Update
Geachte heer/mevrouw,
Bijgaand treft u de nieuwe PS Updates aan.
Deze nieuwsbrief is de laatste van 2025. Op maandag 12 januari 2026 zal de volgende nieuwsbrief verschijnen. Het team van PS Updates wenst u fijne feestdagen en een gezond, voorspoedig en succesvol 2026 toe!
Rechtspraak
In deze nieuwsbrief hebben wij een selectie opgenomen van de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken, die te raadplegen zijn via de hyperlinks onder aan deze nieuwsbrief.
Collectieve actie borstimplantaten: rechtbank wijst alle vorderingen af.
Vervolg op massaschadezaak tegen een Amerikaanse farmaceut die als producent bepaalde getextureerde borstimplantaten heeft geproduceerd. Deze implantaten zijn in 2018 van de markt gehaald. De zaak is aangespannen door de stichting, die een groep van 60.000 personen vertegenwoordigt. Een aantal van hen ondervindt (ernstige) klachten, die bekend staan onder de naam ASIA, een auto-immuunsyndroom, en een aantal van hen heeft BIA-ALCL, een zeldzame vorm van lymfeklierkanker gekregen. De vragen die in deze procedure voorliggen, zijn of de implantaten van de farmaceut deze ASIA-klachten en/of BIA-ALCL kunnen veroorzaken en, als dat zo is, of de farmaceut daarvoor als producent van de implantaten aansprakelijk is. De rechtbank komt tot de volgende conclusies. Ten aanzien van ASIA bestaat onvoldoende grond om aan te nemen dat de klachten die de vrouwen hebben ervaren (en soms nog ervaren) worden veroorzaakt door de implantaten. Ten aanzien van BIA-ALCL luidt de conclusie dat de implantaten, na afweging van alle relevante omstandigheden, niet als gebrekkig kunnen worden beoordeeld en dat de farmaceut voldoende heeft gewaarschuwd voor de mogelijke risico’s van de implantaten, vanaf het moment dat die risico’s kenbaar waren. Bovendien heeft zij de implantaten in 2018 van de markt gehaald, op het moment dat het statistisch relevante risico tussen de implantaten en BIA-ALCL voldoende wetenschappelijk onderbouwd kon worden. De farmaceut is dus niet aansprakelijk op grond van productaansprakelijkheid, maar ook op andere juridische gronden is zij dat niet. Dit betekent dat de vorderingen in de hoofdzaak van de stichting worden afgewezen. Ook het verzoek van de stichting tot inzage in bepaalde stukken van de farmaceut, wijst de rechtbank af, met name omdat die stukken niet van invloed kunnen zijn op de beoordeling in de hoofdzaak (PS 2025-0646).
Aantasting in de persoon: een zeer ernstige schending van een fundamenteel recht kan een aantasting in de persoon vormen.
Strafrecht. Doodslag echtgenote door haar met messteken om het leven te brengen. De zes kinderen van de verdachte en het overleden slachtoffer hebben zich als benadeelde partijen in het strafproces gevoegd. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de minderjarige dochter niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering voor zover die ziet op vergoeding van immateriële schade op grond van schade door de aantasting in de persoon op andere wijze. Het hof is van oordeel dat de verdachte met zijn handelen een inbreuk heeft gemaakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van zijn minderjarige dochter. Het handelen van de verdachte – bestaande in het opzettelijk doden van de moeder van zijn dochter – heeft tot gevolg dat zij het gezinsleven met haar moeder niet meer kan uitoefenen. Een inbreuk op een fundamenteel recht maakt echter nog niet dat reeds daarom sprake is van een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW (zie HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376). Een zeer ernstige schending van een fundamenteel recht kan wél een aantasting in de persoon vormen (vgl. HR 1 november 1991, NJ 1992/58). Daarvoor is niet nodig dat ook geestelijk letsel is vastgesteld (vgl. HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7721). Hiervan is volgens het hof in deze zaak evenwel geen sprake. De dochter woont namelijk nu bij haar oudste broer en zus, die haar pleegouders zijn geworden. Er is dus geen sprake van een gezin dat uiteen is gevallen waarbij de kinderen moeten opgroeien zonder elkaar. De gevorderde affectieschade zal, anders dan de rechtbank heeft beslist, aan elke benadeelde partij worden toegewezen. Die vorderingen voldoen aan de daarvoor geldende uitgangspunten en zijn qua hoogte overeenkomstig het daarvoor bestaande forfaitaire stelsel. Het enkele gegeven dat een zoon een verstandelijke beperking heeft en niet thuis woont maar in een instelling verblijft staat niet aan de veronderstelde affectieve band in de weg (PS 2025-0651).
Ouders mogen schadevergoeding minderjarige zoon niet gebruiken als lening voor de financiering van twee winkels en drie woningen.
Een minderjarige jongen heeft een bedrag van € 56.250 ontvangen als schadevergoeding van het Erasmus MC met een BEM-clausule. De ouders van de minderjarige vragen de kantonrechter om een machtiging te verlenen om het volledige saldo van de bankrekening van betrokkene te mogen lenen en dit geld te gebruiken als lening voor de financiering van twee winkels en drie woningen. De ouders stellen dat zij succesvolle ondernemers zijn en dat de aankoop van de panden – die is inmiddels is gedaan – hun volgende project is. Zij menen dat het investeren van het vermogen van de minderjarige in deze panden een veel hoger rendement gaat opleveren dan het geld op de bank, vanwege de huurinkomsten enerzijds en de te verwachten waardestijging van de panden anderzijds. De kantonrechter is van oordeel dat het risico dat de minderjarige zijn investering kwijtraakt als het financieel niet goed gaat met de ouders, onvoldoende is afgedekt. Er is te weinig informatie verstrekt om voldoende inzicht te krijgen in de verplichtingen en inkomsten van de holding, maar uit wat vader heeft verklaard blijkt dat de holding het geld van de minderjarige nodig heeft om haar financiële verplichtingen na te komen in verband met de financiering van de panden. De ouders hebben het geld van de minderjarige nodig om een deel van de lening die zij hebben afgesloten om de panden aan te kopen te kunnen aflossen. Hieruit leidt de kantonrechter af dat de holding een liquiditeitstekort heeft, aangezien de holding de verplichtingen kennelijk niet kan nakomen met haar eigen kasstromen. Er is dus een risico op default (wanprestatie) door de holding jegens de financier van de panden. Na default dreigt opeising van de financiering en vervolgens uitwinning (gedwongen verkoop). Bij gedwongen verkoop verhalen de (eerste) hypotheekhouders zich als eerste op de opbrengst. Hiernaast is er ook een risico dat als de (ondernemingen van de) ouders zouden failleren, hun inkomsten kunnen opdrogen, in welke situatie wederom sprake zou kunnen zijn van default. Ook in deze situatie zal naar verwachting sprake zijn van uitwinning door de financiers. De minderjarige heeft geen hypotheek, maar een simpel ‘leencontract’, waardoor voornoemde risico’s voor de minderjarige naar het oordeel van de kantonrechter te groot zijn. Dit maakt dat het niet in zijn belang is om de machtiging te verlenen. Een en ander zou mogelijk anders kunnen liggen als de minderjarige een recht van eerste hypotheek op de panden zou verkrijgen, maar dat is nu niet aan de orde. Daarmee zouden overigens de andere financiers ook akkoord moeten gaan (PS 2025-0653).
