Naar boven ↑

mr. I.K. Verhoeks

Nicolien Verhoeks is advocaat bij Marree & Dijxhoorn Advocaten te Amersfoort.  Zij voltooide de Master A&V aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Rechtspraak

PS 2026-0149

In 2018 heeft een ongeval plaatsgevonden tussen een Kia Picanto en een Renault Megane. De Renault is met de rechtervoorzijde gebotst op de linkerachterzijde van de Kia Picanto die op de linkerwegstrook reed en krachtig had afgeremd. In eerste aanleg is geoordeeld dat de WAM-verzekeraar van de Kia Picanto aansprakelijk is voor de schade ontstaan uit het ongeval en de rechtbank heeft haar veroordeeld om de betalingen die de WAM-verzekeraar van de Renault Megane al heeft gedaan naar aanleiding van het ongeval terug te betalen. In hoger beroep wordt er gesteld door de WAM-verzekeraar van de Kia Picanto dat er sprake was van een onvermijdelijke noodstop als gevolg van het feit dat een hond de weg overstak. Het hof is het eens met het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken van de noodzaak om een noodstop te maken op een snelweg waar beide auto’s met een snelheid van 130 kilometer per uur reden. Het enkele feit dat er een hond op of in de buurt van de weg liep is daartoe niet voldoende. Plotseling hard remmen en (vrijwel) tot stilstand komen op een autosnelweg waar met hoge snelheid wordt gereden is gevaarlijk rijgedrag en in beginsel onrechtmatig, tenzij komt vast te staan dat er in redelijkheid geen andere mogelijkheid bestond. Daarvan is hier niet gebleken. De bewijslast rust op de partij die zich op deze uitzondering beroept. Er zijn echter geen feiten en omstandigheden gesteld of gebleken waaruit de noodzaak als vorenbedoeld kan volgen. Uit de omstandigheden dat de bestuurder van de Kia Picanto niet over een geldig rijbewijs beschikte en alcohol had gedronken (volgens zijn verklaring bij de politie een uur voor het ongeval twee blikjes bier) leidt het hof bovendien (los van het vorenstaande) het vermoeden af dat aannemelijk is dat deze bestuurder gevaarlijk dan wel onvoorzichtig rijgedrag heeft vertoond, waardoor het ongeval is veroorzaakt en de WAM-verzekeraar te weinig heeft gesteld om dit vermoeden te ontzenuwen. Het hof is het ook eens met de verwerping van de rechtbank van het beroep op eigen schuld van de bestuurder van de Renault. Omdat de bestuurder van de Renault werd geconfronteerd met een plotseling zeer hard remmende Kia kan van eigen schuld van de bestuurder van de Renault geen sprake zijn. Niet gebleken is dat de bestuurder, gegeven het plotseling hard afremmen op de snelweg door de Kia, onvoldoende afstand heeft gehouden of op een andere manier onvoorzichtig is geweest. Dat de bestuurder op de linkerrijbaan reed is ook geen omstandigheid die tot het aannemen van eigen schuld aanleiding kan geven. Ook het feit dat de bestuurder van de Renault een hond heeft zien lopen, levert geen grond op voor eigen schuld. Dat zou pas het geval kunnen zijn als deze bestuurder zijn rijgedrag niet tijdig heeft aangepast. Feiten die daarop zouden kunnen wijzen zijn niet gebleken. Uit de producties volgt ook niet dat de bestuurder van de Renault (heeft verklaard dat hij) al vóór de aanrijding had gezien dat er een hond op de weg liep. Het hoger beroep slaagt niet.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 29-07-2025

