2025, afl. 4, p. 128-136.

J.H.G. Verweij-Hoogendijk, ‘Aansprakelijkheid van de moeder voor prenataal veroorzaakte schade aan haar kind’, TVP 2025, afl. 4, p. 115-127.

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps-updates@boom.nl.

Met vriendelijke groet,

Ilona van der Zalm & Armin Vorsselman 
PS Updates

Hof

Rechtbank