De Rechtspraak stelt aanbevelingen vast voor begroting van smartengeld
De Rechtspraak gaat vanaf 1 januari 2026 werken met aanbevelingen voor het toepassen van de ‘Rotterdamse Schaal’ bij de begroting van smartengeld op basis van artikel 6:106 BW. Deze schaal, ontwikkeld door onderzoekers van de Erasmus Universiteit Rotterdam, biedt een model om smartengeld eenduidiger vast te stellen. Het model is gebaseerd op Engelse richtlijnen en groepeert smartengeldbedragen per aard en ernst van het letsel of de normschending. De aanbeveling is te raadplegen via de website van de Rechtspraak.
Literatuur
J.H.G. Verweij-Hoogendijk, ‘Aansprakelijkheid en verzekering in de ouder-kindrelatie: over de wenselijkheid van het hanteren van een vorm van immuniteit en de beperking van de verhaalsmogelijkheid’, AV&S 2025/31.
K.J.O. Jansen, ‘Kroniek Europees aansprakelijkheidsrecht’, AV&S 2025/32.
K. Aantjes, ‘Het gezag van gewijsde in een letselschadezaak. Annotatie bij HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:667’, TVP 2025, afl. 4, p. 142-144.
A.J.J.G. Schijns, ‘Van Betekenis: De betekenis van financiële compensatie voor het verkrijgen van rechtsherstel: verslag van een interviewstudie’, TVP 2025, afl. 4, p. 105-114.
L.K. de Haan, ‘De verzekeringsrechtelijke gevolgen van verzwijging van een strafrechtelijk verleden en de impact van (on)duidelijkheid van de vraagstelling van de verzekeraar. Annotatie bij HR 7 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:186’, TVP 2025, afl. 4, p. 137-141.
A.J. Wingelaar, ‘De Kamer voor Langlopende Letselschadezaken: grote stappen, snel thuis’, TVP 2025, afl. 4, p. 128-136.
J.H.G. Verweij-Hoogendijk, ‘Aansprakelijkheid van de moeder voor prenataal veroorzaakte schade aan haar kind’, TVP 2025, afl. 4, p. 115-127.
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps-updates@boom.nl.
Met vriendelijke groet,
Ilona van der Zalm & Armin Vorsselman
PS Updates
Hof
- Gerechtshof Den Haag Strafrecht. Doodslag echtgenote door haar met messteken om het leven te brengen. De zes kinderen van de verdachte en het overleden slachtoffer hebben zich als benadeelde partijen in het strafproces gevoegd. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de minderjarige dochter niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering voor zover die ziet op vergoeding van immateriële schade op grond van schade door de aantasting in de persoon op andere wijze. Het hof is van oordeel dat de verdachte met zijn handelen een inbreuk heeft gemaakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van zijn minderjarige dochter. Het handelen van de verdachte – bestaande in het opzettelijk doden van de moeder van zijn dochter – heeft tot gevolg dat zij het gezinsleven met haar moeder niet meer kan uitoefenen. Een inbreuk op een fundamenteel recht maakt echter nog niet dat reeds daarom sprake is van een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW (zie HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376). Een zeer ernstige schending van een fundamenteel recht kan wél een aantasting in de persoon vormen (vgl. HR 1 november 1991, NJ 1992/58). Daarvoor is niet nodig dat ook geestelijk letsel is vastgesteld (vgl. HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7721). Hiervan is volgens het hof in deze zaak evenwel geen sprake. De dochter woont namelijk nu bij haar oudste broer en zus, die haar pleegouders zijn geworden. Er is dus geen sprake van een gezin dat uiteen is gevallen waarbij de kinderen moeten opgroeien zonder elkaar. De gevorderde affectieschade zal, anders dan de rechtbank heeft beslist, aan elke benadeelde partij worden toegewezen. Die vorderingen voldoen aan de daarvoor geldende uitgangspunten en zijn qua hoogte overeenkomstig het daarvoor bestaande forfaitaire stelsel. Het enkele gegeven dat een zoon een verstandelijke beperking heeft en niet thuis woont maar in een instelling verblijft staat niet aan de veronderstelde affectieve band in de weg. 17-12-2025
- Gerechtshof Amsterdam Strafrecht. De verdachte wordt in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van 27 jaar en zes maanden in verband met medeplegen van de moord op Peter R. de Vries en het medeplegen en voorhanden hebben van een vuurwapen. De verdachte heeft de opdracht om iemand dood te schieten aangenomen en heeft diezelfde dag nog De Vries doodgeschoten. De partner heeft zich opnieuw gevoegd in dit hoger beroep. Zij vordert een bedrag van € 57.500 aan immateriële schade, bestaande uit affectie- en shockschade, en een bedrag van € 1.894,52 aan materiële schade. Door de partner is gesteld dat zij en De Vries sinds 2015 een liefdesrelatie hadden en verloofd waren. Zij waren samen bezig met het schrijven van een boek over hun liefde, wilden verre reizen maken, hadden plannen voor de toekomst en waren op zoek naar een huis om in samen te gaan wonen. Door de verdediging zijn de specifieke feiten onvoldoende betwist. Het hof acht dat voldoende is komen vast te staan dat de zij in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot De Vries stond dat uit eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij een ‘naaste’ is die recht heeft op affectieschade. Het bedrag van affectieschade wordt vastgesteld op € 17.500. Het hof oordeelt dat ook aan de vereisten voor de toekenning van shockschade zijn voldaan. De partner is op de avond van de dag van de schietpartij in het ziekenhuis geconfronteerd met haar zwaargewonde partner. Hij lag met een schotwond in zijn hoofd en andere verwondingen op een brancard. De partner was aanwezig toen De Vries overleed. Ook na het overlijden is de zij door de vele media-aandacht en circulerende beelden op het internet vaak geconfronteerd met de moord. De klinisch psycholoog heeft schriftelijk bevestigd dat de benadeelde partij onder behandeling is en EMDR-therapie volgt vanwege rouw in combinatie met een posttraumatische stressstoornis die is ontstaan naar aanleiding van de moord op haar partner. Uit het voorgaande volgt dat de confrontatie met het bewezen verklaarde feit een hevige emotionele schok teweeg heeft gebracht die tot geestelijk letsel heeft geleid en dat de partner hierdoor schokschade heeft geleden. Het hof acht voor de shockschade een bedrag van €20.000 redelijk en billijk. 11-12-2025
