Naar boven ↑

Annotatie

mr. M.C.O. van Gerven
3 februari 2020

Rechtspraak

De invloed van de lijdensduur op de begroting van het smartengeld.

Een 75-jarige Duitse vrouw is in Nederland frontaal aangereden door een tegemoetkomende personenauto. De aansprakelijkheid wordt erkend, maar er ontstaat een geschil over de omvang van het smartengeld. Het geschil wordt in een deelgeschil aan Rechtbank Midden-Nederland voorgelegd. Volgens verzoekster heeft haar hoge leeftijd geen drukkend effect op de omvang van het smartengeld. De rechtbank is met verzoekster van oordeel dat haar hoge leeftijd en daarmee de korte duur van het lijden geen lager smartengeldbedrag tot gevolg heeft. In deze annotatie wordt ingegaan op de invloed van de duur van het lijden op de begroting van het smartengeld.

Duur van het lijden

Een slachtoffer heeft op grond van artikel 6:106 BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding in (onder meer) het geval het slachtoffer lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dit recht op smartengeld bevat twee hoofdfuncties: ten eerste compensatie voor het aangedane leed en ten tweede genoegdoening aan het slachtoffer doordat van de aansprakelijke partij een opoffering wordt verlangd (TM, PG Boek 6, p. 377). In de hier besproken uitspraak staat de omvang van de smartengeldvergoeding ter discussie. De omvang moet naar billijkheid worden bepaald. Dit is een ruime en daardoor onduidelijke norm, die in de rechtspraak enigszins is begrensd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat bij begroting van het smartengeld rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, waaronder enerzijds de aard van de aansprakelijkheid en anderzijds de aard, de duur en de intensiteit van de pijn, het verdriet en de gederfde levensvreugde die voor het slachtoffer het gevolg zijn van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust. Zie Hoge Raad 8 juli 1992, NJ 1992/714 (AMC/O.), Hoge Raad 17 november 2000, NJ 2001/215 (Druijff/Bouw) en Hoge Raad 20 september 2002, NJ 2004/112 (Coma).

Er moet dus ook rekening worden gehouden met de duur van de pijn, van het verdriet en van de gederfde levensvreugde. Rechtbank Midden-Nederland betrekt de duur van het lijden bij haar begroting, maar geeft aan dat in dit geval de (hoge) leeftijd van verzoekster en daarmee de duur van het lijden geen significante invloed heeft op de omvang van de vergoeding, in die zin dat die vergoeding lager zou moeten uitvallen omdat sprake is van een beperkte lijdensduur. De rechtbank geeft hierbij aan dat de gevolgen van het ongeval een grote impact hebben op de wijze waarop verzoekster haar dagelijkse leven invulde. Verzoekster haalde voor het ongeval veel levensgeluk uit actieve en sportieve activiteiten, zoals skiën, bergwandelen, fietsen, turnen en atletiek. De blijvende beperkingen verhinderen haar leven nog op die manier in te richten. De rechtbank is van oordeel dat het een redelijke verwachting is dat verzoekster nog een significant aantal jaren in kwalitatief goede gezondheid had kunnen leven als het ongeval niet had plaatsgevonden, waarin actief bezig zijn en sportieve activiteiten een grote rol gespeeld zouden hebben. Dat is haar door het ongeval ontnomen.

De rechtbank is van oordeel dat de hoge leeftijd van verzoekster geen drukkend effect heeft op de hoogte van de smartengeldvergoeding. Een punt van kritiek hierbij is dat het om een al wat oudere vrouw gaat die, in vergelijking met een slachtoffer van 25 jaar, gedurende een kortere periode pijn, verdriet en gederfde levensvreugde zal ervaren. Anderzijds heeft verzoekster in dit geval goed onderbouwd dat zij voor het ongeval zeer actief en sportief in het leven stond en dat zij daardoor een optimale kwaliteit van leven had en een hogere levensverwachting dan gemiddelde statistische cijfers. Hierdoor is het redelijk om te verwachten dat het ongeval haar meerdere actieve jaren met een goede kwaliteit van leven heeft ontnomen, waardoor de duur van het lijden in haar geval dus niet zo beperkt is. Bij de begroting van de vergoeding in deze uitspraak speelt ook een rol dat er sprake is van ernstig tot zwaar letsel. Verder is in dit geval van belang dat sprake is van een ernstige normoverschrijding doordat de bestuurder frontaal op verzoekster is ingereden, terwijl zij zich op een van de weg afgescheiden fietspad bevond. De rechtbank heeft met deze uitspraak laten zien dat de smartengeldvergoeding niet per definitie lager zou moeten uitvallen wanneer het slachtoffer wat ouder is. Ook andere omstandigheden dan de duur van het lijden spelen een rol bij de begroting.

