Paul_blok_kader

Paul Blok is advocaat-stagiair bij BVD Advocaten te Veenendaal.

Yoni_bosschaart_kader

Yoni Bosschaart is werkzaam bij Aantjes Zevenberg Advocaten.

Janet_van_de_bunt_kader

Janet van de Bunt is als wetenschappelijk medewerker verbonden aan Holla advocaten bij de sectie Aansprakelijkheid, verzekering en vervoer.

Michou_dessing_kader

Michou Dessing werkt vanaf 2017 als advocaat bij advocatenkantoor Schyns in Utrecht. Daarvoor was zij advocaat bij SAP Letselschade Advocaten te Amersfoort.

Melissa_de_groot_kader

Melissa de Groot is sinds augustus 2015 als student-assistent verbonden aan de sectie Burgerlijk Recht. Zij ondersteunt docenten, hoogleraren en andere leden van de sectie bij het verrichten van onderwijs en onderzoek.

Evelien_engelhard_kader

Evelien Engelhard verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam als promovenda bij de sectie Burgerlijk Recht.

Marlou_van_gerven_kader

Marlou van Gerven is advocaat bij SAP Letselschade Advocaten.

Marnix_hebly_kader

Marnix Hebly is sinds begin 2012 werkzaam in het privaatrechtelijk onderwijs en onderzoek. 

Jasper_keizer_kader

Jasper Keizer is advocaat bij SAP Letselschade Advocaten te Amersfoort

Siewert_lindenbergh_kader

Siewert Lindenbergh is als hoogleraar privaatrecht werkzaam aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Cas_michiels_kader

Cas Michiels is sinds september 2016 werkzaam als student-assistent binnen de sectie Burgerlijk Recht aan de Erasmus School of Law.

Jorian_van_oel_kader

Jorian van Oel is advocaat-stagiair bij SAP Letselschade Advocaten.

Marit_rijndorp_kader

Marit Rijdorp rondde in juli 2016 de bachelor Rechtsgeleerdheid af aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam. Per september 2016 is ze gestart met de master Rechtsgeleerdheid, variant Privaatrecht. 

Chantal_van_der_roest

Chantal van der Roest is advocaat bij SAP Letselschade Advocaten te Amersfoort.

Ronna_rutten_kader

Ronna Rutten is werkzaam als advocaat bij Van Traa Advocaten N.V.

Aster_schreuder_kader

Aster Schreuder is sinds september 2014 werkzaam aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, eerst als docent en nadien als promovenda.

Maartje_verheijden_kader

Maartje Verheijden is werkzaam als advocaat bij V&A Advocaten.

Nicolien_verhoeks_kader

Nicolien Verhoeks is advocaat bij Marree & Dijxhoorn Advocaten te Amersfoort.

Hilde_verweij_kader

Hilde Verweij-Hoogendijk is sinds augustus 2015 als wetenschappelijk docent verbonden aan de sectie Burgerlijk Recht van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Zij is coördinator van de master Aansprakelijkheid en Verzekering en de minor Dood en Letsel voor Bachelor 3- studenten.

Ilona_van_der_zalm_kader2

Ilona van der Zalm is als wetenschappelijk docent en onderzoeker werkzaam aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Madelon_zweep_kader

Madelon Zweep is juridisch medewerker bij Ploum.

 

Annotaties PS 2016-0161

M.R. Hebly | 11-11-2016

Schadebeperkingsplicht geschonden: bekorting looptijd schade?


Download pdf

Lees ook de rechtspraak: Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao 23-05-2016


Marnix_hebly

Schadebeperkingsplicht geschonden: bekorting looptijd schade?

In deze annotatie wordt ingegaan op het oordeel van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao dat, nu het slachtoffer zich niet actief heeft opgesteld om te revalideren en eventuele restverdiencapaciteit te benutten, de looptijd van de arbeidsvermogensschade moet worden bekort. Op welke wijze dient het niet voldoen aan de schadebeperkingsplicht te worden gesanctioneerd? En is het oordeel van het Gerecht in dat licht gelukkig gemotiveerd?