- Gerechtshof Amsterdam Strafrecht. De verdachte wordt in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van 27 jaar en zes maanden in verband met medeplegen van de moord op Peter R. de Vries en het medeplegen en voorhanden hebben van een vuurwapen. De verdachte heeft de opdracht om iemand dood te schieten aangenomen en heeft diezelfde dag nog De Vries doodgeschoten. De partner heeft zich opnieuw gevoegd in dit hoger beroep. Zij vordert een bedrag van € 57.500 aan immateriële schade, bestaande uit affectie- en shockschade, en een bedrag van € 1.894,52 aan materiële schade. Door de partner is gesteld dat zij en De Vries sinds 2015 een liefdesrelatie hadden en verloofd waren. Zij waren samen bezig met het schrijven van een boek over hun liefde, wilden verre reizen maken, hadden plannen voor de toekomst en waren op zoek naar een huis om in samen te gaan wonen. Door de verdediging zijn de specifieke feiten onvoldoende betwist. Het hof acht dat voldoende is komen vast te staan dat de zij in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot De Vries stond dat uit eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij een ‘naaste’ is die recht heeft op affectieschade. Het bedrag van affectieschade wordt vastgesteld op € 17.500. Het hof oordeelt dat ook aan de vereisten voor de toekenning van shockschade zijn voldaan. De partner is op de avond van de dag van de schietpartij in het ziekenhuis geconfronteerd met haar zwaargewonde partner. Hij lag met een schotwond in zijn hoofd en andere verwondingen op een brancard. De partner was aanwezig toen De Vries overleed. Ook na het overlijden is de zij door de vele media-aandacht en circulerende beelden op het internet vaak geconfronteerd met de moord. De klinisch psycholoog heeft schriftelijk bevestigd dat de benadeelde partij onder behandeling is en EMDR-therapie volgt vanwege rouw in combinatie met een posttraumatische stressstoornis die is ontstaan naar aanleiding van de moord op haar partner. Uit het voorgaande volgt dat de confrontatie met het bewezen verklaarde feit een hevige emotionele schok teweeg heeft gebracht die tot geestelijk letsel heeft geleid en dat de partner hierdoor schokschade heeft geleden. Het hof acht voor de shockschade een bedrag van €20.000 redelijk en billijk. 11-12-2025
- Gerechtshof Amsterdam Strafrecht. De verdachte wordt in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van 27 jaar en zes maanden in verband met medeplegen van de moord op Peter R. de Vries en het medeplegen en voorhanden hebben van een vuurwapen. De verdachte heeft de opdracht om iemand dood te schieten aangenomen en heeft diezelfde dag nog De Vries doodgeschoten. De partner heeft zich opnieuw gevoegd in dit hoger beroep. Zij vordert een bedrag van € 57.500 aan immateriële schade, bestaande uit affectie- en shockschade, en een bedrag van € 1.894,52 aan materiële schade. Door de partner is gesteld dat zij en De Vries sinds 2015 een liefdesrelatie hadden en verloofd waren. Zij waren samen bezig met het schrijven van een boek over hun liefde, wilden verre reizen maken, hadden plannen voor de toekomst en waren op zoek naar een huis om in samen te gaan wonen. Door de verdediging zijn de specifieke feiten onvoldoende betwist. Het hof acht dat voldoende is komen vast te staan dat de zij in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot De Vries stond dat uit eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij een ‘naaste’ is die recht heeft op affectieschade. Het bedrag van affectieschade wordt vastgesteld op € 17.500. Het hof oordeelt dat ook aan de vereisten voor de toekenning van shockschade zijn voldaan. De partner is op de avond van de dag van de schietpartij in het ziekenhuis geconfronteerd met haar zwaargewonde partner. Hij lag met een schotwond in zijn hoofd en andere verwondingen op een brancard. De partner was aanwezig toen De Vries overleed. Ook na het overlijden is de zij door de vele media-aandacht en circulerende beelden op het internet vaak geconfronteerd met de moord. De klinisch psycholoog heeft schriftelijk bevestigd dat de benadeelde partij onder behandeling is en EMDR-therapie volgt vanwege rouw in combinatie met een posttraumatische stressstoornis die is ontstaan naar aanleiding van de moord op haar partner. Uit het voorgaande volgt dat de confrontatie met het bewezen verklaarde feit een hevige emotionele schok teweeg heeft gebracht die tot geestelijk letsel heeft geleid en dat de partner hierdoor schokschade heeft geleden. Het hof acht voor de shockschade een bedrag van €20.000 redelijk en billijk. 11-12-2025
- Gerechtshof Amsterdam Strafrecht. De verdachte wordt in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van 27 jaar en zes maanden in verband met medeplegen van de moord op Peter R. de Vries en het medeplegen en voorhanden hebben van een vuurwapen. De verdachte heeft de opdracht om iemand dood te schieten aangenomen en heeft diezelfde dag nog De Vries doodgeschoten. De partner heeft zich opnieuw gevoegd in dit hoger beroep. Zij vordert een bedrag van € 57.500 aan immateriële schade, bestaande uit affectie- en shockschade, en een bedrag van € 1.894,52 aan materiële schade. Door de partner is gesteld dat zij en De Vries sinds 2015 een liefdesrelatie hadden en verloofd waren. Zij waren samen bezig met het schrijven van een boek over hun liefde, wilden verre reizen maken, hadden plannen voor de toekomst en waren op zoek naar een huis om in samen te gaan wonen. Door de verdediging zijn de specifieke feiten onvoldoende betwist. Het hof acht dat voldoende is komen vast te staan dat de zij in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot De Vries stond dat uit eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij een ‘naaste’ is die recht heeft op affectieschade. Het bedrag van affectieschade wordt vastgesteld op € 17.500. Het hof oordeelt dat ook aan de vereisten voor de toekenning van shockschade zijn voldaan. De partner is op de avond van de dag van de schietpartij in het ziekenhuis geconfronteerd met haar zwaargewonde partner. Hij lag met een schotwond in zijn hoofd en andere verwondingen op een brancard. De partner was aanwezig toen De Vries overleed. Ook na het overlijden is de zij door de vele media-aandacht en circulerende beelden op het internet vaak geconfronteerd met de moord. De klinisch psycholoog heeft schriftelijk bevestigd dat de benadeelde partij onder behandeling is en EMDR-therapie volgt vanwege rouw in combinatie met een posttraumatische stressstoornis die is ontstaan naar aanleiding van de moord op haar partner. Uit het voorgaande volgt dat de confrontatie met het bewezen verklaarde feit een hevige emotionele schok teweeg heeft gebracht die tot geestelijk letsel heeft geleid en dat de partner hierdoor schokschade heeft geleden. Het hof acht voor de shockschade een bedrag van €20.000 redelijk en billijk. 11-12-2025