De uitspraak van Rechtbank Midden-Nederland vertoont gelijkenissen met de uitspraak van Rechtbank Overijssel van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RBOVE:2015:944). In deze laatste uitspraak overleed het slachtoffer na drie maanden. De rechtbank geeft aan dat de korte duur van het lijden een in aanmerking te nemen omstandigheid is, maar dat in de rechtspraak geen aanknopingspunt te vinden is voor een sterk drukkend effect op het smartengeldbedrag. Daarbij geeft de rechtbank aan dat voor de functie van genoegdoening een koppeling aan de tijdsduur van het leed minder aan de orde is. Ondanks dat het slachtoffer ‘slechts’ drie maanden te leven had, oordeelde de rechtbank dat deze korte lijdensduur geen drukkend effect heeft op de omvang van het smartengeldbedrag. Het grote verschil tussen deze uitspraak en de uitspraak van Rechtbank Midden-Nederland is de (on)zekerheid over de lijdensduur. In het geval van Rechtbank Overijssel is het slachtoffer overleden, waardoor de (korte) duur van het lijden bekend is. In het geval van Rechtbank Midden-Nederland is het slachtoffer nog niet overleden, waardoor nog onzeker is hoe lang de lijdensduur zal zijn. Verzoekster heeft voor het ongeval een gezond leven gehad, waardoor het een redelijke verwachting is dat zij nog een tijdje zal leven. Haar lijdensduur is naar verwachting dan ook niet zo kort, waardoor er – gezien de uitspraak van Rechtbank Overijssel – nog minder snel aanleiding is de smartengeldvergoeding te drukken.

In de literatuur wordt hier anders over gedacht, namelijk dat de korte duur van het lijden wel een drukkend effect heeft op de omvang van het smartengeld. Volgens Linderbergh is het redelijk dat de korte duur van het lijden een sterk drukkend effect heeft op de omvang van het smartengeld (S.D. Linderbergh, Smartengeld. Tien jaar later, Rotterdam: Rotterdam Institute of Private Law Accepted Paper Series 2008, p. 32). Als vergelijkend voorbeeld hierbij noemt hij het slachtoffer dat onmiddellijk aan zijn verwondingen overlijdt en daardoor als overledene geen aanspraak maakt op een schadevergoeding en dus ook niet op een smartengeldbedrag. De ernst van het lijden, met name het vooruitzicht van het overlijden (doodsangst en wetenschap van naderend overlijden), zal wel gewicht in de schaal leggen.

Dat de ernst van het lijden gewicht in de schaal legt blijkt uit het AMC/O.-arrest waarin een man verdriet had over het feit dat zijn levensverwachting door besmetting met aids werd verkort. De duur van het lijden werd hierdoor korter, maar de Hoge Raad overweegt dat het verdriet dat het slachtoffer heeft doordat zijn levensverwachting als gevolg van deze gebeurtenis is verkort, ook bij de begroting van het smartengeld moet worden betrokken. In het Coma-arrest ging het over een korte(re) lijdensduur als gevolg van een periode van bewusteloosheid. In die periode heeft het slachtoffer volgens de Hoge Raad geen pijn en verdriet, maar er kan wel sprake zijn van gederfde levensvreugde over die periode van bewusteloosheid. Ook over een periode die niet bewust wordt meegemaakt, waarin geen sprake is van lijden in de vorm van pijn en verdriet, kan smartengeld worden toegekend.

Behoefte aan meer duidelijkheid

De duur van de pijn, van het verdriet en van de gederfde levensvreugde is dus wel van belang bij begroting van het smartengeld, maar andere omstandigheden wegen ook mee en kunnen zelfs zwaarder wegen. Het gaat om de individuele omstandigheden van het geval van het slachtoffer. Dit lijkt bevredigend omdat hiermee werkelijke genoegdoening en compensatie voor het slachtoffer wordt nagestreefd, maar hierdoor blijft onduidelijkheid bestaan over de omvang van het smartengeldbedrag in een individueel geval. Er is behoefte aan meer duidelijkheid over wat de invloed van de duur van het lijden is op de begroting en daarmee ook op de omvang van het smartengeld.

Lindenbergh en Hebly vragen zich af op welke wijze de duur van het lijden het beste bij de begroting van het smartengeld kan worden betrokken: ‘Kan het als een wat “vage” omstandigheid worden meegewogen bij het billijkheidsoordeel, of ligt een meer rekentechnische variant (zoals de kapitalisatiemethode) voor de hand waarin aan de (geschatte) duur van het lijden op een concrete wijze uiting wordt gegeven?’ (S.D. Lindenbergh & M.R. Hebly, ‘Schadebegroting en tijdsverloop’, Preadvies Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, Den Haag: Boom juridisch 2016, p. 350). Vooralsnog is onduidelijk in hoeverre in een concrete situatie de lijdensduur van invloed is op de begroting van het smartengeld. Om deze en andere onduidelijkheden op het gebied van smartengeldbegroting weg te nemen is de Werkgroep Modernisering Vaststelling Smartengeld in het leven geroepen. Deze werkgroep is in mei 2016 opgeheven en omgezet in een denktank, waarin de letselschadebranche, rechterlijke macht en wetenschap vertegenwoordigd zijn. Ik hoop dat deze denktank een zelfde baanbrekende werking zal hebben als de denktank overlijdensschade, in die zin dat de resultaten bijdragen aan een snelle afwikkeling en aan transparantie voor slachtoffers. Het begroten van de omvang van een smartengeldvergoeding blijft maatwerk, maar mogelijk kan hier meer richting aan worden gegeven.