In maart 2012 loopt het slachtoffer als bestuurder van een motorfiets letsel op bij een verkeersongeval. Het ongeval was te wijten aan een verkeersfout van een derde, van wie de verzekeraar de aansprakelijkheid heeft erkend. Als gevolg van het opgelopen letsel ondervindt het slachtoffer beperkingen. Hij stelt daardoor zijn werk niet meer te kunnen uitoefenen. Het slachtoffer was ten tijde van het ongeval 43 jaar oud. De verzekeraar betwist onder meer de gestelde omvang van de schade en voert het verweer dat het slachtoffer niet aan zijn schadebeperkingsplicht zou hebben voldaan. Met betrekking tot dat laatste punt stelt het Gerecht vast dat is gesteld noch gebleken dat het slachtoffer in de vier jaren die zijn verstreken sinds het ongeval inkomsten uit arbeid heeft verworven, dan wel dat het slachtoffer daartoe in staat was enerzijds, dan wel dat hij zich heeft ingespannen om de eventuele restverdiencapaciteit om te zetten in loonvormende arbeid anderzijds. Het Gerecht stelt (mede op basis van een deskundigenrapport) vast dat het slachtoffer zich ‘op zijn zachts gezegd niet actief heeft opgesteld om te revalideren en eventuele restverdiencapaciteit te benutten’.

Naar het oordeel van het Gerecht dient dat door te werken in de looptijd van de schade. Indien het slachtoffer tot zijn zestigste zou hebben doorgewerkt, heeft de schade een looptijd van zeventien jaar. Het Gerecht overweegt dat indien zeven jaar daarvan voor zijn eigen rekening blijft, er een looptijd van tien jaar resteert, en het acht deze uitkomst redelijk.

Het oordeel van het Gerecht is vooral op dit laatste punt interessant. Het laat zien op welke wijze een schending van de zogenoemde schadebeperkingsplicht, die in het kader van artikel 6:101 BW wordt geplaatst, kan worden gesanctioneerd (overigens spreekt het Gerecht hier niet met zoveel woorden van dat specifieke leerstuk). Plicht zou men tussen aanhalingstekens kunnen plaatsen, omdat op de benadeelde niet zozeer een rechtens afdwingbare verbintenis rust tot handelen. Het gaat bij de schadebeperkingsplicht steeds om de vraag of de schade die uit het niet handelen van de benadeelde voortvloeit deels of geheel door het slachtoffer zelf moet worden gedragen (vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2013/125). De grenzen van de verplichting van de benadeelde tot beperking van de schade worden door de redelijkheid bepaald, waarbij de concrete omstandigheden van het geval steeds in belangrijke mate bepalend zijn. Bij het beoordelen van het gedrag van de benadeelde mag men bovendien niet uit het oog verliezen dat het de dader is geweest die de benadeelde in een positie geplaatst heeft, die hem tot schadebeperkend handelen ‘verplichtte’ (zie Boonekamp, in: GS Schadevergoeding, artikel 6:101 BW, aant. 5.5.2 (laatst bijgewerkt 20 februari 2016) voor verdere verwijzingen). Dat gaat overigens niet zo ver dat bij door de dader opzettelijk toegebrachte schade op de benadeelde geen schadebeperkingsplicht zou rusten. Het gaat erom wat op het tijdstip waarop de maatregel genomen moest worden redelijk was, en niet om wat achteraf bezien het beste was (vgl. reeds HR 21 november 1940, NJ 1941/425, van annotatie voorzien door Scholten, die bovendien verdedigt dat de benadeelde ‘vrijuit’ zou moeten gaan als hij subjectief te goeder trouw handelt). De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot de schadebeperkingsplicht rusten in het algemeen op de gedaagde (dader).