- Gerechtshof Den Haag Een bestuurder van een Dodge Ram (bedrijfsauto) is in januari 2021 achterop een andere auto gereden. De WAM-verzekeraar heeft met de andere bestuurder een minnelijke regeling getroffen in die zin dat de verzekeraar 75% van diens schade heeft vergoed. De verzekeraar vordert dit bedrag thans van de bestuurder met een beroep op de polisvoorwaarden omdat de bestuurder volgens de verzekeraar dit ongeval heeft veroorzaakt door met veel te hoge snelheid te rijden en daarmee roekeloos heeft gehandeld. De bestuurder heeft volgens de verzekeraar bovendien zijn mededelingsplicht geschonden. De eerste grief ziet op het oordeel van de rechtbank dat de bestuurder roekeloos rijgedrag heeft vertoond. De tweede grief heeft betrekking op het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de mate van eigen schuld aan het ongeval van de bestuurder van de personenauto. Met de derde grief brengt de bestuurder nog eens onder de aandacht dat haar verweer in eerste aanleg tevens inhield dat zij haar informatie- en medewerkingsplicht niet heeft geschonden, zodat (ook) om die reden de verzekeraar niet mocht overgaan tot uitsluiting van de dekking van de verzekering. Het hof sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank, die geleid hebben tot het oordeel dat het verkeersgedrag van de bestuurder als roekeloos in de zin van de verzekeringsvoorwaarden is aan te merken. Omtrent de eigen schuld oordeelt het hof dat de in hoger beroep aangevoerde feiten niet anders zijn verwoord dan in eerste aanleg. Het oordeel van de rechtbank wordt feitelijk niet bestreden, hoogstens gaat het om de waardering van die feiten. Het hof sluit zich bij dat oordeel van de rechtbank aan, omdat het recht doet aan die feiten. Aan de behandeling van de voorwaardelijke derde grief komt het hof niet toe. Het hof bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank. 09-12-2025
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden In 2016 heeft een oogarts van een dagbehandelcentrum een ooglaserbehandeling aan beide ogen van een man uitgevoerd. Hierna ondervond de man klachten. In een tussenarrest heeft het hof geconcludeerd dat de oogarts niet heeft voldaan aan de wettelijke informatieplicht en dat er is tekortgeschoten in de uitvoering van de behandelingsovereenkomst. In het tussenarrest heeft het hof overwogen dat bij de man niet ter discussie staat dat er bij hem sprake is van het drogeogensyndroom en dat zijn klachten daaruit voortvloeien. In de akte na tussenarrest van de zijde van de oogarts wordt betoogd dat dit wel ter discussie staat. De betwisting van de oogarts is van onvoldoende gewicht tegenover de weergegeven bevindingen van de deskundige. Het hof volgt de conclusie van deskundige dat sprake is van een matige tot ernstige keratoconjunctivitis sicca (drogeogensyndroom). Daarnaast had het hof de oogarts in het tussenarrest opgedragen te onderbouwen dat een Schirmertest bij de gelaedeerde geen toegevoegde waarde had en dat er voorafgaand aan de laserbehandeling in 2016 geen sprake was van (chronisch) droge ogen bij de man. Het hof oordeelt dat de oogarts geen adequaat antwoord heeft gegeven op de vraag waarom de test geen toegevoegde waarde zou hebben. Daarnaast volgt uit het deskundigenbericht niet dat er geen sprake was van droge ogen bij de gelaedeerde voor 2016. Gezien het voorgaande kan dan ook niet worden vastgesteld dat bij de man, ondanks het ontbreken van adequaat onderzoek daarnaar, sprake was van een normale traanfilm en traanproductie en dat geen sprake was van een (relatieve) contra-indicatie voor het uitvoeren van de laserbehandelingen. Hiermee liep de man een verhoogd risico op de ontwikkeling van het drogeogensyndroom. Het hof constateert wederom dat de oogarts tekortgeschoten is in de informatieverstrekking voorafgaand aan de behandeling en ook tekort is geschoten door het niet uitvoeren van het vereiste onderzoek naar traanfilm en traanvocht. Met betrekking tot de herbehandeling heeft het hof geoordeeld dat deze het directe gevolg is van de tekortkoming van de oogarts bij de behandeling in 2016. De toestemming die de man heeft gegeven voor deze herbehandeling in 2017 was ingegeven door de door hem gevoelde noodzaak om van de klachten na de behandeling in 2016 af te komen. Dat is niet gelukt. Dat betekent dat de oogarts gehouden is de schade die hieruit is voortgevloeid te vergoeden. Het principaal hoger beroep slaagt niet. 25-11-2025
Rechtbank
- Rechtbank Amsterdam Vervolg op massaschadezaak tegen een Amerikaanse farmaceut die als producent bepaalde getextureerde borstimplantaten heeft geproduceerd. Deze implantaten zijn in 2018 van de markt gehaald. De zaak is aangespannen door de stichting, die een groep van 60.000 personen vertegenwoordigt. Een aantal van hen ondervindt (ernstige) klachten, die bekend staan onder de naam ASIA, een auto-immuunsyndroom, en een aantal van hen heeft BIA-ALCL, een zeldzame vorm van lymfeklierkanker gekregen. De vragen die in deze procedure voorliggen, zijn of de implantaten van de farmaceut deze ASIA-klachten en/of BIA-ALCL kunnen veroorzaken en, als dat zo is, of de farmaceut daarvoor als producent van de implantaten aansprakelijk is. De rechtbank komt tot de volgende conclusies. Ten aanzien van ASIA bestaat onvoldoende grond om aan te nemen dat de klachten die de vrouwen hebben ervaren (en soms nog ervaren) worden veroorzaakt door de implantaten. Ten aanzien van BIA-ALCL luidt de conclusie dat de implantaten, na afweging van alle relevante omstandigheden, niet als gebrekkig kunnen worden beoordeeld en dat de farmaceut voldoende heeft gewaarschuwd voor de mogelijke risico’s van de implantaten, vanaf het moment dat die risico’s kenbaar waren. Bovendien heeft zij de implantaten in 2018 van de markt gehaald, op het moment dat het statistisch relevante risico tussen de implantaten en BIA-ALCL voldoende wetenschappelijk onderbouwd kon worden. De farmaceut is dus niet aansprakelijk op grond van productaansprakelijkheid, maar ook op andere juridische gronden is zij dat niet. Dit betekent dat de vorderingen in de hoofdzaak van de stichting worden afgewezen. Ook het verzoek van de stichting tot inzage in bepaalde stukken van de farmaceut, wijst de rechtbank af, met name omdat die stukken niet van invloed kunnen zijn op de beoordeling in de hoofdzaak. 17-12-2025
