Vrachtwagenchauffeur is tijdens het lossen van buizen van een vrachtwagen met een heftruck bedolven geraakt onder de losgeraakte rollen buizen, ten gevolge waarvan hij is overleden. De partner van het overleden slachtoffer vordert in deze procedure vergoeding van de geleden en nog in de toekomst te lijden overlijdensschade. Partijen verschillen echter van mening over het antwoord op de vraag of het onderhavige geschil geschikt is voor behandeling in de deelgeschilprocedure. De rechtbank stelt vast dat partijen op meerdere onderdelen van mening verschillen. Zo verschillen partijen van mening over de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen de transportonderneming en het slachtoffer, dan wel dat slachtoffer als een zzp’er dient te worden beschouwd. Daarnaast verschillen partijen van mening over de feitelijke toedracht van het ongeval, de vraag of het slachtoffer bij het lossen van de vrachtwagen heeft gehandeld op instructie van de transportonderneming, dan wel op instructie van (de ondergeschikte van) de opdrachtgever en of sprake is van eigen schuld van het slachtoffer. Verder speelt er een dekkingsgeschil in de verhouding tussen de transportonderneming en haar verzekeraar, waar het slachtoffer in beginsel buiten staat. Kortom, het onderhavige geschil is veel te complex om in het kader van een deelgeschilprocedure ter beoordeling voor te leggen. De verzoeken worden afgewezen.
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Assen), 19-07-2024