Naar boven ↑

mr. J.A.A. van Beek

Joost van Beek heeft de master Privaatrecht afgerond aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Op dit moment is hij werkzaam op de sectie Letselschade van Asselbergs & Klinkhamer Advocaten.

Rechtspraak

PS 2026-0300

Een juridisch adviesbureau op het gebied van letselschade voor slachtoffers heeft een man bijgestaan naar aanleiding van een verkeersongeval waarbij hij letsel heeft opgelopen. Deze man en de verzekeraar van de tegenpartij hebben een vaststellingsovereenkomst ondertekend. Het adviesbureau stelt dat de man zijn vordering op de verzekeraar tot betaling van buitengerechtelijke kosten aan het bureau heeft gecedeerd. Het bureau heeft buitengerechtelijke kosten gemaakt en hiervoor facturen aan de verzekeraar verzonden. De verzekeraar heeft deze facturen meermaals niet tijdig en/of volledig voldaan. Het bureau vordert nu dat de kantonrechter de verzekeraar veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 280,32 aan wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de proceskosten. De verzekeraar voert verweer: de man heeft nooit buitengerechtelijke kosten aan het bureau betaald en op dit punt dus ook geen schade geleden. Verder heeft er geen rechtsgeldige cessie door de man aan het bureau van de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten plaatsgevonden. De reden hiervoor is dat de man geen vordering op de verzekeraar had en deze wegens het ontbreken van beschikkingsbevoegdheid dus ook niet aan het bureau kon overdragen. Bovendien is de vordering niet met voldoende bepaalbaarheid omschreven en is de vordering tot betaling van wettelijke rente evenmin een nevenrecht. Daarnaast is pas na totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst mededeling van de cessie aan de verzekeraar gedaan, maar toen had de man al finale kwijting aan de zorgverzekeraar verleend. Partijen willen antwoord op de vraag of professionele belangenbehartigers, die de vordering van een benadeelde tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten aan zichzelf laten cederen, wettelijke rente kunnen vorderen als de verzekeraar deze kosten niet tijdig voldoet. De kantonrechter is van oordeel dat dit in dit geval niet mogelijk is. De kantonrechter is van oordeel dat in voldoende mate duidelijk is dat voor het ontstaan van een schadevergoedingsvordering in de vorm van buitengerechtelijke kosten vereist is dat daadwerkelijk buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt. Verder is ook in voldoende mate duidelijk dat de overdracht van een nog niet ontstane vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten pas tot stand komt na het ontstaan daarvan. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding om op deze punten verduidelijking aan de Hoge Raad te vragen en ziet daarom af van het stellen van prejudiciële vragen.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 15-04-2026