- Rechtbank Noord-Nederland Strafrecht. Verdachte wordt schuldig bevonden van tweemaal verkrachting, ontucht met personen beneden 16 jaar (meermaals gepleegd) en een poging daartoe, kinderpornografie vervaardigen en in bezit hebben, wederrechtelijke vrijheidsberoving, poging tot afpersing/diefstal met geweld en diefstal. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat een van de slachtoffers die zich als benadeelde partij heeft gevoegd immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen. Er is sprake geweest van wederrechtelijke vrijheidsberoving, verkrachting en poging tot afpersing/diefstal met geweld. De destijds minderjarige benadeelde werd gedwongen tot het verrichten van onbeschermde seksuele handelingen bij een willekeurig persoon. Ook werd zij hiervoor geconfronteerd met ernstig geweld. Dit alles gebeurde middenin de nacht op een desolate plek. Vanwege posttraumatische stressklachten heeft benadeelde een traumabehandeling gevolgd, die in eerste instantie na vijf maanden werd afgerond wegens de afname van klachten. Echter door een terugval in klachten is benadeelde hierna opnieuw aangemeld bij een psycholoog en zijn de therapieën en gesprekken weer hervat. Voor de bepaling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij vergelijkbare uitspraken in soortgelijke zaken en bij de zogenoemde Rotterdamse Schaal waarin smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen zijn geordend. De rechtbank acht de toewijzing van een bedrag van € 20.000 redelijk en billijk. Het overige gevorderde immateriële bedrag wordt afgewezen. 17-12-2025
- Rechtbank Rotterdam Tijdens een gymcursus is een vrouw bij de uitvoering van een balanceeroefening gevallen en heeft zij als gevolg daarvan letsel aan haar been opgelopen. De vrouw stelt dat een man hiervoor aansprakelijk is omdat hij in strijd met de instructies van de docent haar tijdens de oefening heeft losgelaten en omdat hij na het loslaten niet actief klaarstond, niet in haar buurt is gebleven en haar niet actief heeft begeleid. De man stelt dat hij de vrouw op enig moment op haar eigen verzoek niet meer heeft vastgehouden, omdat zij de balanceeroefening zonder zijn hulp wilde doen. De rechtbank oordeelt op basis van getuigenverklaringen dat de stellingen van de vrouw niet zijn bewezen en dat aansprakelijkheid van de man wegens onrechtmatig handelen niet is komen vast te staan. De vorderingen van de vrouw worden afgewezen. Daarnaast ziet de rechtbank geen aanleiding om de vrouw gelegenheid te geven nader bewijs te leveren. 10-12-2025
- Rechtbank Rotterdam Een minderjarige jongen heeft een bedrag van € 56.250 ontvangen als schadevergoeding van het Erasmus MC met een BEM-clausule. De ouders van de minderjarige vragen de kantonrechter om een machtiging te verlenen om het volledige saldo van de bankrekening van betrokkene te mogen lenen en dit geld te gebruiken als lening voor de financiering van twee winkels en drie woningen. De ouders stellen dat zij succesvolle ondernemers zijn en dat de aankoop van de panden – die is inmiddels is gedaan – hun volgende project is. Zij menen dat het investeren van het vermogen van de minderjarige in deze panden een veel hoger rendement gaat opleveren dan het geld op de bank, vanwege de huurinkomsten enerzijds en de te verwachten waardestijging van de panden anderzijds. De kantonrechter is van oordeel dat het risico dat de minderjarige zijn investering kwijtraakt als het financieel niet goed gaat met de ouders, onvoldoende is afgedekt. Er is te weinig informatie verstrekt om voldoende inzicht te krijgen in de verplichtingen en inkomsten van de holding, maar uit wat vader heeft verklaard blijkt dat de holding het geld van de minderjarige nodig heeft om haar financiële verplichtingen na te komen in verband met de financiering van de panden. De ouders hebben het geld van de minderjarige nodig om een deel van de lening die zij hebben afgesloten om de panden aan te kopen te kunnen aflossen. Hieruit leidt de kantonrechter af dat de holding een liquiditeitstekort heeft, aangezien de holding de verplichtingen kennelijk niet kan nakomen met haar eigen kasstromen. Er is dus een risico op default (wanprestatie) door de holding jegens de financier van de panden. Na default dreigt opeising van de financiering en vervolgens uitwinning (gedwongen verkoop). Bij gedwongen verkoop verhalen de (eerste) hypotheekhouders zich als eerste op de opbrengst. Hiernaast is er ook een risico dat als de (ondernemingen van de) ouders zouden failleren, hun inkomsten kunnen opdrogen, in welke situatie wederom sprake zou kunnen zijn van default. Ook in deze situatie zal naar verwachting sprake zijn van uitwinning door de financiers. De minderjarige heeft geen hypotheek, maar een simpel ‘leencontract’, waardoor voornoemde risico’s voor de minderjarige naar het oordeel van de kantonrechter te groot zijn. Dit maakt dat het niet in zijn belang is om de machtiging te verlenen. Een en ander zou mogelijk anders kunnen liggen als de minderjarige een recht van eerste hypotheek op de panden zou verkrijgen, maar dat is nu niet aan de orde. Daarmee zouden overigens de andere financiers ook akkoord moeten gaan. 04-12-2025
