Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting NL-POMS zuid c.s./De Staat der Nederlanden (Ministerie van Defensie)
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 10 maart 2020
ECLI:NL:GHSHE:2020:871

Werkgeversaansprakelijkheid Staat. Vier ambtenaren zijn tijdens hun werk blootgesteld aan chroom-6. Zij hebben ook aandoeningen/ziekteverschijnselen die mogelijk zijn veroorzaakt door blootstelling aan chroom-6. Er is voldaan aan de eisen van werkgeversaansprakelijkheid (schending zorgplicht en csqn-verband). Ze vorderen immateriële schadevergoeding omdat de Staat zijn informatieplicht zou hebben geschonden. Werknemers werden namelijk niet op de hoogte gesteld van de gevaren van chroom-6, waardoor zij geen maatregelen hebben kunnen nemen. Zij baseren hun vordering op angstschade, ze menen dat sprake is van ‘aantasting van persoon op andere wijze’. Het hof is van oordeel dat niet valt in te zien waaruit deze angst bestaat, nu juist de wetenschap van blootstelling aan chroom-6 voor angst zal zorgen. Het hof wijst de vordering daarom af. Groepsactie door de stichting is niet-ontvankelijk.

Werkgeversaansprakelijkheid Staat. Vier ambtenaren zijn tijdens hun werk blootgesteld aan chroom-6. Zij hebben ook aandoeningen/ziekteverschijnselen die mogelijk zijn veroorzaakt door blootstelling aan chroom-6. Er is voldaan aan de eisen van werkgeversaansprakelijkheid (schending zorgplicht en csqn-verband). Ze vorderen immateriële schadevergoeding omdat de Staat zijn informatieplicht zou hebben geschonden. Werknemers werden namelijk niet op de hoogte gesteld van de gevaren van chroom-6, waardoor zij geen maatregelen hebben kunnen nemen. Zij baseren hun vordering op angstschade, ze menen dat sprake is van ‘aantasting van persoon op andere wijze’. Het hof is van oordeel dat niet valt in te zien waaruit deze angst bestaat, nu juist de wetenschap van blootstelling aan chroom-6 voor angst zal zorgen. Het hof wijst de vordering daarom af. Groepsactie door de stichting is niet-ontvankelijk.

Werkgeversaansprakelijkheid Staat. Vier ambtenaren zijn tijdens hun werk blootgesteld aan chroom-6. Op grond van een RIVM-rapport staat vast dat deze vier personen tijdens hun werkzaamheden direct zijn blootgesteld aan chroom-6 alsook dat bij alle vier sprake is ziekten/aandoeningen die mogelijk kunnen zijn veroorzaakt door chroom-6. Daarmee is door de Staat niet alleen erkend dat door de blootstelling aan chroom-6 jegens deze vier personen de zorgplicht als werkgever is geschonden, maar is ook het causaal verband – in de zin van csqn-verband – tussen die blootstelling en de schade erkend. Aldus is voldaan aan de vereisten voor aansprakelijkheid van de Staat als werkgever. De ambtenaren vorderen immateriële schadevergoeding omdat de Staat zijn informatieplicht zou hebben geschonden. Werknemers werden namelijk niet op de hoogte gesteld van de gevaren van chroom-6, waardoor zij geen maatregelen hebben kunnen nemen. Zij baseren hun vordering op angstschade, ze menen dat sprake is van ‘aantasting van persoon op andere wijze’. Het hof is van oordeel dat niet valt in te zien waaruit deze angst bestaat, nu juist de wetenschap van blootstelling aan chroom-6 voor angst zal zorgen, en niet de onwetendheid. Het hof wijst de vordering daarom af. Verder verklaart het hof de Stichting, die opkomt voor de belangen van de ambtenaren, niet-ontvankelijk in haar vorderingen. De Stichting baseert haar vorderingen op de groepsactie van artikel 3:305a BW, maar naar het oordeel van het hof heeft de Stichting onvoldoende onderbouwd dat sprake is van gelijksoortige belangen. Daarbij is van belang dat een verklaring voor recht wordt gevorderd ten aanzien van eenieder die op de POMS-sites werkzaam is geweest, ongeacht functie en dus ook ongeacht mate en duur van blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Aldus is de vordering onvoldoende concreet en onvoldoende bepaald.