Het gaat in deze casus om schade ten gevolge van een ongeval die reeds is ingetreden en die wordt vergroot doordat de benadeelde zich niet actief heeft opgesteld om te revalideren en zijn eventuele restverdiencapaciteit te benutten. Men zou dus kunnen zeggen dat de omvang van de schade door het niet handelen van de benadeelde is toegenomen. Het gaat hier dus niet om de situatie waarin door een handeling van de benadeelde het causale verband wordt ‘verbroken’ tussen de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust en de schade die van die handeling het gevolg is. Wanneer men – zoals het Gerecht hier doet, echter niet met zoveel woorden – eenmaal heeft vastgesteld dat niet is voldaan aan de schadebeperkingsplicht, dan rijst de vraag hoe dit zijn weerslag moet hebben op de omvang van de verbintenis tot schadevergoeding.

Ik zou een iets andere benadering voorstaan dan die het Gerecht hier hanteert. Problematisch vind ik dat het Gerecht hier een aantal (toekomstige) jaren aan arbeidsvermogensschade voor rekening van de benadeelde laat komen, zonder te motiveren om welke jaren dat precies gaat. Dit wordt gebaseerd op de vaststelling van wat er is gebeurd – of eigenlijk niet is gebeurd – in de vier reeds verstreken jaren. Mijns inziens moet de vraag naar de looptijd van de schade als een onderdeel van de begroting van de schade worden aangemerkt, en staat die vraag in principe los van de (normatieve) vraag hoe groot de schade in redelijkheid had mogen zijn. Deze laatste vraag moet mijns inziens pas een rol spelen bij de bepaling van de omvang van de vergoedingsplicht die op de aansprakelijke rust. Dat in de regel de schade als zodanig maatgevend is voor de vergoedingsplicht (de schade wordt in beginsel immers volledig vergoed), mag niet al te snel leiden tot een onderlinge ‘uitwisseling’ van de schadevraag en de vergoedingsvraag. Het lijkt mij daarom het meest zuiver om eerst de schade als zodanig te begroten – zoals het Gerecht ook lijkt te doen door aanvankelijk uit te gaan van een looptijd van zeventien jaar – en vervolgens de vraag te beantwoorden of er grond is om de vergoedingsplicht in omvang te verminderen, in dit geval wegens het niet voldoen aan de schadebeperkingsplicht. Hoe dan? Door de situatie van de benadeelde te vergelijken met de situatie zoals die vermoedelijk zou zijn geweest wanneer aan de schadebeperkingsplicht wel zou zijn voldaan. Dat laatste moet immers een ‘toename’ van de schadeomvang als gevolg hebben gehad, en de dader is dan niet of slechts gedeeltelijk aansprakelijk voor die ‘extra schade’ (vgl. A.R. Bloembergen, Schadevergoeding bij onrechtmatige daad, Deventer: Kluwer 1965, nr. 276). Dat betekent dat een concrete invulling moet worden gegeven aan de inhoud van de schadebeperkingsplicht en aan de omvang die de ‘extra schade’ binnen die vergelijkingsmaatstaf heeft. De mijns inziens relevante vraag in welke ‘gunstiger’ – of beter is wellicht: minder ongunstige – positie het slachtoffer nu eigenlijk zou hebben verkeerd als hij niet zou zijn tekortgeschoten in de schadebeperkingsplicht, lijkt hier volledig buiten beschouwing te blijven. De hypothetische situatie zonder tekortkoming in de schadebeperkingsplicht. De vergelijking daarmee kan overigens tot dezelfde uitkomst leiden, namelijk dat de duur van de schade inderdaad beperkt zou zijn gebleven tot de door het Gerecht beoogde tien jaar wanneer wel aan de schadebeperkingsplicht zou zijn voldaan. Die uitkomst acht ik dan evenwel deugdelijker gemotiveerd.