- Rechtbank Noord-Holland Een vrouw is betrokken geweest bij een verkeersongeval. De verzekeraar heeft de aansprakelijkheid erkend en een bedrag van € 17.000 aan schadevergoeding uitgekeerd. De vrouw stelt dat het ongeval diverse gezondheidsklachten bij haar veroorzaakt heeft. Zij vordert een voorschot van € 90.000 op de door haar geleden en nog te lijden schade en daarnaast een bedrag aan buitengerechtelijke kosten. De verzekeraar betwist het bestaan van de gestelde gezondheidsklachten en het causaal verband met het ongeval. Zij stelt dat de schade niet meer bedraagt dan de al verstrekte voorschotten. De rechtbank is van oordeel dat de hoofdpijnklachten en de pijnklachten aan de nek en de schouder aan de maatstaf van een plausibel – in de zin van: consequent, consistent en samenhangend – patroon van klachten voldoen. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat er sprake is van een causaal verband tussen het ongeval en de klachten. Gekeken dient te worden of de klachten van het ongeval tot de beperkingen leiden. De rechtbank komt tot de conclusie dat een deel van de klachten, namelijk de nek-, schouder- en hoofdpijnklachten, in juridisch causaal verband staan met het ongeval. Voor de onderrugklachten, tintelend gevoel in de armen, functioneel neurologische stoornis en psychische klachten staat het causaal verband met het ongeval niet vast. De rechtbank acht aannemelijk dat uit de klachten die vaststaan, gezien de blijvende aard ervan, in ieder geval enige beperkingen voortvloeien die van invloed zijn op haar algehele functioneren en verdienvermogen en dat de vrouw als gevolg daarvan schade lijdt. Onduidelijk is echter, bij gebrek aan een onafhankelijk deskundigenrapport van een verzekeringsgeneeskundige en (eventueel) daaropvolgend van een arbeidsdeskundige en een gespecialiseerd rekenkundige, wat de ernst en de impact van die beperkingen zijn voor onder andere het verdienvermogen en in welke mate de vrouw als gevolg daarvan schade heeft geleden. De vrouw heeft op dit punt niet aan haar stelplicht voldaan. Om deze reden oordeelt de rechtbank dat het gevorderde voorschot dient te worden afgewezen. Evenmin kan worden vastgesteld dat de schade die al is vergoed volledig is. De door de verzekeraar op dit punt gevorderde verklaring voor recht moet daarom eveneens worden afgewezen. 03-12-2025
- Rechtbank Gelderland Een moeder is gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. De moeder en haar meerderjarige kinderen hebben de Staat aansprakelijk gesteld. De Staat heeft jegens de moeder en haar meerderjarig kind aansprakelijkheid erkend voor de besluiten met betrekking tot de jaren waarvoor door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) compensatie is toegekend. De moeder en de kinderen verzoeken de rechtbank tot benoeming van een psychiater en een arbeidsdeskundige over te gaan. Zij stellen dat zij meer schade hebben geleden dan het uitgekeerde compensatiebedrag en dat sprake is van psychische klachten. Dat de toeslagenaffaire bij de moeder mogelijk heeft geleid tot psychische problematiek is voldoende toegelicht in de overgelegde aansprakelijkstelling. Ondanks dat de Staat geen verweer heeft gevoerd tegen de benoeming van een psychiater wijst de rechtbank het verzoek van de minderjarige kinderen echter af. Ten aanzien van hen is namelijk in het geheel niets concreet gesteld omtrent psychische gevolgen. Het verzoek is niet ter zake dienend. De rechtbank oordeelt dat er voldoende aanknopingspunten zijn dat de moeder inkomensschade heeft geleden als gevolg van de toeslagenaffaire, zodat een arbeidsdeskundig onderzoek daarover uitsluitsel kan geven. Wat betreft de thans meerderjarige kinderen ligt dit anders. Daaromtrent geldt dat in het geheel niet is onderbouwd dat er mogelijk schade is geleden waarvoor een arbeidsdeskundig onderzoek nodig is om deze schade en het causaal verband van deze schade met de toeslagenaffaire aan te tonen. Het arbeidsdeskundig onderzoek van de moeder zal alleen plaatsvinden als het psychiatrisch onderzoek daartoe aanleiding geeft. De rechtbank gaat over tot benoeming van een psychiater waarbij voor het onderzoek gebruik kan worden gemaakt van een psycholoog. Ten aanzien van het verzoek tot benoeming van een arbeidsdeskundige houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan. Tot slot past de rechtbank de vraagstelling van beide onderzoeken voor een deel aan. 03-12-2025
- Rechtbank Gelderland Een moeder is gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. In het kader van de hersteloperatie toeslagen heeft de Staat een forfaitaire compensatie van € 57.072 aan de moeder en haar kinderen toegekend. Daarnaast is een bedrag van € 129.513 aan aanvullende (deels immateriële) schadevergoeding toegekend. Er is bezwaar ingesteld tegen dit besluit. De moeder en de kinderen verzoeken de rechtbank tot benoeming van een psychiater en een arbeidsdeskundige over te gaan. Zij stellen dat zij meer schade hebben geleden dan wat tot nu toe aan hen is vergoed. De Staat voert aan dat er sprake is van niet-ontvankelijkheid van de moeder en de kinderen omdat gebruik is gemaakt van de bestuursrechtelijke route. De rechtbank volgt de Staat niet in dit verweer. Het enkele feit dat er al voor een bestuursrechtelijk traject is gekozen leidt niet tot een van de mogelijke afwijzingsgronden. Het feit dat in het bestuursrechtelijke traject nog niet vaststaat wat de omvang van de schadevergoeding is en dus nog niet vaststaat of het uiteindelijk in deze procedure vastgestelde bedrag toereikend is is wel relevant. Indien een deskundigenbericht zou worden bevolen, kan aan de hand van de uitkomst daarvan op dit moment geen vergelijking worden gemaakt met dat bedrag. De moeder en de kinderen kunnen aan de hand van het deskundigenbericht geen inschatting maken van de proceskansen, terwijl de regeling waarop zij nu een beroep doen daarvoor wel bedoeld is. Dit betekent dat het door haar ingestelde verzoek prematuur is en om die reden zal worden afgewezen. De rechtbank oordeelt (ook) dat de moeder en de kinderen onvoldoende aanknopingspunten naar voren hebben gebracht om aan te kunnen nemen dat een psychiatrisch onderzoek nodig is. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de vermelding dat een van de ouders vanwege de stopzetting van de kinderopvangtoeslag moest stoppen met werken om voor de kinderen te zorgen, op zichzelf ook onvoldoende aanknopingspunten oplevert voor een arbeidsdeskundig onderzoek gericht op deze ouder. Niet valt in te zien dat de eventuele schade die daaruit volgt door middel van een kostbaar arbeidsdeskundig onderzoek moet worden onderzocht. De rechtbank wijst het verzoek af. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat als een deskundigenonderzoek zou worden gelast, verzoekers er rekening mee moeten houden dat zij – conform de hoofdregel – daarvan zelf de kosten moeten voorschieten. Niet is betwist dat er al een traject beschikbaar is voor de vaststelling van schade wegens de aansprakelijkheid van de Staat waarin de schade die is geleden door deze aansprakelijkheid civielrechtelijk wordt getoetst. Hoewel het verzoekers vrijstaat om, naast de reeds ingeslagen bestuursrechtelijke route, ook te kiezen voor een civielrechtelijke route, zorgt dit er wel voor dat er geen aanleiding is om van de hoofdregel ten aanzien van het voorschot af te wijken. 03-12-2025
