Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

340 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0002

Deze zaak gaat over de vraag welke schade de man heeft geleden als gevolg van een medische fout van het ziekenhuis. In 2006 heeft de man zich met een mes gesneden in de tweede en derde vinger van zijn linkerhand. Bij de behandeling op de spoedeisende hulp van het ziekenhuis is diep buigpeesletsel aan deze vingers over het hoofd gezien. Het ziekenhuis heeft aansprakelijkheid voor deze medische fout erkend en de verzekeraar van het ziekenhuis heeft een bedrag van in totaal € 20.000 aan de man uitgekeerd. Volgens de man is daarmee niet zijn volledige schade vergoed. Hij stelt zich op het standpunt dat hij door het medisch onzorgvuldig handelen van het ziekenhuis zodanige fysieke beperkingen heeft dat hij geen betaalde baan heeft kunnen krijgen. Daarnaast stelt de man zich op het standpunt dat hij psychische klachten heeft opgelopen als gevolg van de moeizame schadeafwikkeling. Volgens de man belemmeren ook deze klachten hem in zijn herstel en het bekleden van een betaalde functie. Hij vordert kort gezegd dat de rechtbank voor recht verklaart dat een causaal verband bestaat tussen de medische fout van het ziekenhuis en de schade. De rechtbank oordeelt dat niet is komen vast te staan dat door de medische fout de man geen werkzaamheden kan verrichten. De reden waarom de man niet kan werken is volgens de rechtbank gebaseerd op andere omstandigheden die losstaan van de medische fout. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat de psychische klachten ontstaan zijn door de medische fout. Tot slot oordeelt de rechtbank ook dat er geen sprake is van secundaire victimisatie. De vorderingen van de man worden afgewezen.
Rechtbank Gelderland (Locatie Zutphen), 10-12-2025

Rechtspraak

PS 2025-0491

Deelgeschil. Deze procedure wordt gevoerd in verband met de buitengerechtelijke onderhandelingen tussen partijen over de letselschade die de benadeelde lijdt door een ongeval dat plaatsvond op 21 september 2022. Het COA is aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval met het golfkarretje waarmee de benadeelde is aangereden door een medewerker van het COA. De buitengerechtelijke onderhandelingen tussen partijen over de afwikkeling van de letselschade stagneren, omdat partijen van mening verschillen over de vraag of de klachten en beperkingen het gevolg zijn van het ongeval. Door partijen is gezamenlijk één medisch adviseur ingeschakeld die diverse rapporten heeft uitgebracht. Partijen twisten over de juridische uitleg van deze rapporten. De rechtbank beoordeelt de juridische causaliteit. Gebleken is dat er vermoedens zijn dat de benadeelde al eerder last had van rugklachten. Maar de rechtbank oordeelt dat bij de beoordeling van de juridische causaliteit dit in het midden kan blijven. De reeds aanwezige klachten hadden kennelijk zulke geringe gevolgen dat de benadeelde daarvan jarenlang voorafgaand aan het ongeval, geen klachten ondervond. Uit het feit dat de benadeelde direct rugklachten had, uitstralend naar zijn been, en dat zijn klachten nooit meer weg zijn geweest en naderhand (nog veel) erger werden en er (later alsnog) sprake was van een hernia, leidt de rechtbank af dat de benadeelde direct na het ongeval al last ondervond. Een andere gebeurtenis die een verklaring geeft voor de – uiteindelijk – na het ongeval ontstane hernia is er niet. De rechtbank acht dat hiermee het juridisch causaal verband tussen de klachten en beperkingen en van de benadeelde en het ongeval vaststaat. De rechtbank acht de tot op heden betaalde vergoedingen aan benadeelde in dat licht onvoldoende en komt tot een nader voorschot dat het COA dient te voldoen aan benadeelde van € 50.000.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 11-09-2025