Rechtspraak

PS 2025-0214

Deelgeschil. Bestuurder heeft op 13 juli 2019 een verkeersongeval gehad met zijn motor. Hij heeft daar ernstig letsel aan overgehouden. In deze deelgeschilprocedure verzoekt hij de rechtbank vast te stellen dat het Waarborgfonds, dan wel een in Ierland gevestigde verzekeraar aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval en zijn schade moet vergoeden. De rechtbank wijst het verzoek van de bestuurder af. De reden daarvoor is dat de rechtbank het verzoek in strijd acht met de goede procesorde. De bestuurder heeft namelijk al eerder een dagvaardingsprocedure gestart waarin de vordering gelijk is aan het verzoek in dit deelgeschil. Die zaak is op de parkeerrol geplaatst in afwachting van het houden van voorlopige getuigenverhoren. De rechtbank acht het verzoek in het deelgeschil in strijd met het doel van de deelgeschilprocedure omdat niet is gebleken dat de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Omdat er al een dagvaardingsprocedure is opgestart acht de rechtbank het niet waarschijnlijk dat de onderhandelingen tussen partijen zullen worden opgestart/voortgezet nadat de rechtbank in het deelgeschil een beslissing heeft genomen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een beslissing op het verzoek in dit deelgeschil de dagvaardingsprocedure onnodig doorkruist. Bij een beslissing van de rechtbank in dit deelgeschil over de aansprakelijkheidsvraag wordt partijen de mogelijkheid ontnomen om dit geschilpunt in de dagvaardingsprocedure aan de rechtbank voor te leggen. Dit terwijl gedaagde partijen in de dagvaardingsprocedure nog geen antwoord hebben genomen naar aanleiding van de dagvaarding. In tegenstelling tot wat de bestuurder stelt, worden gedaagde partijen in de dagvaardingszaak daardoor benadeeld in hun juridische positie. Daarbij komt dat het de rechtbank niet duidelijk is geworden welk belang de bestuurder heeft indien zijn verzoek enkel in een deelgeschil wordt behandeld en niet in de dagvaardingsprocedure.
Rechtbank Noord-Holland, 25-03-2025

Rechtspraak

PS 2024-0281

Vrouw overlijdt anderhalf jaar later aan haar ernstige verwondingen als gevolg van een aanrijding door een automobilist op een zebrapad. De nabestaanden van de vrouw (haar kinderen) maken in deze procedure aanspraak op vergoeding van immateriële schade. Het geschil tussen de nabestaanden en de verzekeraar van de automobilist (AMS) heeft betrekking op de omvang van de immateriële schadevergoeding. Hierbij speelt tussen partijen vooral de vraag of de vrouw zich na het ongeval bewust was van wat haar was overkomen en de situatie waarin zij zich na het ongeval bevond. De rechtbank oordeelt dat gelet op de conclusie van de medisch adviseur van AMS vast is komen te staan dat de vrouw gedurende de laatste anderhalf jaar van haar leven pijn heeft gevoeld. Er was immers op momenten besef en een zich bewust zijn van sensaties. Ook als de vrouw zich gelet op haar minimale bewustzijn niet heeft beseft – in het grotere geheel – wat haar was overkomen en ook als zij de pijn die zij ervoer niet heeft kunnen plaatsen heeft zij wel pijn ervaren en dus heeft zij aanspraak (gehad) op smartengeldvergoeding. Uit de overgelegde medische gegevens, de V en V-rapportage en de bevindingen van de medisch adviseurs kan de rechtbank niet vaststellen dat de vrouw emoties kon ervaren of dat er sprake was van een bewustzijn-PLUS-status. Uit de aangehaalde voorbeelden blijkt dat zij wel fysieke gepaste bewegingen kon uitvoeren, maar zonder nadere medische onderbouwing kan de rechtbank uit deze gedragingen niet de conclusie trekken dat de vrouw naast pijn ook emoties heeft ervaren in de periode na het ongeval. Derving van levensvreugde in objectieve zin kan niet worden vastgesteld en daarom kan de rechtbank dit aspect niet meewegen in de begroting van het smartengeld. In deze zaak acht de rechtbank als vergoeding voor de immateriële schade een bedrag van € 150.000 billijk. Het voorschot van € 20.000 dient op dit bedrag in mindering te worden gebracht.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 17-05-2024