- Rechtbank Gelderland Een moeder is gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. De Staat heeft aan de moeder een compensatiebedrag toegekend. De kinderen hebben de Staat ook aansprakelijk gesteld, de Staat heeft deze aansprakelijkheid afgewezen. De moeder en de kinderen verzoeken de rechtbank tot benoeming van een psychiater en een arbeidsdeskundige over te gaan. Zij stellen dat zij meer schade hebben geleden dan het uitgekeerde compensatiebedrag en willen de resterende schade verhalen door middel van de civielrechtelijke weg. De rechtbank oordeelt dat er voor een psychiatrisch onderzoek voldoende aanknopingspunten zijn. Voor de moeder geldt dat er voldoende aanknopingspunten zijn om een arbeidsdeskundig onderzoek te gelasten, voor de meerderjarige kinderen ligt dit anders. Daarvoor is onvoldoende onderbouwd dat er mogelijk (inkomens)schade is geleden waarvoor een arbeidsdeskundig onderzoek nodig is om deze schade en het causaal verband van deze schade met de toeslagenaffaire aan te tonen. Tot slot zullen de kosten van het onderzoek voor rekening van de Staat komen. 03-12-2025
- Rechtbank Rotterdam Deze zaak betreft de benoeming van een deskundige na een verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenonderzoek. Een dermatoloog zal een medische expertise uitvoeren in verband met de dermatologische behandeling (elektrocoagulatie vanwege een huidaandoening boven haar bovenlip) die de vrouw heeft ondergaan in 2022 in het ziekenhuis. Volgens de vrouw is die bij haar niet goed gegaan. Partijen zijn het eens geworden over de deskundige (een dermatoloog), over de vraagstelling en de kosten van het onderzoek. De rechtbank benoemt de deskundige, stelt de vraagstelling vast en beveelt het onderzoek. 03-12-2025
- Rechtbank Midden-Nederland Verzoek tot bevel voorlopig deskundigenonderzoek wordt tegelijk behandeld met een verzoek om te beslissen in een deelgeschil. Een man is in 2016 als motorrijder betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Hij heeft sindsdien lichamelijke en psychische klachten. De verzekeraar heeft namens haar verzekerde de aansprakelijkheid erkend, maar partijen komen niet tot een definitieve schadeafwikkeling. Partijen twisten onder andere over de omvang van de arbeidsongeschiktheid van de man en het verlies aan verdienvermogen. De rechtbank zal daarom een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige als deskundige benoemen. Het arbeidsdeskundig onderzoek zal na het verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsvinden. De rechtbank heeft het verzoek van de man in het deelgeschil afgewezen en geoordeeld dat daarvoor nader onderzoek door een verzekeringsgeneeskundige en een arbeidsdeskundige nodig is. 25-11-2025
- Rechtbank Midden-Nederland Deelgeschil. Na een messteek in zijn linkerarm bleef een man klachten houden aan zijn linkerschouder. Zijn huisarts heeft hem uiteindelijk verwezen naar een orthopedisch chirurg, die hem een lidocaïne-kenacort injectie in zijn schouder heeft gegeven. Kort daarna werd de man ziek. Zijn huisarts heeft hem thuis bezocht en uitgesloten dat het een (bacteriële) artritis kon zijn. Er was echter wel sprake van septische artritis en daarna een fasciitis necroticans. De man is toen geopereerd. Een van de schouderspieren in zijn linkerschouder is verwijderd. Na de operatie ontstond orgaanfalen in de nieren en ontwikkelde zich een compartimentssyndroom in de onderbenen. Ook aan zijn benen is hij geopereerd. De voetheffersspieren zijn verwijderd. De man heeft aan de operaties ernstig en blijvend letsel overgehouden. Dat het oordeel van de huisarts een fout was heeft de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van de huisarts erkend. Over wat de gevolgen van die fout zijn verschillen partijen van mening. De man is ervan overtuigd dat hij er beter aan toe zou zijn als de huisarts de fout niet had gemaakt. Volgens de huisarts zou de situatie van de man niet anders zijn geweest dan die nu is. De rechtbank gaat er onder verwijzing naar uitlatingen van de onafhankelijke deskundige van uit dat man 25-40% kans had gehad op restklachten en/of beperkingen aan de schouder en dat de andere aandoeningen en beperkingen niet zouden zijn opgetreden. Hij zou er dus beduidend beter aan toe zijn geweest dan nu het geval is. In dit deelgeschil kan de rechtbank de aard en omvang van de beperkingen die zouden resteren niet vaststellen. De man vraagt een voorschot van € 100.000 op de schadevergoeding. De informatie die nodig is om iets te kunnen zeggen over de hoogte van de schade is nu nog niet beschikbaar, maar toch vindt de rechtbank het aannemelijk dat de man meer schade lijdt dan het bedrag dat hij tot nu toe heeft ontvangen. Voor de pijnklachten die de man aan zijn schouder bleef houden werd de lidocaïne-kenacort injectie toegediend. Het idee van die injectie was dat de pijn zou (kunnen) verminderen. Anders gezegd, zonder fout was er dus niet alleen een kans dat de man geen restklachten zou hebben gehad maar ook dat de aanhoudende pijn na de lidocaïne-kenacort injectie zou zijn verminderd. De huidige situatie van de man brengt in ieder geval meer (zorg- en on)kosten met zich mee en rechtvaardigt daarnaast een hoger bedrag aan smartengeld (dan in scenario’s zonder de fout). De rechtbank bepaalt het bedrag van een aanvullend voorschot op € 25.000. 20-11-2025