Rechtspraak

PS 2025-0093

Een vrouw heeft op 7 februari 2022 voor 20 minuten onder een zonnebank gelegen, die op de intensieve stand stond. In de uren en dagen na het bezoek ontstonden in toenemende mate pijnklachten. Op 9 februari is zij via de huisarts naar de spoedeisende hulp gestuurd. Vanaf 10 februari 2022 tot medio maart 2022 is zij opgenomen en behandeld geweest in het Rode Kruis Ziekenhuis. Daar werd vastgesteld dat sprake was van ernstige brandwonden en dat (uiteindelijk) ongeveer 30% van haar lichaam was verbrand. In maart heeft zij daarom een huidtransplantatie ondergaan. De vrouw vordert nu een verklaring voor recht dat de zonnestudio aansprakelijk is voor de door haar geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade op grond van onder andere artikel 6:74 BW. De rechtbank is van oordeel dat de zonnestudio in de verplichting om de vrouw op een veilige manier van een zonnebank gebruik te laten maken is tekortgeschoten. De gemeten sterkte van de uv-straling van de lampen op de intensieve stand overschreed de wettelijk vastgestelde norm van 0,3 W/m2. De zonnestudio was verplicht om het huidtype van de zonnebankgebruiker te bepalen en een persoonlijk gebruiksadvies te geven, wat de zonnestudio niet heeft gedaan. De rechtbank neemt voorshands het bestaan van een causaal verband (condicio sine qua non-verband) tussen de tekortkoming en de schade – en daarmee de aansprakelijkheid van de zonnestudio – aan. De zonnestudio zal worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs om daarmee het voornoemde vermoeden te ontzenuwen.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 15-01-2025

Rechtspraak

PS 2024-0512

Student van pilotenopleiding raakt gewond bij een kettingbotsing tussen drie touringcars. De student zat op de achterbank van de middelste bus. Doordat de voorste bus onverwacht moest remmen ontstond er een kettingbotsing. Als gevolg van de botsing heeft de student rugletsel opgelopen. In deze procedure vordert hij voor recht te verklaren dat hij als gevolg van het ongeval ongeschikt is geraakt in de uitoefening van het beroep van piloot en hij als gevolg daarvan verlies aan verdienvermogen lijdt. De rechtbank staat voor de vraag of er juridisch causaal verband bestaat tussen de klachten en het ongeval. De rechtbank oordeelt dat dit het geval is. Het feit dat de student eerder een auto-ongeluk heeft gehad, eerder door zijn rug is gegaan, en er sprake is van een aangeboren afwijking aan zijn rug, kunnen volgens de rechtbank niet als omstandigheden gelden die een alternatieve verklaring kunnen vormen voor de klachten. Bij de huidige stand van zaken kan de rechtbank niet vaststellen dat de student als gevolg van het ongeval ongeschikt is geraakt voor de uitoefening van het beroep van piloot en dat hij als gevolg daarvan verlies aan verdienvermogen lijdt. Hiervoor moeten eerst de beperkingen worden vastgesteld en vervolgens moet worden vastgesteld wat de gevolgen daarvan zijn voor zijn verdiencapaciteit. De rechtbank stelt partijen in de gelegenheid in onderling overleg rapportages van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige te verkrijgen.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 09-10-2024

Rechtspraak

PS 2024-0352

Deelgeschil. Jonge vrouwen zijn op onvolwassen en gevaarlijke wijze omgegaan met een verboden BB-gun, wat heeft geresulteerd in blindheid aan een oog bij een van de vrouwen. In deze civiele procedure vordert de benadeelde dat de twee vrouwen in strijd hebben gehandeld met de Wet wapens en munitie (WWM). Strafrechtelijk staat vast dat de ene vrouw een BB-gun voorhanden had hetgeen handelen oplevert in strijd met de WWM. Het in strijd handelen met deze wettelijke norm levert in beginsel een onrechtmatige daad op jegens de benadeelde. Hoewel de andere vrouw niet strafrechtelijk is vervolgd, heeft ook zij gehandeld in strijd met de WWM, nu zij de BB-gun vanuit Polen naar Nederland heeft meegenomen. Het verweer dat niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste ex artikel 6:163 BW faalt, er is niet alleen gehandeld in strijd met de WWM maar ook in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid. In beide gevallen staat het causaal verband vast, wat leidt tot de conclusie dat beide vrouwen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door de benadeelde geleden en nog te lijden schade. Wat betreft de hoogte van het voorschot op het smartengeld, neemt de rechtbank in aanmerking dat in deze zaak niet is komen vast te staan dat de vrouwen met opzet schade hebben willen toebrengen. In de strafzaak spreekt het hof van een (mogelijke) spelsituatie. De rechtbank bepaalt, met onder andere voorgaande in aanmerking genomen, het voorschot op het smartengeld op € 12.500.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 17-07-2024