Strafrecht. Veroordeling voor mensenhandel en dwang. Verdachte heeft, verspreid over verschillende periodes tussen mei 2010 en begin 2018, een verstandelijk beperkt echtpaar ertoe gebracht te dulden dat hij in hun woning verbleef en bewerkstelligd dat de man en diens vrouw boodschappen voor hem deden, zijn was deden en zijn hond verzorgden. Rechtbank overweegt dat een verklaring van een ‘Zorgcoördinator slachtoffers mensenhandel’ niet volstaat als bewijs van geestelijk letsel en dat het persoonlijke karakter van het recht op vergoeding van immateriële schade als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 BW niet zonder meer toelaat een immateriële schadevergoeding gelijkelijk over beide benadeelde partijen te verdelen. Rechtbank schat de schade die niet in vermogensschade bestaat, voor zover deze is ontstaan door de beperking van de bewegingsvrijheid en de beslissingsvrijheid van elk der beide benadeelde partijen, desondanks op een bedrag van € 4.000 per slachtoffer.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 02-01-2019