- Rechtbank Gelderland In 2024 heeft de moeder van de eisende partij de auto van de eisende partij geleend, waarna een aanrijding met een bestelbus heeft plaatsgevonden. Volgens de eisende partij heeft de WAM-verzekeraar ten onrechte de aansprakelijkheid erkend en de schade aan de wederpartij vergoed. Volgens de eisende partij is niet zij, maar de wederpartij aansprakelijk voor de aanrijding. Daarnaast stelt zij dat de door de wederpartij geclaimde schade geen verband houdt met de aanrijding. Zij verwijst daarbij naar een verklaring van haar garagemonteur en de uitlating van de wederpartij zelf dat hij kort voor deze aanrijding ook al een aanrijding heeft gehad. De eisende partij is niet in de gelegenheid gesteld een contra-expertise uit te voeren zodat haar de kans op het leveren van tegenbewijs is ontnomen en haar rechtspositie is geschaad. Om die reden kan de omvang van de schade zoals gesteld door de WAM-verzekeraar volgens haar niet als vaststaand worden aangenomen en daarom niet via premieverhoging op haar worden verhaald. De rechtbank overweegt dat een WAM-verzekeraar op grond van artikel 6 WAM de schade zelfstandig en actief met de wederpartij moet regelen. De verzekeraar heeft daarbij een behoorlijke mate van vrijheid om de schade te regelen. De WAM-verzekeraar heeft op basis van het schadeaangifteformulier (SAF) de aansprakelijkheid erkend. Een door beide partijen ondertekend SAF levert grond van artikel 157 lid 2 Rv dwingend bewijs op, wat betekent dat moet worden uitgegaan van de juistheid van de gegevens op het formulier. Tegen dit dwingend bewijs staat tegenbewijs open. De moeder van de eisende partij heeft op het door haar ondertekende SAF zelf een verklaring geschreven bij de vraag ‘wie is naar uw mening aansprakelijk’. Met die verklaring geeft zij aan dat zij meent zelf aansprakelijk te zijn voor de aanrijding. Met de daarna door de eisende partij ingenomen, gewijzigde stelling dat haar moeder nog voor de haaientanden stilstond en dat de wederpartij de bocht met flinke snelheid te kort nam, heeft de eisende partij haar eerdere verklaring getracht te nuanceren, maar niet het tegenbewijs geleverd tegen het dwingend bewijs van de waarheid van de eerdere, ondertekende verklaring op het SAF. Onderbouwing voor de gewijzigde toedracht ontbreekt. De WAM-verzekeraar heeft dan ook terecht en op juiste gronden aansprakelijkheid van de eisende partij jegens de wederpartij erkend. De WAM-verzekeraar heeft de schadevergoeding gebaseerd op een expertiserapport. Over het expertiserapport moet vooropgesteld worden dat een verzekeraar in beginsel mag uitgaan van de juistheid van de bevindingen van een expert, tenzij blijkt dat de inhoud van het rapport evident onjuist is. De verklaring van de automonteur en de verder niet onderbouwde stelling dat de bestelbus van de wederpartij al oude schade had, zijn onvoldoende om aan te nemen dat het aangeleverde expertiserapport evident onjuist is. Het ging in casu om de schadevaststelling aan de bestelbus en niet de auto van de eisende partij zelf. Uit de verzekeringsvoorwaarden volgt in dat geval geen verplichting voor de WAM-verzekeraar tot het aanbieden van een contra-expertise. Evenmin volgt een verplichting daartoe uit artikel 7:959 lid 1 BW, waarin staat dat de redelijke kosten tot het vaststellen van de schade gemaakt, ten laste van de verzekeraar komen. De vorderingen van de eisende partij worden afgewezen. 15-10-2025
- Rechtbank Limburg In 2017 heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen een vrouw, die toen reed in een auto, en een man, die toen reed op een motorfiets. De man is overleden aan de gevolgen van de aanrijding. De kantonrechter heeft in 2019 in een strafzaak tegen de vrouw bewezen verklaard dat de vrouw bij het verlaten van het parkeervak naast de straat geen voorrang verleend heeft aan de motorrijder. In deze civiele procedure is onderwerp van debat of de verzekeraar van de motorrijder gehouden is schade te vergoeden aan de vrouw voor de schade die zij stelt geleden te hebben als gevolg van de aanrijding. Volgens de vrouw reed de motorrijder te hard en is de aanrijding mede aan de verkeersfout van de motorrijder te wijten. De rechtbank oordeelt dat de feiten en omstandigheden die de vrouw naar voren brengt niet voldoende aannemelijk zijn geworden. Het inschatten van een snelheid door derden, die zich op het moment van voorbijrijden van de motoren niet voortbewogen in een auto of op een motor, is al lastig, waarbij het (harde) geluid van de uitlaatpijpen de inschatting van de snelheid ook onbewust beïnvloed kan hebben. Dat maakt dat de getuigenverklaringen met een zekere behoedzaamheid beoordeeld moeten worden. De juistheid van de stelling van de vrouw dat de motorrijder te hard gereden heeft binnen de bebouwde kom kan op basis van de bewijsstukken niet aangenomen worden. Dat betekent dat evenmin vastgesteld kan worden dat de aanrijding mede door toedoen van een verkeersfout van de motorrijder is ontstaan. Het gevolg is dat de vorderingen van de vrouw zullen worden afgewezen. 23-04-2025
- Rechtbank Midden-Nederland Een vrouw is op 3 december 2019 betrokken geweest bij een verkeersongeval met een auto. Hoewel de verzekeraar de aansprakelijkheid erkent, zijn partijen het niet eens over de omvang van de schade en het causaal verband tussen het ongeval en de gezondheidsklachten van de vrouw. Er ligt een verzoek tot benoeming van een deskundige bij de rechtbank, maar de vrouw stelt dat zij ook buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt en wil deze door de verzekeraar vergoed zien. De kantonrechter komt tot de conclusie dat aan de eerste redelijkheidstoets is voldaan. Bij de beoordeling van de vraag of de hoogte van de kosten redelijk is, is in de jurisprudentie het uitgangspunt dat het enkele feit dat de schade nog niet vaststaat, of als uiteindelijk komt vast te staan dat de geleden schade beperkt is, op zichzelf geen reden is om in redelijkheid gemaakte kosten niet te vergoeden. De kantonrechter oordeelt dat de totale tijdsbesteding redelijk is maar dat het gehanteerde uurtarief niet redelijk is. De kantonrechter gaat uit van de tarieven die de verzekeraar heeft voorgesteld. Voor juridische werkzaamheden wordt een uurtarief van € 150 uur redelijk geacht en voor administratieve werkzaamheden een uurtarief van € 50. Tot slot oordeelt de kantonrechter dat de omvang van de medische voorschotten te hoog is en deze daarom ook zal matigen. Een uurtarief van € 240 voor de medisch adviseur wordt gematigd tot € 180 per uur. 17-01-2024