Tijdens de jaarwisseling, op 1 januari 2025, vond een aanrijding plaats tussen een motorfiets, bestuurd door een motoragent, en een voetganger. De voetganger stelt door het ongeval letsel te hebben opgelopen. De voetganger heeft de verzekeraar per brief van 23 januari 2025 aansprakelijk gesteld voor de schade die hij als gevolg van het ongeval lijdt. De verzekeraar heeft de aansprakelijkheid afgewezen. De verzekeraar voert aan dat de voetganger met gespreide armen voor de motoragent is gesprongen/gaan staan om hem de doorgang naar de wegvluchtende bestuurder van de scooter te beletten en daarbij is aangereden. Dat wordt door de voetganger betwist. Volgens de rechtbank faalt het beroep op overmacht. Er was geen sprake van een situatie met een evidente hoge urgentie of direct gevaar. Dat maakt dat van de motoragent mocht worden verwacht dat hij zich rekenschap gaf van de risico’s van een achtervolging onder deze omstandigheden in relatie tot het doel dat daarmee gediend werd. Door desondanks toch een achtervolging in te zetten en over een aanzienlijke afstand uit te voeren en dus met sterk verhoogde snelheid aan het verkeer deel te nemen, heeft de motoragent onvoldoende rekening gehouden met de niet onwaarschijnlijke aanwezigheid van voetgangers op de rijbaan vanwege de Oudejaarsnacht. Het ongeval dat vervolgens heeft plaatsgevonden, is een direct gevolg daarvan. Omdat het beroep van de verzekeraar op overmacht faalt, is zij op grond van artikel 185 WVW aansprakelijk voor de schade die de voetganger als gevolg van het ongeval lijdt. De rechtbank ziet aanleiding om de vergoedingsplicht van de verzekeraar te beperken tot 60% op grond van eigen schuld aan de zijde van de voetganger (art. 6:101 BW). Vast staat dat de voetganger zich ten tijde van het ongeval op de rijbaan bevond, terwijl op dat moment (oudejaarsnacht) een achtervolging plaatsvond door een politiemotor die optische en geluidssignalen voerde. Het beroep op de billijkheidscorrectie faalt.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 09-04-2026